Handboek · hoofdstuk 1Afgeleiden: verandering meten
Van de helling tussen twee meetpunten naar de snelheid van verandering op één ogenblik
Een ingenieur wil niet alleen weten hoe warm de kas is, maar hoe snel ze opwarmt; niet alleen hoeveel energie de batterij bevat, maar hoeveel watt eruit stroomt. Dat is de afgeleide: de verandering per eenheid, op één ogenblik. Je bouwt ze op uit een helling tussen twee punten, leidt de rekenregels af in plaats van ze te geloven, en leert ze numeriek berekenen uit een meetreeks met ruis. Aan het eind haalt het brein van het station de opwarmsnelheid van de meetkas uit echte data en voorspelt het wanneer het dakraam open moet.

- Je kan een gemiddelde veranderingssnelheid berekenen als differentiequotiënt, met de juiste eenheid, en ze aflezen als helling van een koorde.
- Je kan de afgeleide definiëren als limiet van een differentiequotiënt, ze interpreteren als helling van de raaklijn en een raaklijn opstellen.
- Je kan de machtsregel en de productregel uit de definitie afleiden en de rekenregels (som, veelvoud, product, quotiënt, ketting) toepassen op veeltermen, machten, exponentiële, logaritmische en goniometrische functies.
- Je kan snelheid, versnelling en schok als eerste, tweede en derde afgeleide van de plaats berekenen en een grafiek van een functie en haar afgeleide aan elkaar koppelen.
- Je kan een functie in een punt lineariseren en daarmee de gevoeligheid van een sensor of een schakeling schatten.
- Je kan een afgeleide numeriek benaderen met een voorwaartse, achterwaartse en centrale differentie, de orde van de fout verklaren en de invloed van afronding en ruis op de keuze van de stap inschatten.
- Je kan in de techniek de afgeleide herkennen en gebruiken: vermogen, stroom, stroom in een condensator, warmtestroom.
- Je kan uit een meetreeks van de meetkas de opwarmsnelheid bepalen en er een onderbouwde voorspelling mee maken.
Twee uitvinders en een bittere ruzie
In 1665 sloot de universiteit van Cambridge haar deuren voor de pest. De 22-jarige student Isaac Newton trok zich terug op de boerderij van zijn familie in Woolsthorpe en werkte er ongeveer anderhalf jaar aan wat hij de methode van de fluxies noemde: rekenen met grootheden die veranderen (fluenten) en met hun veranderingssnelheid (fluxies). Hij vond er raaklijnen, snelheden en oppervlakten mee. Publiceren deed hij het niet: zijn manuscript De analysi uit 1669 ging van hand tot hand en werd pas in 1711 gedrukt.
In 1675-1676 bouwde de Duitse filosoof, wiskundige en diplomaat Gottfried Wilhelm Leibniz in Parijs onafhankelijk hetzelfde gereedschap, met een notatie die we nog altijd gebruiken: voor een heel kleine toename, voor de verhouding van twee zulke toenamen en een uitgerekte S, , voor een som (summa). Dat integraalteken staat al in een manuscript van 29 oktober 1675. Leibniz publiceerde als eerste, in 1684 in het tijdschrift Acta Eruditorum.
Wat volgde, was een van de bitterste prioriteitsruzies uit de wetenschap. Newtons aanhangers beschuldigden Leibniz van plagiaat; toen Leibniz de Royal Society om een oordeel vroeg, stelde die een commissie aan. Het verslag van 1712 gaf Newton volledig gelijk, maar Newton was toen voorzitter van de Royal Society en had het verslag grotendeels zelf geschreven. Historici zijn het er vandaag over eens dat beiden de differentiaal- en integraalrekening onafhankelijk uitvonden: Newton eerst, Leibniz als eerste in druk.
De ruzie had een lang staartje. Britse wiskundigen bleven trouw aan Newtons puntnotatie (), het vasteland rekende met de soepelere notatie van Leibniz. Pas in 1812 richtten drie studenten in Cambridge, onder wie Charles Babbage, de Analytical Society op om de d-notatie ook daar in te voeren. In dit hoofdstuk gebruik je beide: van Leibniz, en voor een afgeleide naar de tijd soms de punt van Newton, .
Het brein van het station meet niet alleen hoe warm het is, maar ook hoe snel het warmer wordt. Een regelaar die die snelheid kent, grijpt in voor een grens bereikt is (de D-actie van hoofdstuk 39); vermogen is de afgeleide van energie, stroom die van lading. Bijna elk model in Expert, van de differentiaalvergelijkingen in hoofdstuk 4 tot de neurale netwerken in hoofdstuk 43, rust op dit hoofdstuk.

