Handboek · hoofdstuk 3Meten: grootheden en eenheden
Getal, eenheid en instrument: zo wordt een meting iets waar anderen op kunnen bouwen
Zonder eenheid is een getal niets waard, en met de verkeerde eenheid kan het zelfs gevaarlijk zijn. In dit hoofdstuk leer je hoe je een meetresultaat noteert als grootheid, getal en eenheid, wat het internationale SI is, hoe je met voorvoegsels en de eenhedentrap omzet, en hoe je oppervlakte en volume uitdrukt. Je leert meten met lat, schuifmaat, balans, maatcilinder, thermometer en stopwatch, afleesfouten vermijden en je resultaat zinvol afronden.

- Je kan in een meetresultaat de grootheid, het getal en de eenheid aanduiden, en een meetresultaat correct noteren.
- Je kan de zeven SI-basisgrootheden met hun basiseenheid opnoemen en uitleggen waarom één stelsel van eenheden nodig is.
- Je kan de voorvoegsels mega, kilo, hecto, deca, deci, centi en milli gebruiken, en eenheden van lengte, massa en inhoud omzetten met de eenhedentrap.
- Je kan tijd omzetten tussen uren, minuten en seconden, en weet waarom dat niet tiendelig gaat.
- Je kan oppervlakte en volume berekenen en omzetten tussen mm², cm², m² en tussen cm³, dm³, m³, mL en L.
- Je kan meten met lat, schuifmaat, balans, maatcilinder, thermometer en stopwatch, en de kleinste stap van elk instrument benoemen.
- Je kan parallax en de meniscus uitleggen en correct aflezen.
- Je kan een meting en een berekend resultaat zinvol afronden.
Verloren door een eenheid
Op 23 september 1999 moest de Amerikaanse ruimtesonde Mars Climate Orbiter in een baan rond Mars gaan. De sonde was negen maanden onderweg geweest. Ze dook achter de planeet weg en er kwam nooit meer een signaal terug. Ze was veel te dicht bij Mars gekomen: op ongeveer 57 kilometer boven het oppervlak in plaats van de geplande 226 kilometer, en ging vermoedelijk in de atmosfeer verloren.
Het onderzoek bracht de oorzaak aan het licht. Het team van de bouwer rekende de kleine stoten van de stuurraketjes uit in Engelse eenheden (pound-force seconds). Het navigatieteam van NASA verwachtte SI-eenheden (newtonseconden). Eén Engelse eenheid is 4,45 keer zo groot als één SI-eenheid. Niemand merkte het op: de getallen zagen er gewoon uit. Een missie van ruim 300 miljoen dollar ging verloren door een eenheid die niet vermeld of niet nagekeken werd.
Het is niet de enige keer. In 1983 kwam een Boeing 767 van Air Canada tijdens een vlucht zonder brandstof te zitten. De hoeveelheid brandstof was berekend in pond in plaats van in kilogram, zodat er minder dan de helft van de nodige brandstof in de tanks zat. De piloten zweefden met stilgevallen motoren naar een oude luchtmachtbasis in Gimli, in Canada, en landden. Alle 69 mensen aan boord overleefden (werkboekopdracht 3.16 rekent het na).
Een getal zonder eenheid, of met de verkeerde eenheid, is erger dan geen getal: het ziet er betrouwbaar uit. Daarom schrijf je in StemExpert altijd de eenheid bij een getal, en werken we met één stelsel van eenheden: het SI.

Grootheid, getal en eenheid
Alles wat je kan meten, heet een grootheid: lengte, massa, tijd, temperatuur, volume. Meten is vergelijken met een afgesproken maat: de eenheid. Als de kas 1,20 m lang is, past de eenheid meter er 1,20 keer in. Een meetresultaat bestaat dus altijd uit drie delen:
- de grootheid, met een symbool in schuine letters: voor lengte, voor massa, voor tijd, voor volume;
- het getal: hoeveel keer de eenheid erin past;
- de eenheid, met een symbool in rechte letters: m, kg, s, L.
