Begrippenlijst
Begrippen van A tot Z
1218 begrippen uit alle geschreven hoofdstukken. Hetzelfde woord kan op meerdere niveaus voorkomen: de uitleg groeit mee.
#
- (s,t)-grafiek F14
- Grafiek met de tijd horizontaal en de afgelegde weg (of de plaats) verticaal. Hoe steiler, hoe sneller.
A
- aan/uit-regeling F25
- Regeling die een actuator helemaal aan of helemaal uit zet, afhankelijk van of een meting boven of onder een drempel ligt.
- aangrijpingspunt F11
- Het punt waar een kracht op een voorwerp inwerkt; daar begint de krachtpijl.
- aanzicht F31
- Tekening van een voorwerp zoals je het ziet als je er loodrecht op één zijde naar kijkt.
- abiotische factor F28
- Een invloed van de niet-levende omgeving: licht, temperatuur, water, bodem, lucht.
- absolute druk I11
- De druk gemeten vanaf het vacuüm: overdruk plus atmosferische druk.
- absolute druk E14
- De echte druk, gemeten tegenover vacuüm. Een manometer toont meestal de overdruk: absolute druk min de luchtdruk.
- absolute fout I1
- De fout in dezelfde eenheid als de meting, genoteerd als in .
- absoluut nulpunt F6
- De laagst mogelijke temperatuur, −273,15 °C: de deeltjes bewegen dan zo weinig als mogelijk.
- absoluut nulpunt F16
- De laagst mogelijke temperatuur, 0 K of −273,15 °C: de deeltjes bewegen zo weinig als maar kan.
- abstractie F22
- Alleen de gegevens overhouden die voor het probleem tellen, en de rest weglaten.
- acceptatieboek E49
- Overzicht van eis, bewijs, besluit en nog vereist onderzoek.
- acclimatie E29
- Door de eerdere omgeving veranderde fysiologische reactie.
- ACL E37
- Regels die bepalen welke identiteit op welke topics mag lezen of schrijven.
- actiedrempel E42
- Scoregrens waarboven een vooraf afgesproken handeling volgt.
- actief centrum I34
- De plek van een enzym waar het substraat precies in past en de reactie gebeurt.
- actief implantaat E33
- Ingebracht hulpmiddel met een actieve meet-, verwerkings- of stimulatiefunctie.
- actief vermogen E20
- in watt: het gemiddelde vermogen dat werkelijk wordt omgezet.
- actieve randvoorwaarde E2
- Een ongelijkheid die in het optimum precies gelijk wordt: het optimum ligt op de grens.
- activeringsenergie I14
- De energie die nodig is om een reactie op gang te brengen.
- activeringsenergie E25
- Parameter die de temperatuurgevoeligheid van k in een Arrheniusgebied beschrijft.
- actuator F25
- Onderdeel dat een elektrisch signaal omzet in een actie: bewegen, pompen, verwarmen, licht geven.
- ADC I22
- Analoog-digitaalomzetter: zet een spanning om in een getal; op een Uno 10 bit, van 0 tot 1023, met 5 V als referentie.
- ADC (analoog-digitaalomzetter) F25
- Deel van de microcontroller dat een spanning omzet in een getal; bij 10 bits van 0 tot 1023.
- additiepolymerisatie I17
- Polymerisatie waarbij monomeren met een dubbele binding aan elkaar koppelen zonder bijproduct.
- ademhaling F29
- Het in- en uitademen van lucht (longademhaling); in elke cel gebeurt de celademhaling, waarbij zuurstof verbruikt wordt.
- ademhalingsquotiënt I34
- De verhouding tussen het aantal mol koolstofdioxide dat je uitademt en het aantal mol zuurstof dat je verbruikt.
- ademhalingsquotiënt E14
- Het aantal mol CO₂ dat je uitademt per mol O₂ die je verbruikt; hangt af van wat je verbrandt, gemiddeld ±0,85.
- ader F29
- Bloedvat dat bloed naar het hart terugvoert, met kleppen die het terugstromen verhinderen.
- adiabatisch E15
- Zonder warmte-uitwisseling (), bv. omdat het snel gaat of goed geïsoleerd is. Voor een ideaal gas geldt dan = constant.
- adsorberen F9
- Stoffen laten vastkleven aan het oppervlak van een vaste stof, zoals actieve kool.
- afbreekfout E1
- De fout van een numerieke formule omdat de stap h niet nul is; ze wordt kleiner met h.
- afgelegde weg F14
- De lengte van de hele weg die een voorwerp gevolgd heeft, met alle bochten en omwegen. Symbool .
- afgelegde weg I7
- De totale lengte van het gevolgde traject, altijd positief; bij heen en terug groter dan de verplaatsing.
- afgeleide E1
- De ogenblikkelijke veranderingssnelheid : de helling van de raaklijn in . Eenheid: eenheid van per eenheid van .
- afhankelijke variabele F2
- De grootheid die je meet om te zien of ze verandert; ze hangt (misschien) af van de onafhankelijke variabele.
- afknijpen I40
- Wat een laadregelaar doet als de batterij vol is: hij neemt minder zonnestroom af dan de panelen kunnen leveren.
- afronden F3
- Een getal inkorten tot een zinvol aantal cijfers: is het eerste weggelaten cijfer 5 of meer, dan rond je naar boven af.
- afrondingsfout E1
- De fout doordat een computer met een eindig aantal cijfers rekent (ongeveer 16 bij float); ze wordt groter bij een heel kleine stap.
- afschakelbare last I20
- Een verbruiker die het energiebeheer mag uitschakelen als er te weinig energie is, zodat de belangrijke verbruikers blijven werken.
- afschuiving F13
- Belasting waarbij twee delen langs elkaar willen schuiven, zoals een bout tussen twee platen.
- aggregatietoestand F6
- De toestand waarin een stof zich bevindt: vast, vloeibaar of gas.
- algoritme F22
- Een eindig, eenduidig stappenplan dat bij dezelfde invoer altijd tot dezelfde uitkomst leidt.
- aliasing I25
- Een signaal dat te traag bemonsterd wordt, lijkt een ander, trager signaal.
- aliasing E21
- Ononderscheidbaarheid van verschillende bronfrequenties na bemonstering.
- allocatie E47
- Verdeling van inputs en impacts over meer functies, producten of levenscycli.
- ampèremeter F19
- Meter voor stroom; staat in serie, zodat dezelfde stroom erdoor gaat.
- analoog signaal F25
- Signaal dat elke waarde binnen een bereik kan aannemen, zoals een spanning tussen 0 en 5 V.
- anode I16
- De elektrode waar oxidatie gebeurt; in een galvanische cel de minpool.
- anode E27
- Elektrode waar oxidatie plaatsvindt; het spanningsteken hangt van het bedrijf af.
- anomalie van water F7
- Water heeft zijn grootste dichtheid bij 4 °C en zet uit als het bevriest; daardoor drijft ijs.
- anti-windup E39
- Maatregel die de I-term niet verder laat groeien zolang de actuator verzadigd is.
- Antigifcentrum F5
- Dienst die je dag en nacht kan bellen bij een vergiftiging: 070 245 245.
- antiparallel E29
- Twee ketens lopen in tegenovergestelde 5′/3′-richting.
- aquaponie I36
- Vissen en planten in één waterkringloop: bacteriën zetten de ammonium van de vissen om in nitraat voor de planten.
- arbeid I9
- Energie die een kracht overdraagt langs een verplaatsing: , in joule.
- arbeid van een gas E15
- Energie die een gas overdraagt door een wand te verplaatsen: , de oppervlakte onder de kromme in het pV-diagram.
- arbeid-energiestelling I9
- De arbeid van de resulterende kracht is gelijk aan de verandering van de kinetische energie.
- arbeidsfactor E20
- ; bij sinussen . Bij vervormde stromen kleiner dan van de grondgolf.
- arm F12
- De afstand van het draaipunt tot de plaats waar een kracht aangrijpt (voor een kracht loodrecht op de hefboom).
- arm I10
- De loodrechte afstand van het draaipunt tot de werklijn van de kracht.
- artificiële intelligentie (AI) F22
- Verzamelnaam voor computersystemen die taken doen waarvoor mensen intelligentie gebruiken; de meeste moderne AI werkt met machinaal leren.
- aräometer F7
- Drijvend buisje met een schaal om de dichtheid van een vloeistof af te lezen; ook densimeter genoemd.
- atmosferische druk I11
- De druk van de lucht rondom ons, door het gewicht van de lucht erboven; op zeeniveau gemiddeld 101 325 Pa.
- atomaire massa-eenheid I12
- Eén twaalfde van de massa van een koolstof-12-atoom: .
- atoom I12
- Het kleinste deeltje van een element: een kern van protonen en neutronen met elektronen eromheen.
- atoombinding I13
- Een gemeenschappelijk elektronenpaar tussen twee atomen (meestal niet-metalen); ook covalente binding.
- atoomnummer I12
- Het aantal protonen in de kern, symbool ; het rangnummer in het periodiek systeem.
- ATP I34
- Adenosinetrifosfaat: de energiedrager van de cel. Het afsplitsen van één fosfaatgroep levert energie voor arbeid, transport en opbouw.
- autonomie I20
- Het aantal dagen dat een batterij de verbruikers kan voeden zonder dat er energie bijkomt.
B
- B-waarde I22
- Constante in het model van een NTC, in kelvin; zegt hoe sterk de weerstand met de temperatuur verandert.
- backpropagation E43
- Efficiënte toepassing van de kettingregel van verlies terug naar parameters.
- bacterie I35
- Eencellig organisme zonder celkern (prokaryoot), meestal 1 tot 5 µm groot; vermeerdert door zich in tweeën te delen.
- bandbreedte E20
- Het frequentiegebied tussen de twee punten waar het vermogen gehalveerd is (stroom 1/√2 van het maximum).
- base (Arrhenius) I15
- Stof die in water OH−-ionen vormt. Volgens Brønsted: een stof die een proton opneemt.
- baseline E45
- Een vastgelegde samenhangende versie als referentie voor bouwen en beoordelen.
- baseline E48
- Benoemde versie waartegen wijzigingen en voortgang worden beoordeeld.
- basisvorm F32
- Eenvoudige 3D-vorm waarmee je bouwt: doos, cilinder, wig, kegel, bol.
- bastvaten F27
- Buisjes van levende cellen die suikers van de bladeren naar alle delen van de plant vervoeren.
- baudrate I30
- Aantal bits per seconde op een seriële verbinding; beide kanten moeten dezelfde gebruiken.
- BCD I30
- Binair gecodeerd decimaal: elk decimaal cijfer apart in 4 bits, zoals 0x34 voor 34.
- becquerel I5
- Eenheid van activiteit: één verval per seconde (Bq).
- beduidende cijfers I1
- De cijfers van een getal die informatie over de meting dragen; nullen vooraan tellen niet mee.
- beginwaardeprobleem E4
- Een differentiaalvergelijking samen met een beginwaarde ; als netjes is, ligt de oplossing daarmee vast.
- behoud van impuls E9
- In een systeem waarop geen resulterende uitwendige kracht werkt, blijft de totale impuls constant: de inwendige krachten heffen elkaar op (derde wet).
- bemonsteringsfrequentie I25
- Hoeveel metingen per seconde een digitaal systeem van een signaal neemt.
- bepaalde integraal E3
- De limiet van de Riemann-sommen als de stroken oneindig smal worden: . Eenheid: die van maal die van .
- beperkende factor F27
- De factor die het minst beschikbaar is en daardoor de snelheid van een proces bepaalt.
- beperkende stof I14
- De beginstof die als eerste op is en daardoor bepaalt hoeveel product er ontstaat.
- beperking (constraint) I37
- Voorwaarde in een schets: geometrisch (horizontaal, evenwijdig, raaklijn, gelijk) of een maat.
- bereik F2
- Het verschil tussen de grootste en de kleinste meting; een eenvoudige maat voor hoe sterk metingen verschillen.
- bereik I1
- Het verschil tussen de grootste en de kleinste meting van een reeks.
- bereik I4
- De verzameling uitvoerwaarden die de functie op haar domein aanneemt.
- beslisboom I39
- Model dat een voorspelling maakt met een reeks ja/nee-vragen over de kenmerken; de vragen en grenzen worden geleerd uit data.
- best passende rechte I3
- De rechte die zo dicht mogelijk bij alle meetpunten ligt; met de methode van de kleinste kwadraten wordt ze uniek bepaald.
- betrouwbaarheid E46
- Kans op de afgesproken functie zonder falen gedurende een opgegeven duur en omstandigheden.
- betrouwbaarheidsinterval E6
- Interval rond een schatting dat met een vooraf gekozen methode in bv. 95 % van de herhaalde proeven de echte waarde bevat: .
- bevoegdheid E44
- De expliciet toegestane handelingen en grenzen van een systeemrol.
- bewerkingsboom I37
- De reeks bewerkingen waaruit een CAD-model is opgebouwd; een latere bewerking bouwt op een eerdere.
- bewijsgrens E49
- Het toepassingsgebied waarbinnen een berekening of proef een claim ondersteunt.
- bezinken F9
- Vaste deeltjes (of druppels) met een grotere dichtheid zakken naar de bodem van een vloeistof.
- bezwijken F13
- Het moment waarop een constructie breekt, knikt of zo ver vervormt dat ze haar taak niet meer vervult.
- bias E40
- Een systematische afwijking die niet verdwijnt door alleen veel samples te middelen.
- bias E44
- Een systematische vertekening in data, model of gebruik.
- bias in data I39
- Een scheefheid in de gegevens (wie ze verzamelde, wanneer, hoe gelabeld) die het model overneemt.
- bibliotheek (library) I29
- Kant-en-klare code voor een taak of een onderdeel, die je met #include in je programma haalt.
- binair talstelsel I25
- Talstelsel met grondtal 2: elke plaats is twee keer zoveel waard als de plaats rechts ervan.
- biogebaseerd I17
- Gemaakt uit plantaardige grondstoffen in plaats van aardolie; zegt niets over afbreekbaarheid.
- biologisch afbreekbaar I17
- Kan door micro-organismen omgezet worden in water, CO₂ en biomassa, onder bepaalde omstandigheden.
- biotische factor F28
- Een invloed van levende wezens: voedsel, rovers, concurrenten, ziekteverwekkers.
- bit I25
- Kleinste eenheid van informatie: 0 of 1. Met bits schrijf je verschillende waarden.
- bivalentiepunt E16
- De buitentemperatuur waaronder de warmtepomp alleen niet meer genoeg warmte levert en een tweede verwarming moet bijspringen.
- bladgroen (chlorofyl) F27
- De groene kleurstof in de bladgroenkorrels die licht opvangt voor de fotosynthese.
- bladgroenkorrel F26
- Groen celonderdeel waarin de plant met licht suiker maakt (fotosynthese); ook chloroplast genoemd.
- blijvende regelafwijking E39
- De fout die overblijft als alles tot rust gekomen is; bij zuivere P-regeling niet nul.
- blind meten I2
- Meten zonder te weten welke behandeling een proefeenheid kreeg; dubbelblind als ook de proefpersoon het niet weet.
- blokschema I31
- Tekening van een regelkring met blokken (regelaar, actuator, proces, sensor) en pijlen voor de signalen.
- BMS E27
- Bewakings-/beveiligingssysteem voor celspanningen, temperatuur, stroom en toegelaten batterijbedrijf.
- Bode-diagram E21
- Amplitude in dB en fase tegen logaritmische frequentie.
- brainstorm F30
- Snel en zonder kritiek zoveel mogelijk ideeën verzamelen, en voortbouwen op die van anderen.
- breadboard F24
- Insteekbord om zonder solderen te bouwen: de vijf gaatjes van een kolom (a-e of f-j) zijn verbonden, net als de gaatjes van een voedingsrail.
- broeikaseffect F16
- De opwarming van het aardoppervlak doordat broeikasgassen infrarood opnemen en een deel ervan terug naar de grond uitstralen.
- bron F18
- Onderdeel dat de lading door de kring duwt en energie levert: batterij, adapter, zonnepaneel.
- bros F10
- Breekt plots, zonder vooraf zichtbaar te vervormen, zoals glas en keramiek.
- Brownse beweging F6
- Het schokkerig bewegen van kleine korreltjes in water of lucht, doordat onzichtbare deeltjes er van alle kanten tegenaan botsen.
- buffer E26
- Mengsel met zuur- en basische voorraad dat eindige zuur/baseverstoring dempt.
- buffercapaciteit E26
- Lokale benodigde sterke-basehoeveelheid per volume en pH-verandering.
- bufferoplossing I15
- Oplossing waarvan de pH nauwelijks verandert als je er wat zuur of base bij doet; gebruikt om pH-meters te ijken.
- bug F22
- Een fout in een algoritme of programma; debuggen is die fout opsporen en verbeteren.
- buiging F13
- Belasting waarbij een onderdeel doorbuigt: de ene kant wordt samengedrukt, de andere uitgerekt.
- buigmoment E12
- Het moment dat de ene kant van een balk op de andere uitoefent; (de dwarskracht).
- buigpunt E1
- Punt waar de bolling van een grafiek omslaat; daar is de eerste afgeleide extreem en de tweede afgeleide nul.
- byte I25
- Groep van 8 bits: 256 waarden, van 0 tot 255.
C
- C/N-verhouding I35
- De massa koolstof gedeeld door de massa stikstof in organisch materiaal; voor goede compost ongeveer 25 tot 30.
- CAD F32
- Computer-aided design: ontwerpen met de computer, hier een 3D-model van een onderdeel.
- calorimeter I18
- Een goed geïsoleerd vat waarin je warmte-uitwisseling meet, bijvoorbeeld twee piepschuimbekers met een deksel.
- Campbell-diagram E11
- Grafiek van de aandrijffrequenties van een draaiende machine (1P, 2P, 3P ...) tegenover het toerental, samen met de eigenfrequenties: de snijpunten zijn de gevaarlijke toerentallen.
- capaciteit I16
- Hoeveel lading een batterij kan leveren, in ampère-uur (Ah): 1 Ah = 3600 C.
- capaciteit (van een condensator) I24
- Hoeveel lading een condensator opslaat per volt: , in farad (F).
- capaciteitstarief F21
- Deel van de nettarieven in Vlaanderen (sinds 2023) dat afhangt van je hoogste verbruiksvermogen per maand, in kW.
- Carnot-rendement E15
- Het hoogst mogelijke rendement van een warmtemotor tussen twee temperaturen: (kelvin).
- cavitatie E18
- Vormen en instorten van dampbellen bij te lage lokale vloeistofdruk.
- CCM E24
- Een schakelregime waarbij spoelstroom gedurende de hele cyclus niet nul wordt.
- cel F26
- De kleinste eenheid die zelf leeft: een zakje met een membraan, gevuld met cytoplasma, met erfelijk materiaal.
- celademhaling F27
- Het vrijmaken van energie uit glucose met zuurstof, waarbij koolstofdioxide en water ontstaan; gebeurt in alle levende cellen, dag en nacht.
- celademhaling I34
- Het afbreken van glucose met zuurstof tot koolstofdioxide en water in de cellen, waarbij ATP gemaakt wordt.
- celmembraan F26
- Het dunne vlies rond elke cel dat bepaalt welke stoffen erin en eruit gaan.
- celtheorie F26
- Alle organismen bestaan uit een of meer cellen, de cel is de bouwsteen van het leven, en elke cel ontstaat uit een andere cel.
- celwand F26
- Stevige wand van cellulose buiten het celmembraan van een plantencel; geeft vorm en steun.
- centrale differentie E1
- De numerieke benadering van , met een fout van orde .
- centrale limietstelling E6
- Het gemiddelde van veel onafhankelijke metingen is bij benadering normaal verdeeld, ook als de metingen zelf dat niet zijn.
- centrifugeren F9
- Een mengsel heel snel laten ronddraaien, zodat de deeltjes met de grootste dichtheid veel sneller naar buiten gaan dan bij gewoon bezinken.
