Handboek · hoofdstuk 10Moment en evenwicht
Waarom een lange sleutel helpt, waar een balk op steunt, en wanneer iets omvalt
Een moer loskrijgen, een wip in evenwicht brengen, een vloerbalk die een vol reservoir draagt, een meetkas die de storm moet doorstaan: telkens gaat het niet alleen om hoe groot een kracht is, maar ook om waar ze aangrijpt. In hoofdstuk 8 was een voorwerp een punt. Nu kan het draaien. Het moment van een kracht zegt hoe sterk ze doet draaien. Met twee evenwichtsvoorwaarden bereken je de krachten op de steunpunten van een balk, met het zwaartepunt van samengestelde vormen vind je waar het gewicht aangrijpt, en met de kantelveiligheid beoordeel je of iets blijft staan.

- Je kan het moment van een kracht om een punt berekenen met , met de loodrechte arm, ook bij een schuine kracht (arm of ontbinden).
- Je kan de hefboomwet uitleggen als momentenevenwicht en uitbreiden naar meer dan twee krachten.
- Je kan de twee evenwichtsvoorwaarden en opschrijven en uitleggen waarom je ze allebei nodig hebt (koppel).
- Je kan een vrijlichaamsdiagram van een balk tekenen, steunpunten vervangen door reactiekrachten en die reactiekrachten berekenen.
- Je kan een verdeelde belasting vervangen door haar resultante.
- Je kan het zwaartepunt van een samengestelde vorm of een samengesteld voorwerp berekenen, ook met een gat, en het zwaartepunt experimenteel bepalen.
- Je kan bepalen of een voorwerp kantelt, de kantelhoek berekenen en de kantelveiligheid van een ontwerp beoordelen.
- Je kan de steunpuntsreacties van een balk met Python berekenen voor veel lastgevallen tegelijk.
Wat je al weet, en wat nu komt
In F11 leerde je dat een kracht een voorwerp kan doen draaien, en dat een kracht een aangrijpingspunt heeft. In F12 vond je de hefboomwet, en in F13 zag je dat iets omvalt als zijn zwaartepunt niet meer boven het steunvlak ligt. In hoofdstuk 8 tekende je vrijlichaamsdiagrammen en stelde je de som van de krachten gelijk aan nul voor een voorwerp in rust.
| begrip | formule of regel | waar |
|---|---|---|
| kracht als pijl: grootte, richting, aangrijpingspunt | in newton (N) | F11 |
| hefboom, draaipunt, arm | hefboomwet | F12 |
| zwaartepunt, steunvlak, kantelen | staat zolang het zwaartepunt boven het steunvlak blijft | F13 |
| krachten ontbinden | , | hoofdstuk 6 |
| evenwicht van krachten, vrijlichaamsdiagram | , | hoofdstuk 8 |
Maar in hoofdstuk 8 tekende je alle krachten vanuit één punt: het voorwerp kon alleen schuiven, niet draaien. Een ladder, een balk of een kraan kan dat wel. Daarom telt nu ook waar een kracht aangrijpt. In dit hoofdstuk
- reken je het moment van een kracht uit, ook als ze schuin staat;
- leer je de twee evenwichtsvoorwaarden en pas je ze toe op een wip, een ladder en een balk;
- bereken je de steunpuntsreacties van de vloerbalk onder het reservoir van Habitat;
- zoek je het zwaartepunt van samengestelde vormen, met rekenwerk en met een schietlood;
- beoordeel je of iets kantelt: een blok, een kast, de meetkas in de storm, een kraan.
Een toren die al achthonderd jaar valt
In 1173 begonnen bouwers in Pisa aan een klokkentoren naast de kathedraal. Na drie verdiepingen, rond 1178, helde hij al over: de toren staat op een ondiepe fundering van zowat 3 m in zachte klei en zand. De bouw lag daarna bijna honderd jaar stil. Toen de bouwers verder gingen, maakten ze de hogere verdiepingen aan de lage kant iets hoger om de scheefstand te verbergen: de toren is daardoor licht gebogen, als een banaan. Pas in de veertiende eeuw was hij af: ongeveer 56 m hoog en naar schatting 14 500 ton zwaar.
In 1990 helde de toren 5,5° en werd hij voor bezoekers gesloten. Waarom viel hij niet gewoon om? Zolang de verticale lijn door het zwaartepunt binnen de voet valt, duwt het gewicht de toren terug (F13). De voet is 15,5 m breed, en de lijn door het zwaartepunt viel nog ruim binnen de rand. Het gevaar zat in de grond: hoe schever de toren, hoe harder hij op de zuidkant drukt; die zachte grond geeft mee, en de toren helt nog meer. Een kringloop die vanzelf versnelt.
