Handboek · hoofdstuk 35Micro-organismen en biotechnologie
Onzichtbare helpers en belagers: van gist in je brood tot insuline uit een bacterie, en een compostvat voor Habitat
Er leven meer bacteriën in je darmen dan er mensen op aarde zijn, en toch zie je er geen enkele. Micro-organismen maken ons brood, onze yoghurt en ons biogas, ze ruimen afval op en ze maken geneesmiddelen. Sommige maken ons ziek. In dit hoofdstuk leer je ze kennen, kweken zonder risico, hun groei beschrijven met de groeicurve, en benutten in fermentatie en biotechnologie. Voor Habitat ontwerp je een compostvat en een hygiëneplan.

- Je kan bacteriën, gisten, schimmels en virussen onderscheiden naar bouw, grootte en manier van vermeerderen.
- Je kan uitleggen hoe je steriel werkt, en een kweekproef veilig opzetten en afronden.
- Je kan de vier fasen van een groeicurve benoemen en verklaren, op een lineaire en op een logaritmische as.
- Je kan met een verdunningsreeks het aantal bacteriën per mL berekenen, en een generatietijd bepalen uit metingen.
- Je kan uitleggen hoe temperatuur de groei van bacteriën beïnvloedt, en waarom koelen, pasteuriseren en steriliseren werken.
- Je kan fermentaties (alcohol, melkzuur, azijn, methaan) als reactievergelijking schrijven en er mee rekenen.
- Je kan uitleggen hoe bacteriën menselijke insuline maken.
- Je kan een compostvat en hygiëneregels voor de kweekruimte van Habitat onderbouwen.
Wat je al weet, en wat nu komt
In F26 bekeek je eencelligen onder de microscoop, in F28 zag je hoe reducenten dood materiaal afbreken, en in hoofdstuk 5 rekende je met bacteriën die elke 20 minuten verdubbelen. In hoofdstuk 34 zag je dat gist zonder zuurstof suiker kan vergisten. Nu brengen we het samen.
| wat je al weet | waar | wat er nu bij komt |
|---|---|---|
| eencelligen, de microscoop, vergroting | F26 | bacteriën, gisten, schimmels en virussen: bouw en grootte |
| reducenten breken dood materiaal af | F28 | compost en biogas: reducenten aan het werk |
| bacteriën verdubbelen elke 20 minuten: exponentiële groei | hoofdstuk 5 | de volledige groeicurve, met aanloop, plafond en afsterven |
| een gistfles maakt CO2 uit suiker | hoofdstuk 14 | fermentatie in brood, yoghurt en biogas |
| enzymen, temperatuuroptimum, gisting levert 2 ATP | hoofdstuk 34 | waarom de koelkast werkt en koken ontsmet |
In dit hoofdstuk
- leer je de vier grote groepen kennen: bacteriën, gisten, schimmels en virussen;
- leer je steriel werken en kweek je veilig kiemen van je handen en je smartphone;
- beschrijf je de volledige groeicurve, tel je bacteriën met een verdunningsreeks en bepaal je een generatietijd;
- zie je waarom de koelkast, pasteuriseren en koken werken;
- maak je zelf CO2 met gist en yoghurt met melkzuurbacteriën, en meet je wat er gebeurt;
- leer je hoe biogas en insuline uit micro-organismen komen;
- ontwerp je voor Habitat een compostvat en een hygiëneplan voor de kweekruimte.

Delft: gist, spiritus, een virus en een geheime penicilline
In 1869 stichtten Jacques van Marken en zijn vrouw Agneta Matthes in Delft de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek. Ze maakten bakkersgist, en uit het gistingsproces ook spiritus (alcohol). Gist kweken is kiemen kweken: één besmetting met de verkeerde bacterie en een hele productie is bedorven. Daarom haalde Van Marken in 1885 een jonge bioloog naar zijn fabriek, Martinus Willem Beijerinck, en richtte hij voor hem een laboratorium in.
Beijerinck bleef tien jaar. In 1888 haalde hij uit de wortelknolletjes van erwten en bonen de bacteriën die stikstof uit de lucht vastleggen (hoofdstuk 36). In 1895 werd hij hoogleraar aan de school die vandaag de TU Delft is. Daar onderzocht hij de mozaïekziekte van tabak. Hij perste het sap van zieke bladeren door een porseleinen filter dat alle bacteriën tegenhoudt. Het heldere sap maakte gezonde planten toch ziek, en de ziekte ging over van plant op plant. In 1898 besloot hij dat het ging om iets dat kleiner is dan elke bacterie en zich alleen in levende cellen vermenigvuldigt: een contagium vivum fluidum, een 'levende besmettelijke vloeistof'. Hij noemde het een virus. Beijerinck geldt daarom als een van de grondleggers van de virologie.
In 1928 zag de Schotse arts Alexander Fleming in Londen dat een schimmel die toevallig op een bacteriekweek gevallen was, de bacteriën eromheen doodde: penicilline. Tijdens de Duitse bezetting kreeg Albert Jan Kluyver, de opvolger van Beijerinck, van de directie van de gistfabriek de ruimte om in het geheim penicilline te leren maken. Om de bezetter te misleiden kreeg het project een schuilnaam: Bacinol. Op 15 november 1945 kreeg een Delftse patiënte met een levensgevaarlijke infectie als eerste Delftse penicilline toegediend; ze genas. De fabriek werd later Gist-Brocades en hoort sinds 1998 bij DSM: nog altijd een grote plek voor biotechnologie.
Een fabriek die gist maakte, leverde de ontdekking van het virus, stikstofbindende bacteriën en penicilline. Biotechnologie begint bij zorgvuldig kweken: steriel werken, tellen, en precies weten wat er in je vat groeit. Dat leer je in dit hoofdstuk.