- chemische reactie I14
- Een proces waarbij stoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan: de atomen worden anders gebonden.
- chromatografie F9
- Scheiding van opgeloste stoffen doordat een loopvloeistof ze verschillend ver meeneemt over papier.
- cirkeldiagram F4
- Een cirkel verdeeld in sectoren die samen het geheel (100 %) vormen; elke procent is 3,6°.
- classificatie E42
- Een waarneming aan een vooraf gedefinieerd label toewijzen.
- clustering E42
- Groepen zoeken op overeenkomst zonder de doelgroepen als labels aan te leveren.
- codon E29
- Drie opeenvolgende RNA-basen in een gekozen leesraam.
- combinatorische logica E23
- Uitgang volgt huidige invoer zonder opgeslagen toestand.
- common-mode E22
- Gemiddelde spanning van twee differentiële ingangen.
- communicerende vaten I11
- Vaten die onderaan verbonden zijn; een vloeistof in rust staat erin overal even hoog.
- commutatie E24
- Omschakelen van motorfasen volgens rotorpositie.
- commutator I26
- Gespleten ring op de as van een gelijkstroommotor die de stroom in de rotor elke halve draai omkeert.
- compensatie E20
- Een condensator parallel aan een inductieve belasting levert het reactieve vermogen ter plaatse, zodat de stroom uit het net kleiner wordt.
- compileren I29
- Een programma in C++ vertalen naar machinecode die de microcontroller kan uitvoeren.
- complementair filter E40
- Een combinatie van frequentiegebieden die elkaar aanvullen tot de geschatte toestand.
- complex getal E7
- Getal met (wiskundigen schrijven ); een punt of vector in het complexe vlak.
- componenten van een vector I6
- De delen van een vector langs twee loodrechte richtingen: , .
- composiet F10
- Materiaal uit twee of meer materialen die samen betere eigenschappen hebben dan elk apart, zoals gewapend beton.
- composiet I17
- Materiaal uit twee of meer materialen die samen betere eigenschappen hebben, zoals vezels in een kunststof.
- compressibiliteitsfactor E14
- : 1 voor een ideaal gas; kleiner als de moleculen elkaar aantrekken, groter als hun eigen volume telt.
- computationeel denken F22
- Een probleem zo opdelen, vereenvoudigen en beschrijven dat een computer (of een mens) het met een stappenplan kan oplossen.
- concentratie F8
- Massa opgeloste stof per volume oplossing: , meestal in g/L.
- condensatiepolymerisatie I17
- Polymerisatie waarbij bij elke koppeling een klein molecuul, meestal water, vrijkomt.
- condensator I24
- Onderdeel met twee geleiders (platen) en een isolator ertussen, dat lading en energie opslaat.
- condenseren F6
- Van gas naar vloeibaar; er gaat energie af. Zo ontstaan dauw, een beslagen spiegel en condens op een koude wand.
- condensor E16
- Warmtewisselaar waarin het koudemiddel bij hoge druk condenseert en zijn warmte afgeeft aan het water of de lucht die je verwarmt.
- conditiegetal E5
- Maat voor hoe gevoelig de oplossing van een stelsel is voor kleine fouten in de gegevens; groot betekent slecht geconditioneerd.
- conditionering E36
- Hoe gevoelig de exacte oplossing is voor een kleine wijziging van de invoer.
- constante van Faraday I16
- De lading van één mol elektronen: , of 26,8 Ah.
- consument F28
- Organisme dat andere organismen eet: planteneters, vleeseters en alleseters.
- controlegroep F2
- Een vergelijkingsgroep waarbij je de onderzochte factor niet toepast, bijvoorbeeld planten zonder meststof.
- controlegroep I2
- De groep die de gewone behandeling of geen behandeling krijgt, als vergelijkingspunt voor de proefgroep.
- COP E16
- Coefficient of performance: nuttige warmte gedeeld door de toegevoerde arbeid. Verwarmen: ; koelen: . Hoogstens bij verwarmen.
- corrosie F10
- Aantasting van een metaal door zijn omgeving, zoals het roesten van ijzer in vochtige lucht.
- corrosie I16
- Aantasting van een metaal door een redoxreactie met zijn omgeving, zoals roesten van ijzer.
- cosinus I6
- In een rechthoekige driehoek: aanliggende rechthoekszijde gedeeld door de schuine zijde, .
- coulombteller E3
- Meet de stroom van een batterij en telt (integreert) hem op tot lading, om de laadtoestand te kennen.
- coëfficiënt I14
- Het getal vóór een formule in een reactievergelijking: hoeveel deeltjes (of mol) van die stof.
- CO₂-equivalent I38
- De hoeveelheid CO₂ die over 100 jaar evenveel opwarming veroorzaakt als een hoeveelheid van een ander broeikasgas.
- CO₂-equivalent E47
- Massa CO₂ die in een gekozen impactmethode dezelfde geïntegreerde klimaatbijdrage vertegenwoordigt.
- cradle to cradle I38
- Ontwerpen zodat materialen na gebruik volledig terugkeren: in de biologische kringloop (composteren) of de technische (opnieuw gebruiken).
- CRC I30
- Controlegetal dat uit de data berekend wordt: klopt het niet, dan is er onderweg iets misgegaan.
- CSV I28
- Comma-separated values: een tabel als tekstbestand, één rij per regel, de kolommen gescheiden door een komma.
- Ct E30
- Cyclusmoment waarop een vastgesteld fluorescentiedrempelcriterium wordt gehaald.
- cytoplasma F26
- De geleiachtige vulling van een cel waarin de celonderdelen liggen.
D
- DAC I25
- Digitaal-analoogomzetter: maakt van een getal een spanning.
- daglichtsom I36
- Het aantal mol lichtdeeltjes (PAR) dat op één dag op een vierkante meter valt; DLI = PPFD · tijd.
- datalek E41
- Onterecht leren uit test, validatie of toekomstinformatie.
- datalogger I30
- Toestel of programma dat metingen automatisch met een tijdstempel bewaart.
- dauwpunt F6
- De temperatuur waarbij lucht zoveel waterdamp bevat als ze maximaal kan bevatten; kouder dan dat condenseert er water.
- dauwpunt E14
- De temperatuur waartot je lucht moet afkoelen (bij dezelfde hoeveelheid waterdamp) voor ze verzadigd is; een koeler oppervlak wordt nat.
- deadline E37
- Het laatste tijdstip waarop een resultaat nog aan zijn eis voldoet.
- debuggen F23
- Fouten in een programma opsporen en verbeteren.
- decanteren F9
- Na het bezinken de heldere vloeistof voorzichtig afgieten, zodat het bezinksel achterblijft.
- decimatie E21
- Verlagen van een digitale samplefrequentie na passende bandbreedtebeperking.
- declinatie I6
- De breedtegraad waar de zon op het middaguur loodrecht staat; ze schommelt tussen −23,44° en +23,44°.
- decompositie F22
- Een groot probleem opdelen in kleinere deelproblemen die je apart kan oplossen.
- deelsysteem F1
- Een systeem dat zelf deel is van een groter systeem, zoals de remmen van een fiets.
- deeltest I40
- Test van één onderdeel of deelsysteem apart, zodra het klaar is (een sensor, een tak, de pomp).
- deeltjesmodel F6
- Een model waarin elke stof bestaat uit heel kleine deeltjes met lege ruimte ertussen, die altijd bewegen en elkaar aantrekken.
- dempingsverhouding E11
- : de demping gedeeld door de kritische demping; onder 1 trilt het systeem uit, vanaf 1 kruipt het terug.
- denaturatie I34
- Het verlies van de ruimtelijke vorm van een eiwit, door hitte, een extreme pH of bepaalde stoffen; meestal onomkeerbaar.
- dender I24
- Het snel openen en sluiten van een mechanisch contact vlak na het indrukken of loslaten.
- derating E24
- Bewust verlagen van toegelaten belasting onder ongunstige omstandigheden.
- derde wet van Newton I8
- Oefent A een kracht uit op B, dan oefent B een even grote, tegengestelde kracht uit op A (actie en reactie).
- destilleren F9
- Een vloeistof laten verdampen en de damp weer laten condenseren; stoffen met een verschillend kookpunt worden zo gescheiden. Het opgevangen condensaat heet het destillaat.
- determinant E5
- Voor een 2 × 2-matrix : de factor waarmee oppervlakten veranderen (negatief: gespiegeld). Nul betekent: niet omkeerbaar.
- dichtheid F7
- De massa per volume-eenheid van een stof: , in g/cm³ of kg/m³. Symbool (de Griekse letter rho).
- differentiaalvergelijking E4
- Een vergelijking tussen een onbekende functie en haar afgeleide(n), bv. : ze zegt hoe snel verandert in elke toestand.
- differentieelschakelaar F5
- Schakelaar die de stroom afschakelt als er stroom weglekt, bijvoorbeeld via iemands lichaam naar de aarde; in België 300 mA voor de hele woning en 30 mA voor de badkamer.
- differentiequotiënt E1
- De gemiddelde verandering over een interval: de helling van de koorde tussen twee punten van een grafiek.
- differentiële aandrijving I33
- Twee wielen met elk een eigen motor; de robot stuurt door de wielen verschillend snel te laten draaien.
- diffusie F6
- Het vanzelf mengen van stoffen doordat hun deeltjes bewegen, van waar veel deeltjes zijn naar waar er weinig zijn.
- digitaal signaal F24
- Een signaal met maar twee toestanden: HIGH (1, bij de Uno ongeveer 5 V) en LOW (0, 0 V).
- diode I23
- Halfgeleideronderdeel met één pn-overgang dat stroom doorlaat van anode naar kathode, en bijna niet omgekeerd.
- dipool I13
- Molecule met een positieve en een negatieve kant, doordat de polaire bindingen elkaar niet opheffen.
- discretisatiefout E36
- Afwijking door een continue vergelijking met eindige stappen te benaderen.
- discriminant I4
- Het getal dat zegt hoeveel nulpunten een kwadratische functie heeft: twee, één of geen.
- dislocatie E28
- Lijnfout waarvan beweging plastische vervorming mogelijk maakt.
- diëlektricum I24
- De isolator tussen de platen van een condensator; een goed diëlektricum vergroot de capaciteit.
- docstring I28
- De tekst tussen drie aanhalingstekens op de eerste regel van een functie, die zegt wat ze doet.
- dode zone I33
- Het gebied van kleine stuursignalen waarin een motor nog niet draait, omdat de wrijving te groot is.
- doelfunctie E2
- De grootheid die je minimaal of maximaal wil maken, geschreven als functie van de ontwerpvariabelen.
- domein I4
- De verzameling invoerwaarden waarvoor een functie (of een model) gebruikt mag worden; in een context vaak kleiner dan wat de formule toelaat.
- doorschot E38
- De relatieve piek boven de uiteindelijke stapwaarde.
- doorschot E39
- Hoeveel de gemeten waarde voorbij het setpoint gaat, in procent van de stap.
- doteren I23
- Een heel klein aantal vreemde atomen in een halfgeleider brengen: fosfor geeft vrije elektronen (n-type), boor geeft gaten (p-type).
- dotering E28
- Gecontroleerde toevoeging van atomen om onder meer halfgeleiderdragers te veranderen.
- draagkracht E32
- Positief evenwicht van een groeimodel onder benoemde omgevingsvoorwaarden.
- draaien (revolve) I37
- Een profiel rond een as draaien tot een rond lichaam.
- draaipunt F12
- Het punt waarrond een hefboom draait.
- draaistraal I33
- De straal R van de cirkel die het midden van de as beschrijft; R = v/ω.
- driehoekschakeling E20
- Drie belastingen tussen de fasen onderling, elk op de lijnspanning; geen nulgeleider.
- drooggewicht F27
- De massa van een plant nadat al het water eruit gedroogd is.
- druk F13
- Belasting die een onderdeel samendrukt, zoals bij een pilaar of een tafelpoot.
- druk I11
- Kracht loodrecht op een oppervlak, gedeeld door die oppervlakte: , in pascal.
- drukenthalpiediagram E16
- Diagram met de enthalpie per kilogram op de horizontale as en de druk (logaritmisch) op de verticale: een koelkringproces wordt er een eenvoudige vierhoek.
- drukknop F18
- Schakelaar die terugveert: een maakcontact sluit zolang je drukt, een verbreekcontact opent zolang je drukt.
- dubbele bloedsomloop F29
- Het bloed passeert per rondgang twee keer het hart: een kleine kring langs de longen en een grote kring langs het lichaam.
- dubbellaag E19
- Laag ionen die op minder dan een nanometer van een elektrode ligt en er een condensator mee vormt; de basis van de supercondensator.
- duty cycle I25
- Het deel van de periode waarin een PWM-signaal hoog is, in procent.
- dynamisch evenwicht E26
- Toestand met gelijke heen- en terugreactiesnelheden en constante macroscopische samenstelling.
- dynamische wrijving I8
- Wrijving tussen oppervlakken die over elkaar schuiven: .
E
- E12-reeks F24
- De twaalf standaardwaarden per decade waarin weerstanden te koop zijn: 10, 12, 15, 18, 22, 27, 33, 39, 47, 56, 68, 82 (maal 1, 10, 100, ...).
- EC (elektrische geleidbaarheid) I13
- Hoe goed een oplossing stroom geleidt, in mS/cm; een maat voor de hoeveelheid opgeloste ionen.
- ECG E33
- Registratie van elektrische hartactiviteit via potentiaalverschillen.
- echo I33
- Geluid dat terugkaatst op een voorwerp; de tijd heen en terug geeft de afstand.
- ecologische voetafdruk I38
- De oppervlakte vruchtbaar land en water (in globale hectare) die nodig is om te leveren wat iemand gebruikt en zijn CO₂ op te nemen.
- ecosysteem F28
- Alle organismen in een gebied samen met hun niet-levende omgeving (water, bodem, lucht, licht, temperatuur).
- edelgasconfiguratie I12
- Een volle buitenste schil (8 elektronen, bij helium 2), zoals bij de edelgassen: bijzonder stabiel.
- eencellige F26
- Een organisme dat uit één cel bestaat, zoals een bacterie, een gistcel of een pantoffeldiertje.
- eenhedentrap F3
- Een schema om eenheden om te zetten: per trede omlaag vermenigvuldig je, per trede omhoog deel je (lengte: 10, oppervlakte: 100, volume: 1000).
- eenheid F3
- De afgesproken maat waarmee je een grootheid vergelijkt, zoals de meter of de seconde.
- eenheidscel E28
- Herhalende kristalgeometrie waarvan gedeelde atomen fractioneel meetellen.
- eenheidsvector E5
- Een vector met lengte 1: . Hij geeft alleen een richting.
- eenparige beweging F14
- Beweging langs een rechte waarbij het voorwerp in gelijke tijden gelijke afstanden aflegt: de snelheid is constant.
- eenparige cirkelbeweging E8
- Beweging op een cirkel met een constante snelheid; de snelheidsvector draait, dus er is een versnelling naar het middelpunt.
- EEPROM I29
- Klein geheugen in de microcontroller dat zijn inhoud houdt zonder stroom; per byte maar ±100 000 keer te beschrijven.
- eerlijke proef F2
- Een proef waarin je maar één variabele verandert en al de rest gelijk houdt.
- eerste hoofdwet E15
- : de inwendige energie verandert met de toegevoerde warmte min de arbeid die het systeem levert. Energie gaat niet verloren en ontstaat niet.
- eerste wet van Newton I8
- Is de resulterende kracht nul, dan blijft een voorwerp in rust of beweegt het met constante snelheid langs een rechte (traagheid).
- effectieve waarde E20
- : de gelijkspanning die in een weerstand hetzelfde vermogen geeft; bij een sinus .
- effectieve waarde (RMS) E3
- De wortel uit het gemiddelde van het kwadraat: de gelijkspanning die hetzelfde vermogen in een weerstand geeft.
- eigenfrequentie E11
- De frequentie waarmee een systeem uit zichzelf trilt; voor een massa aan een veer .
- eindige-elementenmethode E13
- Een constructie opdelen in eenvoudige stukken (elementen) met een eigen stijfheidsmatrix, die samen één stelsel K u = F vormen; oplossen geeft verplaatsingen, daaruit volgen krachten en spanningen.
- eindsnelheid I8
- De snelheid waarbij de luchtweerstand even groot is als de zwaartekracht; de versnelling is dan nul.
- eindsnelheid E8
- De snelheid waarbij de luchtweerstand het gewicht opheft; bij kwadratische weerstand .
- elasticiteitsgrens F11
- De grootste kracht waarbij een veer of materiaal nog helemaal terugveert; daarboven vervormt het blijvend.
- elasticiteitsmodulus E12
- in het elastische gebied: hoe stijf een materiaal is (staal 210 GPa, aluminium 70 GPa).
- elastisch F10
- Neemt na het wegnemen van de kracht weer zijn oorspronkelijke vorm aan.
- elastische botsing E9
- Een botsing waarbij ook de kinetische energie behouden blijft; de relatieve snelheid keert om met dezelfde grootte.
- elastomeer I17
- Kunststof met enkele bruggen tussen beweeglijke ketens: rekt ver uit en veert terug (rubber).
- elco I24
- Elektrolytische condensator: veel capaciteit in een klein volume, maar gepolariseerd (plus en min).
- elektrisch veld E19
- De kracht per lading (V/m) in een punt; van een puntlading , van meer ladingen de vectorsom.
- elektrisch vermogen F21
- De energie die een toestel per seconde omzet: . Eenheid watt (W); 1 W = 1 J per seconde = 1 V · 1 A.
- elektrische kring F18
- Een gesloten weg van de bron, door een of meer verbruikers en geleiders, terug naar de bron; alleen dan loopt er stroom.
- elektromagneet I26
- Spoel rond een ijzeren kern die magnetisch is zolang er stroom door loopt.
- elektron I12
- Negatief geladen deeltje rond de kern, ongeveer 1836 keer lichter dan een proton.
- elektronegativiteit I13
- Hoe sterk een atoom in een binding de elektronen naar zich toe trekt (schaal van Pauling, 0,7 tot 4,0).
- elektronvolt E19
- De energie die een elektron wint over 1 V: .
- emulsie F8
- Heterogeen mengsel van druppeltjes van een vloeistof in een andere vloeistof, zoals melk of mayonaise.
- endotherme reactie I14
- Reactie die energie opneemt uit de omgeving (warmte, licht).
- energie F15
- Wat nodig is om iets te laten gebeuren: iets in beweging brengen, optillen, opwarmen, laten oplichten of van stof laten veranderen. Eenheid: joule (J).
- energiebudget F33
- Vergelijking van wat een systeem per dag aan energie gebruikt met wat de bron per dag levert.
- energiebudget I20
- Een lijst van alle verbruikers met hun vermogen, gebruiksduur en energie per dag; de basis om panelen en batterij te kiezen.
- energiedichtheid I16
- Energie per kilogram (Wh/kg) of per liter (Wh/L) die een batterij kan opslaan.
- energieketen F15
- Een reeks energieomzettingen na elkaar, van de bron tot het eindgebruik.
- energielabel F21
- Europees label met een klasse van A (zuinig) tot G, en het verbruik in kWh per jaar of per 1000 uur.
- energieomzetting F15
- Het veranderen van energie van de ene vorm in de andere, bijvoorbeeld van elektrische energie in licht.
- energieopslag F17
- Energie bewaren voor later: chemisch (batterij), als zwaarte-energie (water omhoog) of als warmte (warmtebuffer).
- energiepiramide F28
- Voorstelling van hoeveel energie elk voedingsniveau bevat; bij elke stap blijft ongeveer 10 % over.
- energievorm F15
- De manier waarop energie aanwezig is: in beweging, in hoogte, in een gespannen veer, in warmte, in stoffen, in elektrische stroom, in straling of in atoomkernen.
- engineering F1
- Het ontwerpen en verbeteren van oplossingen die moeten werken binnen eisen en beperkingen (geld, materiaal, veiligheid, tijd).
