Handboek · hoofdstuk 7Sinusoïden, complexe getallen en fasoren
Een sinus is een draaiende wijzer; met complexe getallen reken je ermee zoals met gewone getallen
Het stopcontact, een toon, een trillende ventilator, de stroom door een pomp: allemaal sinusoïden. Wie ze wil optellen, afleiden of door een schakeling sturen, verdrinkt snel in goniometrische formules. Er is een elegantere weg: zie een sinus als de schaduw van een draaiende wijzer, en schrijf die wijzer als een complex getal. Dan wordt optellen vectoren optellen en afleiden vermenigvuldigen met jω. Je bouwt de complexe getallen op, bewijst de formule van Euler, rekent met fasoren in Python en maakt de brug naar wisselstroom en trillingen. Aan het eind weet je wat de netomvormer van het station moet maken, en reken je de stroom uit die hij levert.

- Je kan van een sinusoïdaal signaal amplitude, periode, frequentie, hoekfrequentie en fase bepalen, ook uit een oscilloscoopbeeld, en een tijdverschil omrekenen naar een faseverschil.
- Je kan een sinus en een cosinus uitleggen als projecties van een draaiende wijzer, en afleiden als een draaiing over 90° met een factor ω.
- Je kan twee sinusoïden van dezelfde frequentie optellen als vectoren en de amplitude en fase van de som berekenen.
- Je kan rekenen met complexe getallen in de vorm a + bj en in poolvorm (optellen, vermenigvuldigen, delen, toegevoegde, modulus, argument met het juiste kwadrant).
- Je kan de formule van Euler afleiden en gebruiken, en complexe getallen in Python (cmath, numpy) inzetten.
- Je kan sinusoïden als fasoren voorstellen en er sommen en afgeleiden mee berekenen, en een fasor uit bemonsterde metingen halen.
- Je kan zwevingen en aliasing verklaren met wijzers die met verschillende snelheden draaien.
- Je kan de impedantie van R, L en C als complex getal afleiden en gebruiken voor een eenvoudige kring, en een gedwongen trilling met een fasor oplossen.
- Je kan voor de netomvormer van het station amplitude, frequentie en fase vastleggen en de stroom bij een gemengde belasting met fasoren berekenen.
Onmogelijke getallen die het net doen draaien
In 1545 publiceerde de Italiaanse arts en wiskundige Gerolamo Cardano in zijn Ars Magna een formule voor derdegraadsvergelijkingen. Bij sommige vergelijkingen kwam er een wortel uit een negatief getal in voor, en Cardano wist er geen raad mee: zulke getallen noemde hij spitsvondig en nutteloos. Zijn landgenoot Rafael Bombelli durfde in 1572 gewoon verder te rekenen. Voor gaf de formule , terwijl duidelijk een oplossing is. Bombelli merkte dat : de twee derdemachtswortels zijn en , en hun som is precies 4. Het 'onmogelijke' deel viel weg, en er kwam een echt antwoord uit.
Descartes noemde ze in 1637 smalend 'denkbeeldig' (imaginair), en die naam bleef. Leonhard Euler rekende er vrij mee en vond in 1748 het verband . Rond 1800 toonden de Noors-Deense landmeter Caspar Wessel en de Zwitserse amateurwiskundige Jean-Robert Argand, los van elkaar, dat je zo'n getal kan tekenen als een punt in een vlak, en Gauss maakte de voorstelling vanaf 1831 bekend onder de naam 'complexe getallen'.
De doorbraak in de techniek kwam in 1893. Op een internationaal elektrotechnisch congres in Chicago toonde de ingenieur Charles Proteus Steinmetz hoe je wisselstroomkringen oplost door elke sinusoïde als een complex getal te schrijven. Wat eerder pagina's differentiaalvergelijkingen vroeg, werd rekenen zoals met de wet van Ohm. Datzelfde jaar werd de wereldtentoonstelling in Chicago met wisselstroom verlicht: de 'stroomoorlog' tussen gelijkstroom en wisselstroom was zo goed als beslecht. Steinmetz' methode maakte het ontwerpen van wisselstroomnetten, transformatoren en motoren voor gewone ingenieurs haalbaar. Elektrotechnici schrijven de imaginaire eenheid als , omdat al bezet is door de stroom; wiskundigen en natuurkundigen schrijven . Python volgt de ingenieurs: 3 + 4j.
Het station krijgt een netomvormer die van 48 V gelijkspanning 230 V wisselspanning maakt, en op het proefterrein kan het zelfs stroom aan het net leveren. Hoeveel stroom de omvormer levert bij een pomp en een verwarming samen, en waarom hij exact in de pas moet lopen met het net, reken je met fasoren uit. Dezelfde wiskunde draagt de trillingen (hoofdstuk 11), de wisselstroom (20), de filters (21) en de vermogenselektronica (24).

