Handboek · hoofdstuk 12Sterkteleer
Wat er in een staaf, een balk en een mast gebeurt als je ze belast, en hoe dik ze moeten zijn
Een constructie moet drie dingen: niet breken, niet te ver doorbuigen en niet knikken. Sterkteleer rekent dat uit. Je leert spanning en rek kennen en wat een materiaal ermee doet in het spanning-rekdiagram, hoe ingenieurs met een veiligheidsfactor onzekerheid opvangen, hoe een balk buigt (moment, traagheidsmoment, doorbuiging) en waarom een slanke drukstaaf plots opzij springt (knik, Euler). Voor Habitat controleer je de vloerbalk onder het reservoir, het kasframe onder sneeuw en de weermast, en kies je de buis van de mast van de windturbine.

- Je kan normaalspanning, rek en de elasticiteitsmodulus gebruiken om te berekenen hoeveel een staaf rekt en welke doorsnede ze nodig heeft.
- Je kan een spanning-rekdiagram lezen (elastisch, vloeien, versteviging, insnoering, breuk) en taaie en brosse materialen onderscheiden.
- Je kan een veiligheidsfactor, een toelaatbare spanning en de partiële factoren van de Eurocode verklaren en toepassen.
- Je kan dwarskracht en buigmoment van een balk bepalen, de buigspanning My/I afleiden en traagheidsmomenten van doorsneden berekenen, ook met de verschuivingsstelling.
- Je kan de doorbuiging van een balk berekenen met de elastische lijn, met formules voor standaardgevallen en numeriek in Python.
- Je kan de kniklast van Euler afleiden en toepassen met de juiste kniklengte en slankheid, en een mast volledig dimensioneren.
Euler en de knik
In 1742 schreef Daniel Bernoulli aan zijn vriend Leonhard Euler een idee: een gebogen elastische staaf neemt de vorm aan waarbij de som van de kwadraten van haar kromming zo klein mogelijk is. Euler werkte het uit met de variatierekening en publiceerde het in 1744, als bijlage De curvis elasticis bij een boek over krommen met een extreme eigenschap. Hij vond alle vormen die een gebogen staaf kan aannemen, en daartussen een merkwaardig resultaat: een rechte staaf die op druk belast wordt, blijft recht tot een bepaalde kracht, en daarboven bestaat er plots een gebogen evenwicht. In 1757 schreef hij er een apart stuk over, Sur la force des colonnes. Dat is de kniklast die nog altijd zijn naam draagt.
Euler rekende met een 'absolute elasticiteit' van de staaf. Pas later kon men die opsplitsen in een materiaaleigenschap (de elasticiteitsmodulus, Thomas Young, 1807) en een eigenschap van de vorm van de doorsnede (het traagheidsmoment, in de buigtheorie van Claude Navier, 1826): samen . Ingenieurs vertrouwden de formule lang niet, want hun proeven op korte, dikke kolommen klopten er niet mee: die bezwijken door verbrijzelen of vloeien, niet door knik. Pas zorgvuldige proeven in de negentiende eeuw toonden dat Euler gelijk heeft voor slanke staven, en dat daartussen een overgangsgebied ligt.
Hoe duur het is om knik te vergeten, toonde de Quebec Bridge (hoofdstuk 13 van F). Op 29 augustus 1907 knikten de onderste drukstaven van de half gebouwde brug, en 75 van de 86 arbeiders kwamen om. Het onderzoek wees twee oorzaken aan. De overspanning was verlengd tot ongeveer 549 m zonder het eigengewicht opnieuw te berekenen, zodat de staven zwaarder belast waren dan ontworpen. En de reusachtige drukstaven bestonden uit vier platen die met een rooster van lichte strippen verbonden waren; dat rooster was te zwak, zodat de staaf zich niet als één geheel gedroeg maar als vier slanke platen. Knik hangt niet alleen af van hoeveel materiaal er is, maar van hoe het samenwerkt: van .
Elk onderdeel van Habitat moet een getal krijgen: hoe dik, welk profiel, welk materiaal. De windturbine van hoofdstuk 11 staat op een mast van 12 m die een storm moet doorstaan zonder te breken, zonder te ver te wijken en zonder dat haar eigenfrequentie in de verkeerde band belandt. Dat vraagt spanningen, doorbuigingen en knik in één berekening.
Spanning, rek en de elasticiteitsmodulus
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| trek, druk, buiging, knik als verschijnsel; het stijfheidsgetal (hoofdstuk 13 van F) | spanning, rek, traagheidsmoment en de kniklast in getallen |
| materiaaleigenschappen, de wet van Hooke voor een veer (hoofdstuk 10 en 11 van F) | de wet van Hooke voor een materiaal: |
| evenwicht, reacties en de vloerbalk onder het reservoir (hoofdstuk 10 van I) | wat er in de balk gebeurt: moment, spanning, doorbuiging |
| afgeleiden en integralen (hoofdstuk 1 en 3), staafkrachten van een vakwerk (hoofdstuk 5) | , de elastische lijn, en welke doorsnede een staafkracht aankan |
Trek aan een staaf met een kracht . Een twee keer zo dikke staaf rekt half zoveel; een twee keer zo lange staaf rekt twee keer zoveel. Om over het materiaal te kunnen praten, los van de afmetingen, deel je de kracht door de doorsnede en de verlenging door de lengte:
Druk is dezelfde formule met een minteken: , de staaf wordt korter. Terwijl een staaf langer wordt, wordt ze ook iets dunner: de dwarscontractie , met voor metalen (coëfficiënt van Poisson). Een kracht evenwijdig aan een doorsnede geeft een schuifspanning : zo reken je een bout die op afschuiving belast wordt.