De redding was een les in momenten. Eerst legden ingenieurs honderden ton lood op de noordkant, de hoge kant: een gewicht met een arm tot het midden van de toren levert een tegenmoment. Daarna haalden ze met schuine boringen voorzichtig grond weg onder de noordkant, in totaal zowat 70 ton, zodat die kant een beetje zakte. In 2001 ging de toren terug open. Hij helt nu ongeveer 4°, en de top staat zo'n 45 cm dichter bij het lood dan in 1990.
Of iets omvalt, hangt af van twee dingen: waar het zwaartepunt ligt ten opzichte van het steunvlak, en of de ondergrond de krachten kan dragen. Het eerste is dit hoofdstuk, het tweede komt terug in hoofdstuk 11 (druk op de grond).

Het moment van een kracht
Wie een moer probeert los te draaien, weet het uit ervaring: duw op het uiteinde van de sleutel, loodrecht, en het lukt het best. Hoe sterk een kracht een voorwerp rond een punt doet draaien, heet het moment van die kracht ten opzichte van :
De figuur toont drie keer dezelfde kracht op dezelfde plaats. Loodrecht op de sleutel is de arm de hele lengte van de sleutel. Schuin is de arm kleiner: , met de hoek tussen kracht en sleutel. Langs de sleutel gaat de werklijn door : de arm is nul en er gebeurt niets, hoe hard je ook trekt.
De draaizin telt. Een kracht die tegen de klok in doet draaien, geeft een positief moment; met de klok mee een negatief (dezelfde afspraak als voor hoeken in hoofdstuk 6). Werken er meerdere krachten, dan tel je hun momenten op met hun teken.
Alleen als de kracht loodrecht staat op de lijn naar het draaipunt. In het algemeen is de arm de loodrechte afstand tot de werklijn. Een deur die je vlak naast de scharnieren openduwt, of schuin naar de scharnieren toe, gaat moeilijk open, ook al is je kracht groot.
Ook arbeid (hoofdstuk 9) is kracht maal afstand, maar daar liggen kracht en verplaatsing langs elkaar. Bij een moment staan kracht en arm loodrecht op elkaar. Het zijn verschillende grootheden; een moment schrijf je daarom altijd in N·m, nooit in J. Het 'koppel' van een motor (hoofdstuk 26) is zo'n moment: een motor met een koppel van 2 N·m draait zijn as alsof je met 20 N aan een sleutel van 10 cm trekt.

Een moer aandraaien met een schuine kracht
Je trekt met 150 N aan een moersleutel, 0,30 m van het midden van de moer, maar niet loodrecht: je kracht maakt een hoek van 60° met de sleutel. Hoe groot is het moment? De fabrikant schrijft voor deze bout een aanhaalmoment van 45 N·m voor. Welke kracht moet je dan uitoefenen, onder 60° en loodrecht?
- , ,
- gevraagd moment
- voor onder 60° en loodrecht
- 1Methode 1, met de arm. De loodrechte afstand van tot de werklijn is . Dus .
- 2Methode 2, door te ontbinden (hoofdstuk 6). Loodrecht op de sleutel: , met arm 0,30 m: . Langs de sleutel: ; die werklijn gaat door en geeft geen moment.
- 3Voor 45 N·m onder 60°: .
- 4Loodrecht: .
Van hefboomwet naar momentenevenwicht
De hefboomwet uit F12, , is een uitspraak over momenten. Links van het draaipunt probeert de hefboom tegen de klok in te draaien, rechts probeert hem met de klok mee te draaien. Zijn die twee momenten even groot, dan draait de hefboom niet: .
Zo geformuleerd werkt de wet voor elk aantal krachten: een voorwerp draait niet als de som van alle momenten nul is. Drie kinderen op een wip: Anna (30 kg) zit 1,5 m links van het draaipunt, Chloë (20 kg) zit 1,0 m rechts. Waar moet Bram (40 kg) gaan zitten? Tegen de klok in positief:
De valversnelling valt weg: je mag hier rekenen met kilogram in plaats van newton. Het draaipunt zelf duwt de plank omhoog met het totale gewicht, : ook de som van de krachten moet nul zijn. Dat is de tweede voorwaarde voor evenwicht (volgend blad).
| soort (F12) | wat zit in het midden? | voorbeelden |
|---|---|---|
| eerste soort | het draaipunt | wip, schaar, koevoet, tang |
| tweede soort | de last | kruiwagen, notenkraker, flesopener |
| derde soort | de kracht | pincet, je onderarm (biceps), bezem |
In elke soort hefboom geldt hetzelfde momentenevenwicht. Bij de tweede en derde soort liggen kracht en last aan dezelfde kant van het draaipunt; ze draaien dan in tegengestelde zin omdat ze in tegengestelde richting werken.