- entropie E15
- Toestandsgrootheid met ; statistisch , met het aantal microtoestanden. Een maat voor hoe 'verspreid' energie is.
- enzym I34
- Eiwit dat een bepaalde reactie in een levend wezen versnelt zonder zelf verbruikt te worden: een biologische katalysator.
- epoch E43
- Eén verwerking van het afgesproken trainingsbestand.
- equipotentiaallijn E19
- Lijn (of vlak) waarop de potentiaal overal gelijk is; staat loodrecht op de veldlijnen, en verplaatsen erlangs kost geen arbeid.
- equivalentiepunt I15
- Het punt in een titratie waar er precies evenveel mol base is toegevoegd als er mol zuur was.
- ERB I7
- Eenparig rechtlijnige beweging: langs een rechte met constante snelheid, .
- Europese projectie F31
- Afspraak om aanzichten te plaatsen: het bovenaanzicht onder het vooraanzicht, het linkerzijaanzicht rechts ervan. Ook eerstehoeksprojectie genoemd.
- evenredigheidsconstante F4
- Het vaste getal in bij een recht evenredig verband; , met als eenheid de eenheid van gedeeld door die van .
- evenwicht E4
- Een constante oplossing met . Stabiel als oplossingen in de buurt ernaartoe gaan, onstabiel als ze ervan weglopen.
- evenwichtsvoorwaarden I10
- Een voorwerp is in evenwicht als de som van de krachten nul is én de som van de momenten om elk punt nul is.
- EVRB I7
- Eenparig veranderlijke (versnelde) rechtlijnige beweging: constante versnelling, en .
- exotherme reactie I14
- Reactie waarbij energie vrijkomt naar de omgeving, meestal als warmte.
- expansieventiel E16
- Een vernauwing die de druk van de vloeistof laat zakken; een deel verdampt en het koudemiddel koelt af tot onder de brontemperatuur. De enthalpie blijft gelijk.
- exponentiële functie I5
- Functie : per tijdstap wordt de grootheid met dezelfde factor vermenigvuldigd.
- extrapoleren F4
- Een waarde voorspellen buiten het meetbereik, door het verband voorbij de laatste meting door te trekken.
- extruderen I37
- Een tweedimensionale schets over een afstand optrekken tot een lichaam.
F
- f-string I27
- Tekst met f ervoor waarin waarden tussen accolades komen, met een opmaak zoals
{x:.1f}. - faalwijze E46
- De manier waarop een functie of component haar vereiste gedrag niet levert.
- fail-safe I32
- Zo ontworpen dat een defect (een losse draad, een stroomuitval) vanzelf tot de veilige toestand leidt.
- fail-safe E46
- Zo ontworpen reageren op een beschreven fout dat het betreffende risico wordt beheerst.
- farad I24
- Eenheid van capaciteit: 1 F = 1 C/V. In de praktijk meestal µF, nF of pF.
- faradisch rendement E27
- Aandeel van de lading dat het bedoelde elektrochemische product vormt.
- fase E7
- De hoek van de wijzer op ; een faseverschil komt overeen met een tijdverschil .
- faseovergang F6
- Het overgaan van een stof van de ene toestand naar een andere, zoals smelten of condenseren.
- fasor E7
- De complexe amplitude van een sinusoïde ; in de elektrotechniek vaak met de effectieve waarde.
- FDM F32
- Fused deposition modeling: 3D-printen door gesmolten kunststof laag per laag door een spuitmond te leggen.
- feature E41
- Een invoerkenmerk dat bij het voorspellen beschikbaar is.
- fermentatie I35
- Omzetting van stoffen door micro-organismen, vaak zonder zuurstof: gisting, melkzuurvorming, methaanvorming.
- filtreren F9
- Een mengsel door een filter met kleine poriën gieten: grote deeltjes blijven achter (residu), de vloeistof met alles wat opgelost is gaat erdoor (filtraat).
- for-lus I27
- Een lus die een vast aantal keer loopt, of één keer voor elke waarde uit een reeks, zoals range(48).
- formule van Euler E7
- : een complexe exponentiële is een wijzer met lengte 1 en hoek .
- fossiele brandstof F17
- Steenkool, aardolie of aardgas: resten van planten en plankton van miljoenen jaren geleden. Verbranden geeft energie en CO2; de voorraad raakt op.
- fotoautotroof E31
- Organisch materiaal vormen uit anorganische koolstof met lichtenergie.
- fotosynthese F27
- Het proces waarbij een plant met lichtenergie en bladgroen koolstofdioxide en water omzet in glucose en zuurstof.
- foutzoeken F33
- Systematisch de oorzaak van een fout vinden: van symptoom naar mogelijke oorzaak, met tests die telkens één ding controleren.
- functie I4
- Voorschrift dat aan elke toegelaten invoer precies één uitvoer koppelt.
- functie I28
- Een stuk code met een naam dat je kan aanroepen; het krijgt argumenten mee en geeft met return een waarde terug.
- functionele eenheid I38
- De dienst waarop je een vergelijking baseert, bv. '15 jaar een behuizing in de kweekruimte', zodat je gelijke dingen vergelijkt.
- functionele eenheid E47
- De kwantitatief omschreven dienst waarop inputs en impacts worden betrokken.
- functionele eis E45
- Een beschreven dienst of handeling die het systeem moet leveren.
G
- G-code F32
- Lijst met opdrachten voor de printer: waar naartoe, hoe snel, hoeveel filament, welke temperatuur.
- galvanische cel I16
- Opstelling waarin een redoxreactie in twee gescheiden helften verloopt, zodat de elektronen door een uitwendige kring moeten.
- Gantt-diagram F33
- Planning waarin elke taak een balk is over de weken waarin ze loopt, met de mijlpalen als ruitjes.
- gaswisseling F29
- Het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide tussen de lucht in de longblaasjes en het bloed, door diffusie.
- gat I23
- Plaats waar een elektron in een binding ontbreekt; het gedraagt zich als een positieve lading die kan bewegen.
- gat (in CAD) F32
- Een vorm die bij het groeperen wegsnijdt uit de vormen waarmee ze overlapt.
- gebeurtenis I32
- Iets dat gebeurt en een overgang kan veroorzaken: een knopdruk, een eindeloopschakelaar, een tijd die om is.
- gebeurtenis (event) F23
- Iets wat gebeurt (klik op de groene vlag, een toets, een signaal) en een script laat starten.
- gecontroleerde variabele F2
- Een grootheid die je bewust gelijk houdt, zodat ze het resultaat niet beïnvloedt.
- gehele deling I29
- Deling van twee gehele getallen in C++: de rest valt weg, 7 / 2 = 3.
- geldigheidsgebied I4
- Het gebied waarin een model getoetst is en de werkelijkheid goed genoeg beschrijft.
- geleider F18
- Stof die stroom goed doorlaat, zoals een metaal of grafiet.
- geleiding F16
- Warmtetransport doordat deeltjes hun trilling doorgeven aan hun buren, vooral in vaste stoffen.
- gemeenschappelijke oorzaak I39
- Een derde grootheid die twee andere tegelijk beïnvloedt, zodat die samen bewegen zonder elkaar te veroorzaken.
- gemeenschappelijke oorzaak E46
- Een oorzaak die meerdere ogenschijnlijk redundante paden tegelijk kan treffen.
- gemiddelde F2
- De som van alle metingen gedeeld door het aantal metingen.
- gemiddelde I1
- De som van de metingen gedeeld door hun aantal: de beste schatting van de echte waarde.
- gemiddelde atoommassa I12
- Het gewogen gemiddelde van de isotoopmassa's van een element, met hun aandeel in de natuur als gewicht.
- gemiddelde dichtheid F7
- De totale massa van een voorwerp gedeeld door zijn totale volume, lucht in holtes inbegrepen; bepaalt of een schip drijft.
- gemiddelde snelheid F14
- De afgelegde weg gedeeld door de tijd die daarvoor nodig was: .
- gemiddelde snelheid I7
- Verplaatsing gedeeld door tijdsduur, ; de helling van de koorde in de (x,t)-grafiek.
- gemiddelde waarde E3
- : de hoogte van de rechthoek met dezelfde oppervlakte.
- generatief model E44
- Een model dat nieuwe uitvoer produceert volgens een geleerd patroon.
- generatietijd I35
- De tijd waarin een populatie in de exponentiële fase verdubbelt.
- genexpressie E29
- Vorming en verwerking van RNA en eventueel eiwit uit genetische informatie.
- gesloten ecosysteem F28
- Een ecosysteem dat geen stoffen uitwisselt met de buitenwereld, alleen energie (licht erin, warmte eruit).
- gesloten lus I31
- Regeling die de geregelde grootheid meet en haar actie aanpast aan het verschil met de gewenste waarde (terugkoppeling).
- gestemde massademper E11
- Een kleine massa op een veer met demping, afgestemd op de eigenfrequentie van een constructie; ze trilt tegen de constructie in en neemt energie weg.
- gevaar F5
- Alles wat schade kan veroorzaken: een hete soldeerbout, een bijtende stof, een draaiende boor.
- gewicht F11
- De kracht waarmee een voorwerp op zijn steun duwt of aan zijn ophanging trekt. In rust even groot als de zwaartekracht.
- gewichtsdeling E43
- Dezelfde leerbare parameters op meerdere posities gebruiken.
- gewogen criteriatabel F30
- Tabel waarin je concepten scoort op wensen met een gewicht; score maal gewicht, opgeteld per concept.
- gezichtsveld F26
- Het ronde stuk van het preparaat dat je door de microscoop ziet; hoe sterker de vergroting, hoe kleiner.
- GHS-pictogram F5
- Een van de negen internationale gevarensymbolen: een zwart symbool in een witte ruit met een rode rand.
- gist I35
- Eencellige schimmel die zich vermeerdert door knopvorming en suiker kan vergisten tot alcohol en koolstofdioxide.
- gisting I34
- Afbraak van suiker zonder zuurstof, tot alcohol en koolstofdioxide (gist) of melkzuur; levert maar 2 ATP per glucose.
- glasovergang E28
- Verandering in segmentmobiliteit van amorfe polymeerdelen op een gegeven tijdschaal.
- glasovergangstemperatuur I17
- Temperatuur Tg waarboven de ketens in het amorfe deel beweeglijk worden: de kunststof gaat van hard en glasachtig naar zacht en rubberachtig.
- globale variabele I29
- Variabele buiten elke functie: elke functie kan ze gebruiken en ze houdt haar waarde zolang het programma draait.
- glucose F27
- Een suiker die de plant bij de fotosynthese maakt; bouwstof (cellulose, zetmeel) en brandstof voor de cellen.
- GND F24
- De massa of min van de schakeling (0 V); alle spanningen worden ten opzichte van GND gemeten.
- graaddagen E15
- Som over de dagen van het verschil tussen een basistemperatuur (in België vaak 16,5 °C) en de gemiddelde buitentemperatuur, als die lager is: een maat voor hoe koud een winter is.
- graaf E34
- Een verzameling knopen met verbindingen, eventueel met richting en gewicht.
- gradiënt E2
- De vector van de partiële afgeleiden; hij wijst in de richting waarin een functie van meer variabelen het snelst stijgt.
- grafiek F4
- Een tekening van hoe een grootheid samenhangt met een andere, met twee assen die elk een grootheid, een eenheid en een schaalverdeling hebben.
- greenwashing I38
- Een product groener voorstellen dan het is, met vage, onvolledige of onbewezen milieuclaims.
- grenshoek I8
- De hellingshoek waarbij een voorwerp net begint te glijden: .
- groeicurve I35
- Het aantal micro-organismen in een cultuur in functie van de tijd: aanloop-, exponentiële, stationaire en afstervingsfase.
- groeifactor I5
- De factor waarmee een grootheid per tijdstap vermenigvuldigd wordt; is groei, is afname.
- groep I12
- Een kolom in het periodiek systeem; elementen in een groep hebben evenveel valentie-elektronen en lijken op elkaar.
- groeperen F32
- Vormen en gaten samenvoegen tot één onderdeel; gaten worden er dan uitgesneden.
- groepsvertraging E21
- Tijdsvertraging van de omhullende van componenten in een bepaald frequentiegebied.
- grootheid F3
- Een eigenschap die je kan meten, zoals lengte, massa, tijd of temperatuur; ze heeft een symbool, bv. voor lengte.
- gulden regel van de mechanica F12
- Wat je met een mechanisme wint aan kracht, verlies je aan afstand (en omgekeerd).
- gulden snede (zoeken) E2
- Numerieke methode die een maximum insluit in een interval dat elke stap met de factor 0,618 krimpt, met één nieuwe functiewaarde per stap.
- GWP I38
- Global warming potential: hoeveel keer sterker een gas opwarmt dan CO₂ over 100 jaar (methaan ±27, lachgas 273).
- GWP E16
- Global warming potential: hoeveel een kilogram van een gas over 100 jaar bijdraagt aan de opwarming, tegenover een kilogram CO₂.
H
- H-brug I26
- Vier schakelaars rond een motor waarmee je de stroom in twee richtingen kan sturen.
- H-zin F5
- Een gevarenaanduiding op een etiket (H van het Engelse hazard), bv. H225 Licht ontvlambare vloeistof en damp.
- haarvat F29
- Heel dun bloedvat met een wand van één cellaag, waar stoffen uitgewisseld worden.
- Habitat F1
- Het onderzoeksstation dat je in StemExpert in drie lagen ontwerpt: meetkas, klimaat- en energiemodule, brein van het station.
- halfgeleider I23
- Stof die slecht geleidt als ze zuiver en koud is, maar veel beter als ze warm wordt, belicht wordt of gedoteerd is, zoals silicium.
- halfreactie I16
- De helft van een redoxreactie: alleen de oxidatie of alleen de reductie, met de elektronen erbij geschreven.
- Hall-effect E19
- Dwarsspanning over een stroomvoerende plaat in een magnetisch veld; basis van contactloze stroomsensoren.
- hallucinatie E44
- Een plausibel gepresenteerde uitkomst die niet door de relevante feiten wordt gedragen.
- halveringstijd I5
- De tijd waarin een exponentieel afnemende grootheid halveert; .
- halveringstijd E25
- Tijd om de concentratie tot de helft terug te brengen; bij eerste orde ln2/k.
- hardheid F10
- Hoe goed een materiaal weerstaat aan krassen of indrukken; de schaal van Mohs rangschikt van 1 (talk) tot 10 (diamant).
- harmonische trilling E11
- Een beweging ; ze ontstaat als de terugroepende kracht evenredig is met de uitwijking ().
- hartlijn F31
- Dunne streep-stiplijn door het midden van een gat of langs een symmetrie-as.
- hartslag F29
- Het aantal keer dat het hart per minuut samentrekt; je voelt het als de pols.
- hazard E23
- Korte ongewenste uitgangsovergang door verschillen in propagatievertraging.
- headerbestand (.h) I29
- Bestand met declaraties en constanten dat je met #include in een ander bestand invoegt.
- hefboom F12
- Een stijf voorwerp dat kan draaien rond een vast punt, het draaipunt. Met een hefboom kan je een kleine kracht een grote last laten verplaatsen.
- hefboomwet F12
- Een hefboom is in evenwicht als : kracht maal krachtarm is last maal lastarm.
- helling in procent I6
- Hoogteverschil per 100 horizontale afstand: . 100 % is 45°.
- herhaling (lus) F23
- Een blok dat de blokken in zijn mond meerdere keren uitvoert: een vast aantal keer, tot een voorwaarde waar is, of eindeloos.
- hernieuwbare energie F17
- Energie uit een bron die vanzelf aangevuld wordt: zon, wind, stromend water, aardwarmte, biomassa die teruggroeit.
- heterogeen mengsel F8
- Mengsel waarin je verschillende delen kan onderscheiden: suspensie, emulsie, schuim, rook, nevel.
- hexadecimaal I25
- Talstelsel met grondtal 16 (cijfers 0-9 en A-F); één hexadecimaal cijfer is vier bits.
- histogram I39
- Staafdiagram van hoe vaak metingen in elke klasse (bv. elke graad) vallen: de verdeling.
- hoekfrequentie E7
- , in rad/s: de hoeksnelheid van de wijzer die de sinusoïde maakt.
- hoeksnelheid I33
- Hoe snel een voorwerp draait, in radialen per seconde (ω).
- hoeksnelheid E8
- in rad/s; bij een eenparige cirkelbeweging en .
- hoeksnelheid E10
- (rad/s); een toerental in toeren per minuut geeft .
- hoekversnelling E10
- (rad/s²); een punt op afstand krijgt de tangentiële versnelling .
- homeostase F29
- Het constant houden van de toestand in het lichaam (temperatuur, water, suiker, zuurstof) door regelkringen met terugkoppeling.
- homeostase E33
- Dynamische regeling van interne omstandigheden rond contextafhankelijke referenties.
- homogeen mengsel F8
- Mengsel dat overal hetzelfde is, ook onder een microscoop: een oplossing, een gasmengsel, een legering.
- hoofdstelling van de integraalrekening E3
- Afleiden en integreren zijn elkaars omgekeerde: en .
- hoogrendementsglas I19
- Dubbel glas met een coating die warmtestraling terugkaatst en een edelgas (argon) in de spouw: U ongeveer 1,1 W/(m²·K).
- horizontale worp E8
- Een worp met een horizontale beginsnelheid: zonder lucht eenparig horizontaal en vrij vallend verticaal, samen een halve parabool.
- hotspot E47
- Post die sterk bijdraagt aan de impact of de onzekerheid van de conclusie.
- houtvaten F27
- Buisjes van dode cellen die water en mineralen van de wortels naar de bladeren vervoeren.
- huidmondje F26
- Opening tussen twee sluitcellen in de opperhuid van een blad, waardoor gassen in en uit gaan.
- huidmondje F27
- Opening tussen twee sluitcellen in de opperhuid, vooral aan de onderkant van het blad, waardoor koolstofdioxide, zuurstof en waterdamp gaan.
- hydratatie I13
- Het omringen van opgeloste ionen door watermoleculen, met de passende kant naar het ion gericht.
- hydrocultuur F27
- Telen zonder aarde: de wortels staan in water met opgeloste voedingszouten, eventueel in een steunmateriaal zoals kleikorrels.
- hydroponie I36
- Planten telen zonder aarde, met de wortels in (of in contact met) water met opgeloste voedingszouten.
- hydrostatische druk I11
- De druk in een vloeistof in rust door het gewicht van de vloeistof erboven: .
- hypothalamus F29
- Deel van de hersenen dat onder andere als 'thermostaat' van het lichaam werkt.
- hypothese F2
- Een voorspelling met een reden, die je met een proef kan toetsen: 'als ..., dan ..., omdat ...'.
- hypothese I2
- Een toetsbare verklaring voor een verschijnsel: wat je denkt dat er gebeurt, en waarom.
- hysterese F25
- Werken met twee verschillende drempels voor aan en uit, zodat een regeling niet voortdurend schakelt.
- hysterese I31
- Een regelaar met twee grenzen: aan onder de ene, uit boven de andere; daartussen blijft hij in zijn toestand.
I
- ideaal vakwerk E13
- Rechte staven, scharnierend verbonden in knopen, met de lasten alleen in de knopen: elke staaf draagt dan alleen een kracht langs zichzelf.
- ideale gaswet E14
- : het verband tussen druk, volume, temperatuur (in kelvin) en hoeveelheid van een gas waarvan de moleculen klein zijn tegenover hun onderlinge afstand en elkaar niet aantrekken.
- idempotent E37
- Een bewerking waarvan herhaling niet nogmaals hetzelfde effect veroorzaakt.
- identificeerbaarheid E17
- De mate waarin verschillende parameterwaarden door de beschikbare data van elkaar te onderscheiden zijn.
- identificeerbaarheid E36
- De mogelijkheid om parameters afzonderlijk uit de beschikbare proef te bepalen.