Tussen getal en eenheid staat een spatie: 1,20 m, niet 1,20m. Symbolen van eenheden krijgen geen meervoud en geen punt: 5 kg, niet 5 kgs of 5 kg. als afkorting. En let op hoofdletters: m is meter, M is mega; s is seconde, S is de siemens, een eenheid uit de elektronica.
| grootheid | symbool | eenheid | symbool eenheid |
|---|---|---|---|
| lengte | meter | m | |
| massa | kilogram | kg | |
| tijd | seconde | s | |
| oppervlakte | vierkante meter | m² | |
| volume | kubieke meter, liter | m³, L | |
| temperatuur | of | graad Celsius, kelvin | °C, K |
In de winkel zeg je dat boter 250 gram 'weegt'. Wat een weegschaal aangeeft, is de massa: hoeveel stof er in de boter zit, in kilogram of gram. Het gewicht is in de natuurwetenschappen een kracht, in newton, en dat is op de maan zes keer kleiner, terwijl de massa gelijk blijft. Meer daarover in hoofdstuk 11.
Van een platina staaf naar natuurconstanten
Nog geen driehonderd jaar geleden had bijna elke stad haar eigen maten. Een el of een voet was in Brugge anders dan in Antwerpen of Brussel, en handelaars moesten voortdurend omrekenen. Tijdens de Franse Revolutie besloten Franse wetenschappers dat het anders moest: één maat voor iedereen, gebaseerd op de aarde zelf.
De meter werd één tienmiljoenste van de afstand van de Noordpool tot de evenaar, gemeten langs de meridiaan door Parijs. Twee astronomen maten jarenlang een deel van die meridiaan op, tussen Duinkerke en Barcelona. In 1799 werd een platina staaf van precies die lengte de officiële meter. De kilogram was oorspronkelijk de massa van een liter water.
In 1875 ondertekenden zeventien landen, waaronder België, de Meterconventie. Vanaf 1889 lagen in Sèvres bij Parijs een internationale standaardmeter en een standaardkilogram: een cilinder van platina en iridium van ongeveer 4 cm hoog. In 1960 kreeg het stelsel zijn naam: het Système International d'Unités, kortweg SI. Het heeft zeven basisgrootheden, elk met een basiseenheid:
| grootheid | symbool | basiseenheid | symbool | vastgelegd via (sinds 2019) |
|---|---|---|---|---|
| lengte | meter | m | de lichtsnelheid | |
| massa | kilogram | kg | de constante van Planck | |
| tijd | seconde | s | de trilling van cesiumatomen | |
| elektrische stroomsterkte | ampère | A | de lading van één elektron | |
| temperatuur | kelvin | K | de constante van Boltzmann | |
| hoeveelheid stof | mol | mol | het getal van Avogadro | |
| lichtsterkte | candela | cd | de lichtopbrengst van een bepaald groen licht |
Een metalen voorwerp als maat heeft een nadeel: het kan veranderen. De standaardkilogram en zijn kopieën groeiden in honderd jaar zowat 50 microgram uit elkaar. Daarom liggen sinds 20 mei 2019 alle zeven basiseenheden vast via natuurconstanten, getallen die overal en altijd hetzelfde zijn. De meter is bijvoorbeeld de afstand die licht in het luchtledige aflegt in 1/299 792 458 seconde, en de seconde is 9 192 631 770 trillingen van een cesiumatoom.
Alle andere eenheden zijn afgeleid van de basiseenheden: de vierkante meter (m²) voor oppervlakte, de kubieke meter (m³) voor volume, de meter per seconde (m/s) voor snelheid (hoofdstuk 14), de kilogram per kubieke meter (kg/m³) voor dichtheid (hoofdstuk 7). Enkele handige eenheden buiten het SI mag je ernaast gebruiken: de liter, de minuut, het uur, de ton (1 t = 1000 kg) en de hectare.

Voorvoegsels: van nano tot giga
Een bacterie is 0,000 002 m lang, een windturbine levert 3 000 000 W. Zulke getallen zijn lastig te lezen. Daarom zet je een voorvoegsel voor de eenheid: 2 µm (micrometer) en 3 MW (megawatt). Het voorvoegsel betekent een vermenigvuldiging met een macht van tien.