Hoe klein? Van virus tot gistcel
Micro-organismen zijn levende wezens die te klein zijn om met het blote oog te zien, dat tot ongeveer 0,1 mm scherp ziet. De belangrijkste groepen:
- bacteriën (en de verwante archaea): cellen zonder kern, meestal 1 tot 5 µm;
- gisten: eencellige schimmels met een kern, 5 tot 10 µm;
- schimmels: draden (hyfen) van enkele µm dik, die samen een zichtbaar pluis vormen;
- algen en eencellige dieren (F26): meestal groter, tot enkele tienden van een millimeter;
- virussen: geen cellen, maar deeltjes van 20 tot 300 nm.
Een micrometer (µm) is een duizendste millimeter; een nanometer (nm) een duizendste micrometer. Een lichtmicroscoop onderscheidt details tot ongeveer 0,2 µm: bacteriën zie je als stipjes en staafjes, virussen niet. Die werden pas in 1939 zichtbaar, met de elektronenmicroscoop.
De figuur loopt van 10 nm tot 1 mm: vijf decaden. Op een gewone as zou een virus onzichtbaar klein naast een haar staan. Elke stap naar rechts is tien keer groter (hoofdstuk 5): een haar is ongeveer duizend keer zo dik als een griepvirus.
De bacterie
Een bacterie is een volledige cel, maar eenvoudiger gebouwd dan een planten- of dierencel (F26): ze heeft geen kern en geen mitochondriën of bladgroenkorrels. Zo'n cel heet een prokaryoot. De darmbacterie E. coli is ongeveer 2 µm lang: vijfhonderd achter elkaar is een millimeter.
- 1Kapsel
Een slijmlaag rond sommige bacteriën: bescherming tegen uitdrogen en tegen afweercellen, en een lijm om zich vast te hechten.
- 2Celwand
Een stevig net dat de vorm geeft en de cel beschermt tegen barsten. Penicilline verhindert dat bacteriën hun celwand kunnen bouwen: daardoor werkt het tegen bacteriën en niet tegen jouw cellen, die geen celwand hebben.
- 3Celmembraan
Het vlies dat bepaalt wat de cel in en uit gaat, zoals bij elke cel. Hier zitten ook de enzymen van de celademhaling: een bacterie heeft geen mitochondriën nodig.
- 4Cytoplasma
De vloeistof in de cel, vol enzymen: hier gebeuren de meeste reacties van de stofwisseling.
- 5DNA
Eén groot, ringvormig chromosoom, los in het cytoplasma (geen kern). Het bevat de informatie voor alle eiwitten van de bacterie.
- 6Plasmide
Klein, extra ringetje DNA, dat bacteriën onderling kunnen doorgeven, bijvoorbeeld met genen voor resistentie tegen antibiotica. Biotechnologen gebruiken plasmiden om een gen in een bacterie te brengen (insuline, verderop).
- 7Ribosomen
Duizenden kleine eiwitfabriekjes. Ze zijn anders gebouwd dan de onze, en daarom kan een antibioticum ze stilleggen zonder jouw cellen te raken.
- 8Zweepdraad
Een draad die ronddraait als een scheepsschroef, aangedreven door een klein motortje in de celwand: zo zwemt de bacterie naar voedsel toe. De korte haartjes (pili) dienen om zich vast te hechten.
Gisten en schimmels
Gisten en schimmels horen samen bij de fungi, een eigen rijk naast planten en dieren. Hun cellen hebben een kern, zoals de jouwe, en een celwand van chitine, de stof van het pantser van insecten. Ze hebben geen bladgroen: ze leven van wat anderen maakten, als reducent of als parasiet.
Gisten zijn eencellig. Bakkersgist (Saccharomyces cerevisiae) is een ovale cel van 5 tot 10 µm. Ze vermeerdert door knopvorming: er groeit een uitstulping die een kopie van de kern krijgt en loslaat. Met zuurstof ademt gist suiker volledig af; zonder zuurstof vergist ze het tot alcohol en koolstofdioxide (hoofdstuk 34).
Schimmels groeien met lange draden van enkele µm dik, de hyfen. Samen vormen ze een netwerk, het mycelium: het pluis op oud brood, of onder de grond het netwerk waarvan een paddenstoel alleen de vrucht is. Schimmels verspreiden zich met sporen: piepkleine cellen die met de lucht meewaaien en jaren kunnen overleven. Daarom groeit er op elke vochtige boterham na een paar dagen schimmel.
Penicillium levert penicilline en de blauwe aders in blauwe kaas. Aspergillus maakt sojasaus en citroenzuur, maar sommige soorten maken giftige stoffen op beschimmelde noten. Botrytis, de grauwe schimmel, laat aardbeien en sla rotten als de lucht vochtig is: een belager van de kweekruimte van Habitat.
Virussen: leven lenen
Een virus is geen cel. Het is een pakketje erfelijk materiaal (DNA of RNA) in een mantel van eiwit, soms met een vetlaagje eromheen. Het heeft geen eigen stofwisseling en kan zich niet zelf delen. Het moet een levende cel binnendringen en die cel dwingen om nieuwe virussen te maken:
- het virus hecht aan een cel waarvan het de buitenkant 'herkent' (elk virus heeft zijn eigen gastheren);
- het erfelijk materiaal gaat de cel binnen;
- de enzymen en ribosomen van de cel kopiëren het virus-DNA of -RNA en bouwen nieuwe mantels;
- honderden nieuwe virussen komen vrij, vaak doordat de cel openbarst en sterft.
Er zijn virussen voor elke vorm van leven. Bacteriofagen ('bacterie-eters') infecteren bacteriën; het tabaksmozaïekvirus van Beijerinck infecteert planten; griep, verkoudheid, norovirus en het coronavirus infecteren mensen.
Antibiotica werken op onderdelen die alleen bacteriën hebben: de celwand, de bacteriële ribosomen. Een virus heeft die niet. Tegen virussen helpen je afweer, vaccins, enkele antivirale middelen, en hygiëne. Wie antibiotica slikt tegen een verkoudheid, helpt alleen de bacteriën in zijn lichaam om resistent te worden.