- ijken (kalibreren) F25
- Een meetinstrument vergelijken met een betrouwbare referentie en zijn aanwijzing zo nodig corrigeren.
- ijklijn F25
- Grafiek die het verband geeft tussen de aanwijzing van een sensor en de echte waarde, gemaakt met een referentie.
- impedantie E7
- Complexe 'weerstand' bij een sinusoïde: , , .
- impuls E9
- Het product van massa en snelheid, (kg·m/s), een vector. De tweede wet van Newton zegt .
- impulsmoment E10
- ; voor een star lichaam om een vaste as . Het verandert alleen door een uitwendig moment: .
- indampen F9
- Een oplossing verwarmen tot het oplosmiddel verdampt is, zodat de opgeloste vaste stof achterblijft.
- indicator I15
- Kleurstof die van kleur verandert binnen een bepaald pH-gebied, het omslaggebied.
- ingangsoffset E22
- Klein equivalent ingangsverschil dat zonder werkelijk signaal een uitgangsfout geeft.
- innovatie E40
- Het verschil tussen een nieuwe meting en de voorspelde meetwaarde.
- input F1
- Wat een systeem binnenkomt: materie, energie of informatie.
- inschakelduur I31
- Het deel van de tijd dat een aan/uit-actuator aan staat; gemiddeld dekt ze precies het verlies.
- inspringen I27
- Spaties aan het begin van een regel (vier per niveau): ze bepalen welke regels bij een if, for of while horen.
- insteltijd E39
- De tijd tot de waarde binnen een band (hier ±2 %) rond het setpoint blijft.
- instraling I20
- Het vermogen van het zonlicht per vierkante meter, in W/m²; op een heldere middag ongeveer 1000 W/m².
- instrumentatieversterker E22
- Hoogohmige verschilversterker met gecontroleerde gain en hoge common-modeonderdrukking.
- integratie F33
- Deelsystemen die elk apart werken samenvoegen tot één systeem, en nagaan of ze ook samen werken.
- integratietest I40
- Test van de samenwerking tussen deelsystemen: werkt de interface zoals afgesproken?
- integrator I40
- Het teamlid dat bewaakt dat de deelsystemen op elkaar passen: programma van eisen, interfaces, planning en testrapport.
- integrator-windup E39
- Het oplopen van de I-term terwijl de actuator aan zijn grens zit, met groot doorschot als gevolg.
- interactieve shell I27
- Het venster met de prompt >>> waarin je één regel Python typt en meteen de uitkomst ziet.
- interface F33
- De plaats en de afspraken waar twee deelsystemen elkaar raken: een stekker, een pin, een maat, een eenheid.
- interfacecontract E35
- De afgesproken invoer, uitvoer, fouten en betekenis van een bewerking.
- interfacetabel I40
- Lijst van alle plaatsen waar twee deelsystemen elkaar raken, met per interface de afspraak (waarde, eenheid, pin, adres), de eigenaar en de test.
- interpoleren F4
- Een waarde aflezen of berekenen tussen twee metingen in, dus binnen het meetbereik.
- interpretatie F2
- Wat je denkt dat een waarneming betekent: een verklaring of een oorzaak.
- interpreter I27
- Het programma dat Python-code leest en meteen uitvoert (tegenover een compiler, die eerst alles vertaalt).
- interrupt E37
- Een gebeurtenis die de processor een korte handler laat uitvoeren buiten de gewone programmalus.
- invalshoek I6
- De hoek tussen een zonnestraal en de normaal op een vlak; het vlak vangt een fractie van de rechtstreekse straling.
- invariant E34
- Een eigenschap die vóór en na elke lusiteratie waar blijft.
- inverse matrix E5
- met ; bestaat alleen als .
- invloedslijn E13
- Grafiek van een kracht in één staaf (of een reactie) tegenover de plaats van een last die over de constructie beweegt.
- inwendige energie E15
- De totale energie van de deeltjes van een systeem (beweging, draaien, trillen, binding); een toestandsgrootheid . Voor een ideaal gas alleen afhankelijk van : .
- inwendige weerstand I21
- Weerstand in een bron zelf; hierdoor zakt de klemspanning als de bron stroom levert: .
- ion I12
- Een atoom (of groepje atomen) met meer of minder elektronen dan protonen, en dus een lading.
- ionbinding I13
- De aantrekking tussen positieve en negatieve ionen in een ionrooster; ontstaat als een metaal elektronen overdraagt aan een niet-metaal.
- ionisatie-energie I12
- De energie die nodig is om het zwakst gebonden elektron uit een atoom te halen, in kJ per mol atomen.
- isolator F16
- Een materiaal dat warmte slecht geleidt, zoals piepschuim, wol of stilstaande lucht.
- isolator F18
- Stof die (bijna) geen stroom doorlaat, zoals kunststof, glas, rubber of droge lucht.
- isomeren I13
- Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuur, en dus andere eigenschappen.
- isometrie F31
- Tekenwijze waarbij de drie assen onder 120° van elkaar staan (twee onder 30° met de horizontale, één verticaal) en lengtes langs de assen op ware grootte getekend worden.
- isotopen I12
- Atomen van hetzelfde element (evenveel protonen) met een verschillend aantal neutronen.
- iteratie F30
- Een ronde van de cyclus opnieuw doorlopen met wat je in de vorige ronde leerde.
- I²C I30
- Bus met twee draden (SDA voor data, SCL voor de klok) waarop veel chips hangen, elk met een eigen adres.
J
K
- kalibratierechte I3
- Rechte die de ruwe waarde van een sensor koppelt aan de echte waarde, bepaald met een referentie.
- kalibreren (ijken) I22
- De aanwijzing van een meetketen vergelijken met een referentie en het model bijstellen tot ze overeenkomen.
- Kalman-gain E40
- Het gewicht waarmee een innovatie de voorspelling corrigeert.
- kansdichtheid E6
- Functie met totale oppervlakte 1; de kans dat de grootheid tussen en ligt, is .
- kantelfrequentie E21
- Frequentie waarbij een enkel RC-filter 1/√2 van de passbandamplitude geeft.
- kantelhoek I10
- De hoek waarover je een voorwerp kan kantelen voor het uit zichzelf omvalt: de lijn door het zwaartepunt gaat dan net door de kantelrand.
- kantelveiligheid I10
- Stabiliteitsmoment gedeeld door kantelmoment; ontwerpers eisen meestal minstens 1,5.
- Karnaughkaart E23
- Gray-geordende kaart waarin buren slechts één bit verschillen.
- katalysator I34
- Stof die een reactie versnelt door de activeringsenergie te verlagen, en na de reactie onveranderd overblijft.
- katalysator E25
- Stof die een snellere route mogelijk maakt en over de cyclus wordt geregenereerd.
- kathode I16
- De elektrode waar reductie gebeurt; in een galvanische cel de pluspool.
- kathode E27
- Elektrode waar reductie plaatsvindt.
- katrol F12
- Een wiel met een groef waarover een touw loopt. Een vaste katrol verandert de richting van de kracht; een losse katrol halveert de nodige kracht.
- kelvin F16
- De SI-eenheid van temperatuur. De kelvinschaal begint bij het absolute nulpunt: .
- kenmerk I39
- Een gemeten grootheid die het model als invoer gebruikt, bv. temperatuur, vocht of daglicht.
- kern F26
- Het deel van de cel met het erfelijk materiaal (DNA) dat de cel stuurt.
- kettingregel E1
- De afgeleide van een samengestelde functie: .
- keuze F23
- Een blok dat afhankelijk van een voorwaarde de ene of de andere groep blokken uitvoert: als ... dan ... anders.
- keuzetabel F10
- Tabel waarin je opties scoort op criteria met een gewicht, om onderbouwd te kiezen.
- kilojoule (kJ) F29
- Eenheid van energie, 1000 J, gebruikt op voedingsetiketten; 1 kcal = 4,184 kJ.
- kilowattuur F21
- De energie die een vermogen van 1 kW in 1 uur omzet: 1 kWh = 3 600 000 J = 3,6 MJ. De eenheid op de energiefactuur.
- kilowattuur I9
- Energie die een vermogen van 1 kW in 1 uur levert: .
- kinetische energie I9
- Energie van een bewegend voorwerp: .
- kinetische gastheorie E14
- Model dat druk en temperatuur verklaart uit bewegende en botsende moleculen: en .
- kLa E31
- Effectieve volumetrische gasoverdrachtsparameter.
- klasse E35
- Een type dat toestand en bijbehorende bewerkingen bundelt.
- kleinste kwadraten I3
- Methode die de rechte kiest waarvoor de som van de kwadraten van de residuen het kleinst is.
- klikvinger (snap-fit) I37
- Een buigzaam lipje met een haak dat bij het monteren doorbuigt en daarna vastklikt.
- Km I34
- De substraatconcentratie waarbij een enzym op de helft van zijn grootste snelheid werkt; een kleine Km betekent dat het enzym zijn substraat al bij lage concentratie goed bindt.
- knik F13
- Een lange, dunne staaf die op druk belast wordt, buigt plots opzij en bezwijkt.
- knik E12
- Het plots zijdelings uitwijken van een slanke drukstaaf; kniklast van Euler .
- knooppunt I21
- Punt waar drie of meer geleiders samenkomen. Punten die alleen door een draad zonder onderdelen verbonden zijn, vormen samen één knooppunt.
- knooppuntenmethode E5
- Kirchhoffs knooppuntwet voor elke knoop, met de potentialen als onbekenden: .
- knooppuntenmethode E13
- Evenwicht van de krachten in elke knoop, knoop na knoop of als één stelsel.
- knooppuntregel F20
- De stroom die een knooppunt binnenkomt, is gelijk aan de stroom die eruit gaat.
- knooppuntwet I21
- De som van de stromen die een knooppunt binnenkomen, is gelijk aan de som van de stromen die eruit gaan (behoud van lading).
- kolonie I35
- Hoopje micro-organismen op een voedingsbodem, gegroeid uit één cel of spore; zichtbaar met het blote oog.
- koppel I10
- Twee even grote, tegengestelde, evenwijdige krachten die niet op één lijn liggen: samen geen resulterende kracht, wel een moment.
- koppel (van een motor) I26
- Het draaiende effect op de as, in N·m; bij een gelijkstroommotor evenredig met de stroom.
- kortsluiting F18
- Een weg met (bijna) geen weerstand tussen de polen van de bron, buiten de verbruiker om: er loopt een heel grote stroom.
- koudebrug F16
- Een plaats in een wand waar warmte veel makkelijker naar buiten lekt dan elders, bijvoorbeeld een metalen profiel.
- koudebrug I19
- Een plaats waar warmte makkelijker naar buiten lekt dan in de rest van de wand, door een beter geleidend materiaal, een onderbroken isolatielaag of een hoek.
- koudemiddel E16
- De werkstof van een koelkringproces: een stof die bij de gewenste temperaturen en een redelijke druk verdampt en condenseert, bv. propaan (R290).
- kracht F11
- Een duw of een trek van het ene voorwerp op het andere. Een kracht kan vervormen, versnellen, afremmen, van richting doen veranderen of doen draaien.
- krachtmeter F11
- Toestel dat een kracht meet met een veer die uitrekt: ook veerunster of dynamometer genoemd.
- kreukelzone E9
- Het deel van een voertuig dat bij een botsing gecontroleerd vervormt: de remweg en de botsduur worden langer, dus de kracht kleiner.
- kringloop F28
- Een stof die steeds opnieuw gebruikt wordt: van de omgeving naar organismen en weer terug.
- kringproces E15
- Een reeks processen die terugkeert naar de begintoestand. De netto arbeid is de ingesloten oppervlakte in het pV-diagram.
- kritiek pad F33
- De reeks taken die elk af moeten zijn voor de volgende kan beginnen: loopt er één uit, dan schuift het hele project op.
- kritisch pad E48
- Langste afhankelijkheidsroute die onder de gekozen planningsvoorwaarden de projectduur bepaalt.
- kritisch punt E14
- Boven deze temperatuur (voor CO₂ 31,0 °C) kan je een gas niet meer vloeibaar maken, hoe hoog je de druk ook maakt.
- kromtestraal E8
- De straal van de cirkel die een baan in een punt het best benadert: .
- kruisvalidatie E41
- Herhaalde beoordeling op gescheiden datadelen voor modelkeuze.
- KVE I35
- Kolonievormende eenheid: een cel of klompje cellen dat één kolonie oplevert. Aantallen bacteriën worden in KVE per mL of per g opgegeven.
- kwadratische functie I4
- Functie met ; de grafiek is een parabool.
- kwaliteitsfactor E11
- : hoeveel keer groter de amplitude bij resonantie is dan bij een even grote, trage kracht.
- kwaliteitsfactor E20
- (serie): hoe scherp de resonantie is; de bandbreedte is en de spanning over C wordt keer de bronspanning.
L
- laadregelaar F33
- Schakeling tussen zonnepaneel, batterij en verbruikers die de batterij veilig laadt en de verbruikers afschakelt als de batterij te leeg wordt.
- laaghoogte F32
- Dikte van één geprinte laag, meestal 0,1 tot 0,3 mm.
- label I39
- Het juiste antwoord bij een voorbeeld, bv. 'slap' of 'niet slap'.
- labojournaal I2
- Het doorlopende, gedateerde verslag van alles wat je in een onderzoek deed, mat en vaststelde.
- lambda-waarde I19
- De warmtegeleidingscoëfficiënt van een materiaal in W/(m·K): hoeveel watt door een plaat van 1 m² en 1 m dik gaat bij 1 K verschil. Hoe kleiner, hoe beter het isoleert.
- latente warmte I18
- Verzamelnaam voor smelt- en verdampingswarmte: warmte die een faseovergang veroorzaakt in plaats van een temperatuurstijging.
- LDR (fotoweerstand) I22
- Weerstand van cadmiumsulfide waarvan de weerstand daalt als er meer licht op valt.
- led I23
- Diode die licht geeft als er stroom in doorlaatrichting loopt; de kleur hangt af van het halfgeleidermateriaal.
- leersnelheid E43
- De schaal van een parameterupdate volgens de gradiënt.
- legering F8
- Mengsel van een metaal met andere metalen of met koolstof, zoals brons, messing en staal.
- levenscyclus I38
- Alle stappen van een product: grondstoffen winnen, materiaal en product maken, transport, gebruik en het einde (hergebruik, recyclage, verbranden, storten).
- levenscyclusanalyse (LCA) I38
- Methode (ISO 14040) om de milieu-effecten van een product over zijn hele levenscyclus te berekenen.
- levensgemeenschap F28
- Alle populaties van verschillende soorten die samen in een gebied leven.
- levenskenmerken F26
- De eigenschappen die alle levende wezens samen hebben: voeding, ademhaling, groei, voortplanting, reageren op prikkels, beweging en uitscheiding; ze bestaan uit cellen.
- levensondersteuning F29
- Alle systemen die mensen in een afgesloten ruimte (station, ruimteschip) zuurstof, water, voedsel en een veilige temperatuur geven, en afval verwerken.
- Lewisstructuur I13
- Tekening van een molecule met alle valentie-elektronen: bindingen als streepjes, vrije elektronenparen als stippen.
- lichtsluis F14
- Sensor die meet wanneer een voorwerp een lichtstraal onderbreekt; met twee lichtsluizen meet je een snelheid.
- lichtsom I40
- Het aantal mol lichtdeeltjes (PAR) dat op één dag op een vierkante meter valt, daglicht en lampen samen: DLI, in mol/(m²·dag).
- liegfactor I39
- De grootte van een effect in de grafiek gedeeld door de grootte van het effect in de data (Tufte); eerlijk is 1.
- lijngrafiek F4
- Een grafiek met punten die met een lijn verbonden zijn of een trendlijn krijgen; toont hoe iets verandert.
- lijnspanning E20
- Spanning tussen twee fasen; in een sterschakeling keer de fasespanning: 400 V bij 230 V.
- lijnvolger I33
- Een robot die met sensoren onder zijn neus een lijn op de vloer volgt.
- lijst I28
- Een geordende reeks waarden onder één naam, tussen vierkante haken; het eerste element heeft index 0.
- lineair verband I3
- Verband van de vorm ; de grafiek is een rechte. Recht evenredig is het speciale geval .
- lineaire functie I4
- Functie : gelijke stappen in geven gelijke stappen in ; de grafiek is een rechte.
- lineariseren I3
- Grootheden op de assen zetten (bv. of ) zodat een verwacht verband een rechte wordt.
- lineariseren E1
- Een functie in de buurt van een punt vervangen door haar raaklijn: .
- liter F3
- Een eenheid van volume: 1 L = 1 dm³; 1 mL = 1 cm³.
- LOD E30
- Gevalideerde detectiegrens binnen een bepaalde methode en matrix.
- logaritme I5
- De exponent: is het getal waarvoor . Met logaritmen reken je een exponent terug.
- logaritmisch decrement E11
- : het natuurlijk logaritme van de verhouding van twee opeenvolgende toppen.
- logaritmische schaal I5
- As waarop gelijke afstanden gelijke factoren zijn (1, 10, 100 ...); een exponentiële functie wordt er een rechte.
- logboek F33
- Dagboek van het project: wie deed wat, welke problemen en beslissingen er waren, en wat de volgende stap is.
- logische fout I27
- Het programma draait zonder melding, maar rekent iets anders uit dan je bedoelde.
- logistische groei E4
- Groei volgens : eerst exponentieel, daarna afremmend naar de draagkracht (Verhulst, 1838).
- lokaal extremum E2
- Een maximum of minimum in vergelijking met de punten in de buurt; het globale extremum is het grootste of kleinste over het hele domein.
- lokale eigenaar E49
- De taak die een actuator zelfstandig begrenst en voorstellen kan weigeren.
- lokale variabele I29
- Variabele binnen een functie: ze bestaat alleen tijdens die aanroep.
- longblaasje F29
- Piepklein luchtzakje aan het einde van de fijnste luchtwegen, omgeven door haarvaten; daar gebeurt de gaswisseling.
- Lorentzkracht E19
- : de kracht op een bewegende lading; op een draad .
- loten (randomiseren) I2
- Het toeval laten beslissen welke proefeenheid welke behandeling krijgt, zodat onbekende verschillen zich eerlijk verdelen.
- lumen F21
- Eenheid voor de hoeveelheid licht die een lamp geeft, zoals je oog ze waarneemt (symbool lm).
- lumen per watt F21
- Hoeveel licht een lamp geeft per watt elektrisch vermogen: een maat voor hoe zuinig ze is.
- lus F22
- Een deel van een algoritme dat herhaald wordt, tot een voorwaarde bereikt is (of altijd).
M
- maas I21
- Gesloten lus in een netwerk. Een venster van een vlak getekend schema is een onafhankelijke maas.
- maaswet I21
- Langs een gesloten lus is de som van de spanningen nul: je komt terug op dezelfde potentiaal (behoud van energie).
- maatgetal F31
- De ware maat in millimeter, zonder eenheid, boven de maatlijn.
- maathulplijn F31
- Dunne lijn die een rand van het voorwerp doortrekt tot voorbij de maatlijn.
- maatlijn F31
- Dunne lijn met twee pijlpunten die aangeeft tussen welke punten een maat geldt.
- machinaal leren F22
- Een computer zoekt zelf een regel uit voorbeelden waarvan het juiste antwoord gegeven is (gelabelde voorbeelden).
- machine learning I39
- Een computer leert regels uit voorbeelden (gegevens met de juiste antwoorden) in plaats van dat een mens ze programmeert.
- magnetisch veld I26
- Gebied waarin een magneet of een stroom een kracht voelt; de sterkte is de magnetische inductie , in tesla (T).
- magnetische flux E19
- , in weber (1 Wb = 1 T·m² = 1 V·s).
- massa F7
- Hoeveel stof er in een voorwerp zit. Symbool , eenheid kilogram (kg); je meet ze met een balans.
- massagetal I12
- Het aantal protonen plus neutronen in de kern, symbool .