Wat je al weet, en de vraag van dit hoofdstuk
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| sinus, cosinus en tangens in een rechthoekige driehoek; vectoren optellen en ontbinden (hoofdstuk 6 van I) | sinus en cosinus als projecties van een draaiende vector; sinussen optellen als vectoren |
| bemonsteren, bemonsteringsfrequentie, PWM (hoofdstuk 25 van I) | bemonsteren als een wijzer in stapjes; zwevingen en aliasing |
| ; bij een wisselspanning (hoofdstuk 1) | afleiden = de wijzer 90° draaien en met rekken: vermenigvuldigen met |
| effectieve waarde (hoofdstuk 3); de RC-kring als differentiaalvergelijking (hoofdstuk 4) | de RC-kring bij een sinus zonder differentiaalvergelijking, met impedanties |
| rotatiematrix, vectoren in het vlak (hoofdstuk 5) | complexe getallen: één getal voor een vector, vermenigvuldigen = draaien |
Tot nu toe kwamen sinussen losse keren voor: de helling van (hoofdstuk 1), de effectieve waarde (hoofdstuk 3), een condensator aan het net (opdracht 1.13). In de techniek zijn ze overal, omdat elke draaiende machine ze maakt en omdat elk periodiek signaal een som van sinussen is (hoofdstuk 21). Dit hoofdstuk geeft je het gereedschap om er vlot mee te rekenen: de draaiende wijzer, de complexe getallen, en hun combinatie, de fasor.
De Habitat-vraag: het station krijgt een 48 V-net met een omvormer naar 230 V (de basisfiche). Wat moet die omvormer precies maken, en welke stroom levert hij als de noodverwarming en de drukpomp van het drinkwater tegelijk draaien? De tweede vraag lijkt een optelling, maar een pomp neemt haar stroom 'te laat': stromen van verschillende toestellen tel je als wijzers op, niet als getallen.
Alles wat in dit hoofdstuk over het net gaat, reken je uit; je meet het niet zelf. Een oscilloscoop of een Arduino rechtstreeks aan het net is levensgevaarlijk (hoofdstuk 5 en 19 van F). Metingen aan 230 V doet een bevoegd elektricien met geïsoleerde tastkoppen. Oefen met een functiegenerator of een transformator met een lage spanning.
De sinusoïde: amplitude, periode, frequentie en fase
Een sinusoïde is elk signaal van de vorm
We nemen de cosinus als referentie, zoals de elektrotechniek; een sinus is dan gewoon een cosinus met een fase van : . De fase verschuift het signaal in de tijd. De piek van valt waar , dus op . In de figuur heeft de netspanning : ze bereikt haar piek later dan de referentie. Een negatieve fase betekent later (naijlen), een positieve eerder (voorijlen).
Echte signalen in en rond het station:
| signaal | amplitude | |||
|---|---|---|---|---|
| netspanning | 325 V (230 V effectief) | 50 Hz | 20 ms | 314,2 rad/s |
| stemtoon A (geluidsdruk) | 0,1 Pa (ongeveer 71 dB) | 440 Hz | 2,273 ms | 2765 rad/s |
| ventilator WTW-unit (1500 tpm), versnelling | 0,5 m/s² | 25 Hz | 40 ms | 157,1 rad/s |
| buitentemperatuur over een dag (ruwweg) | enkele °C | 1 per dag | 24 h | 7,27·10⁻⁵ rad/s |
Waarom zijn sinusoïden zo gewoon? Elke eenparige draaiing (een generator, een ventilator, de aarde) maakt ze, en elke trilling van een massa aan een veer ook (hoofdstuk 11). En een sinusoïde blijft een sinusoïde als je ze afleidt, integreert, vertraagt of optelt met een andere van dezelfde frequentie. Dat maakt ze tot de natuurlijke bouwstenen van signalen.
Een oscilloscoopbeeld lezen
Een elektricien meet met een differentiaaltastkop en een stroomtang de spanning en de stroom van de drukpomp van het drinkwater. Het beeld staat hieronder (2 ms per hokje). Bepaal frequentie, amplitudes, effectieve waarden en het faseverschil. Welk signaal ijlt voor?
- het oscilloscoopbeeld: spanning (links, V) en stroom (rechts, A)
- , , , ,
- en
- 1Periode: de spanning heeft pieken op 0, 20 en 40 ms, dus en .
- 2Amplitudes: en . Effectief: en (hoofdstuk 3).
- 3De stroompiek valt (één hokje) na de spanningspiek. .
- 4De stroom komt later: hij ijlt na op de spanning. Met de spanning als referentie: en .
De sinus als schaduw van een draaiende wijzer
Laat een pijl (een wijzer) met lengte eenparig rond de oorsprong draaien, tegen de klok in, met hoeksnelheid . Op tijdstip maakt hij een hoek met de horizontale as. Zijn horizontale projectie is , zijn verticale (hoofdstuk 6 van I: de componenten van een vector). Teken je de verticale projectie uit naar rechts tegen de tijd, dan krijg je een sinus; de horizontale naar onder, een cosinus. Eén omwenteling is één periode: daarom is in radialen per seconde.