Wat je al weet: de helling van een koorde
| wat je al kan (Intermediate) | wat nu komt |
|---|---|
| de richtingscoëfficiënt van een rechte, met eenheid (hoofdstuk 3 en 4) | de helling van een kromme in één punt: de afgeleide |
| snelheid als helling van de (x,t)-grafiek, een raaklijn op het oog (hoofdstuk 7) | de raaklijn berekenen; en als afgeleiden |
| exponentiële modellen, (hoofdstuk 5 en 24) | de afgeleide van ; de stroom uit |
| Python: lijsten, CSV-bestanden, grafieken (hoofdstuk 27 en 28) | afgeleiden uit een meetreeks, met hun fout |
Op de zonnige aprildag uit hoofdstuk 4 van Fundamental steeg de temperatuur in de meetkas van 8,2 °C om 7 uur naar 25,0 °C om 11 uur. Gemiddeld steeg ze dus met
Zo meet je elke verandering in Habitat: het reservoir van de meetkas zakt 1,8 L per dag (L/dag), de batterij van de module verliest op een donkere winteravond 6,5 procentpunt per uur (%/h, of met 3,07 kWh capaciteit ongeveer 200 W), de weerstand van een NTC daalt tussen 20 en 30 °C met gemiddeld −0,450 kΩ per kelvin.
Maar een gemiddelde verbergt veel. Tussen 7 en 8 uur steeg de kas maar 2,8 °C, tussen 9 en 10 uur 5,0 °C. Hoe korter het interval, hoe meer detail je ziet, tot je bij één ogenblik uitkomt. Dat is de vraag van dit hoofdstuk: hoe snel verandert iets nu?
25,0 °C om 11 uur is geen '2,3 °C per uur'. Een veranderingssnelheid is altijd een verhouding van twee verschillen: , nooit . Een kas van 25 °C kan even goed afkoelen als opwarmen.
Van koorde naar raaklijn: de afgeleide
Een voorwerp valt vanuit stilstand: (in m, in s, luchtweerstand verwaarloosd). Hoe snel valt het op ? Neem de koorde van tot en maak steeds kleiner:
| (s) | (m) | helling van de koorde (m/s) |
|---|---|---|
| 1,0 | 44,1450 | 24,525 |
| 0,5 | 30,6563 | 22,073 |
| 0,10 | 21,6311 | 20,111 |
| 0,01 | 19,8167 | 19,6690 |
| 0,001 | 19,6396 | 19,6249 |
De hellingen naderen 19,62 m/s. Algebra laat zien waarom:
Voor elke mag je delen; daarna gaat de term naar nul. De koorden draaien naar één rechte: de raaklijn. Haar helling is de ogenblikkelijke snelheid, 19,62 m/s, precies zoals in hoofdstuk 7 van Intermediate.
De raaklijn in heeft vergelijking . Niet elke functie heeft overal een raaklijn: in een knik (de snelheid van het kasdak in hoofdstuk 7 van Intermediate op ) verschillen de hellingen links en rechts, bij een sprong (een lamp die aanspringt: het vermogen) bestaat de limiet niet.
Uit de definitie: de valsnelheid op elk ogenblik
Bereken met de definitie de afgeleide van in een willekeurig tijdstip , en die van . Controleer het eerste resultaat met de tabel van het vorige blad.
- (m),
- en
- 1Differentiequotiënt van : .
- 2Limiet : (m/s). Op : , zoals de tabel. De afgeleide van de plaats is een nieuwe functie: de snelheid .
- 3Voor : , dus .
- 4Limiet: . De termen met verdwijnen; alleen de term die lineair was in blijft over.
Machten, sommen en veelvouden
Het patroon uit het voorbeeld geldt voor elke natuurlijke macht. Met het binomium van Newton is
Trek af en deel door : er blijft plus termen die allemaal nog minstens één factor bevatten. In de limiet vallen die weg:
Twee eigenschappen volgen meteen uit de definitie, omdat een limiet van een som de som van de limieten is:
Daarmee leid je elke veelterm af: . Een fysisch voorbeeld: de doorbuiging van een balk, het volume van een bol met , precies de oppervlakte van de bol: een dun laagje verf van dikte heeft volume .
Hoe gevoelig is de stroom voor de weerstand?