De twee evenwichtsvoorwaarden
In hoofdstuk 8 was een voorwerp in evenwicht als de resulterende kracht nul was. Dat is niet genoeg. Neem een plank en duw links met 60 N omhoog, rechts met 60 N omlaag. De som van de krachten is nul, de plank schuift niet weg, maar ze draait. Twee even grote, tegengestelde, evenwijdige krachten die niet op één lijn liggen, heten een koppel. Je draait zo aan een stuur of aan een waterkraan.
Drie eigenschappen maken die voorwaarden tot een sterk gereedschap:
- Het draaipunt mag je vrij kiezen. Is een voorwerp in evenwicht, dan is de som van de momenten nul om élk punt, ook om een punt waar geen as zit. Kies het punt waar een onbekende kracht aangrijpt: haar arm is nul, en ze verdwijnt uit de vergelijking.
- Drie vergelijkingen, drie onbekenden. In een vlak heb je drie voorwaarden, dus kan je hoogstens drie onbekende krachten berekenen. Constructies waarvoor dat lukt, heten statisch bepaald (hoofdstuk E13).
- Het moment van een koppel is , met de afstand tussen de twee werklijnen, en dat om elk punt. Een koppel kan je alleen opheffen met een ander koppel.
1. Teken het vrijlichaamsdiagram, nu met elke kracht op haar echte aangrijpingspunt. 2. Kies assen en een positieve draaizin. 3. Kies een momentpunt waar zoveel mogelijk onbekenden aangrijpen, en schrijf . 4. Vul aan met en . 5. Controleer met de momenten om een ander punt.
Twee weegschalen onder een lat
Een lat ligt met haar uiteinden op twee weegschalen. Hoe verdeelt het gewicht van een massa zich over de twee steunpunten als je de massa langs de lat verschuift?
- meetlat van 1,00 m (200 g) of een lichte plank
- twee houten blokjes
- twee digitale keukenweegschalen
- massa van 500 g
- rolmeter
- 1Zet de blokjes op de weegschalen, 0,90 m uit elkaar, en zet beide weegschalen op nul (tarra).
- 2Leg de lat op de blokjes. Noteer wat elke weegschaal toont.
- 3Zet de massa op (recht boven blokje A) en noteer beide aflezingen.
- 4Verschuif de massa telkens 15 cm naar B en noteer opnieuw, tot .
- 5Zet beide aflezingen uit tegen , en bereken telkens hun som.
| (cm) | 0 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| weegschaal A (g) | 601 | 517 | 432 | 351 | 266 | 184 | 99 |
| weegschaal B (g) | 99 | 184 | 268 | 349 | 434 | 516 | 600 |
| som (g) | 700 | 701 | 700 | 700 | 700 | 700 | 699 |
Zonder massa toont elke weegschaal 100 g. De aflezingen veranderen lineair met , in tegengestelde zin; hun som blijft 700 g.
Op de lat werken vier krachten: haar eigen gewicht (in het midden), het gewicht van de massa, en de twee steunkrachten en die de weegschalen tonen. Momenten om A (tegen de klok in positief, B rechts): , dus
Een lineaire functie van : in grammen . De som van de krachten geeft . Staat de massa boven A, dan draagt A ze helemaal; in het midden dragen A en B elk de helft. Een weegschaal toont massa, geen kracht; omdat in elke term staat, mag je hier gewoon met gram rekenen. De afwijkingen van 1 à 2 g komen van de weegschalen (resolutie 1 g) en van het plaatsen van de massa.
Steunpunten en steunpuntsreacties
Een balk, een brug of een plank rust op steunpunten (opleggingen). In een vrijlichaamsdiagram laat je de steunpunten weg en teken je in de plaats de krachten die ze op de balk uitoefenen: de steunpuntsreacties of reactiekrachten. Welke reacties een steunpunt kan leveren, hangt af van hoe het de balk vasthoudt:
- Een rol (glijdende oplegging) laat de balk langs de ondergrond schuiven en draaien. Hij levert één kracht, loodrecht op de ondergrond.
- Een scharnier (vaste oplegging) houdt het punt vast, maar laat de balk draaien. Hij levert een kracht in elke richting: twee componenten en .
- Een inklemming (een balk die in een muur zit, een paal in de grond) houdt vast én belet het draaien: twee krachtcomponenten en een moment.
De klassieke balk heeft een scharnier aan één kant en een rol aan de andere. Dat zijn precies drie onbekenden, genoeg voor de drie evenwichtsvoorwaarden. De rol is ook praktisch: een balk zet uit als hij warm wordt, en de rol laat hem schuiven. Zo is het kasframe van de meetkas gemaakt: in het midden vast, met sleufgaten aan de uiteinden (F6). Bruggen hebben om dezelfde reden aan één kant rollagers.