Het beeld maakt drie dingen vanzelfsprekend. De amplitude is de lengte van de wijzer. De fase is de hoek waarmee hij op vertrekt. En een faseverschil tussen twee sinusoïden van dezelfde frequentie is de hoek tussen hun wijzers; die blijft constant, want ze draaien samen rond.
Ook afleiden wordt een beeld. Uit hoofdstuk 1:
De afgeleide is een wijzer die keer zo lang is en een kwartslag (90°) voorligt. Twee keer afleiden geeft en 180°: precies tegengesteld. Integreren draait 90° terug en deelt door .
moet in radialen staan als je afleidt ( geldt alleen in radialen, hoofdstuk 1). Fasen mag je in graden noteren, zolang je bij het rekenen omzet: . In Python: math.radians en math.degrees.
Hoe ver trilt de ventilator?
Een versnellingsmeter op de behuizing van de ventilatie-unit met warmteterugwinning meet een sinusoïdale trilling van 25 Hz (de ventilator draait 1500 toeren per minuut) met een amplitude van 0,5 m/s². Hoe groot zijn de snelheid en de uitwijking, en hoe liggen ze in fase tegenover de versnelling?
- ,
- en , met hun fase
- 1(1500 tpm omwentelingen per seconde).
- 2Integreren deelt door en draait terug: , en .
- 3Nog eens: , en : de uitwijking is precies tegengesteld aan de versnelling.
- 4Controle door af te leiden: geeft , en .
Twee sinussen van dezelfde frequentie optellen
Wat is ? Met de somformule van de cosinus lukt het, maar het wordt snel een bladzijde. Met wijzers is het een vectorsom: beide wijzers draaien met dezelfde rond, dus hun som is ook een wijzer die met draait. En de projectie van een som is de som van de projecties. Dus: tel de wijzers op op als vectoren (kop aan staart of met het parallellogram), en de somwijzer geeft amplitude en fase van de somsinusoïde.
In componenten (hoofdstuk 6 van I): en . Samen , met lengte en hoek :
Let op het gevolg: geeft hier geen 16 maar 14,0. Twee stromen van 10 A en 6 A in een knooppunt geven samen niet altijd 16 A. Dat zie je terug bij de omvormer van het station.
Twee luidsprekers, één toon
Twee luidsprekers spelen dezelfde toon van 440 Hz, in fase. Op een luisterplek komt de geluidsgolf van de eerste met een amplitude van 0,10 Pa aan, die van de tweede (verder weg) met 0,09 Pa, en die tweede heeft een weg afgelegd die 0,26 m langer is. Hoe groot is de geluidsdruk op die plek? Waar zou het het stilst zijn? Geluidssnelheid 343 m/s.
- ,
- , ,
- van de som
- de weglengte voor de grootste uitdoving
- 1Golflengte: . Een omweg komt later aan: een faseachterstand .
- 2Wijzers: en Pa.
- 3Som: , met lengte . Cosinusregel ter controle: .
- 4Het stilst is het bij : (of ). Daar blijft over.
Complexe getallen: rekenen met j
Een wijzer is een vector in het vlak: twee getallen. Het wordt veel handiger als je er één getal van maakt. Voer een nieuw getal in met
Je rekent zoals met veeltermen in , en vervangt telkens door :
- optellen per deel: (vectoren optellen);
- vermenigvuldigen: ;
- de toegevoegde spiegelt over de reële as, en is reëel;
- delen: vermenigvuldig teller en noemer met de toegevoegde van de noemer: .
In het complexe vlak (Wessel en Argand) staat op het punt . De modulus is de lengte van de pijl, het argument de hoek met de positieve reële as. Optellen is vectoren optellen; wat vermenigvuldigen betekent, zie je op het volgende blad.
Alleen als . De getallen en hebben dezelfde , maar de eerste ligt op en de tweede op . Gebruik atan2, die naar de tekens van beide kijkt (in Python math.atan2(b, a) of cmath.phase(z)), of teken het getal even.
Rekenen met complexe getallen
Bereken voor en : , , , en . Schrijf daarna in poolvorm, en los op.
- , ,
- product, quotiënt, moduli en argumenten
- de oplossingen van de vierkantsvergelijking
- 1en .
- 2en ; , (vierde kwadrant).
- 3Controle met de poolvorm: en : heeft modulus en ligt net onder de reële as. Klopt.
- 4: , derde kwadrant, dus (of ). .
- 5. Controle: .
