Handboek · hoofdstuk 3Verbanden in data
De best passende rechte, de richtingscoëfficiënt als grootheid, en krommen die je rechttrekt
Metingen worden pas kennis als je er een verband in ziet. In dit hoofdstuk leer je door een wolk van meetpunten de best passende rechte te trekken, op het oog en met een rekenblad, en je leest uit de helling een echte grootheid af: een dichtheid, een opwarmsnelheid, een veerconstante. Je herkent omgekeerd evenredige verbanden, trekt krommen recht om er een rechte van te maken, en kalibreert een sensor van de meetkas met een rechte, in een rekenblad en in een paar regels Python.

- Je kan de richtingscoëfficiënt en het snijpunt van een rechte bepalen en ze interpreteren als grootheden met een eenheid.
- Je kan door meetpunten de best passende rechte tekenen en er met de steilste en de minst steile rechte een fout op de helling bij schatten.
- Je kan uitleggen hoe de methode van de kleinste kwadraten een rechte kiest, en a en b met de formules berekenen.
- Je kan residuen en R² gebruiken om te beoordelen of een lineair model past.
- Je kan een omgekeerd evenredig verband herkennen aan een tabel, een formule en een grafiek.
- Je kan een kromme rechttrekken door de juiste grootheden op de assen te zetten, en uit de rechte een grootheid bepalen.
- Je kan in een rekenblad formules met relatieve en absolute celverwijzingen maken, een spreidingsdiagram tekenen en een trendlijn laten berekenen.
- Je kan een sensor kalibreren met een rechte en de kalibratieformule omvormen tot een bruikbare omrekening.
Wat je al weet, en wat nu komt
In Fundamental (hoofdstuk F4) zette je meetresultaten in een tabel met grootheden en eenheden in de kop, en tekende je een grafiek met gekozen schaal en een trendlijn. Je leerde het recht evenredig verband herkennen: de punten liggen op een rechte door de oorsprong, en de verhouding is constant. Die constante, de evenredigheidsconstante in , had een betekenis: in hoofdstuk F19 was ze de weerstand. En je wist dat extrapoleren, voorbij je metingen voorspellen, gevaarlijk kan zijn.
Maar veel verbanden gaan niet door de oorsprong. Weeg je een bekerglas met water, dan meet je ook de beker: de rechte schuift 150 g omhoog. Dat is een lineair verband . In dit hoofdstuk leer je
- de richtingscoëfficiënt en het snijpunt bepalen en er een fysische betekenis aan geven, met eenheid;
- de best passende rechte door punten met meetfouten trekken, op het oog en met de methode van de kleinste kwadraten;
- het omgekeerd evenredig verband herkennen;
- krommen rechttrekken (lineariseren), zodat je ook daar een rechte kan gebruiken;
- dat alles in een rekenblad en, voor wie wil, in een paar regels Python.
Een helling met de leeftijd van het heelal erin
In 1927 publiceerde de Leuvense priester en natuurkundige Georges Lemaître een artikel in de Annales de la Société scientifique de Bruxelles. Hij toonde dat de vergelijkingen van Einstein een uitdijend heelal toelaten, en dat verre sterrenstelsels dan van ons weg bewegen met een snelheid die evenredig is met hun afstand. Het artikel verscheen in het Frans, in een weinig gelezen tijdschrift, en kreeg eerst weinig aandacht.
Twee jaar later zette de Amerikaanse sterrenkundige Edwin Hubble de snelheid van een reeks sterrenstelsels uit tegen hun afstand. De punten lagen ruwweg op een rechte door de oorsprong: . De richtingscoëfficiënt kreeg zijn naam. Hubble vond ongeveer 500 km/s per megaparsec (een megaparsec is ongeveer 3,26 miljoen lichtjaar).