Volgens de levenskenmerken van F26 niet: geen stofwisseling, geen groei, geen voortplanting op eigen kracht. Maar het heeft erfelijk materiaal, het verandert door mutaties en het evolueert. Biologen noemen virussen daarom soms 'op de grens van het leven'.
Wat zie je met welke microscoop?
Een lichtmicroscoop vergroot 1000 keer (objectief 100 ×, oculair 10 ×, F26). (a) Hoe groot lijkt een E. coli van 2 µm, en een gistcel van 8 µm? (b) Hoe groot zou een griepvirus van 100 nm lijken, en waarom zie je het toch niet? (c) Welke vergroting heb je nodig om het virus 5 mm groot te zien?
- vergroting
- , ,
- oplossend vermogen lichtmicroscoop
- schijnbare grootte
- benodigde vergroting
- 1(a) Schijnbare grootte = echte grootte × vergroting: ; gist: . De bacterie is een streepje, de gistcel een duidelijke ovaal met een knop.
- 2(b) . Dat zou je net kunnen zien, maar het virus is kleiner dan de halve golflengte van licht (± 0,2 µm): de microscoop beeldt het niet scherp af. Meer vergroten geeft alleen een grotere vlek.
- 3(c) . Dat haalt een elektronenmicroscoop moeiteloos: elektronen hebben een veel kleinere golflengte dan licht.
Steriel werken en kweken
Ontstaan micro-organismen vanzelf in bedorven voedsel? Rond 1860 beslechtte Louis Pasteur die vraag met een slimme kolf. Hij kookte bouillon in een kolf met een lange, S-vormige hals. Lucht kon vrij in en uit, maar stof en kiemen bleven in de bocht hangen. Het bouillon bleef maandenlang helder. Brak hij de hals af, dan werd het binnen enkele dagen troebel. Leven komt van leven, ook bij micro-organismen.
Wie micro-organismen kweekt, wil precies weten wat er groeit. Dat vraagt steriel (kiemvrij) en aseptisch werken:
- Steriliseren: voedingsbodems en glaswerk 15 minuten op 121 °C in een autoclaaf (een snelkookpan doet hetzelfde: stoom onder ongeveer 1 bar overdruk). Ook sporen sterven dan.
- Een voedingsbodem: een oplossing van voedingsstoffen, gestold met agar (uit zeewier). Het idee kwam in 1881 van Fanny Hesse, die in het labo van Robert Koch werkte; Julius Petri bedacht in 1887 de platte schaal met deksel. Op agar groeit elke cel uit tot een zichtbare kolonie.
- Aseptisch werken: werkblad ontsmetten met ethanol 70 %, handen wassen, het deksel zo kort en zo schuin mogelijk openen, een entoog uitgloeien in een vlam.
- Kweken bij een gekozen temperatuur, en vernietigen na afloop: opnieuw steriliseren.
Wat je uit de omgeving kweekt, ken je niet. Daarom gelden op school vaste regels: platen dicht met twee of vier korte stroken plakband (niet helemaal rondom: dan groeien juist de gevaarlijke bacteriën die geen zuurstof willen), kweken bij 20 à 25 °C (niet bij 37 °C, de temperatuur van je lichaam), nooit openen na het kweken, en de leerkracht steriliseert de gesloten platen voor ze weggegooid worden.
Kiemen op agar: waar zitten de meeste bacteriën?
Hoeveel micro-organismen draag je mee op je handen, en helpt handen wassen? Zit er meer op je smartphone of op een deurklink?
- zes steriele petrischalen met voedingsagar (kant-en-klaar gekocht)
- steriele wattenstaafjes
- plakband, watervaste stift
- zeep, ethanol 70 % voor het werkblad
- een plek bij 20-25 °C (of een broedstoof, ingesteld op 25 °C)
- 1Nummer de bodems 1 tot 6. Plaat 1 blijft dicht: de blanco.
- 2Plaat 2: deksel 10 minuten van de plaat, open in de klas.
- 3Plaat 3: druk drie ongewassen vingertoppen zacht op de agar. Plaat 4: dezelfde vingers, na 30 s wassen met zeep en water.
- 4Plaat 5 en 6: wrijf een steriel wattenstaafje over een smartphonescherm en over een deurklink, en daarna zigzag over de agar.
- 5Plak alle platen dicht, leg ze omgekeerd weg en tel na 2 à 3 dagen de kolonies door het deksel.
| plaat | wat | kolonies na 3 dagen |
|---|---|---|
| 1 | niet geopend (blanco) | 0 |
| 2 | 10 minuten open in de klas | 6 |
| 3 | vingertoppen, ongewassen | 48 |
| 4 | vingertoppen na 30 s wassen met zeep | 9 |
| 5 | wattenstaafje over een smartphonescherm | 21 |
| 6 | wattenstaafje over een deurklink | 35 |
Voorbeeldresultaat van een klas, telkens één plaat.
Elke kolonie groeide uit één cel of één spore: een kolonievormende eenheid (KVE). Kolonies met een andere kleur, vorm of rand zijn andere soorten: glanzende ronde stipjes zijn meestal bacteriën, pluizige vlekken schimmels. De blanco bewijst dat de platen en de werkwijze kiemvrij waren: anders kan je niets besluiten. Handen wassen verminderde het aantal hier met 80 %. Eén plaat per situatie is een steekproef van één (hoofdstuk 2): wie een besluit wil, herhaalt.

Groei: delen, verdubbelen, en de groeicurve
Een bacterie groeit tot ze ongeveer twee keer zo groot is, kopieert haar DNA en deelt zich in tweeën. Bij E. coli in een rijke voedingsbodem bij 37 °C duurt dat ongeveer 20 minuten. Zo lang er voedsel is, verdubbelt het aantal dus in gelijke tijden: exponentiële groei (hoofdstuk 5).