| voorvoegsel | symbool | betekenis | macht van 10 | voorbeeld |
|---|---|---|---|---|
| giga | G | × 1 000 000 000 | een grote kernreactor levert ongeveer 1 GW | |
| mega | M | × 1 000 000 | een grote windturbine op land: enkele MW | |
| kilo | k | × 1000 | kilometer, kilogram | |
| hecto | h | × 100 | hectoliter, hectare | |
| deca | da | × 10 | decameter (zelden gebruikt) | |
| (geen) | × 1 | meter, gram, liter, seconde | ||
| deci | d | × 0,1 | deciliter | |
| centi | c | × 0,01 | centimeter, centiliter | |
| milli | m | × 0,001 | millimeter, milliliter, milliampère | |
| micro | µ | × 0,000 001 | micrometer: een bacterie is enkele µm lang | |
| nano | n | × 0,000 000 001 | nanometer: een DNA-streng is ongeveer 2 nm breed |
Een macht van 10 is een korte schrijfwijze: en . De voorvoegsels in het vet gebruik je het meest; micro en nano kom je tegen bij heel kleine dingen (cellen, hoofdstuk 26).
Een voorvoegsel lees je als een vervanging: k betekent '× 1000'. Dus 3 km = 3 × 1000 m = 3000 m, en 250 mA = 250 × 0,001 A = 0,250 A.
m (milli) en M (mega) verschillen een factor 1 000 000 000. 1 mm is een millimeter, 1 Mm zou duizend kilometer zijn. En de k van kilo is altijd een kleine letter: km, kg, kW.
De eenhedentrap
Bij lengte liggen de eenheden telkens een factor 10 uit elkaar: 1 km = 10 hm = 100 dam = 1000 m, 1 m = 10 dm = 100 cm = 1000 mm. Zet ze op een trap, van groot naar klein:
- Ga je een trede omlaag (naar een kleinere eenheid), dan heb je er meer van nodig: vermenigvuldig het getal met 10.
- Ga je een trede omhoog (naar een grotere eenheid), dan heb je er minder van nodig: deel het getal door 10.
Vermenigvuldigen met 10 is de komma één plaats naar rechts schuiven; delen door 10 is één plaats naar links. Ontbreken er cijfers, dan vul je aan met nullen: 0,8 m = 8 dm = 80 cm = 800 mm.
Dezelfde trap werkt voor massa (kg, hg, dag, g, dg, cg, mg) en voor inhoud in liter (hL, daL, L, dL, cL, mL). Tussen kg en g zitten drie treden: 1 kg = 1000 g. Voor oppervlakte en volume zijn de treden groter (volgende bladen).
1 uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden, 1 dag = 24 uur. Daarom is 1,5 uur geen 1 uur en 50 minuten, maar 1 uur en een half uur: 1 h 30 min = 90 min. En 0,1 uur is 6 minuten. Omzetten doe je hier met 60 en 24, niet met de trap.
Omzetten met de trap
Zet om: (a) 2,35 km naar m; (b) 450 mg naar g; (c) 75 cL naar L; (d) 0,8 m naar mm; (e) 2 h 15 min naar min.
- 2 h 15 min
- dezelfde hoeveelheid in de nieuwe eenheid
- 1(a) Van km naar m: drie treden omlaag (km, hm, dam, m), dus . De komma drie plaatsen naar rechts: .
- 2(b) Van mg naar g: drie treden omhoog (mg, cg, dg, g), dus . De komma drie plaatsen naar links: .
- 3(c) Van cL naar L: twee treden omhoog (cL, dL, L), dus : .
- 4(d) Van m naar mm: drie treden omlaag, dus : (nullen aanvullen).
- 5(e) Tijd is niet tiendelig: 2 h = min, plus 15 min: 135 min.
Oppervlakte: vierkante eenheden
De oppervlakte van een vlak zegt hoeveel vierkantjes van 1 bij 1 erop passen. Voor een rechthoek vermenigvuldig je lengte en breedte:
Een vierkante decimeter is een vierkant van 10 cm op 10 cm. Daarin passen vierkante centimeters. Bij oppervlakte is elke trede van de trap dus een factor 100:
Voor grond gebruik je ook de are en de hectare: 1 a = 100 m² (een vierkant van 10 m op 10 m) en 1 ha = 10 000 m² (100 m op 100 m, iets groter dan een voetbalveld).
Een plank van 1,2 m op 30 cm? Zet eerst om: 1,2 m = 120 cm. Dan , of in meter: . Nooit 1,2 × 30 = 36 van 'iets'.