Kijk naar de eenheid: kilometer per seconde, gedeeld door een afstand. Dat is 'per seconde', en het omgekeerde is dus een tijd: ruwweg hoe lang het heelal al uitdijt. Met Hubbles helling kwam dat uit op ongeveer 2 miljard jaar, jonger dan de ouderdom die geologen met radioactiviteit aan gesteenten op aarde toekenden. Die tegenspraak bleef jaren bestaan, tot bleek dat Hubbles afstanden systematisch te klein waren (hoofdstuk 1): de 'standaardsterren' waarmee hij afstanden schatte, waren verkeerd geijkt.
Vandaag meten sterrenkundigen een helling van ongeveer 70 km/s per megaparsec. Dat geeft miljard jaar, in dezelfde orde als de leeftijd van het heelal volgens de beste metingen: 13,8 miljard jaar. In 2018 raadde de Internationale Astronomische Unie aan om voortaan van de wet van Hubble-Lemaître te spreken.
Een richtingscoëfficiënt is geen kaal getal: ze heeft een eenheid en een betekenis, soms een verrassende. En een helling is maar zo goed als de metingen waarop ze steunt: een systematische fout op de afstanden gaf een heelal dat zeven keer te jong leek.

De rechte y = a · x + b en wat a en b betekenen
Een zwart watervat van 20 liter staat in de zon in de kas. Om het halfuur meet je de temperatuur (grafiek). De punten liggen mooi op een rechte, niet door de oorsprong:
De richtingscoëfficiënt bepalen. Kies twee punten op de rechte (niet twee meetpunten), zo ver mogelijk uit elkaar, want dan weegt een afleesfout het minst. Op de rechte lees je en :
De eenheid van is de eenheid van gedeeld door die van . Hier is de opwarmsnelheid: het vat wordt 3,2 °C warmer per uur. Het snijpunt is de begintemperatuur. Het model: .
Een model heeft een geldigheidsgebied. Binnen je metingen (0 tot 5 h) mag je interpoleren: na 2 h 15 min is het vat ongeveer 19,6 °C. Extrapoleren naar 12 h geeft 51 °C: onzin, want 's middags verliest het vat steeds meer warmte en 's avonds gaat de zon onder.
3,2 °C per uur en 3,2 °C per minuut schelen een factor 60. Zonder eenheid is een helling betekenisloos. Een negatieve helling is net zo betekenisvol: een waterstand die daalt met 0,8 cm per dag heeft .
Een dichtheid uit de helling
Hoe dicht is de geconcentreerde stamoplossing van de hydroponievoeding? Je zet een leeg bekerglas op een balans, giet er telkens 20 mL oplossing bij (gemeten met een maatcilinder) en noteert de massa van beker plus oplossing.
| V (mL) | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| m (g) | 73,9 | 95,1 | 116,5 | 138,0 | 159,1 | 180,5 |
- zes metingen van (mL) en (g)
- balans , maatcilinder
- de dichtheid van de oplossing
- de betekenis van het snijpunt
- 1Het model: de totale massa is de massa van de oplossing plus die van de beker, . Dat is met en .
- 2Zet de punten in een grafiek met horizontaal en verticaal, en trek op het oog de rechte die zo goed mogelijk tussen alle punten loopt (zie grafiek).
- 3Kies twee punten op de rechte, ver uit elkaar: A en B .
- 4.
- 5Het snijpunt is de massa van het lege bekerglas.
De best passende rechte op het oog, en haar onzekerheid
Meetpunten liggen nooit precies op een rechte: elke meting heeft een fout (hoofdstuk 1). De best passende rechte loopt zo dicht mogelijk langs alle punten tegelijk. Op het oog trek je ze met vijf regels:
- Verbind de punten niet: een zigzaglijn beschrijft de meetfouten, niet het verband.
- Leg de lat zo dat er ongeveer evenveel punten boven als onder de rechte liggen, verspreid over het hele bereik (niet alle bovenste links en alle onderste rechts).