Een tank onder druk. Snij een dunwandige cilinder (straal , wanddikte , overdruk ) in gedachten in de lengte door. Op een stuk van lengte duwt de druk de helften uit elkaar met ; twee wanden houden ze samen met . Dus is de ringspanning . Voor de drinkwatertank van het station (hoofdstuk 2) is de druk onderaan ; met en een wand van 8 mm (rekenwaarde) is , ver onder wat HDPE op lange termijn verdraagt (enkele MPa). De wand is dus dik om andere redenen: stijfheid, hanteren, het gietproces. Bij grote stalen opslagtanks beslist de ringspanning wel, en daarom zijn die breed en laag (opdracht 2.13).
| materiaal (rekenwaarden) | (GPa) | vloeigrens of (MPa) | treksterkte (MPa) | rek bij breuk | (kg/m³) |
|---|---|---|---|---|---|
| staal S235 | 210 | ≥ 235 | 360 à 510 | ≥ 26 % | 7850 |
| staal S355 | 210 | ≥ 355 | 470 à 630 | ≥ 22 % | 7850 |
| aluminium 6063-T6 (profielen, kasframe) | 70 | ≥ 170 | ≥ 215 | ±10 % | 2700 |
| vuren C24, langs de vezel (karakteristiek) | 11 (gemiddeld) | - | trek 14,5; buiging 24; druk 21 | klein | ±420 |
| beton C30/37 | ±33 | - | druk 30; trek ±2,9 | bros | 2400 |
| PETG, 3D-geprint (orde van grootte) | ±2 | - | ±50 langs de lijnen, minder tussen de lagen | enkele % | 1270 |
Let op de orde van grootte: een rek van (0,1 %) is voor staal al 210 MPa, bijna de vloeigrens. In het elastische gebied veranderen metalen onderdelen dus maar duizendsten van hun lengte. Hout is 19 keer soepeler dan staal, en ook 19 keer lichter.
Habitat: de staven van de paneelsteun
Hoofdstuk 5 rekende de staafkrachten van de steun van het zonnepaneel bij storm (wind en gewicht). We maken de steun uit aluminium kokers 30 × 30 × 2 mm (6063-T6) en verbinden de staven met bouten M8. Bereken voor elke staaf de spanning, de rek en de verlenging, en de schuifspanning in de bout van de zwaarst belaste staaf.
- koker 30 × 30 × 2 mm: ,
- staafkrachten bij storm (hoofdstuk 5, trek positief); bout M8 in enkele afschuiving
- , , per staaf; in de bout
- 1Per staaf , en :
staaf lengte (mm) kracht (N) (MPa) (mm) AC voorpaal 200 −542 −2,42 −35·10⁻⁶ −0,0069 CD paneelregel 1000 −429 −1,91 −27·10⁻⁶ −0,0273 BD achterpaal 1066 372 1,66 24·10⁻⁶ 0,0253 AB grondregel 500 −429 −1,91 −27·10⁻⁶ −0,0137 BC diagonaal 538 462 2,06 29·10⁻⁶ 0,0159 - 2De voorpaal draagt het meest: . De bout die hem vasthoudt, wordt afgeschoven over zijn doorsnede : (de schroefdraad buiten de snede gelaten).
- 3Is een drukstaaf ook stabiel? De paneelregel is de langste drukstaaf (1,00 m, 429 N). Het verderop in dit hoofdstuk afgeleide knikgetal geeft met : , 47 keer de belasting.
Het spanning-rekdiagram
In een trekproef trekt een machine een proefstaaf langzaam uit tot ze breekt, en meet ze kracht en verlenging. Gedeeld door de oorspronkelijke doorsnede en lengte geeft dat het spanning-rekdiagram (volgend blad). Het begin, uitvergroot in de figuur, is een rechte met helling : het elastische gebied. Laat je daar los, dan keert de staaf terug naar haar lengte.
Bouwstaal (S235, S355) heeft daarna een scherpe vloeigrens: de staaf rekt verder zonder dat de kracht stijgt. Aluminium en de meeste andere metalen gaan geleidelijk over; daar kiest men als grens de spanning waarbij na ontlasten 0,2 % blijvende rek overblijft, : het snijpunt van de kromme met een rechte met helling door 0,2 %. Daarna volgt versteviging: het materiaal wordt harder naarmate het vervormt, tot de treksterkte . Dan snoert de staaf plaatselijk in en breekt ze. De blijvende rek bij breuk heet de breukrek .
Taai en bros. Staal en aluminium zijn taai: ze vervormen zichtbaar voor ze breken, en ze waarschuwen. Glas, beton onder trek, gietijzer en een 3D-print tussen zijn lagen zijn bros: ze breken in het rechte stuk van het diagram. Een taai onderdeel verdeelt bovendien pieken: waar de spanning plaatselijk de vloeigrens haalt (rond een gat, in een hoek), vloeit het materiaal een beetje en neemt de omgeving over. Een bros onderdeel scheurt daar.
Energie. De oppervlakte onder het diagram is de arbeid per volume, (hoofdstuk 3). Tot aan de breuk is dat voor het staal van het model ongeveer 103 MJ/m³ (MPa maal rek): de reden waarom een kreukelzone (hoofdstuk 9) uit dun staal bestaat dat plooit en vloeit.
S355 is 50 % sterker dan S235, maar precies even stijf: voor alle staalsoorten. Wie een mast of balk moet verstijven (minder doorbuiging, hogere eigenfrequentie), heeft niets aan een sterkere staalsoort; alleen een grotere helpt. Sterkte en stijfheid zijn verschillende dingen.