Volume: kubieke eenheden, liter en milliliter
Het volume zegt hoeveel ruimte iets inneemt: hoeveel kubusjes van 1 bij 1 bij 1 erin passen. Voor een balk (een doos met rechte hoeken):
Een kubieke decimeter is een kubus van 10 cm op 10 cm op 10 cm. Daarin passen kubieke centimeters. Bij volume is elke trede een factor 1000:
Voor vloeistoffen gebruik je de liter. De afspraak die alles verbindt:
Een brik melk van 1 L past dus precies in een kubus van 10 cm, een lepel siroop van 5 mL is 5 cm³, en een kubieke meter water (een kuip van 1 m op 1 m op 1 m) is 1000 liter.
Lengte: 10 per trede. Oppervlakte (²): 100 per trede. Volume (³): 1000 per trede. De liter-eenheden (L, dL, cL, mL) volgen weer de gewone trap van 10.
De grondoppervlakte van de meetkas
Een eerste ontwerp van de meetkas heeft een grondvlak van 1,20 m op 0,60 m. (a) Bereken de grondoppervlakte in m² en in cm². (b) Hoeveel plantenbakjes van 30 cm op 20 cm passen er naast elkaar op de bodem?
- ,
- bakje:
- in m² en cm²
- aantal bakjes
- 1(a) .
- 2Naar cm²: van m² naar cm² zijn twee treden omlaag op de oppervlaktetrap, dus : .
- 3Controle langs een andere weg: . Dezelfde uitkomst.
- 4(b) Tel per richting. Leg de bakjes met hun korte kant langs de lengte van de kas: in de lengte passen bakjes, in de breedte bakjes. Samen bakjes: twee rijen van zes. Andersom gelegd ( en ) passen er ook 12. De meetkas kiest twee rijen van zes, zodat er boven elke rij één ledstrip kan hangen (hoofdstuk 20).
- 5Controle met de oppervlakte: één bakje is , en : de bodem is precies vol.
Hoeveel water past in het reservoir?
Het waterreservoir van de meetkas is een bak met binnenmaten 40 cm lang, 30 cm breed en 25 cm hoog. (a) Hoeveel liter past erin? (b) Je vult tot 20 cm hoog. Hoeveel liter is dat? (c) De planten gebruiken samen 1,8 L per dag. Hoeveel volle dagen kan de kas zonder bijvullen?
- binnenmaten
- waterhoogte
- verbruik per dag
- volume van de bak in L
- volume van het water in L
- aantal volle dagen
- 1(a) .
- 2Naar liter: , dus .
- 3(b) Alleen de hoogte verandert: .
- 4(c) per dag dagen. Volle dagen: 13.
Meetinstrumenten en hun nauwkeurigheid
Elk instrument heeft een meetbereik (van hoe klein tot hoe groot je ermee kan meten) en een kleinste stap: het kleinste verschil dat je nog kan aflezen. Op een lat met millimeterstreepjes is dat 1 mm, op een digitale thermometer die 21,4 °C toont 0,1 °C. Die kleinste stap bepaalt de nauwkeurigheid van het instrument: hoe fijn je ermee kan meten.
| instrument | grootheid | meetbereik (typisch) | kleinste stap (typisch) | let op |
|---|---|---|---|---|
| lat, meetlat | lengte | 30 cm tot 1 m | 1 mm | meet vanaf het nulstreepje, niet vanaf de rand van de lat |
| rolmeter | lengte | 3 tot 5 m | 1 mm | lint strak en recht; het haakje schuift bewust een klein beetje, om zijn eigen dikte te compenseren |
| schuifmaat | lengte, dikte, diameter, diepte | 0 tot 150 mm | 0,1 mm of 0,05 mm (digitaal 0,01 mm) | niet knijpen; bekken recht op het voorwerp |
| keukenweegschaal | massa | tot enkele kg | 1 g | eerst op nul zetten (tarreren) |
| labobalans | massa | tot enkele honderden g | 0,1 g of 0,01 g | geen tocht, niet tegen de tafel leunen |
| maatcilinder | volume van een vloeistof | 10 mL tot 1 L | 1 mL (bij een cilinder van 100 mL) | op ooghoogte, onderkant van de meniscus |
| thermometer | temperatuur | −10 tot 110 °C | 1 °C (digitaal 0,1 °C) | wachten tot de waarde niet meer verandert |
| stopwatch (chronometer) | tijd | tot enkele uren | 0,01 s op het scherm | je reactietijd is ongeveer 0,2 s |
Kies het instrument dat bij je meting past. Wil je 5 mL afmeten, neem dan een maatcilinder van 10 mL en niet een van 250 mL: bij die grote zijn de streepjes 2 mL uit elkaar en is 5 mL amper af te lezen. Voor de dikte van een munt is een lat te grof; neem een schuifmaat.