Poolvorm: vermenigvuldigen is draaien en schalen
Een complex getal met modulus en argument is
Vermenigvuldig twee getallen in poolvorm en gebruik de somformules en :
Vermenigvuldigen met is dus: draaien over en schalen met . Vermenigvuldigen met is een kwartslag tegen de klok in, en een halve slag: . Dat is de meetkundige betekenis van . Vermenigvuldigen met doet hetzelfde als de rotatiematrix van hoofdstuk 5:
De formule van Euler
Bekijk , de wijzer met lengte 1 op hoek . Leid af naar : . Dus met . Dat is dezelfde differentiaalvergelijking als uit hoofdstuk 4, met , en die heeft als oplossing . Een differentiaalvergelijking met een beginwaarde heeft maar één oplossing, dus:
Een tweede weg, dezelfde conclusie: vul in de reeks in. De machten van lopen rond: De reële termen vormen de reeks van , de imaginaire die van . De figuur tekent de partiële sommen voor : elke term is een stukje dat een kwartslag draait tegenover het vorige en snel korter wordt, en het pad spiraalt naar het punt op de eenheidscirkel.
Drie gevolgen die je steeds gebruikt:
- poolvorm kort: , en (machten vermenigvuldigen: exponenten optellen);
- en : een cosinus is de som van twee wijzers die in tegengestelde zin draaien;
- de formule van De Moivre , waaruit elke verdubbelings- of verdrievoudigingsformule van de goniometrie volgt (opdracht 7.14).
Complexe getallen in Python
Python kent complexe getallen van huis uit: 3 + 4j is een complex. De module cmath heeft de complexe versies van exp, sqrt, ... en de omzettingen polar en rect; numpy rekent met hele reeksen complexe getallen tegelijk (np.abs, np.angle, np.exp(1j * ...)).
# complex.py - rekenen met complexe getallen (Python schrijft j, net als de elektrotechniek)import cmathimport math z1, z2 = 3 + 4j, 1 - 2jprint("som ", z1 + z2)print("product ", z1 * z2)print("quotiënt ", z1 / z2)print("toegevoegde van z1:", z1.conjugate(), " |z1| =", abs(z1))print("arg z1 = %.2f graden" % math.degrees(cmath.phase(z1))) r, phi = cmath.polar(-2 - 2j) # poolvorm: phase gebruikt atan2, dus het juiste kwadrantprint("-2-2j in poolvorm: r = %.4f, hoek = %.1f graden" % (r, math.degrees(phi)))print("naïef atan(b/a) zou %.1f graden geven" % math.degrees(math.atan(-2 / -2)))print("2 met hoek 30 graden:", cmath.rect(2, math.radians(30))) print("e^(j pi) =", cmath.exp(1j * math.pi)) # Euler: -1, op een afrondingsfout nas, term = 0, 1for k in range(12): # de reeks 1 + (j phi) + (j phi)^2/2! + ... voor phi = 2 s += term term *= 2j / (k + 1)print("reeks tot k = 11:", s)print("cmath.exp(2j): ", cmath.exp(2j))Uitvoer:
som (4+2j) product (11-2j) quotiënt (-1+2j) toegevoegde van z1: (3-4j) |z1| = 5.0 arg z1 = 53.13 graden -2-2j in poolvorm: r = 2.8284, hoek = -135.0 graden naïef atan(b/a) zou 45.0 graden geven 2 met hoek 30 graden: (1.7320508075688774+0.9999999999999999j) e^(j pi) = (-1+1.2246467991473532e-16j) reeks tot k = 11: (-0.4161552028218696+0.9092961359628027j) cmath.exp(2j): (-0.4161468365471424+0.9092974268256817j)
Drie dingen om op te letten. cmath.phase geeft voor , de naïeve arctangens : een fout van een halve slag. geeft : de imaginaire rest is een afrondingsfout, zoals in hoofdstuk 1. En na twaalf termen valt de reeks samen met cmath.exp(2j) tot op zes decimalen: de faculteit in de noemer wint het snel van .
Fasoren: sinusoïden als complexe getallen
Nu komt alles samen. Met Euler is de draaiende wijzer , en de sinusoïde is zijn reële deel (de horizontale projectie):
Twee regels maken fasoren krachtig. Optellen: omdat , is de fasor van een som de som van de fasoren. Afleiden: , dus de fasor van de afgeleide is : rekken met en een kwartslag draaien, precies wat de wijzer liet zien. Een differentiaalvergelijking wordt zo een algebraïsche vergelijking.
| in de tijd | als fasor | waarom |
|---|---|---|
| definitie: | ||
| is lineair | ||
| ( reëel) | idem | |
| (zonder constante) | omgekeerd | |
| geen fasor | een product bevat en een gelijkdeel |
Fasoren tellen alleen sinusoïden van dezelfde frequentie op: de factor moet voor allemaal dezelfde zijn. Twee frequenties geven een zweving (verderop); een product van twee sinusoïden (zoals het vermogen ) bevat de dubbele frequentie en is geen fasor.
Hier is de lengte van de fasor de amplitude. In de elektrotechniek (hoofdstuk 20) geeft men de fasor meestal de effectieve waarde: in plaats van . Alle hoeken en verhoudingen blijven dezelfde; zeg er altijd bij welke je gebruikt. Het Habitat-voorbeeld verderop rekent met effectieve waarden.