- Laat de rechte door het zwaartepunt van de punten gaan: de best passende rechte gaat daar altijd door.
- Dwing de rechte niet door de oorsprong, tenzij de natuurkunde dat eist én de punten het toelaten. Een snijpunt dat niet nul is, kan juist informatie zijn (de beker, de rustlengte van een veer).
- Negeer een uitschieter alleen met een reden (hoofdstuk 1), en vermeld het.
Hoe zeker is de helling? Teken de foutbalken van de metingen. Trek dan de steilste en de minst steile rechte die nog door alle foutbalken gaan. Het verschil tussen hun hellingen is een maat voor de onzekerheid:
Voor de veer: de best passende rechte heeft . De steilste rechte gaat door (50 g; 13,9 cm) en (300 g; 24,2 cm): . De minst steile door (50 g; 14,3 cm) en (300 g; 23,8 cm): . Dus : de veer rekt 4,0 cm uit per 100 g, met een fout van 4 %. Het snijpunt, 12,0 cm, is de lengte van de veer zonder massa.
Per kilogram rekt de veer uit. Een kilogram weegt 9,81 N, dus de veerconstante is , met dezelfde relatieve fout van 4 %: (wet van Hooke, F11).
Hoe een rekenblad de rechte kiest: de kleinste kwadraten
Op het oog trekt iedereen een net iets andere rechte. Een rekenblad gebruikt een vaste regel. Voor elk meetpunt bepaalt het het residu: hoeveel het punt boven (+) of onder (−) de rechte ligt, gemeten in de -richting. De methode van de kleinste kwadraten kiest de rechte waarvoor de som van de kwadraten van alle residuen zo klein mogelijk is.
Waarom kwadraten? Plus en min heffen elkaar dan niet op, grote afwijkingen wegen zwaarder dan kleine, en er is precies één oplossing, met eenvoudige formules:
Hoe goed past de rechte? Een rekenblad toont vaak (de determinatiecoëfficiënt): het deel van de spreiding van de -waarden dat de rechte verklaart. betekent dat alle punten op de rechte liggen, dat de rechte niets verklaart:
Beter dan is kijken naar de residuen zelf. Zet ze uit tegen . Liggen ze willekeurig boven en onder nul, dan beschrijft de rechte het verband en zijn de afwijkingen gewone meetfouten. Vormen ze een patroon, een boog of een trend, dan is het model niet goed.
Een stopafstand groeit met het kwadraat van de snelheid, en toch geeft een rechte door tien metingen tussen 30 en 120 km/h nog . De residuen verraden het: eerst positief, dan negatief, dan weer positief, een boog (opdracht 3.14). zegt hoe dicht de punten bij de rechte liggen, niet of een rechte het juiste model is.
De kleinste kwadraten met de hand
Bereken de kleinste-kwadratenrechte door de metingen van de stamoplossing (vorig voorbeeld). Hoe goed was de rechte op het oog?
- zes punten uit het voorbeeld 'Een dichtheid uit de helling'
- en volgens de kleinste kwadraten
- en de residuen
- 1Gemiddelden: en .
- 2Maak een tabel met de afwijkingen, hun producten en de kwadraten van de -afwijkingen.
(mL) (g) 20 73,9 −50 −53,283 2664,17 2500 40 95,1 −30 −32,083 962,50 900 60 116,5 −10 −10,683 106,83 100 80 138,0 10 10,817 108,17 100 100 159,1 30 31,917 957,50 900 120 180,5 50 53,317 2665,83 2500 gem. 70 gem. 127,183 0 0 7465,00 7000 - 3.
- 4.
- 5Residuen, gemeten min berekend: ; ; ; ; ; . Ze liggen willekeurig rond nul en zijn kleiner dan wat de maatcilinder toelaat ( komt overeen met ongeveer ). .