In een afgesloten cultuur, zoals een buisje bouillon, blijft het daar niet bij. Een groeicurve telt vier fasen:
- aanloopfase (lag-fase): de bacteriën passen zich aan hun nieuwe omgeving aan en maken de enzymen die ze nodig hebben. Het aantal verandert nog nauwelijks;
- exponentiële fase (log-fase): elke generatietijd een verdubbeling;
- stationaire fase: het voedsel raakt op en afvalstoffen hopen zich op. Er komen evenveel bacteriën bij als er sterven;
- afstervingsfase: er sterven er meer dan er bijkomen, en het aantal daalt, vaak ook exponentieel.
De figuur toont één en dezelfde groeicurve twee keer, berekend met het programma op het codeblad. Op de lineaire as lijkt er acht uur lang niets te gebeuren en dan plots alles. Op de logaritmische as zie je de aanloop, de rechte van de exponentiële fase, het plafond van ongeveer per mL en de trage daling.
Het model gebruikt gekozen waarden die passen bij E. coli bij 37 °C in een buisje bouillon. Echte curven verschillen per soort, per voedingsbodem en per temperatuur. In hoofdstuk E31 leer je het Monod-model, waarmee bioprocesingenieurs zo'n curve voor een bioreactor voorspellen.
Bacteriën tellen met een verdunningsreeks
Hoeveel bacteriën zitten er in een staal yoghurtdrank? Je verdunt telkens 1 mL in 9 mL steriel water, zes keer na elkaar. Van de laatste drie buisjes strijk je 0,1 mL uit op een plaat. Na drie dagen tel je: te veel om te tellen, 87 kolonies en 9 kolonies. Hoeveel KVE per mL bevat het staal?
- verdunningen tot
- 0,1 mL per plaat
- : te veel; : 87 kolonies; : 9 kolonies
- KVE per mL in het staal
- 1Elke stap verdunt tien keer (1 mL in samen 10 mL). Na vijf stappen zit er van elke mL staal nog mL in elke mL van het buisje.
- 2Kies de plaat met 30 tot 300 kolonies: minder is te onnauwkeurig (toeval), meer groeit samen. Hier de plaat van met 87 kolonies.
- 387 kolonies in 0,1 mL van een -verdunning: .
- 4Controle met de volgende plaat: . Dat klopt binnen de toevalsfout van een klein aantal kolonies.
De generatietijd uit een meetreeks
Een groep volgt een cultuur bij 30 °C met een troebelheidsmeter die ze eerst geijkt heeft met plaattellingen. Bepaal de generatietijd in de exponentiële fase.
| t (h) | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| N (per mL) | 1,0 · 10⁴ | 1,1 · 10⁴ | 2,0 · 10⁴ | 7,5 · 10⁴ | 2,9 · 10⁵ | 1,1 · 10⁶ | 4,4 · 10⁶ | 1,5 · 10⁷ | 3,0 · 10⁷ |
- de meetreeks
- exponentieel:
- generatietijd
- 1Zet de metingen op een logaritmische as: tussen 3 en 6 uur liggen ze op een rechte. Daar is de groei exponentieel; daarvoor zit de aanloop, daarna begint de afvlakking.
- 2Van 3 tot 6 uur: gaat van naar , een factor .
- 3Aantal verdubbelingen: , dus (hoofdstuk 5).
- 4.
Python: de groeicurve simuleren
Het model achter de grafiek van de groeicurve, in één functie. Het rekent in stappen van één minuut (de methode van Euler, E4): per stap komen er bacteriën bij en sterven er enkele. Drie ideeën zitten erin:
klaargroeit van 0 naar 1: de aanloop;voedsel / (0.05 + voedsel)is de verzadigingskromme van hoofdstuk 34: bij veel voedsel volle snelheid, als het opraakt valt de groei stil;hongertelt hoe lang het voedsel al op is; hoe langer, hoe meer bacteriën sterven.
# groei.py - de groeicurve van een bacteriecultuur: een eenvoudig model (stap van 1 minuut)import math MU_MAX = math.log(2) / (20 / 60) # per uur: E. coli bij 37 graden verdubbelt elke 20 minutenN_MAX = 1e9 # bacteriën per mL als al het voedsel op isAANLOOP = 1.5 # uur om zich aan te passen (aanloopfase)STERFTE = 0.2 # per uur, als de honger lang genoeg duurt def groeicurve(n0=1e3, uren=48, dt=1 / 60): """Geeft een lijst (t in uur, N per mL) terug.""" n, voedsel, honger = n0, 1.0, 0.0 # voedsel: 1 = vol, 0 = op klaar_q = 1 / (math.exp(MU_MAX * AANLOOP) - 1) punten = [(0.0, n)] for stap in range(1, round(uren / dt) + 1): klaar = klaar_q / (1 + klaar_q) # 0 bij de start, 1 als de cel is aangepast mu = MU_MAX * klaar * voedsel / (0.05 + voedsel) erbij = mu * n * dt # nieuwe bacteriën in deze stap voedsel = max(0.0, voedsel - erbij / N_MAX) klaar_q = klaar_q * math.exp(MU_MAX * dt) if voedsel < 0.01: honger += dt # hoe lang is het voedsel al op? sterf = STERFTE * min(1.0, honger / 16) ** 2 * n * dt n = n + erbij - sterf punten.append((stap * dt, n)) return punten if __name__ == "__main__": curve = groeicurve() print(" t (h) N per mL log N") for t, n in curve[::180]: # elke 3 uur print(f"{t:6.0f} {n:10.2e} {math.log10(n):5.2f}") top_t, top_n = max(curve, key=lambda p: p[1]) print(f"hoogste waarde {top_n:.2e} per mL na {top_t:.1f} h")Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):
t (h) N per mL log N
0 1.00e+03 3.00
3 1.93e+04 4.29
6 6.42e+06 6.81
9 1.00e+09 9.00
12 9.90e+08 9.00
15 9.36e+08 8.97
18 8.09e+08 8.91
21 6.13e+08 8.79
24 3.90e+08 8.59
27 2.15e+08 8.33
30 1.18e+08 8.07
33 6.46e+07 7.81
36 3.54e+07 7.55
39 1.94e+07 7.29
42 1.07e+07 7.03
45 5.84e+06 6.77
48 3.20e+06 6.51
hoogste waarde 1.00e+09 per mL na 8.8 hNa 8,8 uur is het plafond bereikt; na 48 uur zijn er nog 3,2 · 10⁶ per mL over. In opdracht 35.12 laat je de bacteriën koeler groeien en start je met meer of minder bacteriën.