- materiaalfamilie F10
- Groep materialen met gelijkaardige eigenschappen: hout, metalen, kunststoffen, keramiek en glas, composieten.
- materiaalindex E28
- Uit functie, doel, beperkingen en vrije geometrie afgeleide combinatie van eigenschappen.
- materiaalkeuzematrix I38
- Tabel waarin je opties scoort op criteria met gewichten; de gewogen som helpt kiezen.
- materiaalpool E32
- Afzonderlijk bijgehouden hoeveelheid van een stof in een reservoir.
- materialenkringloop F10
- De weg van een materiaal van grondstof over product en gebruik naar hergebruik, recyclage, verbranding of storten.
- matplotlib I28
- Een Python-bibliotheek om grafieken te tekenen: lijnen, staven, puntenwolken.
- matrix E5
- Een rechthoekige tabel getallen; als transformatie stuurt ze elke vector naar een nieuwe vector, lineair.
- mechanische energie I9
- De som van kinetische en potentiële energie; zonder wrijving blijft ze constant.
- mechanisme E13
- Een constructie die kan bewegen zonder dat een staaf van lengte verandert: te weinig staven of steunen, of een ongelukkige schikking.
- mediaan I1
- De middelste waarde van een gesorteerde reeks; weinig gevoelig voor uitschieters.
- meetbare eis F30
- Een eis met een grootheid, een grens met eenheid en een toets, zodat iedereen kan nagaan of ze gehaald is.
- meetbereik F4
- Het gebied tussen de kleinste en de grootste waarde die je gemeten hebt.
- meetfout (onzekerheid) I1
- Het verschil dat er kan zijn tussen de gemeten en de echte waarde. Geen vergissing: elke meting heeft er een.
- meetresultaat F3
- Een getal met een eenheid, bv. : 1,20 keer de eenheid meter.
- meetvertraging I31
- De tijd die een sensor nodig heeft om een verandering te volgen; ze laat de regeling voorbij haar grenzen schieten.
- mengregel I17
- Schatting van een eigenschap van een composiet als gewogen gemiddelde naar het volumedeel: .
- mengsel F8
- Twee of meer stoffen samen, elk met haar eigen deeltjes; een mengsel smelt en kookt over een temperatuurgebied.
- meniscus F3
- Het gebogen oppervlak van een vloeistof in een smalle buis; bij water lees je de onderkant af.
- metaalbinding I13
- De aantrekking tussen positieve metaalionen en de vrije elektronen (elektronenzee) ertussen.
- metalloïde I12
- Element met eigenschappen tussen metaal en niet-metaal in, zoals silicium: een halfgeleider.
- methode van Euler E4
- Numerieke oplossing met stappen langs de raaklijn: .
- methode van Gauss E5
- Een stelsel oplossen door rijen te combineren tot een driehoeksvorm (eliminatie) en dan van onder naar boven in te vullen.
- micro-organisme I35
- Levend wezen dat te klein is om met het blote oog te zien: bacteriën, archaea, gisten, veel schimmels, algen en eencellige dieren.
- microcontroller F24
- Een kleine computer op één chip, met processor, geheugen en in- en uitgangspinnen, die één programma eindeloos uitvoert.
- micrometer F26
- Een duizendste millimeter: 1 µm = 0,001 mm. Cellen meet je in micrometer.
- middelpuntzoekende kracht E8
- De resulterende kracht naar het middelpunt die een voorwerp op een cirkel houdt; geen nieuwe soort kracht, maar een rol die wrijving, spanning, een normaalkracht of de zwaartekracht speelt.
- middenrif F29
- Koepelvormige spier onder de longen; als hij samentrekt en afplat, stroomt er lucht in de longen.
- mijlpaal F33
- Een moment in een project waarop iets af moet zijn en getoetst wordt, zoals 'de kas staat' of 'de kring is gekeurd'.
- millis() I29
- Het aantal milliseconden sinds de start van de microcontroller, als unsigned long; na 49,7 dagen begint het weer bij 0.
- mineralen F27
- Opgeloste zouten (met stikstof, fosfor, kalium, magnesium ...) die een plant als bouwstof nodig heeft; ze leveren geen energie.
- missense E29
- Variant die in een gekozen code een ander aminozuur oplevert.
- mitochondrie F26
- Celonderdeel dat energie vrijmaakt uit suiker met zuurstof (celademhaling); in planten- én dierencellen.
- modulus en argument E7
- De lengte en de hoek van een complex getal; bereken de hoek met atan2 (juiste kwadrant).
- moet-eis F30
- Een eis waaraan elke oplossing moet voldoen; wie ze niet haalt, valt af.
- mol I14
- Hoeveelheid stof met precies deeltjes (de constante van Avogadro ).
- molair volume I14
- Het volume van één mol gas: bij 1013 hPa 22,4 L bij 0 °C en 24,1 L bij 20 °C.
- molair volume E14
- Het volume van één mol gas: , voor elk ideaal gas 24,06 L bij 20 °C en 1013,25 hPa (22,41 L bij 0 °C).
- molaire massa I14
- De massa van één mol van een stof, in g/mol; getalsmatig gelijk aan de molecuul- of formulemassa in u.
- molverhouding I14
- De verhouding waarin stoffen reageren en ontstaan, af te lezen uit de coëfficiënten.
- moment (van een kracht) I10
- Maat voor hoe sterk een kracht een voorwerp rond een punt doet draaien: , in N·m.
- moment (vector) E5
- : de draaiwerking van een kracht om een punt; de richting is de draai-as, het teken de draaizin.
- monomeer I17
- Klein molecuul dat zich met vele andere tot een polymeer kan binden, zoals etheen of melkzuur.
- morfologisch overzicht F30
- Tabel met de deelfuncties van een ontwerp en per functie enkele oplossingen; een concept is één keuze per rij.
- MOSFET I23
- Transistor die gestuurd wordt door de spanning op een geïsoleerde gate; als schakelaar heeft hij de weerstand .
- MPP I20
- Maximum power point: de spanning waarbij een paneel het grootste vermogen levert. Een MPPT-laadregelaar zoekt dat punt voortdurend.
- MPP E2
- Maximum power point: de spanning waarbij een zonnepaneel het grootste vermogen levert; een MPPT-regelaar zoekt en volgt dat punt.
- MPPT E24
- Regeling die het bronwerkpunt naar maximaal beschikbaar vermogen verplaatst binnen overige grenzen.
- MTBF E46
- Gemiddelde bedrijfstijd tussen storingen in een passend model voor een herstelbaar systeem.
N
- naspelen (trace) F33
- Een programma met de hand stap voor stap uitvoeren voor gekozen invoer, om na te gaan wat het doet.
- nauwkeurig I1
- Gemiddeld dicht bij de echte waarde: de systematische fout is klein (in normtaal: juist).
- nauwkeurigheid van een instrument F3
- Hoe fijn je met een instrument kan meten: de kleinste stap die je betrouwbaar kan aflezen.
- negatieve terugkoppeling I31
- Terugkoppeling die een afwijking verkleint: te warm geeft minder verwarming.
- neuron E43
- Een gewogen som met bias en gekozen activatiefunctie.
- neutrale stabiliteit E32
- Nabijgelegen toestanden blijven nabij zonder asymptotische terugkeer naar het evenwicht.
- neutralisatie I15
- Reactie van een zuur met een base: H3O+ en OH− vormen water, en er blijft een zout over.
- neutron I12
- Ongeladen deeltje in de kern, met ongeveer dezelfde massa als een proton.
- newton F11
- De eenheid van kracht, symbool N. De zwaartekracht op een voorwerp van ongeveer 100 g is 1 N.
- newton I8
- De eenheid van kracht: , de kracht die 1 kg een versnelling van 1 m/s² geeft.
- NFT I36
- Nutrient film technique: een dunne film voedingsoplossing stroomt door licht hellende goten langs de wortels.
- niet-blokkerende code I29
- Code die nooit wacht, maar telkens kijkt of het tijd is voor een taak, zodat meerdere taken tegelijk kunnen lopen.
- niet-functionele eis E45
- Een kwaliteit, beperking of randvoorwaarde van die dienst.
- nitrificatie I36
- Omzetting van ammonium via nitriet naar nitraat door bacteriën (Nitrosomonas, Nitrobacter), met zuurstof; maakt het water zuurder.
- nonius F3
- Een hulpschaal op de schuif van een schuifmaat waarmee je tienden (of twintigsten) van een millimeter afleest.
- normaalkracht I8
- De contactkracht van een oppervlak op een voorwerp, loodrecht op dat oppervlak.
- normaalspanning E12
- (Pa of N/mm² = MPa): kracht loodrecht op een doorsnede, gedeeld door die doorsnede.
- normale verdeling E6
- De klokvormige verdeling ; 68,3 % binnen , 95,4 % binnen , 99,7 % binnen .
- NTC E30
- Reactiecontrole zonder toegevoegd targettemplate.
- NTC (thermistor) I22
- Halfgeleiderweerstand met een negatieve temperatuurcoëfficiënt: warmer geeft een kleinere weerstand.
- nulclijn E32
- Verzameling toestanden waarop één component van de afgeleide nul is.
- nulpunt I4
- Invoerwaarde waarvoor de functie nul is; in de grafiek een snijpunt met de horizontale as.
- nulstaaf E13
- Een staaf die bij een bepaalde belasting geen kracht draagt; ze is er voor stabiliteit, andere lastgevallen of om knik te beletten.
- numerieke stabiliteit E4
- Een methode is stabiel als fouten niet aangroeien. Euler op is stabiel voor .
- nuttige energie F15
- Het deel van de energie dat een toestel omzet in de vorm waarvoor het gemaakt is.
- N²-diagram I40
- Vierkante tabel met de deelsystemen op de diagonaal; het vakje in rij A en kolom B zegt wat A aan B levert.
O
- object E35
- Een concrete instantie met eigen toestand en identiteit.
- oceaanverzuring I15
- De daling van de pH van het zeewater doordat de oceaan koolstofdioxide uit de lucht opneemt.
- odometrie I33
- De plaats van een robot bijhouden uit hoeveel elk wiel gedraaid heeft.
- ogenblikkelijke snelheid F14
- De snelheid op één moment, zoals een snelheidsmeter ze toont.
- ogenblikkelijke snelheid I7
- De snelheid op één tijdstip: de helling van de raaklijn aan de (x,t)-grafiek.
- ohmse weerstand F19
- Onderdeel waarvan de weerstand niet verandert met de spanning: de (U,I)-grafiek is een rechte door de oorsprong.
- omgekeerd evenredig I3
- Verband : het product is constant; verdubbel je , dan halveert . De grafiek is een hyperbool.
- onafhankelijke variabele F2
- De grootheid die je in een proef zelf kiest en verandert.
- onbalans E11
- Een draaiend deel waarvan het zwaartepunt niet op de as ligt; het geeft een draaiende kracht met .
- onderdompelen F7
- Een vast voorwerp helemaal onder water brengen om zijn volume te meten: het water stijgt met het volume van het voorwerp.
- onderscheidingsvermogen E6
- De kans dat een toets een echt effect van een gegeven grootte ook vindt (1 − β).
- onderzoekscyclus F2
- De vaste volgorde van wetenschappelijk onderzoek: vraag, hypothese, proef, waarneming, besluit; het besluit leidt vaak tot een nieuwe vraag.
- onderzoeksvraag F2
- Een vraag waarop je met metingen een antwoord kan vinden, meestal van de vorm 'Hoe hangt ... af van ...?'.
- ontbrekende waarde I28
- Een lege cel in een databestand: de meting ontbreekt en mag niet als nul meetellen.
- ontlaaddiepte I16
- Welk deel van de capaciteit je bij een cyclus gebruikt (Engels: depth of discharge, DoD).
- ontlaten E28
- Beheerste warmtebehandeling van een metastabiele staalstructuur om eigenschappen af te stemmen.
- ontwerpcyclus F30
- Werkwijze om een technisch probleem op te lossen: probleem verkennen, eisen opstellen, ideeën bedenken, kiezen, prototype maken, testen, evalueren en verbeteren, zo nodig in meerdere rondes.
- ontwerpintentie I37
- Wat de ontwerper bedoelt met een maat of een plaats (het gat staat in het midden, de bus volgt de printplaat), vastgelegd zodat het bij elke wijziging blijft kloppen.
- ontwerpruimte I37
- Alle combinaties van parameters die je kan kiezen, met de grenzen die de regels opleggen.
- onzuiverheid I39
- Maat voor hoe gemengd de labels in een groep zijn: , 0 als alles gelijk is, 0,5 bij half om half.
- oorsprong F4
- Het punt waar beide assen nul zijn: (0, 0).
- opbrengst Y E31
- Gevormde droge biomassa per verbruikt substraat in het gekozen model.
- open lus I31
- Sturing volgens een plan of opdracht, zonder te meten wat het resultaat is.
- operationele definitie I2
- Een precieze afspraak over hoe je een grootheid meet, zodat iedereen hetzelfde meet (bv. 'gekiemd = worteltje van minstens 2 mm').
- oplosbaarheid F8
- De grootste massa van een stof die oplost in 100 g oplosmiddel bij een bepaalde temperatuur.
- oplosbaarheidsproduct E26
- Evenwichtsproduct van relevante vrije-ionenactiviteiten bij verzadiging.
- oplossing F8
- Homogeen mengsel van een opgeloste stof in een oplosmiddel, bv. suiker in water.
- opofferingsanode I16
- Blok van een onedeler metaal (zink, magnesium) dat in plaats van het te beschermen metaal oxideert.
- oppervlakte F3
- Hoe groot een vlak is; eenheid m² (en cm², mm² ...). Voor een rechthoek: lengte × breedte.
- oppervlakte met teken E3
- Stukken onder de x-as tellen negatief in een integraal: bv. ontladen tegenover laden.
- opschonen (data) I30
- Fouten in data opsporen en behandelen: lege cellen, onmogelijke waarden, dubbele of ontbrekende regels.
- opvoerhoogte I9
- Het hoogteverschil waarover een pomp een vloeistof omhoog brengt.
- opvoerhoogte I11
- De hoogte van een waterkolom die met het drukverschil van een pomp overeenkomt: .
- opvoerhoogte E18
- Mechanische energie per gewichtseenheid die een pomp toevoegt.
- opwaartse kracht I11
- De kracht omhoog van een vloeistof of gas op een voorwerp erin: (wet van Archimedes).
- orde van een methode E4
- De macht van waarmee de globale fout daalt: Euler orde 1 (fout ), Heun orde 2 (fout ).
- orgaan F26
- Een deel van een organisme uit verschillende weefsels met een eigen taak, zoals het hart of een blad.
- orgaanstelsel F26
- Organen die samenwerken voor één grote taak, zoals de bloedsomloop.
- output F1
- Wat een systeem verlaat: materie, energie of informatie, gewenst of ongewenst.
- overbrengingsverhouding F12
- Hoe veel trager (of sneller) het gedreven wiel draait dan het drijvende: .
- overdrachtsfunctie E38
- De verhouding van getransformeerde uitgang en ingang van een lineair tijdinvariant systeem bij nul beginvoorwaarden.
- overdruk I11
- Het verschil tussen de druk en de atmosferische druk; dat is wat een manometer meestal toont.
- overfitting I39
- Een model dat de trainingsdata (met hun toevallige ruis) uit het hoofd leert en daardoor slechter voorspelt op nieuwe data.
- overfitting E41
- Details leren die buiten de trainingsdata slecht generaliseren.
- overgang I32
- De stap van een toestand naar een andere (of dezelfde), bij een gebeurtenis, eventueel alleen als een voorwaarde klopt.
- overgangsweerstand I19
- De warmteweerstand van de dunne luchtlaag tegen een oppervlak: binnen (0,13 voor een wand), buiten (0,04).
- overhang F32
- Deel van een model dat verder uitsteekt dan de laag eronder; tot ongeveer 45° van de verticale print het zonder support.
- overloop (overflow) I29
- Een getal dat groter wordt dan zijn type kan bevatten, springt naar het andere uiterste: 32 767 + 1 wordt −32 768 in een int.
- overloopvat F7
- Vat met een tuitje; een voorwerp dat erin gaat, duwt evenveel water over de rand als zijn eigen volume.
- oxidatie I16
- Het afgeven van elektronen door een deeltje, bv. Zn → Zn²⁺ + 2 e⁻.
- oxoniumion I15
- Het ion H3O+: een watermolecule met een extra proton. Het maakt een oplossing zuur.
P
- p-waarde E6
- De kans om, als de nulhypothese waar is, een resultaat te vinden dat minstens zo extreem is als het gemeten resultaat.
- P-zin F5
- Een veiligheidsaanbeveling op een etiket (P van precaution), bv. P210 Verwijderd houden van warmte ...
- PAM E30
- Aangrenzend herkenningsmotief voor een bepaald Cas-systeem.
- PAR I36
- Fotosynthetisch actieve straling: licht van 400 tot 700 nm, het deel dat planten voor fotosynthese gebruiken.
- parallax F3
- Een afleesfout doordat je schuin op een schaal kijkt; je voorkomt ze door loodrecht en op ooghoogte te kijken.
- parallelschakeling F20
- Onderdelen naast elkaar, elk in een eigen tak tussen dezelfde twee knooppunten: over elke tak staat dezelfde spanning en de stromen tellen op.
- parameter I28
- De naam in de functiedefinitie die bij een aanroep de waarde van een argument krijgt, zoals vermogen in energie(vermogen, uren).
- parametrisch ontwerp I37
- Ontwerp waarin de maten afhangen van een paar invoermaten (parameters) via formules en beperkingen, zodat een wijziging overal doorwerkt.
- Pareto-optimaal E2
- Een ontwerp dat je op geen enkel doel kan verbeteren zonder op een ander doel in te leveren; samen vormen ze het Pareto-front.
- partiële druk E14
- De druk die één gas uit een mengsel zou uitoefenen als het alleen het hele volume vulde: (wet van Dalton).
- pascal I11
- De SI-eenheid van druk: . , .
- passing I37
- Hoe twee passende delen samengaan: met speling, als overgang of met overmaat (pers).
- pasteuriseren I35
- Voedsel kort verhitten (bv. melk 15 s op 72 °C) zodat de meeste ziekteverwekkers sterven, zonder het voedsel te koken.
- patroonherkenning F22
- Zien welke stappen of situaties telkens terugkomen, zodat je één oplossing vaker kan gebruiken.
- PCR-efficiëntie E30
- Fractie nieuw product per bestaand product per exponentiële cyclus.
- peer review I2
- Controle van een wetenschappelijk artikel door onafhankelijke vakgenoten voor het gepubliceerd wordt.
- peer-evaluatie F33
- Beoordeling van je teamgenoten met dezelfde criteria als je zelfevaluatie, eerlijk en met een concrete tip.
- periode I12
- Een horizontale rij in het periodiek systeem; het nummer is het aantal schillen.
- permittiviteit E19
- : hoe sterk een isolator het veld tussen de platen verzwakt en de capaciteit vergroot.
- perpetuum mobile F15
- Een machine die zonder energietoevoer eeuwig zou blijven werken. Ze bestaat niet: ze zou de wet van behoud van energie breken.
- persona F30
- Een verzonnen maar typische gebruiker, opgebouwd uit echte interviews en observaties, die ontwerpers helpt aan de gebruiker te denken.
- persoonlijk beschermingsmiddel (PBM) F5
- Iets dat je draagt om jezelf te beschermen, zoals een veiligheidsbril, handschoenen of gehoorbescherming.
- pH I15
- Maat voor de zuurgraad: , met de concentratie in mol/L. Onder 7 zuur, 7 neutraal, boven 7 basisch (bij 25 °C).
- pin F24
- Aansluiting van een microcontroller die als ingang (lezen) of als uitgang (schrijven) werkt.
- plaats F14
- Waar een voorwerp is, ten opzichte van een gekozen vertrekpunt, bijvoorbeeld 'op 360 m van huis'.