Het driefasige net: drie wijzers die samen nul zijn
Het openbare net levert drie fasen: drie spanningen van 230 V effectief tegenover de nulgeleider, 120° na elkaar. Toon met fasoren dat hun som op elk ogenblik nul is, en leg uit wat dat betekent voor de stroom in de nulgeleider als drie gelijke weerstanden elk op een fase hangen.
- , , (V, amplitudes)
- en het gevolg voor de nulgeleider
- 1In de vorm : , , .
- 2Som: reëel , imaginair . Omdat de fasor van de som nul is, is de som in de tijd op elk ogenblik.
- 3Meetkundig: kop aan staart vormen de drie wijzers een gelijkzijdige driehoek, die sluit.
- 4Drie gelijke weerstanden : de stromen zijn , ook drie wijzers van gelijke lengte 120° uit elkaar. De stroom in de nulgeleider is hun som: nul. Bij een evenwichtige belasting draagt de nulgeleider niets.
Een fasor uit metingen halen
Een energiemeter of de Pi van het station krijgt geen formule maar metingen: duizenden waarden van spanning en stroom. Hoe haal je daar amplitude en fase uit? Vermenigvuldig het signaal met en neem het gemiddelde over hele periodes. Voor geeft dat
want een wijzer die rondgaat, is over hele periodes gemiddeld nul. Twee keer dat gemiddelde is de fasor. Ruis en andere frequenties vallen grotendeels weg. Het programma doet dat met gesimuleerde metingen van de drukpomp (via geïsoleerde sensoren, zoals in een energiemeter).
# fasor_meten.py - amplitude en fase van 50 Hz uit bemonsterde spanning en stroomimport numpy as np fs, f = 5000, 50.0 # 5000 metingen per seconde, netfrequentiet = np.arange(0, 0.2, 1 / fs) # 0,2 s = precies tien periodesw = 2 * np.pi * frng = np.random.default_rng(1)u = 325.3 * np.cos(w * t) + rng.normal(0, 5.0, t.size) # spanning met ruis (V)i = 5.70 * np.cos(w * t - np.radians(36)) + rng.normal(0, 0.1, t.size) # stroom van de pomp (A) def fasor(x): """Complexe amplitude: 2 * gemiddelde van x(t) * e^(-j w t) over hele periodes.""" return 2 * np.mean(x * np.exp(-1j * w * t)) U, I = fasor(u), fasor(i)for naam, X, eenheid in (("U", U, "V"), ("I", I, "A")): print("%s = %7.2f %s hoek %6.2f graden" % (naam, abs(X), eenheid, np.degrees(np.angle(X))))phi = np.angle(U) - np.angle(I)print("faseverschil u - i: %.2f graden, cos phi = %.3f" % (np.degrees(phi), np.cos(phi)))print("vermogen uit de fasoren 0,5 Re(U I*) = %.0f W" % (0.5 * (U * np.conj(I)).real))print("vermogen uit de samples gemiddelde(u i) = %.0f W" % np.mean(u * i))Uitvoer:
U = 325.12 V hoek 0.02 graden I = 5.70 A hoek -36.00 graden faseverschil u - i: 36.02 graden, cos phi = 0.809 vermogen uit de fasoren 0,5 Re(U I*) = 749 W vermogen uit de samples gemiddelde(u i) = 749 W
Uit 1000 metingen met ruis komt de fasor op enkele tienden van een procent en een graad nauwkeurig terug. Het vermogen uit de fasoren, , is gelijk aan het gemiddelde van over de metingen: twee wegen naar dezelfde 750 W. Dit gemiddelde van is één 'bin' van de discrete Fouriertransformatie (hoofdstuk 21): doe het voor elke frequentie, en je hebt het spectrum.
Het gemiddelde over bevat precies tien periodes van 50 Hz. Neem je 9,5 periodes, dan middelt de wijzer met niet helemaal weg en krijg je een fout. Meetapparaten bemonsteren daarom synchroon met het net, of gebruiken een venster (hoofdstuk 21).
Verschillende frequenties: zwevingen en aliasing
In de technische ruimte draaien twee ventilatoren, een van 1500 en een van 1560 toeren per minuut (25 en 26 Hz). Samen maken ze een brom die aanzwelt en wegsterft, één keer per seconde. Met de formule van Euler, of de somformule van de cosinus:
Met wijzers: de twee wijzers draaien bijna even snel. Bekijk je ze vanuit de eerste, dan draait de tweede langzaam rond met : soms liggen ze samen (luid), soms tegengesteld (stil). Muzikanten stemmen zo: twee snaren die 440 en 442 Hz geven, zweven twee keer per seconde, en je draait tot de zweving verdwijnt.