De ledstrip van de meetkas trekt met en . Leid de afgeleide van af uit de definitie, controleer ze met de machtsregel, en bereken hoeveel de stroom verandert per ohm extra weerstand (bv. door een warme verbinding).
- , ,
- bij
- 1Differentiequotiënt: .
- 2Limiet: . Machtsregel met : . Klopt.
- 3Dus : per ohm.
- 4Eenheid: A/Ω. Het minteken zegt: meer weerstand, minder stroom. Relatief: , 1 % meer weerstand geeft 1 % minder stroom.
De afgeleide als functie, en de tweede afgeleide
Bereken je de afgeleide in elk punt, dan krijg je een nieuwe functie . Onder de temperatuur van de meetkas (een glad model door de uurwaarden van de aprildag) staat haar afgeleide, de opwarmsnelheid in °C/h. Lees ze samen:
- Waar stijgt, is ; waar daalt, is .
- Op het warmste moment (13:55, 32,0 °C) is de raaklijn horizontaal: . Dat is het werkpaard van hoofdstuk 2: extrema zoek je waar de afgeleide nul is.
- De kas warmt het snelst op om 9:27: 5,0 °C/h, bij amper 18 °C. Daar is maximaal en gaat de grafiek van over van hol naar bol: een buigpunt.
De afgeleide van is de tweede afgeleide (of ). Ze meet hoe de helling verandert: is hol (de helling neemt toe, de grafiek buigt naar boven), is bol. Eenheid: °C/h² bij de kas, m/s² bij een plaatsfunctie. In een buigpunt is en extreem.
Om 13:55 is de kas het warmst, maar ze warmt dan niet meer op. De grootste opwarmsnelheid valt vier uur eerder, bij een kas die nog koel aanvoelt. Waarde en verandering zijn twee verschillende vragen: een regelaar die alleen naar de waarde kijkt, is altijd te laat.
Product, quotiënt en ketting
Productregel. Stel dat en allebei veranderen, bv. spanning en stroom in . Denk aan als de oppervlakte van een rechthoek. Groeien de zijden met en , dan komt er bij. Deel door en laat : het hoekje gaat naar nul (het is maal iets eindigs).
Quotiëntregel. Schrijf als en leid af met de productregel: , dus . Vul in:
Kettingregel. Bij een samengestelde functie verandert eerst , en verandert dan . De verhoudingen vermenigvuldigen, zoals overbrengingen: draait tandwiel B 3 keer zo snel als A en C 2 keer zo snel als B, dan draait C 6 keer zo snel als A. Met Leibniz lijkt het of je gewoon breuken vereenvoudigt:
Rekenregels combineren
Leid af: (a) , het vermogen in een belasting aan een bron van 12 V met 0,5 Ω inwendige weerstand (hoofdstuk 2 zoekt het maximum); (b) ; (c) met .
- product-, quotiënt- en kettingregel
- machtsregel voor reële exponenten
- , ,
- 1(a) Quotiëntregel met en , (ketting): .
- 2Deel teller en noemer door : (W/Ω). Positief voor , negatief erboven: het vermogen is maximaal bij .
- 3(b) Kettingregel met : .
- 4(c) Eerst naar : ; dan . Samen: (m/s).
Exponentiële functies, logaritmen en sinussen
Exponentieel. Voor is : de afgeleide is de functie zelf maal een getal dat alleen van afhangt. De tabel toont dat getal:
| 0,1000 | 0,7177 | 1,0517 | 1,1612 |
| 0,0100 | 0,6956 | 1,0050 | 1,1047 |
| 0,0010 | 0,6934 | 1,0005 | 1,0992 |
| 0,0001 | 0,6932 | 1,0001 | 1,0987 |
| limiet |
Het getal is precies het grondtal waarvoor die factor 1 is. Daarom is : in elk punt is de helling even groot als de hoogte. Met de kettingregel volgt , de wiskunde achter elke afkoeling en elke RC-kring (hoofdstuk 5 en 24 van Intermediate): hoe verder van het evenwicht, hoe sneller het gaat.
Logaritme. Als , dan is , dus en omgekeerd . Zo volgt ook de machtsregel voor elke reële : geeft .
Sinus en cosinus. Met de somformule en de limieten en (voor in radialen) vind je en . De figuur toont het numeriek: de helling van in twaalf punten ligt telkens op de cosinus. In graden klopt het niet: , een kettingregel.
De gevoeligheid van een NTC-sensor
De NTC in het reservoir van de module (hoofdstuk 22 van Intermediate) volgt met , , in kelvin. Ze staat boven in een deler met 10 kΩ naar de massa op 5 V: ( in kΩ). Hoeveel mV verandert per kelvin bij 25 °C, en hoeveel ADC-stappen is dat?