Het spanning-rekdiagram ontleed
De volledige diagrammen van een staaf S235 en een staaf aluminium 6063-T6. Het zijn modelkrommen met waarden zoals een echte trekproef ze geeft (een echte staaf ligt meestal boven de minimale waarden uit de norm).
- 1Elastisch gebied
Rechte met helling E = 210 GPa, tot een rek van ongeveer 0,13 %. Alles wat Habitat normaal belast, blijft hier.
- 2Bovenste en onderste vloeigrens
Bouwstaal houdt eerst iets meer (280 MPa), springt dan terug naar een plateau (260 MPa). De norm eist voor S235 minstens 235 MPa.
- 3Vloeiplateau
Tot ±1,5 % rekt de staaf verder bij dezelfde kracht: banden van vloeiend materiaal lopen door de staaf.
- 4Versteviging
Het materiaal wordt harder naarmate het vervormt (roosterfouten raken in elkaar verstrikt, hoofdstuk 28).
- 5Treksterkte Rm
De top: 420 MPa. Hier begint de staaf plaatselijk in te snoeren.
- 6Insnoering
De doorsnede wordt plaatselijk kleiner; de kracht daalt, al stijgt de echte spanning in de hals nog.
- 7Breuk
Na ±28 % rek (de norm eist voor S235 minstens 26 %): een taai materiaal dat ruim waarschuwt.
- 8Ontlasten
Wie bij 12 % loslaat, zakt langs een rechte met helling E terug: bijna 12 % blijft. Opnieuw belasten gaat langs dezelfde rechte: het staal is sterker geworden (koud vervormd).
- 9Aluminium 6063-T6
Geen vloeiplateau, Rp0,2 ±190 MPa, Rm ±230 MPa, breuk bij ±10 %: minder taai dan staal, en drie keer zo soepel (E = 70 GPa).
Buiging: dwarskracht en buigmoment
Een balk draagt lasten dwars op zijn as. Snij hem in gedachten door op plaats : het linkerdeel oefent op het rechterdeel een dwarskracht en een buigmoment uit, precies genoeg om het rechterdeel in evenwicht te houden (hoofdstuk 10 van I). Evenwicht van een dun schijfje met een verdeelde last geeft:
Voor de vloerbalk van de klimaatmodule (vuren 45 × 145 mm, 2,40 m, 75 N/m eigengewicht) met het reservoir (65 kg op 0,64 m, midden op 1,00 m van A, zoals hoofdstuk 10 van I aanraadde) en iemand van 80 kg op 1,40 m die het bijvult, geeft dat de figuur. De reacties zijn en ; daalt lineair onder de verdeelde lasten, verspringt onder de persoon en gaat daar door nul. Het grootste moment, 776 N·m, ligt dus onder de voeten van de persoon.
Buigspanning en het traagheidsmoment van een doorsnede
Wat doet een moment in een balk? Het idee van Navier: vlakke doorsneden blijven vlak en draaien ten opzichte van elkaar. Buigt de balk tot een boog met kromtestraal , dan wordt een vezel op afstand van de neutrale lijn langer of korter met rek (aan de ene kant trek, aan de andere druk). Met Hooke: , lineair over de hoogte (figuur).
Twee voorwaarden leggen alles vast. (1) Er is geen trekkracht in de balk: : de neutrale lijn gaat door het zwaartepunt van de doorsnede. (2) De spanningen geven samen het moment: . Die laatste integraal is het traagheidsmoment van de doorsnede (niet te verwarren met het massatraagheidsmoment van hoofdstuk 10, al lijkt de integraal op elkaar). Dus , en samen:
Een rechthoek : . Het stijfheidsgetal van hoofdstuk 13 van F was dus twaalf keer het traagheidsmoment. Materiaal ver van de neutrale lijn telt met het kwadraat van zijn afstand: daarom zijn I-profielen, kokers en buizen zo efficiënt.
| doorsnede | om de horizontale as | |
|---|---|---|
| rechthoek | ||
| volle cirkel, diameter | ||
| buis () | ||
| vierkante koker () | ||
| samengesteld (I, T, U) | (Steiner) |
Samengestelde doorsneden reken je met de verschuivingsstelling, net als in hoofdstuk 10: , met de afstand van het zwaartepunt van elk deel tot de neutrale lijn van het geheel.
Traagheidsmomenten: plank, koker, I-profiel en buis
Bereken het traagheidsmoment van (a) een plank van 100 × 20 mm, plat en op zijn kant; (b) de koker van het kasframe, 20 × 20 × 1,5 mm, en een volle vierkante staaf met dezelfde doorsnede; (c) een I-profiel IPE 100 (hoogte 100, flensbreedte 55, flens 5,7, lijf 4,1 mm); (d) de buis van de mast, 244,5 × 5,0 mm.
- afmetingen hierboven
- in mm⁴ of cm⁴ ()
- 1(a) Plat: ; op zijn kant: , 25 keer meer (de verhouding ). Zo legt een timmerman een balk.
- 2(b) Koker: met . Een volle staaf met dezelfde heeft zijde en : de koker is 6,2 keer zo stijf met evenveel aluminium.
- 3(c) Twee flenzen en een lijf, met Steiner: flens , twee keer, plus het lijf : . De flenzen leveren 85 %. De tabel van de fabrikant geeft 171 cm⁴: de afrondingen tussen flens en lijf voegen nog 5 % toe.
- 4(d) , met en (29,5 kg per meter).