Werken alle lasten verticaal, dan zegt dat de horizontale reactie van het scharnier nul is. Er blijven twee onbekenden over, en : één momentenvergelijking en één krachtenvergelijking volstaan.
Een balk op twee steunpunten
Een balk van 3,0 m ligt met een scharnier in A en een rol in B. Op 1,0 m van A hangt een last van 1,2 kN, op 2,0 m van A een last van 0,6 kN. Het eigen gewicht van de balk verwaarloos je. Bereken de steunpuntsreacties.
- op , op van A
- en
- 1Vrijlichaamsdiagram: de twee lasten omlaag, en omhoog. Alle krachten zijn verticaal, dus de horizontale reactie in A is nul.
- 2Momenten om A (dan valt weg; tegen de klok in positief): , dus .
- 3Som van de verticale krachten: , dus .
- 4Controle met momenten om B: . Klopt.
Een verdeelde belasting vervangen door haar resultante
Niet elke last grijpt aan in één punt. Het eigen gewicht van een balk, een rij boeken op een plank, sneeuw op een dak of het water in een reservoir zijn over een lengte verdeeld. Zo'n last geef je aan met : de kracht per meter, in N/m.
Waarom mag dat? Denk de last opgedeeld in veel kleine stukjes. Hun krachten tellen op tot , en hun momenten tellen op tot maal de afstand tot het midden, net zoals bij het zwaartepunt verderop in dit hoofdstuk. Een driehoekige last, die gelijkmatig groeit van 0 tot , heeft als resultante de oppervlakte van de driehoek, , op een derde van de lengte aan de zware kant. Die vorm zie je terug bij de waterdruk op de wand van een reservoir (hoofdstuk 11).
De resultante vertelt je hoeveel elk steunpunt draagt. Ze zegt niets over wat er in de balk gebeurt: een balk met een gelijkmatige last buigt anders door dan een balk met dezelfde last in het midden. Hoe je de spanningen en de doorbuiging berekent, leer je in hoofdstuk E12.
Habitat: de draagbalk onder het voedingsreservoir
De vloer van de klimaatmodule ligt 40 cm boven het terrein (hoofdstuk 6) en rust op vloerbalken van vuren hout (45 × 145 mm), om de 40 cm, die 2,40 m overspannen tussen twee liggers A en B. Het voedingsreservoir (60 L oplossing, samen met de bak, het deksel en de pomp 65 kg) staat met zijn lange zijde (0,64 m) langs een vloerbalk, met zijn midden op 0,50 m van ligger A. Balk en vloerstrook wegen samen 75 N per meter. Welke krachten moeten de liggers opvangen?
- ; eigengewicht over de hele balk
- reservoir: over , midden op van A
- aan de veilige kant: één balk draagt het hele reservoir
- en
- 1Lasten. Reservoir: , verdeeld over 0,64 m, dus . Eigengewicht: .
- 2Resultanten. De reservoirlast grijpt aan in het midden van het reservoir, op 0,50 m van A. Het eigengewicht in het midden van de balk, op 1,20 m van A.
- 3Momenten om A: , dus .
- 4Som van de krachten: .
- 5Controle met momenten om B: .

Een ladder tegen een gladde muur
In hoofdstuk 6 zette je een ladder volgens de 1-op-4-regel: onder 76° met de grond. Waarom schuift een ladder weg als hij te schuin staat? Een ladder van 4,0 m en 12 kg staat tegen een gladde muur (geen wrijving). Een persoon van 75 kg staat op 3,0 m langs de ladder. Hoe groot moet de wrijvingskracht aan de voet zijn? De wrijvingscoëfficiënt tussen voet en vloer is . Staat de ladder veilig? En als hij onder 60° stond?
- , ()
- ladder 12 kg (zwaartepunt in het midden), persoon 75 kg op 3,0 m
- muur glad; aan de voet
- , , en of de ladder blijft staan
- 1Vrijlichaamsdiagram. Twee gewichten omlaag (118 N in het midden, 736 N op 3,0 m). Aan de top alleen een normaalkracht van de muur, horizontaal (de muur is glad). Aan de voet een normaalkracht omhoog en een wrijvingskracht naar de muur toe. Drie onbekenden.
- 2Verticaal: .
- 3Momenten om de voet (daar grijpen twee onbekenden aan). De arm van een verticale kracht is haar horizontale afstand tot de voet, ; de arm van de horizontale muurkracht is de hoogte van de top, : , dus .
- 4Horizontaal: . Nodig is dus .
- 5Beschikbaar is : ruim genoeg. Onder 60° wordt de arm van de gewichten groter en die van de muurkracht kleiner: met de persoon helemaal bovenaan is dan nodig, meer dan 341 N. Onder 60° schuift de ladder weg zodra de persoon hoger komt dan 2,89 m.