- plaats I7
- De coördinaat van een voorwerp op een gekozen as met een oorsprong en een positieve zin.
- plaatsvector E8
- De vector van de oorsprong naar het voorwerp; zijn afgeleide is de snelheid.
- plagiaat I2
- Tekst, ideeën, figuren of data van iemand anders gebruiken zonder de bron te vermelden.
- plasmide I35
- Klein ringvormig stukje DNA in een bacterie, los van het grote chromosoom; in de biotechnologie gebruikt om een gen binnen te brengen.
- plastisch F10
- Blijft na het wegnemen van de kracht vervormd.
- pn-overgang I23
- Grens tussen p-type en n-type halfgeleider; er ontstaat een sperlaag zonder vrije ladingen.
- polaire binding I13
- Atoombinding waarin de elektronen dichter bij het meest elektronegatieve atoom liggen: dat atoom wordt δ−, het andere δ+.
- polymeer I17
- Reuzenmolecuul uit duizenden aan elkaar gebonden eenheden, zoals polyetheen of PLA.
- pool E38
- Een karakteristieke waarde die groei, verval of oscillatie van een lineair systeem bepaalt.
- poolpaar E19
- Eén noord- en één zuidpool van een draaiende machine; bij poolparen is .
- populatie F28
- Alle organismen van dezelfde soort in hetzelfde gebied.
- potentiaal I21
- De spanning van een punt ten opzichte van een gekozen referentiepunt (de massa, 0 V).
- potentiaal E19
- De potentiële energie per lading (volt); spanning is een potentiaalverschil, en .
- potentiometer I22
- Weerstand met een verschuifbaar contact (de loper): een instelbare spanningsdeler.
- potentiële energie I9
- Hier: zwaarte-energie, , met de hoogte boven een gekozen referentieniveau.
- PPFD I36
- Fotonenstroomdichtheid: het aantal lichtdeeltjes (in µmol) dat per seconde op een vierkante meter valt, in µmol/(m²·s).
- PPG E33
- Optische registratie van perifere pulsgerelateerde bloedvolumeverandering.
- ppm I14
- Parts per million: deeltjes per miljoen. 425 ppm CO2 betekent 425 CO2-moleculen per miljoen deeltjes lucht (0,0425 %).
- ppm E14
- Parts per million: een miljoenste. Voor gassen een volumefractie, gelijk aan de molfractie: 1000 ppm CO₂ = 0,1 % van de moleculen.
- precessie E10
- De trage draaiing van de as van een tol of wiel, doordat een moment loodrecht op alleen de richting van verandert.
- precies I1
- Herhaalde metingen liggen dicht bij elkaar: de toevallige fout is klein.
- precisie E42
- Aandeel werkelijk positieve gevallen onder positieve voorspellingen.
- primaire bron I2
- Een bron met de oorspronkelijke metingen of waarnemingen van de auteurs zelf.
- primitieve functie E3
- Een functie met . Ze is bepaald op een constante na.
- probleemstelling F30
- Een korte zin die zegt wat er opgelost moet worden, voor wie en waarom, zonder al een oplossing te kiezen.
- procentuele groei I5
- De groei per tijdstap in procent van de vorige waarde: .
- proces F1
- Wat er in het systeem met de input gebeurt: omzetten, vervoeren, opslaan, bewerken.
- procesruis E40
- Onzekerheid in de voorspelling van een toestandstap.
- producent F28
- Organisme dat zelf zijn voedsel maakt met licht (fotosynthese): planten, algen, sommige bacteriën.
- proefconfiguratie E49
- Benoemde verzameling parameters die geen installatiekeuze bewijst.
- profiel F13
- De vorm van de doorsnede van een balk of staaf, zoals een I, U, L, koker of buis.
- programma van eisen F30
- De lijst van alles waaraan de oplossing moet voldoen (moet-eisen) en wat ze liefst ook kan (wensen), meetbaar geformuleerd.
- prothese E33
- Hulpmiddel dat een verloren lichaamsfunctie of lichaamsdeel vervangt.
- protocol I30
- Afspraak over hoe twee toestellen gegevens uitwisselen: vorm, volgorde en betekenis.
- proton I12
- Positief geladen deeltje in de kern; het aantal protonen bepaalt het element.
- prototype F30
- Een snelle, voorlopige uitvoering van een idee om iets te testen.
- pseudonimisering E44
- Persoonsgegevens met vervangende identificatoren verwerken, waarbij koppeling via aanvullende informatie mogelijk blijft.
- pseudoreplicatie I2
- Herhalingen tellen die niet onafhankelijk zijn, zoals twaalf planten onder één lamp als twaalf herhalingen van 'die lamp'.
- pseudoreplicatie E6
- Metingen tellen als onafhankelijke herhalingen terwijl ze dezelfde behandeling niet onafhankelijk kregen (bv. alle planten onder één lamp).
- pull-down / pull-up F24
- Weerstand die een ingang naar 0 V (pull-down) of naar 5 V (pull-up) trekt zolang de knop los is, zodat de ingang nooit zweeft.
- pull-upweerstand I30
- Weerstand naar de voedingsspanning die een lijn hoog houdt als niemand ze laag trekt.
- PWM I25
- Pulsbreedtemodulatie: een digitale uitgang die snel aan en uit gaat, zodat het gemiddelde tussen 0 en de volle spanning ligt.
- Python I27
- Een programmeertaal die je leest bijna als Engelse tekst; een interpreter voert het programma regel per regel uit.
Q
R
- R-ladder I38
- Rangorde van circulaire strategieën, van weigeren en verminderen via herstellen en hergebruiken tot recycleren en terugwinnen.
- R-waarde I19
- De warmteweerstand van een laag, , in m²·K/W. Lagen na elkaar: de R-waarden tellen op.
- raaklijn E1
- De rechte door een punt van een grafiek met als helling de afgeleide in dat punt: de beste lineaire benadering van de functie daar.
- radiaal E10
- Hoekmaat: de booglengte gedeeld door de straal, . Een volle toer is rad; 1 rad ≈ 57,3°.
- radioactief verval I5
- Het willekeurig uiteenvallen van instabiele atoomkernen; per halveringstijd vervalt de helft van de overblijvende kernen.
- raketvergelijking E9
- (Tsiolkovski): de snelheidswinst hangt alleen af van de uitstroomsnelheid en de massaverhouding.
- randvoorwaarde E2
- Een eis waaraan het ontwerp moet voldoen: een gelijkheid (bv. het volume) of een ongelijkheid (bv. past door de deur).
- ratiometrisch meten I22
- De sensor en de ADC gebruiken dezelfde referentiespanning, zodat het getal alleen van de verhouding van de weerstanden afhangt.
- RC-tijd I24
- De tijdconstante van een condensator die via een weerstand laadt of ontlaadt: na τ is 63 % van de verandering gebeurd.
- reactantie E20
- Het imaginaire deel van een impedantie : (positief), (negatief).
- reactie-enthalpie E25
- Enthalpieverschil per mol van de geschreven reactie bij gespecificeerde toestanden.
- reactieafstand I7
- De afstand die je aflegt tussen het zien van een gevaar en het begin van het remmen: .
- reactief vermogen E20
- in var: vermogen dat heen en weer pendelt tussen bron en de velden van spoelen en condensatoren.
- reactieorde E25
- Som van gemeten concentratie-exponenten in een snelheidswet.
- reactiequotiënt E26
- Activiteitenproduct Q van de actuele samenstelling, te vergelijken met K.
- reactievergelijking I14
- De reactie in formules, met evenveel atomen van elke soort links en rechts van de pijl.
- recall E42
- Aandeel gevonden positieve gevallen onder alle werkelijk positieve gevallen.
- recht evenredig F4
- Twee grootheden zijn recht evenredig als hun verhouding constant is: wordt de ene 2 of 3 keer zo groot, dan ook de andere. De grafiek is een rechte door de oorsprong.
- rechterhandregel (veld) I26
- Duim in de richting van de stroom: je gekromde vingers wijzen de draairichting van het veld rond de draad aan.
- recombinant DNA I35
- DNA waarin een stuk van een ander organisme is ingebouwd, bv. het menselijke insulinegen in een plasmide van een bacterie.
- recursie E34
- Een functie die kleinere exemplaren van hetzelfde probleem oplost door zichzelf aan te roepen.
- recyclagecode I17
- Nummer 1 tot 7 in een driehoekje dat zegt uit welke kunststof een voorwerp bestaat; geen belofte dat het gerecycleerd wordt.
- redoxreactie I16
- Reactie waarbij elektronen van de ene stof (de reductor) naar de andere (de oxidator) gaan; oxidatie en reductie gebeuren altijd samen.
- reducent F28
- Schimmel of bacterie die dode resten afbreekt tot koolstofdioxide, water en mineralen.
- reductie I16
- Het opnemen van elektronen door een deeltje, bv. Cu²⁺ + 2 e⁻ → Cu.
- referentiestroom E47
- De hoeveelheid product of systeem die nodig is om die dienst te leveren.
- reflectiesensor I33
- Een IR-led en een fototransistor naast elkaar: hoe meer licht de vloer terugkaatst, hoe meer stroom de transistor geleidt.
- regel van Pappus I37
- Het volume van een draaideel is de oppervlakte van het profiel maal de omtrek die het zwaartepunt van het profiel beschrijft.
- regel van Simpson E3
- Numerieke integratie met parabolen door telkens drie punten; fout evenredig met , exact voor derdegraadsveeltermen.
- regelafwijking (fout) I31
- Het verschil tussen de gewenste waarde en de meting.
- regelen (gesloten lus) F1
- Een systeem meet het resultaat en stuurt bij tot de gewenste waarde bereikt is.
- regelfout E39
- Het verschil tussen setpoint en gemeten waarde.
- regelkring F25
- Systeem dat meet, beslist en ingrijpt, en daarna opnieuw meet wat het effect was (gesloten lus, terugkoppeling).
- regularisatie E41
- Een beperking of straf die gevoeligheid voor trainingsdetails verlaagt.
- rek E12
- : de relatieve verlenging, zonder eenheid (vaak in % of in ).
- relais F25
- Schakelaar die bediend wordt door een elektromagneet: een kleine stroom in de spoel schakelt een grote stroom in een aparte kring.
- relais I26
- Schakelaar die bediend wordt door een elektromagneet; stuurkring en geschakelde kring zijn elektrisch gescheiden.
- relatieve beweging E8
- Een beweging beschreven vanuit een ander, bewegend assenstelsel: .
- relatieve fout I1
- De absolute fout gedeeld door de waarde, , vaak in procent. Heeft geen eenheid.
- relatieve vochtigheid E14
- De waterdampdruk gedeeld door de verzadigingsdruk bij dezelfde temperatuur: .
- relaxatie E34
- Een voorlopige padafstand vervangen wanneer een kortere route wordt gevonden.
- remafstand I7
- De afstand die je nodig hebt om tot stilstand te remmen: bij constante remvertraging .
- rendement F15
- Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig gebruikt wordt, meestal in procent: nuttige energie gedeeld door toegevoerde energie.
- rendement I9
- Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig gebruikt wordt: .
- rendement van een paneel I20
- Het deel van het invallende zonlicht dat elektrische energie wordt: .
- residu I3
- Het verschil tussen een gemeten waarde en de waarde op de rechte (of het model) bij dezelfde .
- residu E4
- Het verschil tussen model en meting in één punt. Een patroon in de residuen wijst op een ontbrekend mechanisme.
- residu E36
- Het verschil tussen waarneming en modelwaarde.
- resolutie I1
- De kleinste stap die een instrument kan tonen. Zegt niets over hoe juist die stap is.
- resolutie (van een ADC) I25
- De kleinste spanningsverandering die een ADC kan onderscheiden: , bij 10 bit en 5 V 4,88 mV.
- resonantie E11
- Het sterke meetrillen van een systeem dat aangedreven wordt met (bijna) zijn eigenfrequentie; alleen de demping begrenst de amplitude.
- resonantie E20
- Toestand waarin de reactanties van spoel en condensator elkaar opheffen: ; in serie is dan minimaal, parallel maximaal.
- restitutiecoëfficiënt E9
- relatieve snelheid na / relatieve snelheid voor (van elkaar weg tegenover naar elkaar toe): 1 elastisch, 0 volledig inelastisch.
- resultante I6
- De som van twee of meer vectoren: de ene vector die hetzelfde effect heeft.
- resultatentabel F4
- Een tabel waarin je metingen ordent: één kolom per grootheid, met grootheid en eenheid in de kop en alleen getallen in de cellen.
- resulterende kracht I8
- De vectorsom van alle krachten op één voorwerp; ze bepaalt de versnelling.
- returnwaarde I28
- Wat een functie met return teruggeeft aan wie haar aanriep; zonder return is dat None.
- review E48
- Gerichte beoordeling van een werkproduct en zijn bewijs door een ander.
- Reynoldsgetal E18
- Dimensieloze verhouding van traagheids- tot viscositeitsinvloed.
- richtingscoëfficiënt I3
- De helling van een rechte, met als eenheid de eenheid van gedeeld door die van .
- richtingsveld E4
- Een tekening met in elk punt een kort lijnstuk met helling ; oplossingen raken overal aan die lijnstukjes.
- Riemann-som E3
- Een som van rechthoekjes die de oppervlakte onder een kromme benadert; links, rechts of in het midden van elke strook.
- rijpen F6
- Van gas rechtstreeks naar vast; bv. rijp op het gras.
- rimpel I24
- Het kleine, periodieke op en neer van een afgevlakte gelijkspanning.
- risico F5
- Hoe groot de kans is dat een gevaar echt schade doet, samen met hoe erg die schade is; eenvoudig geschat als kans × ernst.
- risicotabel F5
- Een tabel met de kans op de ene as en de ernst op de andere; het product geeft aan of een risico laag, middel of hoog is.
- rondgaand rendement E27
- Elektrische uitvoer gedeeld door elektrische invoer op dezelfde systeemgrens.
- rotatie-energie E10
- : de kinetische energie van alle delen van een draaiend voorwerp samen.
- RTC (real-time clock) I30
- Klokchip die datum en tijd bijhoudt, ook zonder voeding van de microcontroller (knoopcel).
- rubric F33
- Beoordelingstabel met criteria en per criterium een beschrijving van elk niveau.
- R² (determinatiecoëfficiënt) I3
- Het deel van de spreiding in dat de rechte verklaart; 1 = alle punten op de rechte. Bewijst geen lineair verband.
S
- samenstelling E35
- Een object gebruikt andere objecten als onderdelen.
- samenstellingstekening F33
- Werktekening van een geheel, met de hoofdmaten en een verwijzing naar de werktekeningen van de onderdelen.
- Sankey-diagram F15
- Stroomdiagram van energie waarin de breedte van elke pijl evenredig is met de hoeveelheid energie.
- scalair product E5
- : een getal; nul als de vectoren loodrecht staan.
- scalar I6
- Grootheid die volledig bepaald is door een getal met eenheid (massa, temperatuur, energie).
- schaal F31
- Verhouding tussen een lengte op de tekening en dezelfde lengte in het echt; 1:5 betekent vijf keer kleiner.
- schaal van een as F4
- Hoeveel eenheden van een grootheid met één hokje of één centimeter op het papier overeenkomen, bv. 20 mL per cm.
- schakelschema F18
- Tekening van een kring met afgesproken (IEC-)symbolen, rechte draden en knooppunten.
- scheiden van veranderlijken E4
- Oplossingsmethode voor : alle naar één kant, alle naar de andere, en beide kanten integreren.
- scheidingsschema F9
- Stroomschema dat toont in welke volgorde je welke technieken gebruikt en wat er bij elke stap overblijft.
- scheidingstechniek F9
- Methode om een mengsel te scheiden, die steunt op een verschil in stofeigenschap tussen de stoffen.
- schets F31
- Snelle tekening uit de vrije hand, niet op schaal, om een idee te tonen of te onthouden.
- schijnbaar vermogen E20
- in VA; complex . Bepaalt de stroom, dus de dikte van kabels en de grootte van omvormers.
- schillenmodel I12
- Model waarin de elektronen in schillen rond de kern zitten, met hoogstens 2, 8, 18, 32 elektronen per schil.
- schimmel I35
- Organisme met een celkern en een celwand van chitine, zonder bladgroen; groeit met draden (hyfen) en verspreidt zich met sporen.
- Schmitt-trigger I24
- Ingang met twee drempels (hysterese) die van een trage of rommelige spanning een zuiver digitaal signaal maakt.
- schok (jerk) E1
- De afgeleide van de versnelling (m/s³). Een sprong in de versnelling geeft een oneindige schok: een tik in de mechaniek.
- schuine worp E8
- Een worp onder een hoek ; zonder lucht een parabool met bereik op gelijke hoogte.
- SCOP E16
- Seizoens-COP: alle warmte van een stookseizoen gedeeld door alle elektriciteit, inclusief ontdooien en hulpenergie; hangt af van het klimaat en de aanvoertemperatuur.
- script F23
- Een reeks blokken die aan elkaar vastzitten en samen uitgevoerd worden, meestal onder een hoedblok.
- semiconservatief E29
- Elk dochterduplex heeft een oude en een nieuwe DNA-streng.
- sensor F25
- Onderdeel dat een grootheid (temperatuur, licht, vocht) omzet in een elektrisch signaal, meestal een spanning.
- sequentie F23
- Blokken die na elkaar worden uitgevoerd, in de volgorde waarin ze gestapeld zijn.
- sequentiële logica E23
- Uitgang hangt ook van opgeslagen toestand af.
- serieschakeling F20
- Onderdelen achter elkaar in één weg: door alle onderdelen loopt dezelfde stroom en de spanning van de bron verdeelt zich over hen.
- seriële plotter I29
- Venster in de Arduino-IDE dat getallen van de seriële poort als grafiek tekent.
- servomotor I26
- Motor met overbrenging, positiesensor en regelaar, die een hoek aanneemt volgens de lengte van een stuurpuls.
- setpoint (gewenste waarde) E39
- De waarde die de regeling moet bereiken, bv. 20 °C binnentemperatuur.
- setup() en loop() F24
- In een Arduino-programma loopt setup() één keer bij het opstarten, loop() daarna eindeloos.
- setup() en loop() I29
- De twee functies van elke Arduino-schets: setup() loopt één keer na de start, loop() daarna eindeloos.
- shoot-through E24
- Gelijktijdige geleiding van de twee schakelaars van één brugpoot, waardoor de rail kortgesloten wordt.
- shunt I30
- Weerstand van enkele milliohm in een stroomleiding; de spanning erover is evenredig met de stroom.
- SI F3
- Het Internationale Stelsel van Eenheden, met zeven basisgrootheden en hun basiseenheden (meter, kilogram, seconde, ampère, kelvin, mol, candela).
- siemens I13
- Eenheid van geleiding: het omgekeerde van de ohm, .
- signaalwoord F5
- Het woord op een etiket dat zegt hoe ernstig het gevaar is: 'Gevaar' (ernstiger) of 'Waarschuwing' (minder ernstig).
- simulatie F23
- Een programma dat een echt systeem nabootst met een vereenvoudigd model, om het te kunnen testen.
- sinus I6
- In een rechthoekige driehoek: overstaande rechthoekszijde gedeeld door de schuine zijde, .
- sinusoïde E7
- Signaal van de vorm : amplitude , hoekfrequentie , fase .
- slagader F29
- Bloedvat dat bloed van het hart wegvoert, met een dikke, elastische wand.
- slankheid E12
- met : hoe slanker, hoe minder een drukstaaf draagt.
- slicer F32
- Programma dat een 3D-model in lagen snijdt en de banen van de spuitmond berekent; het resultaat is G-code.
- slicing I28
- Een stuk uit een lijst of tekst nemen met l[a:b]: van index a tot, maar niet met, index b.
- smelten F6
- Van vast naar vloeibaar; er moet energie bij. Het omgekeerde is stollen.