Vóór je meet: controleer het nulpunt. Een weegschaal met een leeg bakje erop zet je op nul (tarreren), zodat je alleen de inhoud weegt. Een schuifmaat met gesloten bekken moet 0,0 mm aanwijzen.
Een stopwatch toont 12,47 s: twee cijfers na de komma. Maar jij drukt de knop in met een reactietijd van ongeveer 0,2 s, en dat is niet elke keer even lang. Het laatste cijfer betekent dus weinig. Ook een digitale thermometer kan een tiende van een graad tonen en toch een hele graad naast de werkelijke temperatuur zitten. Hoe je dat nagaat, leer je in Intermediate (meetfouten).
Vroeger zat er kwik in thermometers. Omdat kwik giftig is, gebruik je nu thermometers met gekleurde alcohol of digitale. Laat een glazen thermometer nooit rollen en hou hem niet in een vlam.

De schuifmaat
Met een schuifmaat (ook schuifpasser genoemd) meet je lengtes, diktes en diameters tot op 0,1 mm of zelfs 0,05 mm, tien of twintig keer fijner dan met een lat. Zo gebruik je hem:
- Sluit de bekken en controleer dat de nul van de nonius precies bij de nul van de hoofdschaal staat.
- Klem het voorwerp tussen de bekken, recht en zonder te knijpen.
- Draai de klemschroef aan, neem de schuifmaat weg en lees af (volgend blad).
- 1Hoofdschaal
Een liniaal in millimeter op de vaste staaf. De cijfers staan meestal in centimeter: 1, 2, 3 ... betekent 10, 20, 30 mm.
- 2Nonius
Een kleine schaal op de schuif: 10 streepjes over 9 mm (soms 20 streepjes over 39 mm). Hiermee lees je de tienden van een millimeter af.
- 3Vaste bek
Zit vast aan de hoofdschaal. Het voorwerp rust tegen zijn binnenkant, het meetvlak.
- 4Schuif met beweegbare bek
Schuift langs de hoofdschaal. De afstand tussen de twee meetvlakken is wat je afleest.
- 5Klemschroef
Zet de schuif vast, zodat de meting niet verschuift als je de schuifmaat wegneemt om af te lezen.
- 6Binnenbekken
Voor binnenmaten: steek ze in een gat of een buis en schuif ze uit elkaar tot ze de wand raken.
- 7Dieptestaaf
Komt achteraan uit de staaf als je de schuif opent. Zet het uiteinde van de staaf op de rand van een gat en schuif tot de staaf de bodem raakt: zo meet je een diepte.
- 8Voorwerp tussen de meetvlakken
Hou het voorwerp recht: schuin gemeten lees je een te grote waarde af. Meet een munt op een paar plaatsen.
Een schuifmaat aflezen
Welke lengte wijst deze schuifmaat aan? De figuur toont de schalen sterk vergroot.
- hoofdschaal in mm (de 2 en de 3 betekenen 20 en 30 mm)
- nonius met 10 streepjes over 9 mm
- de lengte tot op 0,1 mm
- 1Hele millimeters. Zoek de nul van de nonius. Kijk welk streepje van de hoofdschaal er net links van staat: 23 mm (drie streepjes na de 2). De nul staat iets verder: de lengte is 23 mm en nog een stukje.
- 2Tienden. Zoek het streepje van de nonius dat precies samenvalt met een streepje van de hoofdschaal. Hier is dat streepje 4 (het valt samen met 27 mm). Dat betekent 0,4 mm.
- 3Samen. 23 mm + 0,4 mm = 23,4 mm.
- 4Waarom werkt dit? De nonius heeft 10 streepjes over 9 mm: elk nonius-deel is 0,9 mm, 0,1 mm korter dan een millimeter. Staat de nul 0,4 mm voorbij 23 mm, dan haalt elk volgend nonius-streepje 0,1 mm in, en na 4 streepjes vallen ze samen: 23,4 + 4 × 0,9 = 27,0 mm.