Het zwaartepunt
Elk stukje van een voorwerp heeft gewicht. Voor het evenwicht mag je al die kleine krachten vervangen door één kracht, het totale gewicht, die aangrijpt in het zwaartepunt . Hang je een voorwerp op aan een punt, dan draait het tot het zwaartepunt recht onder dat punt hangt; ondersteun je het in het zwaartepunt, dan blijft het in elke stand in evenwicht.
Voor symmetrische vormen ligt op de symmetrie-as: in het midden van een rechthoek, een cirkel of een balk. Een samengestelde vorm deel je op in stukken waarvan je het zwaartepunt kent. Het moment van het totale gewicht moet gelijk zijn aan de som van de momenten van de stukken. Voor platen van gelijke dikte is het gewicht evenredig met de oppervlakte, dus
| vorm | oppervlakte | zwaartepunt |
|---|---|---|
| rechthoek | in het midden: en | |
| driehoek met basis en hoogte | op boven de basis (snijpunt van de zwaartelijnen) | |
| cirkel met straal | in het middelpunt | |
| halve cirkel met straal | op van de rechte rand |
Bij een L-vorm, een ring, een boemerang of een hoefijzer ligt het zwaartepunt in de lege ruimte. Een hoogspringer die met de Fosbury flop over de lat gaat, buigt zijn lichaam er als een boog omheen: zijn zwaartepunt kan net onder de lat door, terwijl zijn lichaam erover gaat.

Een bord met een venster aan één kabel
Bij de ingang van het station komt een informatiebord van aluminium (3 mm dik, 600 mm × 400 mm) met een rond venster van 200 mm diameter voor een scherm. Het midden van het venster ligt 450 mm van de linkerrand, op halve hoogte. Het bord hangt aan één kabel. Waar moet de kabel vast, zodat het bord horizontaal hangt? Hoeveel weegt het bord (aluminium: 2,70 g/cm³)?
- rechthoek , zwaartepunt op
- gat: straal , midden op
- dikte 3 mm,
- massa
- 1Het bord hangt horizontaal als de kabel recht boven het zwaartepunt zit. In de hoogte ligt op halve hoogte (symmetrie); we zoeken .
- 2Oppervlaktes: rechthoek ; gat (negatief). Samen .
- 3.
- 4Massa: volume , dus .
Het zwaartepunt van een karton zoeken met een schietlood
Kan je het zwaartepunt van een vorm vinden zonder te rekenen? En klopt het met de berekening, ook als het buiten het karton ligt?
- stevig karton, schaar, geodriehoek
- een punaise en een stuk isomo of kurk om ze in te prikken
- touwtje met een klein gewichtje (schietlood)
- strookje doorzichtige folie, potlood
- 1Knip een L-vorm uit karton: 160 mm breed, 240 mm hoog, benen van 40 mm breed (de L uit de figuur hiervoor, twee keer zo groot).
- 2Plak een strookje doorzichtige folie over de binnenhoek: daar verwacht je het zwaartepunt.
- 3Prik de punaise door een gaatje vlak bij een hoek, zodat het karton vrij kan draaien. Hang het schietlood aan dezelfde punaise.
- 4Wacht tot alles stilhangt en trek met potlood de lijn van het touwtje over karton en folie.
- 5Herhaal met een tweede gaatje ver van het eerste. Het snijpunt van de twee lijnen is het zwaartepunt. Controleer met een derde gaatje.
- 6Meet de afstand van het snijpunt tot de linker- en de onderrand.
De drie lijnen snijden elkaar (bijna) in één punt, op de folie, buiten het karton: ongeveer 47 mm van de linkerrand en 87 mm boven de onderrand. Een leerlingengroep mat 46 en 88 mm.
Een vrij hangend voorwerp is in evenwicht als het moment van zijn gewicht om het ophangpunt nul is: het zwaartepunt hangt dan recht onder het ophangpunt, op de lijn van het schietlood. Twee zulke lijnen snijden in het zwaartepunt. De berekening geeft voor de dubbele L precies twee keer de waarden van de figuur: en . Kleine afwijkingen komen van een scheef geknipte rand, de wrijving rond de punaise en de dikte van de potloodlijn.
Hoe hoog ligt het zwaartepunt van de meetkas?