- , ,
- ADC: 10 bit op 5 V, stap
- en bij 25 °C
- 1Kettingregel met binnenfunctie , waarvan de afgeleide is: .
- 2Bij 25 °C: , of .
- 3Deler: bij .
- 4Nog een kettingregel: .
- 5In ADC-stappen: stappen per kelvin: één stap is .
Snelheid, versnelling en schok
Voor een beweging langs een rechte is de snelheid de afgeleide van de plaats en de versnelling die van de snelheid:
In hoofdstuk 7 van Intermediate reed het schuifpaneel van de kasmodule met een trapeziumprofiel: 1 s versnellen met 0,10 m/s², 5 s aan 0,10 m/s, 1 s remmen, samen 0,60 m in 7,0 s. De versnelling springt daar van 0 naar 0,10 m/s² en terug: de schok is op die ogenblikken oneindig groot, en dat hoor je als een tik in riem en geleiding. Liften, cnc-machines en robotarmen gebruiken daarom gladde profielen, bv. de vijfdegraadsveelterm
die in en plaats, snelheid én versnelling juist goed zet ( of , , ). Afleiden met de kettingregel ():
De figuur toont beide profielen voor en . Het gladde profiel heeft een hogere topsnelheid nodig (0,161 in plaats van 0,100 m/s), maar een kleinere, continue versnelling (0,071 in plaats van 0,100 m/s²). De helling van elke grafiek is de hoogte van de grafiek eronder.
Het kasdak zacht laten vertrekken
Het schuifpaneel (10 kg, slag 0,60 m) moet in 7,0 s open met het vijfdegraadsprofiel. Bereken de topsnelheid, de grootste versnelling en het tijdstip waarop die optreedt, de extra kracht die de motor daarvoor levert, en de schok bij de start.
- , ,
- ,
- , en wanneer, ,
- 1is maximaal waar binnen het interval: , dus (). .
- 2is maximaal waar : , dus ().
- 3Invullen: .
- 4Kracht om te versnellen: , bovenop wrijving en zwaartekracht langs het dak (hoofdstuk 8 van Intermediate: tientallen newton). Klein, maar zonder sprong.
- 5Schok: , in : . Eindig, terwijl het trapeziumprofiel een sprong van 0,10 m/s² in nul seconden maakt.
De raaklijn als benadering
Dicht bij een punt valt een gladde grafiek bijna samen met haar raaklijn. Dat is de nuttigste formule van dit hoofdstuk:
Voorbeeld: de ledstrip (weerstandsmodel 30 Ω) neemt bij 12 V . Zakt de batterij naar 11,5 V, dan is met
terwijl exact . Handiger nog is de relatieve vorm: uit volgt . Een spanning die 4,2 % lager is, geeft 8,3 % minder vermogen. Zo reken je in hoofdstuk 6 met meetonzekerheden: een macht vermenigvuldigt de relatieve fout met .
Een ledstrip is geen gewone weerstand: per segment staan drie leds (samen ongeveer 9 V) in serie met 150 Ω (hoofdstuk 19 van Fundamental). Dan is en bij 12 V: dezelfde spanningsdaling kost ongeveer vier keer zoveel stroom. De afgeleide is zo goed als het model waarvan je ze neemt.
Afgeleiden en rekenregels
Alle regels volgen uit de definitie. Controleer een resultaat altijd numeriek (een centrale differentie) en op eenheden.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| afgeleide in a | eenheid van f per eenheid van x | |
| toename van x | eenheid van x |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| stap | eenheid van x |
| opmerking | ||
|---|---|---|
| (constante) | een constante verandert niet | |
| voor elke reële , bv. en | ||
| de enige functie (op een factor na) die haar eigen afgeleide is | ||
| want | ||
| voor | ||
| in radialen | ||
| in radialen | ||
| , | , | kettingregel met een lineaire binnenfunctie |
| methode | fout (afbreken) | stap h halveren | beste h (float, ) |
|---|---|---|---|
| voorwaarts of achterwaarts | fout / 2 | ||
| centraal | fout / 4 | ||
| uit meetdata met ruis | (centraal) | ruis × 2 | volgt uit ruis en kromming |
: de relatieve afrondingsfout van een float.