Veiligheidsfactor en toelaatbare spanning
Een berekening is nooit exact. Lasten spreiden (een storm is sterker dan gemiddeld), materialen spreiden (een staaf ligt boven of onder de gemiddelde sterkte), modellen vereenvoudigen, en de uitvoering is niet perfect. Daarom eist men een marge tussen wat een onderdeel kan dragen en wat het moet dragen.
Een voorbeeld uit laag 1: een proefsteun van de plantentafel bezweek bij 900 N; in gebruik draagt elke steun ±277 N (hoofdstuk 13 van F). De veiligheidsfactor is .
Waarom dan geen overal? Omdat materiaal geld, gewicht en energie kost. Een vliegtuig vliegt met factoren rond 1,5, dankzij nauwkeurige lasten, gecontroleerd materiaal en inspecties; een hijskabel krijgt 5 of meer, omdat hij slijt en mensen eronder staan. De factor weerspiegelt dus hoe goed je de spreiding kent en hoe erg falen is.
Zo werkt de Eurocode. In plaats van één factor gebruikt ze partiële factoren. Elke last krijgt een karakteristieke waarde (voor wind en sneeuw: eens in de 50 jaar) en een factor ( op het eigen gewicht, op veranderlijke lasten). Elk materiaal krijgt als karakteristieke sterkte het 5 %-fractiel: de waarde waar 95 % van de proefstukken boven ligt (hoofdstuk 6), en een eigen factor (staal 1,0 op de vloeigrens, hout 1,3, met een factor die rekening houdt met de duur van de last). De eis is: rekenwaarde van de belasting rekenwaarde van de sterkte.
| werkwijze | wat je vergelijkt | typische factor |
|---|---|---|
| toelaatbare spanning (klassiek) | taai staal op de vloeigrens ; brosse materialen op de breuksterkte à 5; hijskabels 5 en meer | |
| partiële factoren (Eurocode) | tegenover | (eigen gewicht), (wind, sneeuw, personen); staal ; hout met |
| betrouwbaarheid | faalkans | gewone gebouwen: over 50 jaar, |
De figuur toont waarom: belasting en sterkte zijn allebei verdelingen. Falen gebeurt waar ze overlappen. Zijn beide normaal verdeeld, dan is de faalkans met . In de figuur is en : de overlap is te klein om te zien. Wie de spreiding kleiner maakt (betere metingen, gecontroleerd materiaal), mag de gemiddelden dichter bij elkaar leggen bij dezelfde faalkans.
Doorbuiging: de elastische lijn
Voor een licht gebogen balk met doorbuiging is de kromming . Met het vorige blad:
Afleiding voor de mast. Een ingeklemde staaf van lengte met een kracht aan de top, met de hoogte boven de inklemming: . Integreren met en :
Dat is de veerconstante die hoofdstuk 11 met een trekproef mat. Voor een gelijkmatige last is en . Omdat de vergelijking lineair is, mag je lastgevallen optellen (superpositie).
| geval | grootste moment | grootste doorbuiging |
|---|---|---|
| ingeklemd, kracht aan het vrije uiteinde | (aan de inklemming) | |
| ingeklemd, verdeelde last | ||
| twee steunpunten, kracht in het midden | ||
| twee steunpunten, verdeelde last | ||
| beide uiteinden ingeklemd, kracht in het midden |
Let op de macht van : een twee keer zo lange balk buigt acht (puntlast) of zestien keer (verdeelde last) zoveel door. Ook de opleggingen tellen: een balk die aan beide uiteinden ingeklemd is, buigt vier keer minder door dan een balk op twee steunpunten.
Hout kruipt. Onder een blijvende last buigt hout na jaren verder door. Eurocode 5 vermenigvuldigt de doorbuiging door blijvende lasten met , met voor hout binnen in een verwarmd gebouw. De gebruikelijke eis voor een vloer is een doorbuiging van hoogstens .
Een balk numeriek doorrekenen
Met formules lukt het voor één last. Voor een echte balk met een verdeelde last op een stuk, een eigengewicht en een persoon is een numerieke aanpak eenvoudiger en algemener: tel alles op met de trapeziumregel. Het programma berekent de reacties (momentenevenwicht), als integraal van de last, als integraal van , en de doorbuiging door twee keer te integreren. De integratieconstanten zijn nul in A; een rechte die we aftrekken, zorgt dat ook in B.