Temperatuur en hygiëne: waarom de koelkast werkt
Bacteriën groeien met enzymen, en dus heeft hun groei een temperatuuroptimum (hoofdstuk 34). Elke soort heeft een minimum, een optimum en een maximum. De meeste ziekteverwekkers zijn aangepast aan ons lichaam: ze groeien het snelst tussen 30 en 40 °C. De figuur toont een eenvoudig model (van de Australische voedingsmicrobioloog David Ratkowsky) voor twee soorten.
- E. coli groeit niet onder ongeveer 7 °C. In de koelkast (4 °C) staat ze stil, bij 20 °C verdubbelt ze om de 1,6 uur, bij 37 °C om de 20 minuten.
- Listeria monocytogenes groeit ook in de koelkast, traag: bij 4 °C verdubbelt ze ongeveer elke 30 uur. Daarom is ze gevaarlijk in kant-en-klaar voedsel dat lang koel bewaard wordt: gerookte vis, paté, voorgesneden sla.
Wat de voedselveiligheid daaruit haalt:
- koelen (ten hoogste 4 à 7 °C) vertraagt de groei sterk, maar doodt niets; invriezen legt de groei stil, maar de meeste bacteriën overleven het;
- tussen ongeveer 7 en 60 °C groeien ziekteverwekkers vlot: daarom houd je voedsel niet uren lauw;
- pasteuriseren: kort verhitten, bijvoorbeeld melk 15 seconden op 72 °C, doodt de meeste ziekteverwekkers (hun enzymen denatureren) zonder de melk te koken;
- steriliseren doodt ook sporen: 15 minuten op 121 °C (conserven, autoclaaf);
- zuur (pH onder ongeveer 4,5), veel zout of veel suiker remmen de groei: yoghurt, zuurkool, pekelvlees, confituur.
Voedsel dat van de winkel naar huis anderhalf uur in een warme auto ligt, is niet meteen gevaarlijk, maar het heeft een deel van zijn 'groeitijd' opgebruikt. Houd de koelketen zo ononderbroken mogelijk: koelwaren als laatste in het winkelwagentje en thuis meteen in de koelkast. Een koelkast die op 7 °C staat in plaats van 4 °C, laat Listeria in het model meer dan twee keer zo snel groeien.
Fermentatie: brood, bier, yoghurt en azijn
Zonder zuurstof halen micro-organismen een klein beetje energie uit suiker met fermentatie: 2 ATP per glucose in plaats van ongeveer 30 (hoofdstuk 34). Wat voor hen afval is, is voor ons voedsel.
Melk bevat melksuiker (lactose, C12H22O11). Melkzuurbacteriën splitsen die eerst met een enzym in twee kleinere suikers en vergisten die tot melkzuur. Samen: .
In het Pajottenland en de Zennevallei, rond Brussel, brouwt men lambiek met spontane gisting. Na het koken laat de brouwer het wort een nacht afkoelen in een brede, ondiepe bak, het koelschip. Gisten en bacteriën uit de lucht vallen erin. Het bier gist en rijpt daarna een tot drie jaar in houten vaten; geuze is een mengsel van jonge en oude lambiek. Het is het omgekeerde van steriel werken, en het werkt omdat de brouwer weet welke micro-organismen in zijn brouwerij leven.
Gist en suiker: koolstofdioxide in een ballon
Hoe snel maakt gist koolstofdioxide uit glucose, en hoe hangt dat af van de temperatuur?
- drie flesjes of erlenmeyers van 250 mL
- droge bakkersgist (3 × 5 g), glucose (3 × 5,0 g)
- lauw water, drie ballonnen, touwtje en lintmeter
- waterbaden van 20, 35 en 50 °C (bakken met water en een thermometer)
- 1Los in elk flesje 5,0 g glucose op in 100 mL water. Zet de flesjes 5 minuten in hun waterbad.
- 2Voeg 5 g gist toe, schud kort en trek er meteen een lege ballon over.
- 3Meet om de 10 minuten met het touwtje de omtrek C van de ballon op zijn dikste plek.
- 4Bereken het volume als een bol: . Zet het volume uit tegen de tijd.
| t (min) | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 °C: V (mL) | 0 | 30 | 80 | 140 | 200 | 260 | 320 |
| 35 °C: V (mL) | 0 | 60 | 170 | 290 | 410 | 520 | 610 |
| 50 °C: V (mL) | 0 | 40 | 70 | 80 | 85 | 85 | 85 |
| 35 °C: C (cm) | 0,0 | 15,3 | 21,6 | 25,8 | 29,0 | 31,3 | 33,1 |
Voorbeeldmeting. De volumes zijn uit de omtrek berekend; de ballon begint pas merkbaar op te zwellen na een paar minuten.
Bij 35 °C werkt gist het best: haar enzymen zitten dicht bij hun optimum. Bij 20 °C gaat het ongeveer half zo snel. Bij 50 °C zwelt de ballon eerst op, maar na een kwartier stopt de gisting: de enzymen denatureren en de gistcellen sterven (hoofdstuk 34). Het volgende voorbeeld rekent uit hoeveel koolstofdioxide er maximaal kan ontstaan.