=RICHTING(B2:B7;A2:A7) geeft 1,066429 en =SNIJPUNT(B2:B7;A2:A7) 52,53333. Hoeveel van die cijfers beduidend zijn, beslis jij (hoofdstuk 1): de spreiding van de punten laat hoogstens vier beduidende cijfers voor toe.Een rekenblad ontleed
Een rekenblad (Excel, LibreOffice Calc, Google Spreadsheets) doet het rekenwerk van het vorige voorbeeld in een oogwenk. Maar het rekent alleen wat je het vraagt, en het toont meer cijfers dan je meting verdient. Dit is het blad van de stamoplossing.
- 1Naamvak
Toont welke cel geselecteerd is: kolom E, rij 2. Elke cel heeft zo'n adres, en formules verwijzen naar adressen, niet naar getallen.
- 2Formulebalk
Hier staat wat de cel berekent. In de cel zelf zie je alleen het resultaat. Een formule begint altijd met =.
- 3Kop met eenheid
Rij 1 bevat de grootheid met de eenheid, net als in een tabel op papier. In de cellen eronder staan alleen getallen, anders kan het rekenblad er niet mee rekenen.
- 4Een kolom met een formule
C2 bevat
=B2-($E$2*A2+$E$3): het residu. Naar beneden gekopieerd wordt B2 telkens B3, B4 ... (relatieve verwijzing), maar$E$2en$E$3blijven staan (absolute verwijzing, met dollartekens). - 5Richting en snijpunt
RICHTING en SNIJPUNT rekenen de kleinste-kwadratenrechte uit met de formules van het vorige blad. Eerst het bereik van de y-waarden, dan dat van de x-waarden.
- 6Zes cijfers, niet zes beduidende
0,999995 en 1,066429: het rekenblad toont zoveel cijfers als de kolom toelaat. Rond zelf af volgens de fout (hoofdstuk 1).
- 7Trendlijn met vergelijking
Het rekenblad schrijft x en y, niet V en m. Vertaal naar je eigen grootheden, met eenheden. 'R² = 1' is afgerond: de echte waarde is 0,999995.
- 8Spreidingsdiagram
Kies altijd een spreidingsdiagram (xy-diagram): dan staat elk punt op zijn echte x-waarde. Een lijndiagram zet de punten op gelijke afstanden, ook als je metingen dat niet zijn.
Werken met een rekenblad
Een stappenplan dat voor elke meetreeks werkt:
- Invoeren. Eén grootheid per kolom, in rij 1 de naam met de eenheid, daaronder alleen getallen. Let op het decimaalteken: een Nederlandstalig rekenblad verwacht een komma.
- Berekenen. Een nieuwe kolom met een formule, bijvoorbeeld
=1/A2of=B2^2, en die naar beneden doortrekken. Moet een formule altijd naar dezelfde cel verwijzen (een constante, een helling), zet dan dollartekens:$E$2. In Excel wissel je met F4 tussen relatief en absoluut. - Grafiek. Selecteer de twee kolommen en kies een spreidingsdiagram (xy-diagram) met alleen punten. Geef de assen een titel met grootheid en eenheid.
- Trendlijn. Voeg een lineaire trendlijn toe en laat de vergelijking en tonen. Vraagt de natuurkunde een rechte door de oorsprong, dan kan je het snijpunt op nul vastzetten; doe dat alleen met een reden.
- Controleren. Bereken met RICHTING en SNIJPUNT dezelfde getallen in cellen, voeg een kolom met residuen toe, en rond af volgens de fout.
| wat | Nederlandstalig rekenblad | Engelstalig rekenblad |
|---|---|---|
| richtingscoëfficiënt | =RICHTING(B2:B7;A2:A7) | =SLOPE(B2:B7,A2:A7) |
| snijpunt met de y-as | =SNIJPUNT(B2:B7;A2:A7) | =INTERCEPT(B2:B7,A2:A7) |
| R² | =R.KWADRAAT(B2:B7;A2:A7) | =RSQ(B2:B7,A2:A7) |
| gemiddelde | =GEMIDDELDE(A2:A7) | =AVERAGE(A2:A7) |
| kwadraat, omgekeerde, wortel | =A2^2 · =1/A2 · =WORTEL(A2) | =A2^2 · =1/A2 · =SQRT(A2) |
Let op de volgorde: eerst de y-waarden, dan de x-waarden. In een Nederlandstalig rekenblad scheidt een puntkomma de argumenten, in een Engelstalig een komma.