Numeriek differentiëren: drie differenties
Een computer kent geen limieten. Hij neemt een kleine, eindige stap en rekent een helling uit. Welke koorde je neemt, maakt veel uit. De reeks van Taylor (een raaklijn met correcties, zie de naslag) zegt
Houd je alleen het plusteken, dan is de voorwaartse differentie : de fout is evenredig met (eerste orde). Trek je de twee versies van elkaar af, dan vallen de termen met weg:
De centrale differentie is van tweede orde: halveer en de fout wordt vier keer kleiner. In de figuur, met de uurwaarden van de kas rond 11 uur (): voorwaarts °C/h, achterwaarts °C/h, centraal °C/h. De helling van het model is 4,03 °C/h: de centrale koorde ligt bijna evenwijdig met de raaklijn.
Waarom zou je dan ooit voorwaarts rekenen? Omdat je in een regelaar de toekomst niet kent: op het laatste meetpunt kan alleen de achterwaartse differentie. De D-actie van hoofdstuk 39 doet precies dat.
Hoe klein mag h zijn?
Kleiner is beter, zegt de afbreekfout. Maar een computer rekent met ongeveer 16 beduidende cijfers. Is heel klein, dan liggen en zo dicht bij elkaar dat hun verschil vooral uit afrondingsruis bestaat, en die deel je dan nog eens door een heel kleine . Probeer het met in , waarvan de afgeleide exact is:
# stapgrootte.py - de fout van een voorwaartse en een centrale differentieimport math f = math.exp # testfunctie f(x) = e^x: haar afgeleide is e^x zelfx = 1.0exact = math.exp(x) print(" h voorwaarts centraal")for k in range(1, 14): h = 10.0 ** -k voorw = (f(x + h) - f(x)) / h centr = (f(x + h) - f(x - h)) / (2 * h) print("1e-%02d %9.1e %9.1e" % (k, abs(voorw - exact), abs(centr - exact)))Uitvoer:
h voorwaarts centraal 1e-01 1.4e-01 4.5e-03 1e-02 1.4e-02 4.5e-05 1e-03 1.4e-03 4.5e-07 1e-04 1.4e-04 4.5e-09 1e-05 1.4e-05 5.9e-11 1e-06 1.4e-06 1.6e-10 1e-07 1.4e-07 5.9e-11 1e-08 6.6e-09 6.6e-09 1e-09 2.2e-07 6.6e-09 1e-10 1.5e-06 6.7e-07 1e-11 3.3e-05 1.0e-05 1e-12 4.3e-04 2.1e-04 1e-13 4.6e-04 4.6e-04
Zolang de afbreekfout domineert, daalt de centrale fout met een factor 100 per factor 10 in (tweede orde) en de voorwaartse met een factor 10 (eerste orde). De centrale fout is het kleinst rond , de voorwaartse rond ; bij nog kleinere stijgen beide weer. Een model voor de totale fout van de voorwaartse differentie is
De eerste term daalt met , de tweede stijgt: het minimum ligt waar ze ongeveer even groot zijn, bij . Voor de centrale differentie geeft hetzelfde redeneren . De log-loggrafiek (uit dezelfde formules, met vier punten per decade) toont het V-patroon: rechts de rechte van de afbreekfout (helling 1 of 2), links de ruwe rand van de afronding (helling −1).
Neem voor een centrale differentie van een functie die je zelf kan uitrekenen tot maal de grootte van . Beter nog: gebruik een exacte afgeleide (met de hand of automatisch, zoals neurale netwerken dat doen in hoofdstuk 43).
Afgeleiden uit meetdata: ruis tegenover stapgrootte
Een meetreeks heeft geen afrondingsfout van maar ruis van een tiende graad. Stel dat elke meting een toevallige fout met standaardafwijking heeft. De centrale differentie deelt het verschil van twee metingen door ; de fout op dat verschil is (hoofdstuk 6), dus
Voor de voorbeeldreeks van de meetkas (elke 5 minuten, ruis °C en afgerond op 0,1 °C, samen °C) geeft al : de opwarmsnelheid springt alle kanten op. Omdat we de reeks zelf uit een glad model gemaakt hebben, kennen we hier de echte opwarmsnelheid en kunnen we de fout meten:
| stap | 5 min | 10 min | 15 min | 20 min | 30 min | 45 min | 60 min | 90 min | 120 min |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| rms-fout (°C/h) | 0,71 | 0,38 | 0,25 | 0,19 | 0,15 | 0,12 | 0,15 | 0,30 | 0,52 |
De fout daalt eerst (minder ruis), bereikt een minimum rond minuten en stijgt dan weer (de centrale koorde vlakt de piek af). Met echte metingen ken je het model niet, maar het patroon blijft: kies zo dat de ruis klein wordt tegenover het signaal, en niet groter dan de tijd waarop het signaal zelf verandert.