# balk.py - reacties, dwarskracht, moment en doorbuiging van een balk op twee steunpunten (numeriek)import numpy as np L, E, b, h = 2.40, 11000e6, 0.045, 0.145 # vloerbalk (m), vuren C24 (Pa), doorsnede (m)I, W = b * h**3 / 12, b * h**2 / 6x = np.linspace(0, L, 2401) # 1 mm per stap def integreer(y): """Trapeziumregel van 0 tot elke x (hoofdstuk 3).""" return np.concatenate([[0.0], np.cumsum((y[1:] + y[:-1]) / 2 * np.diff(x))]) def balk(q, puntlasten): """q: verdeelde last (N/m) in elk punt; puntlasten: [(F, a)]. Geeft RA, RB, V, M, w.""" F_tot = integreer(q)[-1] + sum(F for F, a in puntlasten) M_A = integreer(q * x)[-1] + sum(F * a for F, a in puntlasten) RB = M_A / L # momenten om A RA = F_tot - RB V = RA - integreer(q) - sum(F * (x >= a) for F, a in puntlasten) M = integreer(V) # dM/dx = V hoek = integreer(M / (E * I)) # w'' = M/(EI): twee keer integreren w = integreer(hoek) w = w - w[-1] * x / L # een rechte optellen zodat w(L) = 0 (steunpunt B) return RA, RB, V, M, -w # doorbuiging naar beneden positief reservoir = np.where(abs(x - 1.00) <= 0.32, 65 * 9.81 / 0.64, 0.0) # 65 kg over 0,64 meigen = np.full_like(x, 75.0)persoon = [(80 * 9.81, 1.40)] for naam, gG, gQ in (("gebruik (karakteristiek)", 1.0, 1.0), ("rekenwaarde 1,35 G + 1,5 Q", 1.35, 1.5)): RA, RB, V, M, w = balk(gG * (eigen + reservoir), [(gQ * F, a) for F, a in persoon]) i = np.argmax(M) print(f"{naam}: RA = {RA:6.1f} N, RB = {RB:6.1f} N, Mmax = {M[i]:6.1f} N m op {x[i]:.2f} m, " f"sigma = {M[i] / W / 1e6:4.2f} MPa, doorbuiging {1000 * w.max():4.2f} mm")Uitvoer:
gebruik (karakteristiek): RA = 789.1 N, RB = 813.4 N, Mmax = 775.8 N m op 1.40 m, sigma = 4.92 MPa, doorbuiging 3.34 mm rekenwaarde 1,35 G + 1,5 Q: RA = 1114.3 N, RB = 1166.7 N, Mmax = 1116.0 N m op 1.40 m, sigma = 7.08 MPa, doorbuiging 4.77 mm
De reacties kloppen met hoofdstuk 10 van I (met het reservoir op 1,00 m en de persoon op 1,40 m). Het volgende voorbeeld beoordeelt de getallen. In opdracht 12.13 laat je de persoon over de balk wandelen en zoek je de ongunstigste plaats.
Habitat: is de vloerbalk sterk en stijf genoeg?
Beoordeel de vloerbalk onder het reservoir (vuren C24, 45 × 145 mm, 2,40 m) volgens de Eurocode: sterkte met en zonder de persoon, en de doorbuiging, ook na jaren kruip. Hoofdstuk 10 van I rekende alleen de reacties; nu kijken we in de balk.
- , ,
- C24: , ; (permanent), 0,9 (kort: een persoon)
- uitvoer van
balk.py
- tegenover ; doorbuiging tegenover
- 1Met de persoon (1,35 G + 1,5 Q): , ; toelaatbaar . Benutting 43 %.
- 2Alleen blijvende lasten (1,35 G, hout houdt minder lang): , tegenover : 29 %.
- 3Doorbuiging (karakteristieke lasten): 1,6 mm door eigengewicht en reservoir, 3,3 mm met de persoon erbij. Na jaren kruip: , tegenover .
Een lat doorbuigen: E en het traagheidsmoment
Klopt ? Hoeveel stijver is een lat op haar kant dan plat? En welke heeft het hout?
- een rechte houten lat, ±12 × 45 mm en 1,3 m lang (meet b en h met een schuifmaat)
- twee steunen op 1,20 m
- een haakje in het midden en gewichten tot 5 kg
- een meetklok of schuifmaat en een vaste lat om van af te lezen
- 1Leg de lat plat op de steunen en lees de hoogte van het midden af zonder last.
- 2Hang 0,5; 1,0; 1,5 en 2,0 kg in het midden en lees telkens de doorbuiging af. Haal de gewichten weg en controleer of de lat terugkomt.
- 3Leg de lat op haar kant en herhaal met 1 tot 5 kg.
- 4Zet de doorbuiging uit tegen de kracht; bereken E uit de helling met I = bh³/12.
Een voorbeeldmeting (lat 12,0 × 45,0 mm, overspanning 1200 mm):
| massa (kg) | 0,0 | 1,0 | 2,0 | 3,0 | 4,0 | 5,0 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| plat: doorbuiging (mm) | 0,0 | 2,5 | 5,2 | 7,7 | 10,4 | - |
| op zijn kant: doorbuiging (mm) | 0,00 | 0,30 | 0,74 | 1,18 | 1,39 | 1,85 |
Hellingen: plat 0,530 mm/N, op zijn kant 0,0377 mm/N: een verhouding van 14,0.
Uit : . Plat (): ; op zijn kant (): . Beide ±10,5 GPa, iets onder de 11 GPa van C24 (een lat is geen gesorteerde balk).
De verhouding van de hellingen is : zelfde hout, zelfde oppervlakte, veertien keer stijver. De kleine afwijking komt van de meetfout op de kleine doorbuigingen op zijn kant. Wie een tiende millimeter verkeerd meet, maakt op een fout van 2,5 %: meet de dikte op meerdere plaatsen.
Habitat: het kasframe onder sneeuw
Het platte dak van de meetkas (1,20 × 0,60 m) draagt sneeuw. In België is de karakteristieke sneeuwlast op de grond (tot 100 m hoogte); op een plat dak telt de Eurocode daarvan 80 %. De polycarbonaatplaten overspannen de 0,60 m tussen de voorste en achterste bovenregel, twee aluminium kokers van 20 × 20 × 1,5 mm en 1,20 m. Bereken de spanning en de doorbuiging van een bovenregel.
- ; elke regel draagt een strook van 0,30 m
- koker: , , ; 6063-T6
- ,
- 1Last op de regel: .
- 2Twee steunpunten (de hoekstijlen): ; . Met : 51 MPa, tegenover : in orde.
- 3, of .