Hoeveel koolstofdioxide past er in de ballon?
In de proef vergist 5,0 g glucose. Hoeveel gram en hoeveel liter koolstofdioxide kan er maximaal ontstaan bij 35 °C? Welk deel is er na 60 minuten gevormd?
- ,
- bij 35 °C (hoofdstuk 14: evenredig met de absolute temperatuur)
- gemeten: 610 mL na 60 min
- , , het deel na 60 min
- 1; molverhouding 1 : 2, dus .
- 2; .
- 3Na 60 minuten: , ongeveer 43 % van het maximum.
Yoghurt maken en de pH volgen
Wat doen yoghurtbacteriën met melk, en hoe snel? Wat is de rol van de temperatuur?
- 1 L volle melk, 3 eetlepels natuuryoghurt (met levende culturen)
- drie schone potjes met deksel
- thermosfles of yoghurtmaker (43 °C), thermometer
- pH-meter (geijkt, hoofdstuk 15) of pH-papier
- 1Verwarm de melk tot net onder de kook en laat ze afkoelen tot 43 °C: zo sterven de meeste bacteriën die er al in zaten.
- 2Potje A: melk + 1 eetlepel yoghurt, bij 43 °C. Potje B: hetzelfde, bij kamertemperatuur (20 °C). Potje C: melk zonder yoghurt, bij 43 °C.
- 3Meet elk uur de pH, en kijk of de melk dik wordt (kantel het potje).
| t (h) | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 8 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A: 43 °C | 6,6 | 6,5 | 6,2 | 5,6 | 5,0 | 4,6 | 4,4 | 4,2 |
| B: 20 °C | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,5 | 6,5 | 6,4 | 6,4 | 6,2 |
| C: zonder | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,5 | 6,5 |
Voorbeeldmeting. Potje A is na ongeveer 5 uur dik en ruikt fris zuur.
De yoghurtbacteriën (Lactobacillus delbrueckii subsp. bulgaricus en Streptococcus thermophilus) vergisten melksuiker tot melkzuur. De pH daalt eerst traag (aanloop, weinig bacteriën), dan snel (exponentiële groei), en vlakt af rond 4,2 als het zuur de bacteriën zelf afremt. Rond pH 4,6 verliest het belangrijkste melkeiwit, caseïne, zijn lading: de eiwitten klonteren samen tot een gel en de melk wordt dik. Bij 20 °C werken de bacteriën, die van warmte houden, veel trager. Zonder yoghurt gebeurt er in 8 uur bijna niets: de verwarmde melk bevatte weinig melkzuurbacteriën.

Biogas: methaan uit afval
Als organisch afval (mest, groenteresten, slib) zonder zuurstof in een gesloten tank ligt, breekt een gemeenschap van bacteriën en archaea het af tot biogas: 50 tot 70 % methaan, de rest vooral koolstofdioxide. Dat gebeurt in vier stappen, telkens door andere micro-organismen:
Opvallend: in de 3 mol methaan zit , dat is 95 % van de 2803 kJ in de glucose. De micro-organismen houden er zelf maar een paar procent van over (ze groeien traag), bijna alle energie blijft in het gas. Daarom is vergisten zo'n goede manier om energie uit nat afval te halen, beter dan verbranden, dat eerst al het water moet verdampen.
In Vlaanderen staan vergisters bij boerderijen, afvalverwerkers en waterzuiveringen. Het gas drijft een motor met een generator aan (warmtekrachtkoppeling) of wordt gezuiverd tot aardgaskwaliteit. Wat overblijft, het digestaat, bevat de mineralen en gaat als meststof terug naar het land.
Methaan is een sterk broeikasgas: per kilogram warmt het de aarde over twintig jaar tientallen keren sterker op dan koolstofdioxide. Een lekkende vergister of een mesthoop zonder dak doet meer kwaad dan goed. Verbranden maakt er weer koolstofdioxide van, die de plant eerder uit de lucht haalde.

Insuline: van alvleesklieren naar bacteriën
Wie diabetes type 1 heeft, maakt geen insuline: het hormoon dat de cellen glucose laat opnemen (E33). Tot 1922 betekende dat een zekere dood. In 1921 haalden de Canadezen Frederick Banting en Charles Best in Toronto een werkzaam extract uit de alvleesklier van honden. In januari 1922 kreeg de veertienjarige Leonard Thompson, die al bijna dood was, als eerste mens een gezuiverd extract; hij herstelde. Banting en zijn labochef John Macleod kregen in 1923 de Nobelprijs.
Zestig jaar lang kwam insuline uit alvleesklieren van varkens en runderen uit slachthuizen. Dat werkte, maar dierlijke insuline verschilt een of enkele bouwstenen van de onze, en de voorraad hing af van het vlees dat gegeten werd. In 1978 lukte het de Amerikaanse firma Genentech om het menselijke insulinegen in de darmbacterie E. coli te brengen. In 1982 werd die insuline goedgekeurd: het eerste geneesmiddel dat door genetisch gewijzigde bacteriën gemaakt wordt. Vandaag maken bacteriën en gisten in grote fermentatietanks alle insuline, en ook groeihormoon, stollingsfactoren, vaccins en het stremsel (chymosine) voor de meeste kaas.
Insuline is een klein eiwit van 51 aminozuren. Een patiënt gebruikt ongeveer 40 eenheden per dag, ongeveer 1,4 mg: ongeveer een halve gram per jaar.
De genetische code is voor alle levende wezens dezelfde (E29). Een bacterie leest het menselijke gen dus correct en maakt precies hetzelfde eiwit. Omdat bacteriën elke twintig minuten verdubbelen, groeit een fermentatietank op een paar dagen van een buisje tot duizenden liter.