Aliasing (hoofdstuk 25 van I) is hetzelfde verhaal. Bemonsteren is de wijzer alleen op de meetmomenten bekijken. Draait hij tussen twee metingen meer dan een halve slag, dan lijkt hij de andere kant op te draaien, zoals een wagenwiel in een film achteruit lijkt te draaien. Een signaal van 50 Hz, 60 keer per seconde bemonsterd, draait 300° per meting en lijkt per meting te draaien: een schijnbaar signaal van (opdracht 7.15). Daarom moet de bemonsteringsfrequentie meer dan twee keer de hoogste frequentie zijn (Nyquist, hoofdstuk 21).
Zwevingen horen en meten
Klopt het dat twee tonen met een klein frequentieverschil zweven met precies dat verschil?
- twee smartphones met een app die een zuivere sinustoon maakt (toongenerator)
- stopwatch
- optioneel: computer met een microfoon en Audacity of Python

- 1Stel de eerste telefoon in op 440 Hz, de tweede op 443 Hz, allebei op een matig volume. Leg ze naast elkaar.
- 2Luister: je hoort één toon die regelmatig aanzwelt en wegsterft. Tel het aantal zwellingen in 20 s.
- 3Herhaal met 441 Hz en met 446 Hz voor de tweede telefoon. Wat gebeurt er als beide op 440 Hz staan?
- 4Optioneel: neem 5 s op met een microfoon en bekijk de golfvorm. Meet de tijd tussen twee minima van de omhullende.
- 5Leg één telefoon een halve meter verder. Verandert de zwevingsfrequentie? Wat verandert er wel?
Voorbeeldresultaten: 440 en 443 Hz: 60 zwellingen in 20 s, dus 3,0 per seconde. 441 Hz: 1 per seconde; 446 Hz: 6 per seconde, al moeilijk te tellen. Bij gelijke frequenties geen zweving, maar een toon die luider of zachter is naargelang waar je hoofd zit. In de opname liggen de minima 0,33 s uit elkaar. Een telefoon verplaatsen verandert de zwevingsfrequentie niet, wel het moment waarop de minima vallen.
De zwevingsfrequentie is , onafhankelijk van waar je staat: de relatieve wijzer draait met het frequentieverschil rond. De plaats bepaalt alleen de beginfase (hoe ver de tweede golf moet reizen), dus wanneer de wijzers samenvallen. Bij gelijke frequenties staan de wijzers stil tegenover elkaar: dan geldt de cosinusregel van het vorige voorbeeld, en hangt de luidheid af van de plek. Boven ongeveer 15 zwevingen per seconde hoor je geen aanzwellen meer, maar een ruwe klank.
De brug naar wisselstroom: impedantie
Een weerstand, een spoel en een condensator aan een sinusvormige spanning. In de tijd gelden , en (hoofdstuk 1). Met fasoren wordt afleiden vermenigvuldigen met :
Alle drie hebben de vorm van de wet van Ohm, , met een complexe impedantie:
Impedanties in serie tel je op, parallel neem je het omgekeerde van de som van de omgekeerden, net als weerstanden (hoofdstuk 21 van I), maar met complexe getallen. Een wisselstroomkring los je zo op met de wetten van Kirchhoff en complexe rekenkunde, zonder één differentiaalvergelijking; bij een groot net met de matrices van hoofdstuk 5. Alles wat daaruit volgt (resonantie, vermogen, arbeidsfactor, driefasige netten) is hoofdstuk 20.
Bij gelijkspanning is en oneindig: er loopt geen stroom. Bij hoge frequentie wordt klein: de condensator laat door. Voor een spoel is het net omgekeerd. Een ontstoringscondensator van 100 nF aan het net heeft bij 50 Hz (een stroom van enkele mA, opdracht 1.13) maar maar bij 10 kHz: storing vloeit weg, het net niet.
Het RC-filter aan de batterijdeler
Op pin A3 van de Mega meet de klimaatmodule de batterijspanning via een deler van 100 kΩ en 33 kΩ, met 100 nF van A3 naar de massa (hoofdstuk 22 van I). De groeilampen schakelen met PWM op 490 Hz, waardoor de 12,8 V-lijn rimpelt; neem een sinusvormige rimpel van 0,30 V amplitude. Hoeveel rimpel bereikt de ADC? En hoeveel een storing van 50 Hz? Los op met fasoren, en controleer met een simulatie in de tijd.
- deler 100 kΩ / 33 kΩ,
- rimpel 0,30 V bij 490 Hz; ADC-stap 4,88 mV
- bij 50 en 490 Hz
- de rimpel aan de ADC
- 1Vervangschema (Thévenin, hoofdstuk 21 van I): de deler gedraagt zich als een bron met inwendige weerstand in serie met naar de massa.
- 2Spanningsdeler met impedanties: . Met .
- 350 Hz: , : de storing wordt maar 21 % kleiner en loopt 38° achter.
- 4490 Hz: , . De rimpel aan A3: , ongeveer 2 ADC-stappen.