- smeltwarmte I18
- De warmte die nodig is om 1 kg van een vaste stof op haar smeltpunt te laten smelten, zonder dat de temperatuur stijgt; bij stollen komt ze weer vrij.
- snede (kerf) F32
- Breedte van het materiaal dat een lasersnijder of zaag wegneemt.
- snedemethode E13
- Het vakwerk in gedachten doorsnijden door hoogstens drie staven en het evenwicht van één deel gebruiken, vaak met een momentenvergelijking om het snijpunt van twee staven (Ritter).
- snelheidsvector E8
- : raakt altijd aan de baan, lengte = de snelheid (in m/s).
- snijpunt met de y-as I3
- De waarde van bij , met de eenheid van .
- snijpunt van twee functies I4
- Punt waar twee functies dezelfde uitvoer geven; je vindt het door de voorschriften gelijk te stellen.
- soortelijke warmtecapaciteit I18
- De warmte die nodig is om 1 kg van een stof 1 K (of 1 °C) warmer te maken; symbool , in J per kg per K.
- spanning F19
- Het 'duwen' van een bron op de lading, gemeten als verschil tussen twee punten. Symbool , eenheid volt (V).
- spanningsdeler I22
- Twee weerstanden in serie over een spanning; de spanning op de aftakking is .
- spanningsreeks I16
- Rangschikking van metalen (en waterstof) volgens hoe makkelijk ze elektronen afgeven; van onedel naar edel.
- specifieke groei E31
- Biomassavorming per aanwezige biomassa per tijd.
- SPI I30
- Snelle bus met een klokdraad, twee datadraden en een selectiedraad per apparaat; hier voor de SD-kaart.
- SpO₂ E33
- Optische schatting van de arteriële hemoglobinezuurstofsaturatie.
- spreidingsdiagram F4
- Een grafiek met losse punten, één per voorwerp of persoon, om te zien of twee gemeten grootheden samenhangen.
- spreidingsdiagram I3
- Grafiek met punten op hun echte - en -waarde (xy-grafiek); het juiste diagram voor meetreeksen.
- spreidingsdiagram I39
- Grafiek met een punt per meting, met twee grootheden op de assen; toont of ze samenhangen.
- staafdiagram F4
- Een grafiek met staven waarvan de lengte een hoeveelheid voorstelt; om aparte groepen te vergelijken.
- stabiel F13
- Een voorwerp is stabiel zolang de verticale lijn door zijn zwaartepunt binnen het steunvlak valt.
- stamoplossing I36
- Geconcentreerde oplossing van voedingszouten die je verdunt; A (met calcium) en B (met sulfaat en fosfaat) blijven gescheiden omdat ze samen neerslaan.
- stand-byverbruik F21
- Het vermogen dat een toestel opneemt als het 'uit' staat maar klaar is om aan te gaan (afstandsbediening, klok).
- standaardafwijking I1
- Maat voor de spreiding van een meetreeks: .
- standaardfout E6
- De standaardafwijking van een gemiddelde: , geschat met .
- standaardonzekerheid E6
- De onzekerheid op een grootheid uitgedrukt als een standaardafwijking (u); type A uit een reeks metingen, type B uit andere informatie (tolerantie, resolutie, ijkcertificaat).
- standaardtestcondities I20
- Afgesproken omstandigheden om panelen te vergelijken: 1000 W/m² loodrecht, cel op 25 °C, spectrum AM1,5 (STC).
- stappenmotor I26
- Motor die per stroompuls een vaste hoek draait (vaak 1,8°), zodat je de positie kent zonder sensor.
- stationair punt E2
- Punt waar de afgeleide nul is: de raaklijn is horizontaal. Kandidaat voor een extremum, maar het kan ook een buigpunt zijn.
- statisch bepaald E13
- Alle staafkrachten en reacties volgen uit evenwicht alleen: en de evenwichtsmatrix is regelmatig.
- statische versterking E38
- De verhouding tussen verandering van evenwichtsuitvoer en een constante inputverandering.
- statische wrijving I8
- Wrijving tussen oppervlakken die niet over elkaar schuiven; ze past zich aan tot hoogstens .
- steekproefgrootte I2
- Het aantal onafhankelijke herhalingen per groep; hoe kleiner het verschil dat je zoekt tegenover de spreiding, hoe meer je er nodig hebt.
- STEM F1
- Afkorting van science, technology, engineering en mathematics: wetenschap, technologie, engineering en wiskunde, als één samenhangend geheel.
- steriel I35
- Zonder levende micro-organismen of sporen.
- steriliseren I35
- Alle micro-organismen en sporen doden, bv. 15 minuten op 121 °C in een autoclaaf.
- sterk zuur I15
- Zuur waarvan (bijna) alle moleculen in water een proton afgeven, zoals zoutzuur en salpeterzuur.
- sterkte F10
- Hoeveel kracht een materiaal kan dragen voor het bezwijkt, op trek, druk of buiging.
- sterpunt I21
- Eén gemeenschappelijk massapunt waar elke verbruiker met een eigen retourdraad op aansluit, zodat grote stromen geen spanning opwekken in de massa van een sensor.
- sterschakeling E20
- Drie belastingen of wikkelingen met één uiteinde samen in het sterpunt (aan de nulgeleider), elk op de fasespanning.
- steunpuntsreactie I10
- De kracht die een steunpunt (oplegging) op een balk of constructie uitoefent.
- steunvlak F13
- Het vlak binnen de buitenste steunpunten van een voorwerp op de grond.
- stijf stelsel E4
- Een stelsel met sterk verschillende tijdconstanten: de snelste bepaalt de toegelaten stap, ook als ze niet interessant is.
- stijfheid F10
- Hoe weinig een materiaal vervormt onder een kracht; staal is ongeveer drie keer zo stijf als aluminium.
- stijfheidsmatrix E13
- in : kolom geeft de krachten die nodig zijn om alleen vrijheidsgraad een eenheid te verplaatsen.
- stikstofbinding I36
- Omzetting van stikstofgas uit de lucht in ammonium, door bacteriën (bv. in wortelknolletjes) of industrieel (Haber-Bosch).
- STL F32
- Bestandsformaat dat het oppervlak van een 3D-model beschrijft als een net van driehoeken.
- stofeigenschap F8
- Eigenschap die bij een stof hoort, los van de grootte of vorm van het voorwerp: smeltpunt, kookpunt, dichtheid, kleur, oplosbaarheid, geleiding.
- stofwisseling I34
- Alle chemische reacties in een levend wezen samen: afbreken (energie vrijmaken) en opbouwen (energie gebruiken).
- stooklijn E16
- Het verband tussen buitentemperatuur en aanvoertemperatuur van het verwarmingswater: hoe kouder buiten, hoe warmer het water.
- stoot E9
- De integraal van een kracht over de tijd, (N·s): de oppervlakte onder , gelijk aan de impulsverandering.
- STOP-principe F5
- Volgorde om maatregelen te kiezen: eerst Substitutie, dan Technische en Organisatorische maatregelen, als laatste Persoonlijke bescherming.
- stopafstand I4
- Reactieafstand plus remafstand: , kwadratisch in de snelheid.
- stopdominant E23
- Gelijktijdige stop en reset resulteren in stop.
- storing I31
- Een invloed van buiten die de geregelde grootheid verandert, zoals de buitentemperatuur of een open deur.
- storingstest I40
- Test waarbij je bewust een fout veroorzaakt (sensor los, vlotter omhoog, stroom eraf) om na te gaan of het systeem zoals ontworpen reageert.
- straalkracht E9
- De kracht van een massastroom die met snelheid weggestoten wordt: raket, sproeier, rotor.
- straling F16
- Warmtetransport door infrarood en licht; werkt ook door het luchtledige.
- stroming (convectie) F16
- Warmtetransport doordat een warme vloeistof of een warm gas zich verplaatst en de warmte meeneemt.
- stroom (stroomsterkte) F19
- De hoeveelheid lading die per seconde door een doorsnede van de kring stroomt. Symbool , eenheid ampère (A).
- stroomdiagram F22
- Tekening van een algoritme met vaste symbolen: ovaal (start/stop), rechthoek (handeling), ruit (beslissing), parallellogram (invoer/uitvoer) en pijlen.
- stuklijst F31
- Tabel met alle onderdelen: positienummer, aantal, benaming, materiaal en afmetingen.
- sturen (open lus) F1
- Een systeem doet wat ingesteld is, zonder te meten of het resultaat bereikt wordt.
- stuurgrootheid E39
- Wat de regelaar naar de actuator stuurt, (hier: verwarmingsvermogen in W).
- sublimeren F6
- Van vast rechtstreeks naar gas, zonder te smelten; bv. droog ijs.
- substraat I34
- De stof waarop een enzym inwerkt.
- supercondensator I24
- Condensator met een enorme capaciteit (farads) bij een lage spanning, gebruikt als kleine energiebuffer.
- support F32
- Tijdelijke steun die de printer bouwt onder delen die anders in de lucht zouden hangen.
- suspensie F8
- Heterogeen mengsel van vaste deeltjes die in een vloeistof zweven, zoals modderwater.
- synchroniseren E7
- Een bron pas op het net schakelen als spanning, frequentie en fase overeenkomen.
- syntaxfout I27
- Een fout in de schrijfwijze: Python begrijpt de tekst niet en voert niets uit.
- systeem F1
- Een geheel van onderdelen die samenwerken om iets te doen; je beschrijft het met input, proces en output.
- systeemgrens F1
- De (denkbeeldige) lijn die bepaalt wat bij het systeem hoort; alles wat die lijn kruist, is input of output.
- systeemgrens I38
- Wat je wel en niet meetelt in een LCA: van wieg tot poort, van wieg tot graf of van wieg tot wieg.
- systematische fout I1
- Fout die elke meting evenveel dezelfde kant op duwt (een nulpunt dat niet klopt, een slecht geijkte sensor). Verdwijnt niet door te herhalen.
T
- t-verdeling E6
- De verdeling van (x̄ − μ)/(s/√n) bij normale metingen; bredere staarten dan de normale verdeling, vooral bij weinig vrijheidsgraden.
- taai F10
- Vervormt veel voor het breekt en neemt zo veel energie op; het tegengestelde is bros.
- tak F20
- Eén van de wegen tussen twee knooppunten in een parallelschakeling.
- tak I21
- Stuk van een netwerk tussen twee knooppunten, zonder vertakking: door alle onderdelen van een tak loopt dezelfde stroom.
- takel F12
- Een combinatie van vaste en losse katrollen. Met touwdelen die de last dragen, is de nodige kracht .
- tangens I6
- In een rechthoekige driehoek: overstaande gedeeld door aanliggende rechthoekszijde, .
- tare E22
- Aftrekken van een gemeten nul-/bakmassa zonder de schaalfactor opnieuw te bepalen.
- technisch probleem F1
- Een probleem waarvoor je iets wil ontwerpen of maken dat werkt; je lost het op met de ontwerpcyclus.
- technisch rapport I40
- Verslag van een ontwerp: van eisen over berekeningen en keuzes tot tests en besluit, zo dat een ander het kan nagaan en verderzetten.
- technologie F1
- Alles wat mensen maken om een probleem op te lossen of een behoefte te vervullen: toestellen, materialen, programma's, werkwijzen.
- teeltschema I36
- Planning van zaaien, uitplanten en oogsten, zodat er regelmatig geoogst kan worden.
- tegen-emk I26
- De spanning die een draaiende motor zelf opwekt, als een dynamo; ze werkt de voedingsspanning tegen en is evenredig met het toerental.
- teller F23
- Een variabele die telkens met een vaste stap verandert, om iets te tellen.
- temperatuur F6
- Een maat voor hoe snel de deeltjes van een stof gemiddeld bewegen.
- temperatuur F16
- Een maat voor hoe snel de deeltjes van een stof gemiddeld bewegen; je meet ze met een thermometer, in °C of in kelvin.
- temperatuurfactor I19
- : hoe warm het binnenoppervlak blijft; in België gebruikt men als vuistregel tegen schimmel.
- temperatuuroptimum I34
- De temperatuur waarbij een enzym (of een organisme) het snelst werkt: sneller door meer botsingen, niet zo warm dat de vorm verloren gaat.
- terugkoppeling F1
- De output wordt gemeten en die meting stuurt het systeem bij; ook feedback genoemd.
- testplan F30
- Per eis: hoe je test, met welk criterium, en wat het resultaat is.
- testplan F33
- Lijst van tests die per eis zeggen hoe, waarmee en met welk criterium je toetst, vastgelegd vóór je test.
- testrapport F33
- Het ingevulde testplan: per eis het resultaat en het besluit (gehaald, niet gehaald, voorlopig).
- testweek I40
- Systeemtest waarin het systeem een week alleen draait, terwijl de logger alles bijhoudt.
- thermal runaway I16
- Zichzelf versnellende opwarming in een batterij: warmte doet reacties sneller gaan, die nog meer warmte maken, tot brand.
- thermische energie F16
- De energie van alle bewegende deeltjes in een voorwerp samen; hoe meer deeltjes en hoe sneller, hoe meer.
- thermische knoop E17
- Een modeldeel met één temperatuur en een eigen warmtecapaciteit.
- thermische weerstand E17
- Temperatuurverschil gedeeld door de warmtestroom, in K/W.
- thermoharder I17
- Kunststof met een dicht netwerk van bindingen tussen de ketens; smelt niet, ontbindt bij te hoge temperatuur.
- thermoneutrale spanning E27
- Reactie-enthalpie gedeeld door de reactie-elektronenlading.
- thermoplast I17
- Kunststof met losse ketens die bij verwarmen zacht wordt en smelt, en opnieuw gevormd kan worden.
- tijdconstante I5
- Bij de tijd waarna nog over is; bij een RC-kring .
- tijdconstante E4
- De tijd waarin een exponentieel proces nog 37 % () van zijn afstand tot het evenwicht over heeft.
- tijdconstante E17
- De tijdschaal van een exponentiële respons; na één tijdconstante resteert 1/e van een beginafwijking.
- tijdlek E49
- Gebruik van informatie die op het bedoelde planmoment nog niet beschikbaar was.
- tijdscomplexiteit E34
- De groei van het aantal elementaire bewerkingen als functie van de invoergrootte.
- tijdstempel I30
- Datum en tijd die bij een meting horen.
- time-out I32
- Een grens op de tijd in een toestand; wordt ze overschreden, dan is er iets mis.
- titelblok F31
- Vak rechtsonder op een werktekening met de benaming, het tekeningnummer, de schaal, het projectiesymbool en de tekenaar.
- titratie I15
- Methode om een concentratie te bepalen door een oplossing met gekende concentratie toe te voegen tot de reactie precies af is.
- toegevoegde E7
- , het spiegelbeeld tegenover de reële as; .
- toekenning I27
- Een regel als
vocht = 50: de naam links wijst voortaan naar de waarde rechts. - toestand I32
- Een situatie waarin een systeem kan blijven, met een vast gedrag (DICHT, OPENEN, NACHT).
- toestand E38
- Informatie die met de toekomstige invoer voldoende is om de toekomstige systeemuitvoer te bepalen.
- toestandsmachine I32
- Een systeem dat op elk ogenblik in precies één van een beperkt aantal toestanden is, en bij gebeurtenissen van toestand verandert.
- toestandstabel I32
- Tabel met de toestanden als rijen en de gebeurtenissen als kolommen; elk vakje zegt wat er gebeurt.
- toevallige fout I1
- Fout die bij elke meting anders is, soms te groot en soms te klein. Wordt kleiner door te herhalen en te middelen.
- tolerantie F32
- Hoeveel een maat mag afwijken; bij passende onderdelen ook de speling die je bewust tekent.
- tolerantiestapeling I37
- Het optellen van de maatafwijkingen van meerdere delen om de kleinste en de grootste speling te vinden.
- top van een parabool I4
- Het hoogste (bij ) of laagste (bij ) punt, bij ; de symmetrieas gaat erdoor.
- torsie F13
- Belasting waarbij een onderdeel verdraaid wordt, zoals een as of een schroevendraaier.
- totale speling E48
- Verschil tussen laatste en vroegste start zonder de berekende projecteinddatum te verschuiven.
- traagheidsmoment E10
- (kg·m²): hoe moeilijk een voorwerp om een as te versnellen is; hangt af van de massa én van hoe ver ze van de as zit.
- traagheidsmoment van een doorsnede E12
- (m⁴ of mm⁴): hoe ver het materiaal van de neutrale lijn ligt; rechthoek .
- trace-tabel F22
- Tabel waarin je bij het naspelen van een algoritme na elke stap de waarde van de variabelen noteert.
- trace-tabel I27
- Een tabel waarin je de waarden van de variabelen na elke stap noteert, om een programma na te spelen.
- traceback I27
- De foutmelding van Python: waar het misliep (bestand, regel) en welk soort fout, onderaan het belangrijkst.
- tracking anti-windup E49
- Terugvoer van werkelijk geleverde actie naar de integrale toestand.
- transformator E19
- Twee spoelen rond één kern; ideaal en .
- transistor I23
- Halfgeleiderschakelaar of -versterker met drie aansluitingen, waarin een klein signaal een grote stroom stuurt.
- transmissibiliteit E11
- : de verhouding van de kracht (of beweging) die door een verende steun doorkomt tot die aan de bron; kleiner dan 1 pas als .
- trapeziumregel E3
- Numerieke integratie met rechte lijnstukjes tussen de meetpunten; fout evenredig met .
- trappenhuisschakeling F18
- Schakeling met twee wisselschakelaars en twee schakeldraden waarmee je één lamp van twee plaatsen bedient (ook wisselschakeling).
- trek F13
- Belasting die een onderdeel uitrekt, zoals bij een touw of een kabel.
- treksterkte E12
- : de grootste spanning in een trekproef, betrokken op de oorspronkelijke doorsnede.
- trendlijn F4
- Een vloeiende lijn (vaak een rechte) die het verloop van meetpunten zo goed mogelijk volgt, met ongeveer evenveel punten erboven als eronder.
- tussenwiel F12
- Een tandwiel tussen het drijvende en het gedreven wiel: het keert de draairichting om, maar verandert de overbrengingsverhouding niet.
- tweede afgeleide E1
- De afgeleide van de afgeleide; zegt hoe de helling verandert (bolling). Bij een plaatsfunctie is ze de versnelling.
- tweede hoofdwet E15
- Warmte stroomt nooit vanzelf van koud naar warm (Clausius); geen machine zet warmte volledig om in arbeid zonder ook warmte af te geven (Kelvin-Planck). Samen: de totale entropie neemt nooit af.
- tweede verschillen I4
- De verschillen van de verschillen van opeenvolgende -waarden bij gelijke stappen in ; constant bij een kwadratisch verband.
- tweede wet van Newton I8
- De resulterende kracht is massa maal versnelling: .
- tweede wet voor rotatie E10
- : het resulterende moment om de as bepaalt de hoekversnelling.
- type I27
- De soort van een waarde: int (geheel getal), float (kommagetal), str (tekst) of bool (True of False).
- type (C++) I29
- Wat voor waarde een variabele bevat en hoeveel geheugen ze krijgt, bv. int (2 bytes op de Mega) of float (4 bytes).
- typeplaatje F21
- Plaatje of opdruk op een toestel met onder meer de spanning, de frequentie en het vermogen of de stroom.
U
- U-waarde I19
- De warmtedoorgangscoëfficiënt van een wand, dak of raam: in W/(m²·K); het verlies is .
- UART I30
- Seriële verbinding zonder klokdraad: elk teken gaat als startbit, databits en stopbit over één draad (TX naar RX).
- uitgangsweerstand I22
- De weerstand die een belasting 'ziet' als ze aan een deler hangt; voor een deler is dat .
- uitgebreide onzekerheid E6
- , met meestal : een interval dat ongeveer 95 % dekt.
- uitlijnen F32
- Vormen netjes ten opzichte van elkaar zetten: links, midden of rechts in een richting.