De meetkas uit Fundamental (1,20 × 0,60 × 0,80 m) staat buiten. Op de plantentafel (30 cm hoog) staan twaalf bakjes met vochtige potgrond; eronder staat het waterreservoir, 20 cm hoog gevuld. In F13 kreeg je de hoogte van het zwaartepunt gegeven; nu reken je ze zelf uit. Hoe hoog ligt het zwaartepunt van de volle kas, en van de lege? Gebruik de massa's uit F7, F10 en F11 en de hoogtes van de zwaartepunten van de delen in de tabel.
| deel | massa (kg) | hoogte zwaartepunt (m) | (kg·m) |
|---|---|---|---|
| 12 bakjes (PP) | 3,6 | 0,360 | 1,296 |
| tafelblad | 8,4 | 0,291 | 2,444 |
| frame | 3,1 | 0,400 | 1,240 |
| wanden en dak | 2,9 | 0,480 | 1,392 |
| lucht in de kas | 0,7 | 0,400 | 0,276 |
| water (20 cm hoog) | 24,0 | 0,100 | 2,400 |
| vochtige potgrond | 43,0 | 0,350 | 15,050 |
| planten | 1,2 | 0,450 | 0,540 |
| totaal | 86,9 | 24,638 |
- acht delen met massa en hoogte van hun zwaartepunt (tabel)
- leeg: zonder water, potgrond en planten (de eerste vijf rijen)
- vol en leeg
- 1De formule voor het zwaartepunt met massa's, in de verticale richting: .
- 2Vol: en , dus .
- 3Leeg (de eerste vijf rijen): en , dus .
- 4Horizontaal ligt het zwaartepunt (bij benadering) in het midden: de kas is symmetrisch ingericht.
Kantelen en kantelveiligheid
Een voorwerp dat op een vlak staat, blijft staan zolang de verticale lijn door zijn zwaartepunt binnen het steunvlak valt (F13). Kantel je het een beetje, dan draait het rond een kantelrand. Het gewicht heeft dan een moment om die rand dat het voorwerp terugduwt, zolang nog aan de binnenkant van de rand ligt. Voorbij de kantelhoek ligt aan de buitenkant en duwt het gewicht het voorwerp verder om.
Is de kantelveiligheid kleiner dan 1, dan valt het voorwerp om. Ontwerpers eisen meestal minstens , omdat krachten onzeker zijn en een windstoot of een duw groter kan uitvallen dan gerekend. Drie manieren om iets stabieler te maken:
- Het zwaartepunt verlagen: zware delen onderaan (ballast), zoals het reservoir in de meetkas.
- Het steunvlak vergroten: bredere poten, een bredere voet, uitschuifbare steunpoten bij een hoogtewerker.
- Verankeren: een kracht toevoegen aan de andere kant van de kantelrand, met een grote arm: een grondanker, een muuranker bij een kast.
De grafiek toont het moment dat de meetkas terugduwt als je ze over haar lange rand kantelt, met . Bij een hoek van 47° (vol) of 40° (leeg) wordt het nul: daar ligt het zwaartepunt recht boven de rand.
Habitat: kantelt de meetkas in een storm?
De meetkas staat los op een terras. Bij een storm met windstoten van 20 m/s (72 km/h) duwt de wind met ongeveer 300 Pa op de lange zijwand van 1,20 × 0,80 m (een rekenwaarde; hoe je die uit de windsnelheid haalt, zie je in hoofdstuk E18). Kantelt de volle kas? En de lege, bijvoorbeeld tijdens de bouw of na het schoonmaken? Hoeveel kracht moeten grondankers leveren om de lege kas een kantelveiligheid van 1,5 te geven?
- winddruk op , resultante op halve hoogte (0,40 m)
- vol: 86,9 kg; leeg: 18,7 kg; zwaartepunt in het midden, van de kantelrand
- ankers aan de windkant, 0,60 m van de kantelrand
- vol en leeg
- ankerkracht voor
- 1Windkracht: druk maal oppervlakte (hoofdstuk 11), . Om de kantelrand aan de lijzijde: .
- 2Vol: , dus .
- 3Leeg: , dus : de lege kas kantelt.
- 4De winddruk groeit met het kwadraat van de windsnelheid. De lege kas kantelt al vanaf (50 km/h), een gewone winderige dag.
- 5Ankers aan de windkant trekken omlaag met arm 0,60 m: , dus .

De torenkraan: een wip van zestig meter
Een torenkraan is een reusachtig momentenevenwicht. Aan de ene kant van de mast hangt de last aan de giek, aan de andere kant ligt het contragewicht op de contragiek. Wat het niet opvangt, moet de mast dragen, en uiteindelijk de fundering. De grafiek eronder is een typische hijstabel.
- 1Giek
Een lichte vakwerkarm van tientallen meters. Vakwerk (driehoeken, F13) geeft veel stijfheid voor weinig gewicht: elke kilogram giek ver van de mast kost veel moment.
- 2Loopkat en vlucht
De loopkat rijdt over de giek. De horizontale afstand van de haak tot de as van de mast heet de vlucht: de arm van de last.