Knik: de formule van Euler
Een rechte staaf op druk is in evenwicht. Maar is dat evenwicht stabiel? Stel dat ze een beetje uitbuigt, met . De drukkracht werkt dan met een arm : het moment buigt de staaf verder. Met de elastische lijn, voor een staaf die aan beide uiteinden scharniert:
Dat is de vergelijking van de harmonische trilling uit hoofdstuk 11, met de plaats in de rol van de tijd. De oplossing is . Uit volgt ; uit volgt . Is , dan is de staaf recht. Een uitgebogen evenwicht () kan alleen als De kleinste kracht waarbij dat kan, is de kniklast:
| opleggingen | kniklengte | voorbeeld |
|---|---|---|
| onderaan ingeklemd, bovenaan vrij | vrijstaande mast, vlaggenstok | |
| beide uiteinden scharnierend, zijdelings vastgehouden | staaf in een vakwerk, getuide mast | |
| ingeklemd en scharnierend | kolom op een fundering met een scharnierende ligger erop | |
| beide uiteinden ingeklemd | staander tussen twee stijve vloeren |
Waar Euler ophoudt. Voor een korte, dikke staaf zou boven de vloeigrens liggen: dan vloeit ze voor ze knikt. De grens ligt waar , bij voor S235. De relatieve slankheid is . Echte staven zijn nooit perfect recht en hebben restspanningen van het walsen of lassen; daardoor knikken ze al vroeger, vooral rond . De Eurocode gebruikt daarom knikkrommen (figuur): het draagvermogen is , met uit en ; is groter voor profielen met meer onvolkomenheden.
Knik is een stijfheidsprobleem. Een slanke staaf uit S355 knikt bij precies dezelfde kracht als een uit S235: is gelijk. Aluminium ( drie keer kleiner) knikt drie keer vroeger dan even dik staal. Wat helpt: een grotere (buis in plaats van staaf), een kortere kniklengte (een steun halverwege halveert en verviervoudigt ) of een stijver materiaal.
Habitat: knikt de weermast?
De weermast van het station (hoofdstuk 5) is 6,0 m hoog en wordt bovenaan door drie tuidraden met elk 400 N voorspanning naar ankers op 3,0 m getrokken. Hoofdstuk 5 vond dat de tuien de mast samen met 1073 N naar beneden duwen. Welke buis kies je: een aluminium buis Ø 50 × 2 mm of een stalen steigerbuis Ø 48,3 × 3,2 mm?

- mast onderaan scharnierend, bovenaan zijdelings vastgehouden door de tuien:
- drukkracht: 1073 N (tuien) + eigengewicht + ±30 N instrumenten
- voor beide buizen; veiligheid; controle met de knikkromme
- 1Staal 48,3 × 3,2: , (3,56 kg/m, 21 kg in totaal). .
- 2Drukkracht onderaan: . Veiligheid tegen Euler: .
- 3Aluminium Ø 50 × 2: , maar : , veiligheid 1,27. Een windstoot die de tuien aan de windzijde strakker trekt, of een iets kromme buis, en de mast knikt.
- 4Eurocode voor de stalen buis: , , (zeer slank). Een steigerbuis is koudgevormd en gelast: knikkromme c, , draagvermogen tegenover : in orde.
Habitat: de buis voor de windturbinemast kiezen
De mast van de windturbine (hoofdstuk 11) is een ingeklemde stalen buis van 12,0 m. De lasten (karakteristiek):
- op de mastkop 1,5 kN horizontaal. Dat is de stuwkracht van de rotor in bedrijf, met (de optimale waarde van Betz) bij 15 m/s: 1539 N, net voor de rotor uit de wind draait. In een storm staat de rotor stil en uit de wind; dan duwt de wind op rotor, gondel en staart samen ongeveer evenveel ();
- wind op de mast zelf: , met piekstuwdruk (een orde van grootte voor 12 m hoogte in open terrein in België, waar de basiswindsnelheid volgens de plaats 23 tot 26 m/s is; de nationale bijlage van de Eurocode geeft de echte waarde) en vormfactor voor een ronde buis.
Het programma probeert gangbare buismaten en houdt drie eisen aan: sterkte met op de wind, geen plaatselijk plooien (: een dunnere wand deukt in voor het staal vloeit) en de trillingseis uit hoofdstuk 11 (eerste eigenfrequentie minstens 10 % onder 1P bij 80 tpm).
Dit is een leerrijke voorstudie met afgeronde lasten. Een echte mast wordt berekend met de Eurocode en de norm voor kleine windturbines (IEC 61400-2), door een ingenieur die tekent, en gecontroleerd op vermoeiing en op de fundering.