Aflezen zonder fouten: parallax en meniscus
Kijk je schuin naar een schaal, dan lees je een verkeerde waarde af. Die fout heet parallax. Je kent het effect: vanop de passagiersstoel lijkt de snelheidsmeter van een auto met een naald iets anders aan te wijzen dan voor de bestuurder.
Bij een maatcilinder komt er nog iets bij. Water 'kruipt' een beetje langs het glas omhoog, waardoor het oppervlak hol gebogen is: de meniscus. Afspraak: je leest de onderkant van de meniscus af.
Zo lees je correct af:
- zet de maatcilinder op een vlakke tafel (niet in je hand);
- breng je oog op dezelfde hoogte als het vloeistofoppervlak;
- lees de onderkant van de meniscus af, tot op het kleinste streepje.
Kijk je van boven (oog A), dan lees je te veel af; van onder (oog C) te weinig. Hetzelfde geldt voor een thermometer, een lat die niet plat op het voorwerp ligt, of een meter met een wijzer. Sommige meters met een wijzer hebben daarom een spiegelstrookje achter de naald: zie je de naald en haar spiegelbeeld samenvallen, dan kijk je recht.
Laat het reservoir van de thermometer (het bolletje onderaan) volledig in de vloeistof en zonder de bodem of de wand te raken. Wacht tot het vloeistofdraadje niet meer beweegt, en lees af op ooghoogte, terwijl de thermometer nog in de vloeistof zit.
Hoe dik is één blad papier?
Hoe meet je iets dat dunner is dan de kleinste stap van je instrument, zoals één blad papier?
- pak printpapier (80 g/m², 500 vel)
- lat van 30 cm met millimeterverdeling
- schuifmaat

- 1Probeer de dikte van één blad te meten met de lat. Noteer wat je ziet.
- 2Tel 250 bladen af (een half pak). Leg ze als een nette stapel op tafel en druk ze licht samen.
- 3Meet de dikte van de stapel met de lat, op ooghoogte, tot op 1 mm.
- 4Meet de dikte van dezelfde stapel met de schuifmaat, zonder te knijpen, tot op 0,1 mm.
- 5Deel elke meting door 250.
Eén blad kan je met de lat niet meten: het is veel dunner dan 1 mm. Voor de stapel van 250 bladen meet een groep:
| instrument | dikte van 250 bladen | dikte van 1 blad |
|---|---|---|
| lat | 26 mm | 26 mm / 250 = 0,104 mm |
| schuifmaat | 25,8 mm | 25,8 mm / 250 = 0,1032 mm |
Eén blad printpapier van 80 g/m² is ongeveer 0,10 mm dik. Door veel bladen samen te meten, wordt de afleesfout mee gedeeld: zit je met de lat 1 mm naast de juiste dikte van de stapel, dan is dat per blad maar .
Dezelfde truc, veel meten en delen, gebruik je voor de massa van een rijstkorrel (weeg er 100), het volume van een druppel (tel er 20 in een maatcilinder), of de tijd van één schommeling van een slinger (meet er 10). Opgelet: druk je de stapel verschillend samen, dan verandert de dikte. Meet dus altijd op dezelfde manier.
Zinvol afronden
Een meting is nooit perfect. Hoe precies ze is, toon je met het aantal cijfers dat je opschrijft. Daarom geldt:
- Noteer een meting tot op de kleinste stap van het instrument. Het potlood in de figuur eindigt tussen 9,3 en 9,4 cm, het dichtst bij 9,3: met deze lat noteer je 9,3 cm (93 mm). Een liniaal kan geen 9,32 cm aflezen.
- Nullen achteraan tellen. 1,20 m betekent: gemeten tot op de centimeter. 1,2 m betekent: tot op de decimeter. Laat een gemeten nul dus niet weg.
- Een berekend resultaat krijgt niet meer cijfers dan je metingen. Een rekenmachine geeft acht cijfers, maar die zijn niet allemaal betekenisvol. Tel de cijfers van je metingen (vanaf het eerste cijfer dat geen nul is) en geef je uitkomst met ongeveer evenveel cijfers als de meting met de minste cijfers.