- 3Last en lastmoment
Het lastmoment is last maal vlucht. Deze kraan mag 5,0 t heffen tot 16 m; verder weg beslist het lastmoment van 80 t·m: 4,0 t op 20 m, 2,0 t op 40 m, 1,6 t op 50 m (grafiek).
- 4Contragewicht
Betonblokken op de contragiek. Ze compenseren de giek en ongeveer de helft van het grootste lastmoment. Te zwaar mag niet: zonder last zou de kraan dan achterover willen kantelen (opdracht 10.16).
- 5Mast
De mast draagt het gewicht van alles en het moment dat het contragewicht niet opheft, afwisselend naar voor en naar achter. Daarom is ook de mast een vakwerk.
- 6Fundering
Een betonblok of ballast onder een brede voet. Voor de kantelveiligheid telt de afstand van de mast tot de rand van de voet: dat is de arm van het stabiliserende gewicht.
- 7Lastmomentbegrenzer
Een sensor meet de kracht in de kabel en de plaats van de loopkat, en rekent het lastmoment uit. Wordt het te groot, dan blokkeert de kraan het heffen en het uitrijden van de kat.
Python: steunpuntsreacties voor veel lastgevallen
Een ingenieur rekent zelden één lastgeval. Waar mag het reservoir staan, wat als er iemand bij staat, wat als er later een tweede reservoir komt? Het programma zet het rekenwerk van het voorbeeld in een functie: elke verdeelde last wordt een resultante in het midden, de som van de momenten om A geeft en de som van de krachten geeft . Daarna verschuift het het reservoir langs de balk.
# steunpuntsreacties.py - een balk op twee steunpunten: A bij x = 0, B bij x = LL = 2.40 # overspanning van de vloerbalk (m) def reacties(puntlasten, verdeeld): """puntlasten: lijst van (F in N, x in m); verdeeld: lijst van (q in N/m, x1, x2).""" krachten = list(puntlasten) for q, x1, x2 in verdeeld: # verdeelde last: resultante in het midden krachten.append((q * (x2 - x1), (x1 + x2) / 2)) som_F = sum(F for F, x in krachten) som_M_A = sum(F * x for F, x in krachten) # moment van elke last om A R_B = som_M_A / L # som van de momenten om A is nul R_A = som_F - R_B # som van de verticale krachten is nul return R_A, R_B eigengewicht = [(75.0, 0.0, L)] # balk en vloerstrook: 75 N/mprint(" x reservoir (m) R_A (N) R_B (N)")for i in range(5): x = 0.40 + 0.40 * i # midden van het reservoir reservoir = [(996.3, x - 0.32, x + 0.32)] # 65 kg op 0,64 m balk R_A, R_B = reacties([], eigengewicht + reservoir) print(f"{x:10.2f} {R_A:8.1f} {R_B:8.1f}")Uitvoer (gecontroleerd door het programma te draaien):
x reservoir (m) R_A (N) R_B (N)
0.40 621.4 196.3
0.80 515.1 302.5
1.20 408.8 408.8
1.60 302.5 515.1
2.00 196.3 621.4Beide reacties veranderen lineair met de plaats van het reservoir, zoals bij de weegschalen in de proef. In het midden (1,20 m) dragen A en B elk 408,8 N; de som is altijd . Zo'n grafiek, 'hoe verandert een reactie als een last over de constructie rijdt', heet een invloedslijn; bruggenbouwers gebruiken ze om te bepalen waar een vrachtwagen het gevaarlijkst staat (hoofdstuk E13).
Overzicht: moment en evenwicht
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| moment | N·m | |
| kracht | N | |
| arm: loodrechte afstand tot de werklijn | m | |
| hoek tussen kracht en de lijn naar het draaipunt | ° |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| verdeelde belasting | N/m |
| vorm | oppervlakte | zwaartepunt |
|---|---|---|
| rechthoek | in het midden: en | |
| driehoek met basis en hoogte | op boven de basis (snijpunt van de zwaartelijnen) | |
| cirkel met straal | in het middelpunt | |
| halve cirkel met straal | op van de rechte rand |
| stappenplan evenwicht |
|---|
| 1. Kies het voorwerp en teken het vrijlichaamsdiagram, met elke kracht op haar aangrijpingspunt. Vervang steunpunten door reacties (rol: 1, scharnier: 2, inklemming: 3 onbekenden). |
| 2. Vervang verdeelde lasten door hun resultante; kies assen en een positieve draaizin. |
| 3. Neem momenten om een punt waar onbekenden aangrijpen: . |
| 4. Vul aan met en . |
| 5. Controleer met momenten om een ander punt, en met gezond verstand: draagt het steunpunt het dichtst bij de last het meest? |
| Habitat: rekenwaarden uit dit hoofdstuk | |
|---|---|
| vloerbalk module | vuren 45 × 145 mm, h.o.h. 40 cm, overspanning 2,40 m; balk + vloerstrook 75 N/m |
| reservoir op de vloer | 65 kg (met bak, deksel en pomp), 0,64 × 0,44 m; midden op 0,50 m van A: , |
| meetkas | leeg 18,7 kg, zwaartepunt 0,36 m; vol 86,9 kg, zwaartepunt 0,28 m; kantelhoek 40° en 47° (F13) |
| meetkas in de storm | 300 Pa op de zijwand: 288 N, vol, 0,48 leeg; ankers 196 N aan de windkant |
Waar momenten terugkomen
Met dit hoofdstuk is de statica compleet: een voorwerp in rust voldoet aan en . Elke brug, elk dak, elke kraan en elke robotarm wordt daarmee doorgerekend. De momenten komen ook terug als iets wél draait: het koppel van een motor, de hoekversnelling van een vliegwiel. En het zwaartepunt is de sleutel tot alles wat moet blijven staan of drijven.