Habitat: ziekteverwekkers en hygiëne in de kweekruimte
In een station wonen mensen, planten en micro-organismen dicht op elkaar, met water dat rondgepompt wordt en lucht die gerecycleerd wordt. Een ziekteverwekker die binnenraakt, vindt er veel kansen, en hulp van buiten komt pas na dertig dagen. Welke gevaren zijn er?
| soort | voorbeeld | waar in Habitat? | wat helpt |
|---|---|---|---|
| bacterie | Salmonella, E. coli (sommige stammen), Listeria | op sla via handen, water, insecten; Listeria groeit in de koelkast | handen wassen, schoon water, oogst koel en snel opeten |
| bacterie | Legionella | lauw water (25-45 °C) in vaten en leidingen; besmet via fijne druppels | water koud (onder 25 °C) of heet (boven 60 °C), geen nevel, vaten doorspoelen |
| virus | norovirus (buikgriep), griep | van bewoner tot bewoner, via handen en oppervlakken | handen wassen met zeep (handgel werkt slecht tegen norovirus), zieken van de oogst weg |
| schimmel | grauwe schimmel (Botrytis) | op bladeren bij hoge luchtvochtigheid | ventileren, geen condens op de bladeren, zieke planten verwijderen |
| waterschimmel | Pythium (wortelrot) | warme voedingsoplossing | reservoir onder 24 °C, ontsmetten tussen twee teelten |
Pythium lijkt op een schimmel, maar is er eigenlijk geen: het hoort bij de oömyceten, die nauwer verwant zijn aan bruinwieren. In de tuinbouw heet het toch een waterschimmel.
Voor Habitat leggen we acht hygiëneregels vast voor de kweekruimte:
- Handen wassen met zeep (30 s) voor je de kweekruimte binnengaat en na het compostvat.
- Geen eten of drinken in de kweekruimte; wie ziek is (braken, diarree, koorts), oogst niet.
- Scharen en messen na gebruik reinigen en ontsmetten met ethanol 70 %.
- Het reservoir blijft lichtdicht en onder 24 °C. Na elke oogst wordt de goot met haar netpotjes geschrobd, ontsmet volgens het etiket van het middel en nagespoeld; om de vijf weken wordt het reservoir helemaal ververst en gereinigd (hoofdstuk 36).
- Zieke planten meteen verwijderen, in een gesloten zak, niet in het compostvat.
- Geen water vernevelen en geen lauw water laten staan (Legionella); vaten en leidingen die stilstaan, doorspoelen.
- Oogsten met schone handen of handschoenen, de sla meteen koelen (4 °C) en binnen enkele dagen opeten.
- Het compostvat staat buiten de kweekruimte, gesloten. Compost die enkele dagen boven 55 °C was, gaat onder de potgrond van de meetkas; nooit iets van het compostvat in het NFT-systeem.
Zonder aarde komen er geen bodembacteriën en -schimmels mee met de planten, en de oogst is proper. Het nadeel: alles hangt aan hetzelfde water. Eén besmetting in het reservoir bereikt binnen één rondgang van de pomp (12,5 minuten pompen, hoofdstuk 11) alle 48 planten.

Habitat: een compostvat voor de plantenresten
Per teelt blijft er van elke krop ongeveer 50 g over: wortels en buitenbladeren, samen 2,4 kg. Dat is voedsel voor reducenten (F28). Compost werkt het best met een C/N-verhouding (massa koolstof gedeeld door massa stikstof) rond 30 en een vochtgehalte van 50 à 60 %. Slaresten zijn nat en stikstofrijk; karton van de bevoorrading is droog en koolstofrijk. (a) Wat is de C/N van slaresten? (b) Hoeveel karton per kg slaresten geeft C/N = 30? (c) Is het vochtgehalte dan goed? (d) Hoeveel koolstofdioxide geeft het composteren van één teelt, als de helft van de koolstof als CO2 vrijkomt?
- slaresten: droge stof 5 %; daarvan 40 % koolstof en 4,0 % stikstof
- karton: droge stof 90 %; daarvan 42 % koolstof en 0,14 % stikstof
- rekenwaarden, typische grootte
- C/N van slaresten
- kg karton per kg slaresten
- vochtgehalte
- g CO2 per teelt
- 1(a) In 1 kg slaresten: 50 g droge stof, met 20 g C en 2,0 g N. : te veel stikstof. Het teveel ontsnapt als ammoniak (het stinkt).
- 2(b) 1 kg karton bevat C en N. Met kg karton: , dus en : ongeveer 118 g karton per kg slaresten.
- 3(c) Water: in : 86 %. Veel te nat: het vat wordt zuurstofloos en begint te rotten in plaats van te composteren.
- 4(d) Koolstof in de slaresten van één teelt: ; de helft wordt CO2: per teelt, 2,5 g per dag.
Overzicht: micro-organismen en biotechnologie
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| aantal bij de start | per mL | |
| generatietijd | min of h |
| bacterie | gist | schimmel | virus | |
|---|---|---|---|---|
| cel? | ja, zonder kern | ja, met kern | ja, met kern, in draden | nee |
| grootte | 1-5 µm | 5-10 µm | draden 2-10 µm dik | 20-300 nm |
| vermeerdering | deling | knopvorming | sporen, groei van hyfen | alleen in een gastheercel |
| nuttig | yoghurt, compost, insuline | brood, bier | penicilline, kaas | fagen tegen bacteriën, vectoren in de geneeskunde |
| schadelijk | Salmonella, Legionella | schimmelinfecties | grauwe schimmel | griep, norovirus |
| bestrijding | antibiotica, hitte | schimmelwerende middelen | droog houden, ventileren | vaccins, hygiëne |
| behandeling | wat | effect |
|---|---|---|
| koelen | 4 à 7 °C | vertraagt; Listeria groeit traag door |
| invriezen | −18 °C | groei staat stil, de meeste bacteriën overleven |
| pasteuriseren | bv. 15 s op 72 °C | doodt de meeste ziekteverwekkers, niet alle sporen |
| steriliseren | 15 min op 121 °C | doodt alles, ook sporen |
| verzuren | pH onder ± 4,5 | remt de meeste ziekteverwekkers |
| Habitat: rekenwaarden uit dit hoofdstuk | |
|---|---|
| plantenresten | ± 50 g per krop: 2,4 kg per teelt (0,12 kg droge stof, 4,8 g stikstof) |
| keukenafval | ± 0,25 kg per dag voor twee bewoners (rekenwaarde) |
| compostvat | 120 L, geïsoleerd, buiten de kweekruimte; C/N 25-35, vocht 50-65 %; compost (na enkele dagen boven 55 °C) onder de potgrond van de meetkas |
| CO2 uit het compostvat | ± 2,5 g per dag voor de slaresten: verwaarloosbaar |
| hygiëne | acht regels voor de kweekruimte (blad Habitat: ziekteverwekkers en hygiëne) |
Waar micro-organismen terugkomen
Micro-organismen verbinden de biologie met de chemie (fermentatie is stoichiometrie), met de wiskunde (exponentiële groei en logaritmen) en met de techniek (steriel werken, bioreactoren). In Habitat zijn ze tegelijk helpers (compost, straks algen en nitrificerende bacteriën) en belagers (ziekteverwekkers in water, op de oogst en bij de bewoners).