# mast.py - de lichtste stalen buis voor de mast van de windturbineimport math L, E, rho, fy = 12.0, 210e9, 7850.0, 235e6 # mast (m), staal S235 (Pa, kg/m3, Pa)F_kop, q_p, c_f = 1500.0, 1000.0, 0.7 # kracht op de mastkop (N), piekstuwdruk (Pa), vormfactor buism_top, gamma = 150.0, 1.5 # gondel + rotor (kg), belastingsfactor (wind)f_1P_min = 80 / 60 # 1P bij het laagste toerental in bedrijf (Hz)buizen = [(D, t) for D in (193.7, 219.1, 244.5, 273.0) for t in (4.0, 5.0, 6.3, 8.0)] # mm def controle(D_mm, t_mm): D, t = D_mm / 1000, t_mm / 1000 I = math.pi / 64 * (D**4 - (D - 2 * t)**4) A = math.pi / 4 * (D**2 - (D - 2 * t)**2) M = F_kop * L + q_p * c_f * D * L**2 / 2 # buigmoment aan de voet (N m) sigma = gamma * M / (I / (D / 2)) # rekenwaarde van de buigspanning (Pa) massa = rho * A * L f1 = math.sqrt(3 * E * I / L**3 / (m_top + 33 / 140 * massa)) / (2 * math.pi) eisen = {"sterkte": sigma <= fy, "plooien": D / t <= 50, "trilling": f1 <= f_1P_min / 1.1} return massa, sigma, f1, [naam for naam, ok in eisen.items() if not ok] goed = []for D, t in buizen: massa, sigma, f1, fout = controle(D, t) if not fout: goed.append((massa, D, t)) oordeel = "in orde" if not fout else "faalt: " + ", ".join(fout) print(f"{D:5.1f} x {t:3.1f} mm: {massa:4.0f} kg, sigma {sigma / 1e6:4.0f} MPa, f1 {f1:4.2f} Hz {oordeel}")massa, D, t = min(goed)print(f"lichtste buis die aan alle eisen voldoet: {D} x {t} mm ({massa:.0f} kg)")Uitvoer:
193.7 x 4.0 mm: 225 kg, sigma 376 MPa, f1 0.70 Hz faalt: sterkte 193.7 x 5.0 mm: 279 kg, sigma 305 MPa, f1 0.75 Hz faalt: sterkte 193.7 x 6.3 mm: 349 kg, sigma 247 MPa, f1 0.80 Hz faalt: sterkte 193.7 x 8.0 mm: 440 kg, sigma 200 MPa, f1 0.86 Hz in orde 219.1 x 4.0 mm: 255 kg, sigma 305 MPa, f1 0.83 Hz faalt: sterkte, plooien 219.1 x 5.0 mm: 317 kg, sigma 248 MPa, f1 0.89 Hz faalt: sterkte 219.1 x 6.3 mm: 397 kg, sigma 200 MPa, f1 0.95 Hz in orde 219.1 x 8.0 mm: 500 kg, sigma 161 MPa, f1 1.01 Hz in orde 244.5 x 4.0 mm: 285 kg, sigma 254 MPa, f1 0.96 Hz faalt: sterkte, plooien 244.5 x 5.0 mm: 354 kg, sigma 206 MPa, f1 1.03 Hz in orde 244.5 x 6.3 mm: 444 kg, sigma 166 MPa, f1 1.10 Hz in orde 244.5 x 8.0 mm: 560 kg, sigma 134 MPa, f1 1.17 Hz in orde 273.0 x 4.0 mm: 318 kg, sigma 213 MPa, f1 1.12 Hz faalt: plooien 273.0 x 5.0 mm: 397 kg, sigma 172 MPa, f1 1.20 Hz faalt: plooien 273.0 x 6.3 mm: 497 kg, sigma 138 MPa, f1 1.27 Hz faalt: trilling 273.0 x 8.0 mm: 627 kg, sigma 111 MPa, f1 1.35 Hz faalt: trilling lichtste buis die aan alle eisen voldoet: 244.5 x 5.0 mm (354 kg)
Dunne, brede buizen zijn het lichtst, maar plooien; smalle buizen met een dunne wand falen op sterkte; de buizen van 273 mm met een dikke wand zijn zo stijf dat ze in de 1P-band van de rotor komen. De buis van 244,5 × 5,0 mm is de lichtste die overblijft. De figuur toont de spanning langs de mast: onderaan het hoogst, bovenaan bijna nul. Een tapse mast (onder breed, boven smal) gebruikt het staal beter (opdracht 12.16).
Habitat: de mast van de windturbine, nagerekend
Controleer de gekozen buis 244,5 × 5,0 mm (S235) met de hand: momentenlijn, spanning, veiligheid, doorbuiging van de kop, knik door het eigen gewicht, plooien en eigenfrequentie. Welke controles horen er nog bij?
- , op de kop,
- , , , ; gondel 150 kg, mast 354 kg
- alle controles in een tabel
- 1Momentenlijn: , aan de voet (figuur). De dwarskracht aan de voet is ; de schuifspanning die ze geeft (±2,8 MPa) is verwaarloosbaar.
- 2Alle controles:
controle berekening eis oordeel sterkte aan de voet (+ 1,8 MPa druk van het gewicht) 0,88 van het toelaatbare veiligheid (klassiek) op de vloeigrens in orde doorbuiging kop , kanteling 1,6° geen norm; rotor blijft vrij van de mast aanvaardbaar (L/52) knik door eigengewicht veiligheid ±38 (Euler + Greenhill) geen probleem plaatselijk plooien in orde eigenfrequentie (hoofdstuk 11) in orde - 3Knik door het eigen gewicht. Een vrijstaande mast heeft : voor de gondel alleen . Voor het eigen gewicht van een staaf gaf Greenhill (1881) . Samen (regel van Dunkerley: de verhoudingen optellen) is de veiligheid . Knik speelt geen rol; het gewicht vergroot het moment door de uitwijking (het P-deltaeffect) met maar .
- 4Wat nog ontbreekt. (1) Vermoeiing: 1P en 3P geven de voet in twintig jaar honderden miljoenen kleine spanningswisselingen; lassen en boutgaten verdragen daarvan veel minder dan de vloeigrens (hoofdstuk 46). (2) De flens, de ankerbouten en de fundering (opdracht 12.12). (3) De dynamische vergroting door windstoten op een zachte mast; de Eurocode heeft daar een factor voor.