Een kracht kan doen draaien, en heeft een aangrijpingspunt: nu weet je hoeveel ze draait.
De hefboomwet is een momentenevenwicht met twee krachten; de drie soorten hefbomen komen hier terug.
Zwaartepunt, steunvlak en kantelen, nu met getallen; de driehoek van het vakwerk in de giek van de kraan.
Een schuine kracht ontbinden, en de arm uitrekenen; de 1-op-4-regel van de ladder.
Het vrijlichaamsdiagram en de wrijving aan de voet van de ladder; nu met de krachten op hun echte plaats.
De gulden regel van de hefboom: wat je wint aan kracht, verlies je aan weg.
Kracht verdeeld over een oppervlak; de waterdruk op de wand van het reservoir als driehoekige last; drijven en stabiliteit.
Het koppel van een motor in N·m, en hoeveel moment de dakmotor moet leveren.
Het moment als vectorproduct , ook in drie dimensies.
Een moment dat niet nul is, geeft een hoekversnelling: de 'tweede wet' voor draaiende voorwerpen.
Wat er ín de balk gebeurt: buigmoment, spanning en doorbuiging van de vloerbalk.
Evenwicht in elk knooppunt en de snedemethode: de krachten in de staven van een dak of een kraan.
In het kort
- Het moment van een kracht om een punt is , met de loodrechte afstand tot de werklijn. Een schuine kracht: , of ontbind en neem alleen .
- Tegen de klok in is positief, met de klok mee negatief. Een moment schrijf je in N·m, nooit in J.
- De hefboomwet is een momentenevenwicht. Een voorwerp is in evenwicht als , én ; een koppel toont waarom de krachten alleen niet volstaan.
- De som van de momenten is nul om élk punt: kies het punt waar een onbekende aangrijpt.
- Steunpunten vervang je door reacties: een rol levert één kracht, een scharnier twee, een inklemming ook nog een moment. Het steunpunt het dichtst bij de last draagt het meest.
- Een verdeelde last (N/m) vervang je voor het evenwicht door in het zwaartepunt van het lastvlak.
- Het zwaartepunt van een samengestelde vorm: , met een gat als negatieve oppervlakte. Het kan buiten het voorwerp liggen; je vindt het ook met een schietlood.
- Een voorwerp kantelt als de lijn door zijn zwaartepunt buiten de kantelrand valt. Kantelveiligheid , liefst minstens 1,5: laag zwaartepunt, breed steunvlak, of verankeren.
Wat je nu kent
- moment (van een kracht)
- Maat voor hoe sterk een kracht een voorwerp rond een punt doet draaien: , in N·m.
- arm
- De loodrechte afstand van het draaipunt tot de werklijn van de kracht.
- werklijn
- De rechte waarop een kracht ligt, door haar aangrijpingspunt en in haar richting.
- koppel
- Twee even grote, tegengestelde, evenwijdige krachten die niet op één lijn liggen: samen geen resulterende kracht, wel een moment.
- evenwichtsvoorwaarden
- Een voorwerp is in evenwicht als de som van de krachten nul is én de som van de momenten om elk punt nul is.
- steunpuntsreactie
- De kracht die een steunpunt (oplegging) op een balk of constructie uitoefent.
- verdeelde belasting
- Een last die over een lengte gespreid is, uitgedrukt in N/m; ze werkt voor het evenwicht als haar resultante in het zwaartepunt van het lastvlak.
- zwaartepunt
- Het punt waar je de hele zwaartekracht op een voorwerp mag laten aangrijpen.
- kantelhoek
- De hoek waarover je een voorwerp kan kantelen voor het uit zichzelf omvalt: de lijn door het zwaartepunt gaat dan net door de kantelrand.
- kantelveiligheid
- Stabiliteitsmoment gedeeld door kantelmoment; ontwerpers eisen meestal minstens 1,5.