Dat geldt voor een formule, niet voor meetdata. Wie de afgeleide neemt tussen twee opeenvolgende metingen, meet vooral ruis. Andere remedies dan een grotere stap: eerst gladmaken (een voortschrijdend gemiddelde, hoofdstuk 21), of een rechte fitten door een venster van metingen en haar helling nemen (kleinste kwadraten, hoofdstuk 41).
De opwarmsnelheid van de meetkas lezen
De voorbeeldreeks (boven) is gemaakt uit het gladde model van de aprildag, met ruis van ongeveer 0,1 °C en afgerond op 0,1 °C, zoals een logger die elke 5 minuten een gemiddelde wegschrijft. Onder: de opwarmsnelheid met een centrale differentie met en minuten, en die van het model.
- 1Koude ochtend
Tot ongeveer 7 uur staat de temperatuur bijna stil rond 8 °C: de afgeleide is ongeveer nul. De zon staat nog te laag.
- 2Steilste stijging
Om 9:27 warmt het model het snelst op: 5,0 °C/h. De verticale lijn loopt door beide grafieken: hier is T′ maximaal en heeft T een buigpunt.
- 3Ruis, geen opwarming
Met h = 5 min piekt de afgeleide tot 7,2 °C/h om 10:00. Dat is ruis: een verschil van 0,1 °C over 10 minuten is al 0,6 °C/h.
- 4Glad, maar afgevlakt
Met h = 30 min volgt de schatting het model op enkele tienden: grootste waarde 5,3 °C/h om 9:20, tegenover 5,0 °C/h in het model.
- 528 °C
Om 11:55 meet de logger voor het eerst 28 °C: hier moet het dakraam open (hoofdstuk 25 van Fundamental).
- 6Bijna aan de top
Tegen 14:00 zakt de opwarmsnelheid naar nul: het maximum van 32,0 °C valt om 13:55.
Habitat: de opwarmsnelheid berekenen op de Pi
De centrale computer van het station (een Raspberry Pi met Python) krijgt de metingen van de meetkas als CSV-bestand, in het formaat van hoofdstuk 28 van Intermediate. De eerste regels:
tijdstip,temperatuur_C 06:00,7.6 06:05,7.7 06:10,7.6 06:15,7.8 ...
Het programma leest de reeks, berekent centrale differenties over meetstappen aan elke kant en maakt met de raaklijn een voorspelling. De tijd staat in uren, zodat de afgeleide meteen in °C/h uitkomt.
# opwarmsnelheid.py - hoe snel warmt de meetkas op? Centrale differenties op een meetreeks.import csv tijden, temps = [], [] # tijd in uren, temperatuur in graden Celsiuswith open("meetkas_aprildag.csv", newline="") as f: for rij in csv.DictReader(f): uur, minuut = rij["tijdstip"].split(":") tijden.append(int(uur) + int(minuut) / 60) temps.append(float(rij["temperatuur_C"])) def klok(t): m = round(t * 60) return "%d:%02d" % (m // 60, m % 60) def afgeleide(t, y, k): """Centrale differentie over k meetstappen aan elke kant: (y[i+k] - y[i-k]) / (t[i+k] - t[i-k]).""" return [(t[i], (y[i + k] - y[i - k]) / (t[i + k] - t[i - k])) for i in range(k, len(y) - k)] for k in (1, 3, 6, 9): d = afgeleide(tijden, temps, k) t_max, v_max = max(d, key=lambda p: p[1]) print("h = %2d min: grootste opwarmsnelheid %.1f °C/h om %s" % (5 * k, v_max, klok(t_max))) # voorspelling om 11:00 met de raaklijn (h = 15 min): wanneer is het 28 °C?nu = tijden.index(11.0)snelheid = dict(afgeleide(tijden, temps, 3))[11.0]t_28 = 11.0 + (28.0 - temps[nu]) / snelheidecht = next(t for t, T in zip(tijden, temps) if T >= 28.0)print("om 11:00: %.1f °C en %.1f °C/h -> 28 °C om ongeveer %s (gemeten: %s)" % (temps[nu], snelheid, klok(t_28), klok(echt)))Uitvoer:
h = 5 min: grootste opwarmsnelheid 7.2 °C/h om 10:00 h = 15 min: grootste opwarmsnelheid 5.6 °C/h om 9:45 h = 30 min: grootste opwarmsnelheid 5.3 °C/h om 9:20 h = 45 min: grootste opwarmsnelheid 5.1 °C/h om 9:15 om 11:00: 24.9 °C en 3.8 °C/h -> 28 °C om ongeveer 11:49 (gemeten: 11:55)
Dezelfde meetreeks geeft een grootste opwarmsnelheid van 7,2 tot 5,1 °C/h, naargelang de stap. Het echte model zegt 5,0 °C/h om 9:27. Een stap van 30 tot 45 minuten zit er het dichtst bij; bij 5 minuten meet je ruis. Let op het detail t[i + k] - t[i - k]: het programma deelt door het echte tijdsverschil, zodat het ook werkt als er een meting ontbreekt of de logger niet precies om de 5 minuten schrijft.