Een lijndiagram behandelt de -waarden als namen en zet ze op gelijke afstanden. Voor metingen op ongelijke afstanden (0,20 m, 0,25 m, 0,30 m, 0,40 m ... 1,00 m) vervormt het de kromme volledig. Gebruik voor meetreeksen altijd een spreidingsdiagram.
Omgekeerd evenredig
Hoe sterker de pomp, hoe sneller het reservoir van de kas vol is. Meet je de vultijd bij verschillende debieten , dan krijg je een dalende kromme (grafiek). Verdubbel je het debiet van 3 naar 6 L/min, dan halveert de vultijd van ongeveer 20 naar 10 minuten. Dat is een omgekeerd evenredig verband:
Voor de pomp is , met het volume van het reservoir: . Andere voorbeelden: de stroom door een weerstand bij vaste spanning, (hoofdstuk F19); de reistijd bij een vaste afstand, ; de druk van een ingesloten gas bij vaste temperatuur, constant (hoofdstuk E14).
Herkennen doe je op drie manieren: in een tabel is het product (binnen de meetfout) constant; in de formule staat in de noemer; in de grafiek zie je een hyperbool. Die laatste is de zwakste test: veel dalende krommen lijken op een hyperbool.
Een waterstand die daalt met 0,8 cm per dag () daalt ook, maar het product is niet constant: bij is het nul. Een dalende rechte is lineair, geen omgekeerd evenredig verband. En ook een kromme die daalt, zoals een afkoelende thee (hoofdstuk 5), is niet vanzelf een hyperbool.
Is het echt omgekeerd evenredig? De pomp
Bij acht instellingen van de pomp werd de vultijd van het lege reservoir gemeten. Toon aan dat het verband omgekeerd evenredig is en bepaal het volume van het reservoir. Hoe lang duurt het vullen bij 7 L/min?
| Q (L/min) | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 8 | 10 | 12 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| t (min) | 29,9 | 20,2 | 15,4 | 11,9 | 10,2 | 7,4 | 6,0 | 4,9 |
| Q · t (L) | 59,8 | 60,6 | 61,6 | 59,5 | 61,2 | 59,2 | 60,0 | 58,8 |
| 1/Q (min/L) | 0,500 | 0,333 | 0,250 | 0,200 | 0,167 | 0,125 | 0,100 | 0,083 |
- acht debieten en vultijden
- toets: omgekeerd evenredig?
- volume van het reservoir
- bij
- 1Productentest: ligt tussen 58,8 L en 61,6 L, gemiddeld met . Er is geen trend: klein en groot debiet geven hetzelfde product, binnen de meetfout.
- 2Rechttrekken: als , dan geeft tegen een rechte door de oorsprong met helling . De punten liggen inderdaad op een rechte (grafiek).
- 3Kleinste kwadraten door de punten : en , praktisch nul, zoals het model voorspelt.
- 4De eenheid van de helling: min gedeeld door min/L geeft L. De helling is het volume: .
- 5Voorspelling (interpoleren, binnen het gemeten bereik): .
Lineariseren: een kromme rechttrekken
Een rechte is makkelijk: je ziet meteen of punten erop liggen, je trekt ze op het oog of met de kleinste kwadraten, en haar helling heeft een betekenis. Een kromme is lastig: is dit een hyperbool, een parabool of iets anders? Daarom lineariseer je: je zet op de assen de grootheden die het verwachte verband tot een rechte maken.