- 5Controle in de tijd (Euler zoals in hoofdstuk 4, stap 2 µs, twaalf periodes): een sinus van 1 V bij 490 Hz geeft na het inschakelverschijnsel een amplitude van , tegenover uit de fasor.
De brug naar trillingen
Een massa aan een veer met demping volgt (hoofdstuk 11). Zonder kracht zoek je oplossingen , zoals bij in hoofdstuk 4. Invullen geeft de karakteristieke vergelijking . Bij weinig demping is de discriminant negatief, en de oplossingen zijn toegevoegd complex: . Dan is
een wijzer die draait én krimpt, een uitdovende trilling. Het reële deel van is de demping, het imaginaire de trillingsfrequentie. Zonder demping is met , de eigenfrequentie.
Duw je met een sinusoïdale kracht , dan volgt de massa na een tijd met dezelfde frequentie. Met fasoren (, ):
Een voorbeeld: de ventilatie-unit (12 kg) op rubberen voeten (samen 30 kN/m) heeft een eigenfrequentie . De ventilator duwt met 25 Hz, : met is de amplitude maar 0,11 keer de statische uitwijking. Ver boven de eigenfrequentie trilt een machine op zachte voeten weinig; hoeveel daarvan naar de vloer gaat, berekent hoofdstuk 11 voor de windturbine van het station.
Habitat: wat moet de netomvormer maken?
Het station heeft een 48 V-batterij en een omvormer die er 230 V, 50 Hz van maakt voor de gewone toestellen. Leg vast wat de omvormer moet leveren (amplitude, frequentie, fase), welke spanningsverhouding hij moet overbruggen, en welke stroom hij levert als de noodverwarming (2,0 kW, zuiver resistief, hoofdstuk 39) en de drukpomp van het drinkwater (0,75 kW, , stroom achter) tegelijk draaien. Reken met effectieve waarden.
- (effectief, referentie),
- verwarming , ; pomp ,
- batterij: rekenwaarde 44 tot 56 V
- van de omvormer
- de totale stroom als fasor en de schijnbare belasting
- 1Wat hij maakt. V met . In eilandbedrijf kiest de omvormer zelf (een kristal bepaalt de 50 Hz); aan het net moet die van het net volgen (volgend blad).
- 2Spanningsverhouding. Een brug van schakelaars kan hoogstens de batterijspanning doorgeven, 44 tot 56 V. Om 325 V piek te maken, moet hij minstens keer opwaarts: met een transformator of met een gelijkspanningsomzetter naar een tussenspanning van ongeveer 400 V. Hoe precies, is hoofdstuk 24.
- 3Stromen. Verwarming: . Pomp: , dus en .
- 4Som (Kirchhoff met fasoren). , onder .
- 5Belasting. , voor 2750 W nuttig vermogen. De getallen gewoon optellen had gegeven: 4 % te veel.
Het fasordiagram van de omvormer
De stromen van het vorige blad als wijzers, met de spanning als referentie langs de reële as. Schaal: ampère; de spanningswijzer is niet op schaal.
- 1Referentie
De spanning van de omvormer, 230 V effectief, legt de hoek nul vast. Alle stromen worden tegenover haar gemeten.
- 2Verwarming
Een weerstand: stroom in fase met de spanning, 8,70 A. Ze zet alle vermogen om in warmte.
- 3Pomp
De motor neemt 4,03 A, 36° te laat. Een deel van haar stroom bouwt alleen het magnetisch veld op en brengt het terug.
- 4Kop aan staart
De stippellijnen maken het parallellogram af: de pompstroom begint aan de kop van de verwarmingsstroom.
- 5Totale stroom
12,19 A onder −11,2°: minder dan 8,70 + 4,03 = 12,73 A, omdat de twee wijzers niet dezelfde kant op wijzen.
- 6Werkzaam en blind
De projectie op de spanning (11,96 A) draagt het vermogen van 2750 W; de verticale 2,37 A niet. Hoofdstuk 20 noemt ze actieve en reactieve stroom.
Habitat: in de pas lopen met het net
Op het proefterrein kan het station aan het openbare net hangen en er zonnestroom aan leveren. Tussen omvormer en net zit een koppelspoel van 2,0 mH (rekenwaarde). (a) Onder welke hoek moet de omvormerspanning (230 V) voorlopen op het net (230 V) om 3,0 kW te leveren? (b) Hoe groot wordt de stroom als de omvormer inschakelt met een faseverschil van 30°?
- ,
- ,
- voor 3,0 kW
- de stroom bij
- 1Impedantie van de spoel: .
- 2Stroom: . Geleverd vermogen aan het net: . Uitwerken geeft (opdracht 7.16).
- 3(a) , dus : een voorsprong van 113 µs.
- 4Controle: , bijna in fase met het net; .
- 5(b) over : , meer dan tien keer de nominale stroom.