Afronden doe je zo: kijk naar het eerste cijfer dat je weglaat. Is dat 0, 1, 2, 3 of 4, dan blijft het laatste cijfer dat je houdt gelijk. Is het 5, 6, 7, 8 of 9, dan verhoog je het met één.
| getal | afronden op | resultaat | waarom |
|---|---|---|---|
| 2,346 | 2 decimalen | 2,35 | het weggelaten cijfer is 6 |
| 2,344 | 2 decimalen | 2,34 | het weggelaten cijfer is 4 |
| 7,95 | 1 decimaal | 8,0 | 9 + 1 geeft 10: de nul blijft staan |
| 13,333... | geheel getal | 13 | het weggelaten cijfer is 3 |
Reken met de volledige tussenresultaten en rond alleen het eindresultaat af. Wie tussendoor afrondt, stapelt kleine fouten op.
Afronden na een berekening
(a) Je meet een plankje met een lat: 23,4 cm op 11,8 cm. De rekenmachine geeft voor de oppervlakte 276,12. Wat noteer je? (b) Een touw van 2,50 m wordt in drie gelijke stukken geknipt. Hoe lang is elk stuk?
- (a) , (tot op 1 mm gemeten)
- (b) , 3 stukken
- een zinvol afgerond resultaat, met eenheid
- 1(a) (volgens de rekenmachine).
- 2Beide metingen hebben drie cijfers. Geef de uitkomst dus met drie cijfers: . Het weggelaten cijfer is een 1: niet naar boven afronden.
- 3Waarom niet 276,12? Was de lengte 23,5 in plaats van 23,4 cm (een verschil van 1 mm, wat met een lat makkelijk kan), dan was de oppervlakte 277,3 cm². De cijfers na de komma zeggen dus niets.
- 4(b) . De meting 2,50 heeft drie cijfers: , of handiger in centimeter: .
Overzicht: eenheden, omzetten en afronden
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| oppervlakte | m², cm² ... | |
| lengte | m, cm ... | |
| breedte | m, cm ... |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| volume | m³, cm³, L ... | |
| lengte, breedte, hoogte | m, cm ... |
| grootheid | trap | omzettingen |
|---|---|---|
| lengte | × 10 per trede | 1 km = 1000 m; 1 m = 10 dm = 100 cm = 1000 mm |
| massa | × 10 per trede | 1 t = 1000 kg; 1 kg = 1000 g; 1 g = 1000 mg |
| inhoud (liter) | × 10 per trede | 1 L = 10 dL = 100 cL = 1000 mL; 1 hL = 100 L |
| oppervlakte | × 100 per trede | 1 m² = 100 dm² = 10 000 cm²; 1 cm² = 100 mm²; 1 a = 100 m²; 1 ha = 10 000 m² |
| volume | × 1000 per trede | 1 m³ = 1000 dm³; 1 dm³ = 1000 cm³; 1 cm³ = 1000 mm³ |
| volume en inhoud | 1 L = 1 dm³; 1 mL = 1 cm³; 1 m³ = 1000 L | |
| tijd | niet tiendelig | 1 min = 60 s; 1 h = 60 min = 3600 s; 1 d = 24 h = 86 400 s |
| temperatuur | in het dagelijks leven °C; de SI-eenheid kelvin (K) volgt in hoofdstuk 16 |
| voorvoegsel | M | k | h | da | d | c | m | µ |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| factor | 1 000 000 | 1000 | 100 | 10 | 0,1 | 0,01 | 0,001 | 0,000 001 |
| regel | voorbeeld |
|---|---|
| altijd een eenheid bij een getal, met een spatie ertussen | 1,20 m; 18,5 °C |
| meting tot op de kleinste stap van het instrument | lat: 9,3 cm; schuifmaat: 23,4 mm |
| gemeten nullen achteraan blijven staan | 1,20 m is niet hetzelfde als 1,2 m |
| uitkomst met ongeveer evenveel cijfers als de minst precieze meting | 23,4 cm × 11,8 cm ≈ 276 cm² |
| afronden: weggelaten cijfer 5 of meer, dan naar boven | 2,346 → 2,35; 2,344 → 2,34 |
| op ooghoogte aflezen; bij water de onderkant van de meniscus | maatcilinder, thermometer |
Waar meten naartoe leidt
Meten is de basis van de hele leerlijn Onderzoeken en meten: elke proef in StemExpert begint met een goed genoteerde meting. Eenheden omzetten kom je overal tegen: milliampère en kilo-ohm in elektriciteit, km/h en m/s bij snelheid, kilowattuur op de energiefactuur. In Intermediate leer je hoe zeker een meting is (waarde ± fout, beduidende cijfers) en hoe je een sensor ijkt; in Expert reken je met meetonzekerheid en statistiek.