- uitschieter F2
- Een meting die duidelijk afwijkt van de andere, vaak door een fout bij het meten.
- uitschieter I1
- Een meting die opvallend ver van de andere ligt; eerst de oorzaak zoeken, dan beslissen.
- uitwassen E31
- Netto verlies van cultuur doordat afvoer de groei overtreft.
- uitzetten F6
- Groter worden door opwarmen, omdat de deeltjes meer bewegen en meer ruimte innemen; de deeltjes zelf worden niet groter.
- unit test E35
- Een herhaalbare toets van een afgebakend softwareonderdeel met gecontroleerde afhankelijkheden.
- uploaden F24
- Het vertaalde programma via USB in het flashgeheugen van de microcontroller schrijven.
V
- vacuole F26
- Grote blaas met celvocht in een plantencel; houdt de cel stevig.
- vakwerk F13
- Constructie uit staven die in knooppunten verbonden zijn en driehoeken vormen; de staven krijgen vooral trek of druk.
- vakwerk E5
- Een constructie van rechte staven, in knopen scharnierend verbonden, die alleen trek of druk dragen.
- valentie-elektronen I12
- De elektronen in de buitenste schil; ze bepalen hoe een atoom reageert.
- validatie E45
- Aantonen dat het systeem voor het beoogde gebruik geschikt is.
- van der Waalskracht I13
- Zwakke aantrekking tussen alle moleculen, groter naarmate de moleculen groter zijn.
- variabele F23
- Een geheugenplaats met een naam, waarin het programma een waarde bewaart die kan veranderen.
- variantie E6
- De verwachte gekwadrateerde afwijking ; de standaardafwijking is haar wortel.
- vector I6
- Grootheid met een grootte en een richting (kracht, snelheid, verplaatsing), getekend als pijl.
- vector E5
- Een grootheid met grootte en richting, genoteerd als rijtje componenten, bv. .
- vector E30
- DNA-drager die een insert in een gekozen context brengt.
- vectoriseren E36
- Een bewerking over een array uitdrukken in arrayoperaties in plaats van een Python-lus.
- vectorproduct E5
- : een vector loodrecht op en (rechterhandregel), met grootte , de oppervlakte van hun parallellogram.
- veerconstante F11
- Het getal in de wet van Hooke: hoeveel newton er nodig is per meter (of centimeter) uitrekking. Een stijve veer heeft een grote .
- veerkracht E32
- Herstel van een benoemde functie na een benoemde verstoring, binnen gegeven grenzen.
- veilige toestand I32
- De toestand waarin een systeem bij een fout de minste schade doet; ze hangt af van de fout en van de omstandigheden.
- veiligheidsfactor E12
- De verhouding tussen wat een onderdeel kan dragen en wat het moet dragen; ze vangt de spreiding van lasten, materiaal en model op.
- verborgen lijn F31
- Rand die je in een aanzicht niet ziet omdat er materiaal voor zit; getekend als dunne streeplijn.
- verbranding I14
- Reactie van een stof met zuurstof waarbij energie vrijkomt; van koolwaterstoffen ontstaan CO2 en water.
- verbruiker F18
- Onderdeel dat elektrische energie omzet in een andere vorm: licht, beweging, geluid, warmte.
- verdampen F6
- Van vloeibaar naar gas; er moet energie bij. Gebeurt aan het oppervlak bij elke temperatuur; koken is verdampen in de hele vloeistof bij het kookpunt.
- verdamper E16
- Warmtewisselaar waarin het koudemiddel bij lage druk en lage temperatuur verdampt en daarvoor warmte opneemt van de bron.
- verdamping (transpiratie) F27
- Het ontsnappen van waterdamp uit de bladeren via de huidmondjes; het trekt water van de wortels naar boven.
- verdampingswarmte I18
- De warmte die nodig is om 1 kg vloeistof te laten verdampen; bij condenseren komt ze weer vrij. Voor water 2257 kJ/kg bij 100 °C.
- verdediging I40
- Presentatie van een ontwerp voor een jury, gevolgd door vragen, waarin je je keuzes met getallen onderbouwt.
- verdediging E48
- Onderbouwd antwoorden op kritische vragen met claims, bronnen en grenzen.
- verdeelde belasting I10
- Een last die over een lengte gespreid is, uitgedrukt in N/m; ze werkt voor het evenwicht als haar resultante in het zwaartepunt van het lastvlak.
- verdeling van Maxwell en Boltzmann E14
- De kansverdeling van de snelheden van de moleculen van een gas in evenwicht; hangt alleen af van de temperatuur en de massa van de moleculen.
- verdubbelingstijd I5
- De tijd waarin een exponentieel groeiende grootheid verdubbelt; .
- verdunningssnelheid E31
- Vloeistofinstroom per reactorvolume per tijd.
- vergroting F26
- Hoeveel keer groter je iets ziet dan het is; bij een microscoop: vergroting oculair × vergroting objectief.
- verificatie E45
- Aantonen dat de gerealiseerde versie aan de gespecificeerde eisen voldoet.
- vermogen F17
- Hoeveel energie er per seconde omgezet wordt. Eenheid: watt (W); 1 W = 1 J per seconde.
- vermogen I9
- Energie (of arbeid) per tijdseenheid: , in watt (); ook .
- vermogensbalans I21
- Het vermogen dat de bronnen leveren, is gelijk aan de som van de vermogens in alle weerstanden.
- verplaatsing F14
- De rechte pijl van de beginplaats naar de eindplaats: een afstand met een richting. Wat er onderweg gebeurde, telt niet.
- verplaatsing I7
- De verandering van plaats ; kan positief, negatief of nul zijn.
- verschuivingsstelling E10
- (Steiner): het traagheidsmoment om een as op afstand van een evenwijdige as door het zwaartepunt.
- versgewicht F27
- De massa van een plant zoals ze geoogst wordt, met al het water erin.
- versnelling I7
- Verandering van snelheid per tijdseenheid, , in m/s²; de helling van de (v,t)-grafiek.
- versnellingsvector E8
- : wijst naar de holle kant van de baan zodra de baan buigt; ontbindt in langs de baan en ernaar toe.
- versterking I33
- Bij een P-regelaar: hoeveel harder de robot draait per millimeter dat de lijn opzij ligt.
- verstorende variabele I2
- Een variabele die samen met de onafhankelijke variabele verandert en zo het resultaat kan verklaren.
- vervangingsweerstand F20
- De ene weerstand die dezelfde stroom zou laten lopen als een hele groep weerstanden. In serie: ; twee gelijke parallel: .
- verwachting E6
- Het gemiddelde van een kansverdeling: (continu) of (discreet).
- verwarringsmatrix I39
- Tabel die telt hoe vaak een model juist en fout voorspelt, per soort fout (gemist, vals alarm).
- verzadigde oplossing F8
- Oplossing waarin niet meer van de stof kan oplossen; extra stof blijft als bezinksel liggen.
- virtuele massa E22
- Een door terugkoppeling vrijwel op massapotentiaal gehouden knoop zonder directe massaverbinding.
- virus I35
- Deeltje van DNA of RNA in een eiwitmantel, zonder eigen stofwisseling; kan zich alleen in een levende gastheercel laten vermenigvuldigen.
- vlak optimum E2
- Rond een glad extremum verandert de doelfunctie maar kwadratisch: een kleine afwijking kost bijna niets.
- vliegwiel E10
- Een draaiende massa die energie opslaat als ; de materiaalsterkte begrenst de randsnelheid ( in een dunne ring).
- vloeigrens E12
- De spanning waarbij een metaal blijvend begint te vervormen; zonder duidelijke grens neemt men : de spanning met 0,2 % blijvende rek.
- Vmax I34
- De grootste snelheid van een enzymreactie: alle actieve centra zijn bezet (verzadiging).
- voedselketen F28
- Een rij organismen waarin elk het vorige eet; de pijl wijst van wat gegeten wordt naar wie eet.
- voedselweb F28
- Alle voedselketens van een ecosysteem samen, met hun vertakkingen.
- volle zonuren F17
- Het aantal uren zon op volle sterkte (1000 W per m²) dat evenveel energie zou geven als het zonlicht van die hele dag.
- volle zonuren I20
- Het aantal uren zon van 1000 W/m² dat evenveel energie zou geven als het echte zonlicht van een dag: de instraling in kWh/m² per dag.
- volledig inelastische botsing E9
- Een botsing waarbij de voorwerpen samen verder gaan; het grootst mogelijke deel van de kinetische energie wordt warmte en vervorming.
- voltmeter F19
- Meter voor spanning; staat parallel over het onderdeel waarvan je de spanning wil kennen.
- volume F3
- Hoeveel ruimte iets inneemt; eenheid m³ (en dm³, cm³, L, mL). Voor een balk: lengte × breedte × hoogte.
- volume F7
- Hoeveel ruimte een voorwerp inneemt. Symbool , eenheid kubieke meter (m³); ook cm³, L en mL.
- volumedebiet E18
- Volume dat per tijdseenheid een doorsnede passeert.
- voorregistratie E6
- Vraag, uitkomstmaat, steekproefgrootte en analyse vastleggen vóór de gegevens bestaan.
- voorschakelweerstand F20
- Weerstand in serie met een led, die het deel van de spanning opneemt dat de led niet mag krijgen.
- voorschakelweerstand F24
- Weerstand in serie met een led die de stroom beperkt tot een veilige waarde.
- voorschakelweerstand I23
- Weerstand in serie met een led die de stroom vastlegt: .
- voorspelling I2
- Wat je concreet zal meten als de hypothese klopt, geformuleerd als 'als ..., dan ...'.
- voorsturing I31
- Een storing meten en er vooraf op reageren, zonder het resultaat te meten (open lus).
- voorvoegsel F3
- Een woordje voor een eenheid dat ze met een macht van tien vermenigvuldigt, zoals kilo (× 1000) of milli (× 0,001).
- voorwaarde F23
- Een uitdrukking die waar of niet waar is, zoals 'vocht < 30'; in Scratch een zeshoekig blok.
- voorwaarde I27
- Een uitdrukking die True of False oplevert, zoals
vocht < 30; ze stuurt if en while. - vrije val I7
- Beweging onder invloed van alleen de zwaartekracht; zonder luchtweerstand een EVRB met .
- vrijheidsgraad I37
- Een manier waarop een schets nog kan bewegen of vervormen; een volledig bepaalde schets heeft er nul.
- vrijlichaamsdiagram I8
- Tekening van één voorwerp, los van zijn omgeving, met alle krachten die de omgeving erop uitoefent.
- vrijloopdiode I23
- Diode over een spoel (motor, relais, klep) die de stroom laat uitlopen als de spoel wordt uitgeschakeld, zodat er geen spanningspiek ontstaat.
- vulling (infill) F32
- Het open raster waarmee de slicer de binnenkant van een onderdeel vult, in procent.
W
- waakhond (watchdog) I32
- Een aparte timer in de microcontroller die hem herstart als het programma niet regelmatig laat weten dat het nog loopt.
- waarneming F2
- Wat je met je zintuigen of een meetinstrument vaststelt, zonder uitleg.
- warmte F16
- Energie die van een warm naar een kouder voorwerp stroomt, omdat hun temperatuur verschilt.
- warmte E15
- Energie die van een systeem naar een ander gaat door een temperatuurverschil. Een systeem 'bevat' geen warmte, wel inwendige energie.
- warmtebalans I18
- In een geïsoleerd geheel is de warmte die de warmere delen afgeven gelijk aan de warmte die de koudere opnemen.
- warmtebuffer I18
- Een massa (meestal water) die warmte opslaat wanneer er te veel is en ze afgeeft wanneer er te weinig is.
- warmtecapaciteit I18
- De warmte die nodig is om een heel voorwerp 1 K warmer te maken: , in J per K.
- warmtekrachtkoppeling E15
- Een centrale die tegelijk elektriciteit en nuttige warmte levert: de warmte die ze toch moet lozen, verwarmt gebouwen of een proces.
- warmteovergangscoëfficiënt E17
- De lokale verhouding tussen warmtestroomdichtheid en temperatuurverschil aan een oppervlak.
- warmtepomp E16
- Een machine die met arbeid (meestal elektriciteit) warmte van een koude bron naar een warmere plaats pompt; een koelkast is een warmtepomp die je gebruikt voor de koude kant.
- warmteverliescoëfficiënt I19
- De som van alle (plus koudebruggen en ventilatie) van een gebouw, in W/K: het verlies per graad verschil met buiten.
- waterconstante I15
- In water en elke waterige oplossing bij 25 °C geldt , dus pH + pOH = 14.
- waterstofbrug I13
- Aantrekking tussen een H-atoom dat gebonden is aan N, O of F en een vrij elektronenpaar van een N, O of F van een andere molecule.
- waterwaarde I18
- De massa water die evenveel warmte opneemt als de calorimeter zelf; een andere manier om uit te drukken.
- wattpiek I20
- Het vermogen van een paneel bij standaardtestcondities, in Wp; zegt niets over de opbrengst op een gewone dag.
- wattpiek (Wp) F17
- Het vermogen van een zonnepaneel bij standaardomstandigheden: zonlicht van 1000 W per m² en een paneeltemperatuur van 25 °C.
- wattuur F17
- De energie die een vermogen van 1 W in 1 uur omzet: 1 Wh = 3600 J. 1 kWh = 1000 Wh.
- weefsel F26
- Een groep gelijke cellen die samen dezelfde taak doen, zoals spierweefsel of bladmoes.
- weerstand F19
- Hoe sterk een onderdeel de stroom tegenwerkt. Symbool , eenheid ohm (Ω).
- weerstandsmoment E12
- : de grootste buigspanning is .
- wens F30
- Een eis die de oplossing beter maakt maar niet verplicht is; wensen gebruik je om te vergelijken.
- werklijn I10
- De rechte waarop een kracht ligt, door haar aangrijpingspunt en in haar richting.
- werkpunt I11
- Het snijpunt van de pompkarakteristiek en de leidingkarakteristiek: het debiet en de opvoerhoogte waarbij het systeem echt draait.
- werkpunt I23
- De stroom en spanning waarop een schakeling zich instelt; grafisch het snijpunt van de karakteristiek met de werklijn.
- werkpunt E18
- Debiet en opvoerhoogte waarbij pomp en leiding dezelfde hoogte leveren en vragen.
- werktekening F31
- Nauwkeurige tekening met alle maten, de schaal, de lijnsoorten, een titelblok en een stuklijst, zodat iemand anders het voorwerp kan maken.
- wervelstroom E19
- Inductiestroom die rondloopt in een massief stuk metaal; remt beweging en verwarmt (wervelstroomrem, inductiekookplaat).
- wet van Ampère E19
- De kringintegraal van langs een gesloten lus is maal de omsloten stroom.
- wet van behoud van energie F15
- Energie kan niet ontstaan en niet verdwijnen; ze kan alleen van vorm veranderen of van plaats wisselen.
- wet van behoud van massa I14
- Bij een reactie in een gesloten systeem is de massa van de producten gelijk aan die van de beginstoffen.
- wet van Biot-Savart E19
- Elk stukje stroomdraad geeft een bijdrage aan het magnetisch veld.
- wet van Faraday E19
- Een veranderende flux wekt een emk op: .
- wet van Gauss E19
- De elektrische flux door een gesloten oppervlak is de ingesloten lading gedeeld door .
- wet van Hooke F11
- De uitrekking van een veer is recht evenredig met de kracht erop: , zolang de veer elastisch blijft.
- wet van Lenz E19
- De inductiestroom werkt de verandering tegen die hem veroorzaakt; het minteken in de wet van Faraday, en een gevolg van behoud van energie.
- wet van Ohm F19
- Voor een weerstand is de stroom recht evenredig met de spanning: .
- wet van Pascal I11
- Een drukverandering in een ingesloten vloeistof plant zich onverminderd voort naar elk punt van de vloeistof.
- wetenschap F1
- Systematisch onderzoeken hoe de natuur werkt, met vragen, metingen en proeven; het resultaat is kennis.
- wetenschappelijke vraag F1
- Een vraag naar hoe of waarom iets in de natuur gebeurt; je beantwoordt ze met onderzoek.
- while-lus I27
- Een lus die herhaalt zolang een voorwaarde waar is; de voorwaarde wordt vóór elke ronde getest.
- windturbine F17
- Machine die de bewegingsenergie van de wind met wieken en een generator omzet in elektrische energie.
- wisselschakelaar F18
- Schakelaar met drie aansluitingen die het gemeenschappelijke contact met de ene of de andere uitgang verbindt.
- woordenboek (dictionary) I28
- Een verzameling paren sleutel: waarde, waarin je een waarde opzoekt met haar sleutel.
- wrijving F11
- Kracht tussen twee oppervlakken die over elkaar schuiven (of willen schuiven), tegen de beweging in.
- wrijvingscoëfficiënt I8
- Getal zonder eenheid dat zegt hoe sterk twee materialen wrijven: wrijvingskracht gedeeld door normaalkracht.
Z
- zeer lage spanning F5
- Spanning tot 50 V wisselspanning of 120 V gelijkspanning, zoals de 5 V van USB of de 12 V van de meetkas.
- zekering F18
- Onderdeel in serie dat de kring onderbreekt als er te veel stroom loopt: een smeltzekering smelt door, een automaat schakelt uit.
- zelfinductie E19
- Een spoel wekt in zichzelf een spanning op als haar stroom verandert: , met in henry.
- zelfremmend I26
- Overbrenging die de last niet kan terugdraaien, zoals een worm met een kleine spoedhoek.
- Ziegler-Nichols E39
- Afstelmethode die de regelaar instelt vanuit de kritische versterking en de periode van een aanhoudende slingering.
- zonneboiler F17
- Installatie die met een zonnecollector water opwarmt en het warme water in een vat bewaart.
- zonnehoogte I6
- De hoek tussen de richting van de zon en de horizon; op het middaguur .
- zonnepaneel (fotovoltaïsch) F17
- Paneel van zonnecellen dat licht rechtstreeks omzet in elektrische energie.
- zoutbrug I16
- Verbinding met een zoutoplossing tussen de twee helften van een cel; de ionen erin sluiten de kring en houden de oplossingen neutraal.
- zuivere stof F8
- Stof die uit één soort deeltjes bestaat; ze heeft een vast smeltpunt en een vast kookpunt.
- zuur (Arrhenius) I15
- Stof die in water H3O+-ionen vormt (kortweg H+). Volgens Brønsted: een stof die een proton afgeeft.
- zwaartekracht F11
- De kracht waarmee de aarde (of een ander hemellichaam) aan een voorwerp trekt: , gericht naar het middelpunt.
- zwaartepunt F13
- Het punt waarin je je de zwaartekracht op een voorwerp kan denken; het kan ook buiten het voorwerp liggen.
- zwaartepunt I10
- Het punt waar je de hele zwaartekracht op een voorwerp mag laten aangrijpen.
- zwaarteveldsterkte F11
- Het getal : het aantal newton zwaartekracht per kilogram: 9,81 N/kg in België, 1,62 N/kg op de maan.
- zwak zuur I15
- Zuur waarvan maar een klein deel van de moleculen een proton afgeeft, zoals azijnzuur en citroenzuur.
- zweven F7
- Blijven hangen in een vloeistof, zonder te zinken of te stijgen: de dichtheid van het voorwerp is gelijk aan die van de vloeistof.
- zweving E7
- Een omhullende die aanzwelt en wegsterft bij de som van twee trillingen met een klein frequentieverschil; de zwevingsfrequentie is het verschil.
É
- één eigenaar per uitgang I40
- Ontwerpregel: één enkele taak in het programma beslist over een pin; andere taken vragen, ze schakelen niet zelf.
Μ
- µmol per joule I36
- Rendement van een groeilamp: hoeveel micromol lichtdeeltjes (PAR) ze maakt per joule elektrische energie.
Ψ
- ψ-waarde I19
- Het extra warmteverlies van een lineaire koudebrug, in W per meter lengte per kelvin.