numpy.gradient(temps, tijden) geeft centrale differenties met (en aan de randen een eenzijdige). Handig, maar met ruisende data wil je net een grotere kunnen kiezen.
Wanneer moet het dakraam open?
Het dakraam van de meetkas opent bij 28 °C (hoofdstuk 25 van Fundamental). De duwstang heeft ongeveer 8 s nodig, maar de kas koelt pas echt af als het raam al een tijd open staat. Het brein van het station wil daarom een kwartier vooruit kijken. Om 11:00 meet de logger 24,9 °C. Voorspel met de raaklijn wanneer 28 °C bereikt wordt, en beoordeel de voorspelling.
- centrale differentie met : ; met :
- het tijdstip volgens de raaklijn
- hoe betrouwbaar dat is
- 1Raaklijn: . Zet : , dus om 11:49.
- 2Met : , om 11:46.
- 3Werkelijkheid in de meetreeks: voor het eerst 28 °C om 11:55. De raaklijn voorspelt iets te vroeg, omdat de opwarmsnelheid rond 11 uur al daalt (): de grafiek is bol en ligt onder haar raaklijn.
- 4Beslissing: 'open als de voorspelde temperatuur over 15 minuten 28 °C haalt'. Om 11:00 geeft dat °C: nog niet. Rekent het brein dat elke 5 minuten opnieuw, dan gaat het raam open om 11:35 (voorspeld °C), 20 minuten voor de kas 28 °C meet.
De afgeleide in de techniek
Veel grootheden in de techniek zijn afgeleiden. Telkens meet de ene grootheid hoe snel de andere verandert, en de eenheid volgt vanzelf:
| grootheid | is de afgeleide van | formule | eenheid |
|---|---|---|---|
| snelheid | plaats | m/s | |
| versnelling | snelheid | m/s² | |
| vermogen | energie (of arbeid) | J/s = W | |
| stroomsterkte | lading | C/s = A | |
| stroom in een condensator | spanning (maal ) | A | |
| spanning over een spoel | stroom (maal ) | V | |
| warmtestroom in een massa | temperatuur (maal ) | W | |
| debiet | volume | m³/s, L/min | |
| kracht | impuls | N | |
| gevoeligheid van een sensor | uitgang naar ingang | V/K |
Een paar gevolgen die je in Habitat terugziet. De energiemeter van de module telt wattuur; het vermogen op een ogenblik is de helling van die telling. De stroom door een condensator is nul als de spanning constant is, en groot als ze snel verandert: daarom laat een condensator gelijkstroom tegen en wisselstroom door (hoofdstuk 20). Een spoel doet het omgekeerde: een stroom die plots onderbroken wordt, geeft een enorme , de reden voor de vrijloopdiode over de pomp (hoofdstuk 23 van Intermediate). En de warmtestroom in het station is : meet je hoe snel het afkoelt, dan weet je hoeveel warmte er weglekt.

Het warmteverlies van het station uit een afkoelcurve
Op een koude nacht (buiten −8 °C) valt de stroom uit. Het station stond op 20 °C. Het warmtemodel (hoofdstuk 39) zegt met en warmtecapaciteit . Bereken de afkoelsnelheid op het moment van de uitval en het warmteverlies dat daaruit volgt. Wat meet de logger na 10 minuten, en wat zou je met die meting besluiten?
- ( in h, in °C)
- de schatting uit twee metingen
- 1Kettingregel: , dus .
- 2Omrekenen: . Warmtestroom: .
- 3Controle met het dossier: 50 W per graad verschil maal 28 °C is ook 1400 W. De afgeleide van de temperatuur is het warmteverlies, gedeeld door .