Herhalen en het gemiddelde nemen: een meting wordt pas betrouwbaar als je ze herhaalt.
Metingen in een tabel met grootheid en eenheid in de kop, en in een grafiek.
Massa en volume meten (ook door onderdompelen) en de dichtheid in g/cm³ en kg/m³.
Snelheid als afgeleide eenheid, en omzetten tussen km/h en m/s.
De kelvin, de SI-eenheid van temperatuur, naast de graad Celsius.
Voorvoegsels in de elektronica: mA, kΩ, MΩ, en een multimeter met meetbereiken.
Maten en schaal op een werktekening.
Nauwkeurig tegenover precies, absolute en relatieve fout, beduidende cijfers.
Een sensor ijken met een referentie: de ijkproef van opdracht 3.15 op een hoger niveau.
In het kort
- Een meetresultaat is grootheid = getal + eenheid, bv. . Zonder eenheid betekent een getal niets.
- Het SI heeft zeven basisgrootheden: lengte (m), massa (kg), tijd (s), stroomsterkte (A), temperatuur (K), hoeveelheid stof (mol), lichtsterkte (cd).
- Voorvoegsels vermenigvuldigen met een macht van 10: M = 1 000 000, k = 1000, c = 0,01, m = 0,001, µ = 0,000 001.
- Eenhedentrap: omlaag vermenigvuldigen, omhoog delen; per trede 10 (lengte, massa, liter), 100 (oppervlakte) of 1000 (volume). Tijd gaat met 60 en 24.
- en ; 1 L = 1 dm³, 1 mL = 1 cm³, 1 m³ = 1000 L.
- Kies een instrument waarvan de kleinste stap past bij de meting; controleer het nulpunt; lees af op ooghoogte, bij water de onderkant van de meniscus.
- Noteer een meting tot op de kleinste stap; geef een berekend resultaat met ongeveer evenveel cijfers als je metingen, en rond pas op het einde af.
Wat je nu kent
- grootheid
- Een eigenschap die je kan meten, zoals lengte, massa, tijd of temperatuur; ze heeft een symbool, bv. voor lengte.
- eenheid
- De afgesproken maat waarmee je een grootheid vergelijkt, zoals de meter of de seconde.
- meetresultaat
- Een getal met een eenheid, bv. : 1,20 keer de eenheid meter.
- SI
- Het Internationale Stelsel van Eenheden, met zeven basisgrootheden en hun basiseenheden (meter, kilogram, seconde, ampère, kelvin, mol, candela).
- voorvoegsel
- Een woordje voor een eenheid dat ze met een macht van tien vermenigvuldigt, zoals kilo (× 1000) of milli (× 0,001).
- eenhedentrap
- Een schema om eenheden om te zetten: per trede omlaag vermenigvuldig je, per trede omhoog deel je (lengte: 10, oppervlakte: 100, volume: 1000).
- oppervlakte
- Hoe groot een vlak is; eenheid m² (en cm², mm² ...). Voor een rechthoek: lengte × breedte.
- volume
- Hoeveel ruimte iets inneemt; eenheid m³ (en dm³, cm³, L, mL). Voor een balk: lengte × breedte × hoogte.
- liter
- Een eenheid van volume: 1 L = 1 dm³; 1 mL = 1 cm³.
- nonius
- Een hulpschaal op de schuif van een schuifmaat waarmee je tienden (of twintigsten) van een millimeter afleest.
- meniscus
- Het gebogen oppervlak van een vloeistof in een smalle buis; bij water lees je de onderkant af.
- parallax
- Een afleesfout doordat je schuin op een schaal kijkt; je voorkomt ze door loodrecht en op ooghoogte te kijken.
- nauwkeurigheid van een instrument
- Hoe fijn je met een instrument kan meten: de kleinste stap die je betrouwbaar kan aflezen.
- afronden
- Een getal inkorten tot een zinvol aantal cijfers: is het eerste weggelaten cijfer 5 of meer, dan rond je naar boven af.