Sinusoïden, complexe getallen en fasoren: formules
Werkwijze bij een wisselstroomprobleem: kies een referentie (meestal de spanning), zet elke sinusoïde om in een fasor, reken met complexe getallen (optellen in , vermenigvuldigen en delen in poolvorm), zet het resultaat terug naar de tijd, en controleer met een schets van het fasordiagram.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| amplitude | eenheid van a | |
| hoekfrequentie | rad/s | |
| fase | rad of ° |
| in de tijd | als fasor | waarom |
|---|---|---|
| definitie: | ||
| is lineair | ||
| ( reëel) | idem | |
| (zonder constante) | omgekeerd | |
| geen fasor | een product bevat en een gelijkdeel |
| in Python | betekenis |
|---|---|
3 + 4j, complex(3, 4) | een complex getal |
z.real, z.imag, z.conjugate(), abs(z) | delen, toegevoegde, modulus |
cmath.phase(z), cmath.polar(z), cmath.rect(r, phi) | argument (atan2), naar en van poolvorm (radialen) |
cmath.exp(1j * phi), np.exp(1j * w * t) | wijzer, reeks wijzers |
np.abs(Z), np.angle(Z, deg=True) | modulus en argument van een hele reeks |
Waar sinusoïden en fasoren vandaan komen en waar ze heen gaan
Dit hoofdstuk verbindt de goniometrie en de vectoren (W) met de elektrotechniek (L) en de mechanica (K). Complexe getallen lijken een wiskundig kunstje, maar ze zijn het natuurlijke getal voor alles wat draait of trilt: ze onthouden amplitude en fase in één keer, en maken van afleiden een vermenigvuldiging.
Sinus, cosinus en vectoren in componenten: hier de projecties van een draaiende wijzer.
Bemonsteren en PWM; aliasing als een wijzer die te grote stappen maakt.
De batterijdeler met zijn condensator, hier als RC-filter met fasoren.
De afgeleide van sin en cos, en i = C du/dt bij een wisselspanning.
De effectieve waarde van een sinus; het gemiddelde vermogen als integraal (opdracht 7.18).
y' = ky met k = j geeft de formule van Euler; de RC-kring in de tijd.
Vermenigvuldigen met e^(jφ) is de rotatiematrix; netwerken als stelsels, nu complex.
Eigenfrequentie, demping en resonantie, uitgewerkt met de fasor van een gedwongen trilling.
De generator en de transformator die de sinus maken en omzetten.
Impedantie, RLC-kringen, actief en reactief vermogen, arbeidsfactor, driefasig net.
Filters als H(jω), het Bode-diagram, Fourier en Nyquist.
Hoe de omvormer de sinus maakt (PWM, brug, opwaarts omzetten) en met het net synchroniseert.
In het kort
- Een sinusoïde heeft amplitude, hoekfrequentie en fase; een faseverschil is een tijdverschil .
- Een sinusoïde is de projectie van een draaiende wijzer; afleiden rekt hem met en draait hem 90° vooruit.
- Sinusoïden van dezelfde frequentie tel je op als vectoren: .
- Complexe getallen met : optellen per deel, vermenigvuldigen in poolvorm (moduli maal, hoeken plus), delen met de toegevoegde; het argument met atan2.
- Euler: ; een complexe exponentiële is een wijzer.
- Fasor: ; som van signalen = som van fasoren, afgeleide = ; alleen bij één frequentie. Verschillende frequenties geven zwevingen, bemonsteren kan aliasing geven.
- Impedantie: , , en ; een gedwongen trilling heeft .
- Habitat: de omvormer maakt 325 V piek bij 50 Hz uit 48 V; stromen van toestellen tellen als wijzers op; aan het net moet hij exact in fase inschakelen.
Wat je nu kent
- sinusoïde
- Signaal van de vorm : amplitude , hoekfrequentie , fase .
- hoekfrequentie
- , in rad/s: de hoeksnelheid van de wijzer die de sinusoïde maakt.
- fase
- De hoek van de wijzer op ; een faseverschil komt overeen met een tijdverschil .
- complex getal
- Getal met (wiskundigen schrijven ); een punt of vector in het complexe vlak.
- modulus en argument
- De lengte en de hoek van een complex getal; bereken de hoek met atan2 (juiste kwadrant).
- toegevoegde
- , het spiegelbeeld tegenover de reële as; .
- formule van Euler
- : een complexe exponentiële is een wijzer met lengte 1 en hoek .
- fasor
- De complexe amplitude van een sinusoïde ; in de elektrotechniek vaak met de effectieve waarde.
- zweving
- Een omhullende die aanzwelt en wegsterft bij de som van twee trillingen met een klein frequentieverschil; de zwevingsfrequentie is het verschil.
- impedantie
- Complexe 'weerstand' bij een sinusoïde: , , .
- synchroniseren
- Een bron pas op het net schakelen als spanning, frequentie en fase overeenkomen.