- 4Na 10 minuten meet de logger °C. De voorwaartse differentie is , dus : 4 % te laag, omdat de curve al afbuigt (en de meting afgerond is).
Stroom in een condensator
Een condensator van 1,0 µF laadt via 10 kΩ op tot 5,0 V, zoals in een ontdenderfilter (hoofdstuk 24 van Intermediate): met . Bereken de stroom en controleer met de wet van Ohm. Bereken daarna hoe snel de spanning van de supercondensator (1 F) op de 5 V-rail zakt als hij 0,16 A levert.
- , ,
- supercondensator ,
- ,
- van de supercondensator en de tijd van 5,0 tot 4,5 V
- 1.
- 2Kettingregel: .
- 3; .
- 4Ohm: over de weerstand staat , dus . Dezelfde formule langs twee wegen.
- 5Supercondensator: , constant zolang de stroom constant is. Van 5,0 naar 4,5 V: , zoals in hoofdstuk 24 van Intermediate.
Waar afgeleiden vandaan komen en waar ze heen gaan
De afgeleide is de taal van verandering: ze verbindt de wiskunde (W) met beweging (K), energie en vermogen (E), elektronica (L), regelen (R) en data (A). Wie een model opstelt, schrijft bijna altijd op hoe snel iets verandert; wie meet, wil vaak weten hoe snel iets verandert. Het omgekeerde, uit een snelheid opbouwen hoeveel er is, is integreren: hoofdstuk 3.
Steilheid van een (s,t)-grafiek is snelheid: het eerste idee van een afgeleide.
De richtingscoëfficiënt met eenheid: de helling van een rechte, hier van een kromme.
Raaklijnen op het oog en het trapeziumprofiel van het kasdak; hier exact.
i = C · du/dt en de laadcurve; hier afgeleid met de kettingregel.
CSV-bestanden inlezen en verwerken in Python: de basis van de Habitat-code.
Waar de afgeleide nul is, ligt een extremum: het beste ontwerp.
Het omgekeerde van afleiden: uit vermogen energie, uit snelheid verplaatsing.
Modellen die zeggen hoe snel iets verandert: dy/dt = f(y, t).
Lineariseren is de basis van foutenpropagatie.
Differenties, afrondingsfouten en stabiliteit, verder uitgewerkt.
De D-actie is een achterwaartse differentie op een meting met ruis.
Leren is afleiden: de gradiënt van een fout naar duizenden parameters.
In het kort
- De gemiddelde verandering op is het differentiequotiënt : de helling van een koorde, met als eenheid die van per eenheid van .
- De afgeleide is de ogenblikkelijke veranderingssnelheid: de helling van de raaklijn .
- Rekenregels: , afleiden is lineair, , , ; , , .
- Snelheid, versnelling en schok zijn de eerste, tweede en derde afgeleide van de plaats; een extremum van valt waar , een buigpunt waar extreem is.
- Lineariseren: ; een afgeleide is een gevoeligheid.
- Numeriek: voorwaartse differentie fout , centrale ; bij heel kleine wint de afrondingsfout, bij meetdata de ruis (): kies de stap bewust.
- In de techniek: , , , .
Wat je nu kent
- differentiequotiënt
- De gemiddelde verandering over een interval: de helling van de koorde tussen twee punten van een grafiek.
- afgeleide
- De ogenblikkelijke veranderingssnelheid : de helling van de raaklijn in . Eenheid: eenheid van per eenheid van .
- raaklijn
- De rechte door een punt van een grafiek met als helling de afgeleide in dat punt: de beste lineaire benadering van de functie daar.
- tweede afgeleide
- De afgeleide van de afgeleide; zegt hoe de helling verandert (bolling). Bij een plaatsfunctie is ze de versnelling.
- buigpunt
- Punt waar de bolling van een grafiek omslaat; daar is de eerste afgeleide extreem en de tweede afgeleide nul.
- kettingregel
- De afgeleide van een samengestelde functie: .
- schok (jerk)
- De afgeleide van de versnelling (m/s³). Een sprong in de versnelling geeft een oneindige schok: een tik in de mechaniek.
- lineariseren
- Een functie in de buurt van een punt vervangen door haar raaklijn: .
- centrale differentie
- De numerieke benadering van , met een fout van orde .
- afbreekfout
- De fout van een numerieke formule omdat de stap h niet nul is; ze wordt kleiner met h.
- afrondingsfout
- De fout doordat een computer met een eindig aantal cijfers rekent (ongeveer 16 bij float); ze wordt groter bij een heel kleine stap.