Het recept: schrijf het model in de vorm , waarbij een functie van je gemeten grootheid is (een kwadraat, een omgekeerde, een wortel). Bereken in een extra kolom en zet uit tegen .
| model | horizontaal | verticaal | helling |
|---|---|---|---|
| (pomp) | |||
| (vrije val) | |||
| (slinger) | |||
| (licht van een kleine lamp) | |||
| (vaste spanning) |
Lineariseren is ook een test. Liggen de punten na de omzetting op een rechte, dan past het model. Buigen ze nog, of vormen de residuen een patroon, dan klopt het model niet en zoek je verder. Bij exponentiële groei en verval (hoofdstuk 5) trek je de kromme recht met een logaritme.
Bij de slinger kan je ook tegen zetten. Beide geven een rechte, maar tegen is handiger: is wat je instelt en meet, en het snijpunt krijgt een betekenis (volgend voorbeeld).
De valversnelling uit een slinger
Een leerling meet de slingertijd (uit tien slingeringen, zoals in hoofdstuk 1) bij zes lengtes . Ze meet van het ophangpunt tot de bovenkant van de kogel. Bepaal de valversnelling . Wat betekent het snijpunt?
| L (m) | 0,200 | 0,350 | 0,500 | 0,650 | 0,800 | 0,950 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| T (s) | 0,931 | 1,212 | 1,442 | 1,636 | 1,809 | 1,972 |
| T² (s²) | 0,8668 | 1,4689 | 2,0794 | 2,6765 | 3,2725 | 3,8888 |
- zes lengtes (m) en slingertijden (s)
- model:
- uit de helling
- de betekenis van het snijpunt
- 1Lineariseren: kwadrateer het model. . Dat is met , en .
- 2Bereken in een extra rij (tabel) en zet uit tegen : de punten liggen op een rechte.
- 3Kleinste kwadraten: en , .
- 4.
- 5Het snijpunt is niet nul. De rechte snijdt de -as bij : de slinger gedraagt zich alsof hij 1,6 cm langer is dan gemeten. Dat is de straal van de kogel: de echte slingerlengte loopt tot het midden van de kogel.
Hoe hangt de verlichtingssterkte af van de afstand tot een lamp?
Hoe hangt de verlichtingssterkte (in lux) af van de afstand tot een kleine lamp, en hoe voorspel je dat voor een groeilamp in de kas?
- een klein ledlampje of zaklamp zonder reflector
- smartphone met een app die de lichtsensor uitleest (bijvoorbeeld phyphox)
- rolmeter, plakband
- een donker lokaal
- 1Verduister het lokaal. Leg de smartphone plat op tafel en zoek waar de lichtsensor zit (meestal bovenaan, naast de camera).
- 2Houd de lamp recht boven de sensor. Meet de afstand van de lamp tot de sensor, niet tot de telefoon.
- 3Meet bij acht afstanden van 0,20 m tot 1,00 m. Meet ook met de lamp uit.
- 4Bereken en in een rekenblad en zet uit tegen in een spreidingsdiagram.
| d (m) | 0,20 | 0,25 | 0,30 | 0,40 | 0,50 | 0,60 | 0,80 | 1,00 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| E (lx) | 1490 | 974 | 682 | 381 | 241 | 168 | 101 | 65 |
| 1/d² (1/m²) | 25,00 | 16,00 | 11,11 | 6,25 | 4,00 | 2,78 | 1,56 | 1,00 |
| E · d² (lx·m²) | 59,6 | 60,9 | 61,4 | 61,0 | 60,2 | 60,5 | 64,6 | 65,0 |
Het product is niet constant: het stijgt van ongeveer 60 naar 65 lx·m² bij grote afstanden. tegen geeft wel een mooie rechte, met en . Met de lamp uit meet de telefoon ongeveer 7 lx.