Sterkteleer: formules en werkwijze
Werkwijze: (1) lasten en hun karakteristieke waarden; (2) vrijlichaamsdiagram en reacties; (3) inwendige krachten: , , langs het onderdeel; (4) de doorsnede: , , , ; (5) controles: sterkte (, of rekenwaarden), stijfheid (doorbuiging), stabiliteit (knik, plooien), trilling; (6) wat het model niet zegt: verbindingen, vermoeiing, uitvoering.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| normaalspanning | MPa | |
| rek | - | |
| elasticiteitsmodulus | GPa |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| schuifspanning | MPa |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| overdruk | Pa | |
| straal | m | |
| wanddikte | m |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| buigmoment | N·m | |
| dwarskracht | N |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| traagheidsmoment van de doorsnede | mm⁴ | |
| weerstandsmoment | mm³ |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| kniklengte | m | |
| traagheidsstraal | mm |
| doorsnede | om de horizontale as | |
|---|---|---|
| rechthoek | ||
| volle cirkel, diameter | ||
| buis () | ||
| vierkante koker () | ||
| samengesteld (I, T, U) | (Steiner) |
| geval | grootste moment | grootste doorbuiging |
|---|---|---|
| ingeklemd, kracht aan het vrije uiteinde | (aan de inklemming) | |
| ingeklemd, verdeelde last | ||
| twee steunpunten, kracht in het midden | ||
| twee steunpunten, verdeelde last | ||
| beide uiteinden ingeklemd, kracht in het midden |
| opleggingen | kniklengte | voorbeeld |
|---|---|---|
| onderaan ingeklemd, bovenaan vrij | vrijstaande mast, vlaggenstok | |
| beide uiteinden scharnierend, zijdelings vastgehouden | staaf in een vakwerk, getuide mast | |
| ingeklemd en scharnierend | kolom op een fundering met een scharnierende ligger erop | |
| beide uiteinden ingeklemd | staander tussen twee stijve vloeren |
Waar sterkteleer vandaan komt en waar ze heen gaat
Sterkteleer verbindt krachten (K) met materialen (M) en ontwerpen (D). Evenwicht vertelt welke krachten er werken; sterkteleer vertelt wat ze met het materiaal doen, en welke vorm en doorsnede nodig zijn. De wiskunde is die van de eerste hoofdstukken: integralen voor en voor de elastische lijn, een differentiaalvergelijking voor knik, en statistiek voor de veiligheid.
Sterkte, stijfheid en taaiheid als begrip; nu in getallen.
Trek, druk, buiging en knik; het stijfheidsgetal bh³ wordt bh³/12; de Quebecbrug.
Reacties van de vloerbalk; nu het moment, de spanning en de doorbuiging erin.
PETG en ASA voor geprinte onderdelen; de mengregel voor E.
I = ∫y²dA, M = ∫V dx en de elastische lijn door twee keer te integreren.
De staafkrachten van de paneelsteun en de tuien van de weermast.
Het 5 %-fractiel en de normale verdeling achter de veiligheid.
Een kreukelzone neemt energie op door te vloeien: de oppervlakte onder het diagram.
Steiner, en de spanning σ = ρv² in een draaiende ring.
k = 3EI/L³ van de mast; knik en trilling volgen dezelfde vergelijking.
De staafkrachten van het dakvakwerk, en welke doorsneden ze vragen (trek, druk, knik).
Waarom staal vloeit en verstevigt; materiaal kiezen met Ashby-diagrammen.
Faalkans, vermoeiing en faalwijzen van onderdelen.
In het kort
- Spanning en rek ; elastisch geldt (: staal 210, aluminium 70, hout ±11 GPa).
- Het spanning-rekdiagram toont het elastische gebied, de vloeigrens (of ), versteviging, treksterkte, insnoering en breuk; taaie materialen waarschuwen, brosse niet.
- Een veiligheidsfactor vangt spreiding op: , of in de Eurocode factoren op de lasten (1,35 en 1,5) en op het materiaal.
- In een balk is ; de buigspanning is , de grootste . Materiaal ver van de neutrale lijn telt kwadratisch: I-profielen, kokers, buizen.
- De doorbuiging volgt uit ; standaardgevallen , ...; numeriek door twee keer te integreren. Hout kruipt.
- Een drukstaaf knikt bij : een stijfheidsprobleem, geen sterkteprobleem; de Eurocode gebruikt knikkrommen.
- Habitat: de windturbinemast is een stalen buis 244,5 × 5,0 mm; ontwerpen is het venster zoeken waar sterkte, plooien, knik en trilling samen kloppen.
Wat je nu kent
- normaalspanning
- (Pa of N/mm² = MPa): kracht loodrecht op een doorsnede, gedeeld door die doorsnede.
- rek
- : de relatieve verlenging, zonder eenheid (vaak in % of in ).
- elasticiteitsmodulus
- in het elastische gebied: hoe stijf een materiaal is (staal 210 GPa, aluminium 70 GPa).
- vloeigrens
- De spanning waarbij een metaal blijvend begint te vervormen; zonder duidelijke grens neemt men : de spanning met 0,2 % blijvende rek.
- treksterkte
- : de grootste spanning in een trekproef, betrokken op de oorspronkelijke doorsnede.
- veiligheidsfactor
- De verhouding tussen wat een onderdeel kan dragen en wat het moet dragen; ze vangt de spreiding van lasten, materiaal en model op.
- buigmoment
- Het moment dat de ene kant van een balk op de andere uitoefent; (de dwarskracht).
- traagheidsmoment van een doorsnede
- (m⁴ of mm⁴): hoe ver het materiaal van de neutrale lijn ligt; rechthoek .
- weerstandsmoment
- : de grootste buigspanning is .
- knik
- Het plots zijdelings uitwijken van een slanke drukstaaf; kniklast van Euler .
- slankheid
- met : hoe slanker, hoe minder een drukstaaf draagt.