Eencelligen, de microscoop en de levenskenmerken.
Reducenten en kringlopen; Biosphere 2 en de compost die zuurstof opat.
Controlegroep, blanco en herhalingen bij een kweekproef.
Verdubbelingstijd, logaritmen en de logaritmische as.
Rekenen met gisting, CO2-volumes en het molair volume.
De pH van yoghurt meten; zuur als bewaarmiddel.
Gisting levert 2 ATP; enzymen verklaren het temperatuuroptimum van de groei.
Nitrificerende bacteriën in aquaponie en de stikstofkringloop.
Logistische groei en de methode van Euler, zoals in groei.py.
Waarom compost in de winter stilvalt: reactiesnelheid en temperatuur.
Recombinant DNA, PCR en CRISPR: de technieken achter insuline uit bacteriën.
Het Monod-model, batch en continu, opschalen: de groeicurve in een bioreactor.
Insuline en de regeling van de bloedsuiker.
In het kort
- Micro-organismen zijn te klein voor het blote oog: bacteriën (1-5 µm, geen kern), gisten (5-10 µm), schimmels (hyfen, sporen) en virussen (20-300 nm, geen cel).
- Een virus heeft geen eigen stofwisseling en laat zich vermenigvuldigen door een gastheercel; antibiotica werken er niet tegen.
- Steriel werken: steriliseren (121 °C, 15 min), aseptisch werken, gesloten platen bij 20-25 °C, nooit openen, vernietigen na gebruik.
- Een groeicurve heeft vier fasen: aanloop, exponentieel (een rechte op een logaritmische as), stationair en afsterven.
- Met een verdunningsreeks tel je bacteriën: kolonies gedeeld door (uitgestreken volume × verdunning), op een plaat met 30-300 kolonies.
- Bacteriën groeien het snelst rond hun optimum; koelen vertraagt, pasteuriseren en steriliseren doden. Listeria groeit ook in de koelkast.
- Fermentatie maakt brood en bier (alcohol + CO₂), yoghurt en zuurkool (melkzuur), azijn en biogas (methaan, dat bijna alle energie van de suiker bewaart).
- Genetisch gewijzigde bacteriën en gisten maken menselijke insuline sinds 1982.
- Habitat composteert plantenresten met karton (C/N ± 30, niet te nat) en volgt acht hygiëneregels in de kweekruimte.
Wat je nu kent
- micro-organisme
- Levend wezen dat te klein is om met het blote oog te zien: bacteriën, archaea, gisten, veel schimmels, algen en eencellige dieren.
- bacterie
- Eencellig organisme zonder celkern (prokaryoot), meestal 1 tot 5 µm groot; vermeerdert door zich in tweeën te delen.
- plasmide
- Klein ringvormig stukje DNA in een bacterie, los van het grote chromosoom; in de biotechnologie gebruikt om een gen binnen te brengen.
- gist
- Eencellige schimmel die zich vermeerdert door knopvorming en suiker kan vergisten tot alcohol en koolstofdioxide.
- schimmel
- Organisme met een celkern en een celwand van chitine, zonder bladgroen; groeit met draden (hyfen) en verspreidt zich met sporen.
- virus
- Deeltje van DNA of RNA in een eiwitmantel, zonder eigen stofwisseling; kan zich alleen in een levende gastheercel laten vermenigvuldigen.
- steriel
- Zonder levende micro-organismen of sporen.
- kolonie
- Hoopje micro-organismen op een voedingsbodem, gegroeid uit één cel of spore; zichtbaar met het blote oog.
- KVE
- Kolonievormende eenheid: een cel of klompje cellen dat één kolonie oplevert. Aantallen bacteriën worden in KVE per mL of per g opgegeven.
- groeicurve
- Het aantal micro-organismen in een cultuur in functie van de tijd: aanloop-, exponentiële, stationaire en afstervingsfase.
- generatietijd
- De tijd waarin een populatie in de exponentiële fase verdubbelt.
- pasteuriseren
- Voedsel kort verhitten (bv. melk 15 s op 72 °C) zodat de meeste ziekteverwekkers sterven, zonder het voedsel te koken.
- steriliseren
- Alle micro-organismen en sporen doden, bv. 15 minuten op 121 °C in een autoclaaf.
- fermentatie
- Omzetting van stoffen door micro-organismen, vaak zonder zuurstof: gisting, melkzuurvorming, methaanvorming.
- C/N-verhouding
- De massa koolstof gedeeld door de massa stikstof in organisch materiaal; voor goede compost ongeveer 25 tot 30.
- recombinant DNA
- DNA waarin een stuk van een ander organisme is ingebouwd, bv. het menselijke insulinegen in een plasmide van een bacterie.