Het licht van een kleine lamp verspreidt zich over een steeds groter boloppervlak, : op dubbele afstand valt dezelfde hoeveelheid licht op een vier keer groter oppervlak. Dus , de kwadratenwet. Het snijpunt van de rechte is het licht dat er altijd is: het achtergrondlicht in het lokaal (7 lx, zoals gemeten met de lamp uit). Het maakt het product groter bij grote afstanden, waar de lamp zelf zwak is. De rechte haalt het er netjes uit.
Geldigheidsgebied: de kwadratenwet geldt voor een lichtbron die klein is tegenover de afstand. Een breed ledpaneel boven de planten is dat niet: daar daalt trager met de afstand. Toch blijft de les voor de kas: een kleine lamp twee keer zo hoog hangen, geeft de planten maar een kwart van het licht.
Habitat: een temperatuursensor kalibreren
De klimaatmodule krijgt een goedkope analoge temperatuursensor die de microcontroller inleest als een getal tussen 0 en 1023 (de 'ruwe waarde'). Volgens het datablad hoort bij elke °C een vaste stap, maar elke sensor wijkt een beetje af. Je zet de sensor samen met een referentiethermometer in ijswater, kraantjeswater en warm water op verschillende temperaturen. Stel de kalibratieformule op die de microcontroller moet gebruiken.
| Tref (°C) | 0,4 | 10,2 | 18,7 | 24,9 | 32,6 | 41,3 | 49,8 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ruwe waarde | 106 | 127 | 143 | 158 | 174 | 192 | 209 |
- zeven paren (referentietemperatuur, ruwe waarde)
- referentiethermometer
- de kalibratierechte
- een formule die een ruwe waarde omzet naar °C
- hoe nauwkeurig is de gekalibreerde sensor?
- 1Kies de assen: de referentie is (bijna) foutloos, de ruwe waarde heeft ruis. Zet daarom de ruwe waarde verticaal en horizontaal: .
- 2Kleinste kwadraten (rekenblad of Python, volgend blad): tellen per °C, tellen, . De helling is de gevoeligheid van de sensor, het snijpunt de ruwe waarde bij 0 °C.
- 3Omvormen naar de formule die je nodig hebt: , of (in °C).
- 4Controle met de residuen, omgerekend naar °C: tussen en , zonder patroon. Eén stap van de ruwe waarde komt overeen met : de sensor kan niet fijner meten dan dat.
- 5Vergelijk met het datablad (, dus en ): bij geeft die formule 27,2 °C, terwijl de referentie 24,9 °C aanwees. Het verschil loopt op van +1,4 °C bij 0 °C tot +2,4 °C bij 50 °C: zowel het snijpunt als de helling wijken af.
De kalibratie in Python
Wat het rekenblad met RICHTING en SNIJPUNT doet, kan je ook in een paar regels Python schrijven, met de formules van de kleinste kwadraten. Het voordeel: hetzelfde programma kalibreert morgen tien sensoren, en de functie temperatuur() kan je later bijna letterlijk overnemen in de software van de klimaatmodule. Hoe lijsten, lussen en functies werken, leer je in hoofdstuk 28; hier volstaat het om de formules te herkennen.
# kalibratie.py - kalibratierechte van een temperatuursensor (kleinste kwadraten)T_ref = [0.4, 10.2, 18.7, 24.9, 32.6, 41.3, 49.8] # referentiethermometer (°C)ruw = [106, 127, 143, 158, 174, 192, 209] # ruwe waarde van de sensor (ADC) n = len(T_ref)x_gem = sum(T_ref) / ny_gem = sum(ruw) / nteller = sum((x - x_gem) * (y - y_gem) for x, y in zip(T_ref, ruw))noemer = sum((x - x_gem) ** 2 for x in T_ref)a = teller / noemer # gevoeligheid: tellen per °Cb = y_gem - a * x_gem # ruwe waarde bij 0 °C # R²: welk deel van de spreiding van de ruwe waarden verklaart de rechte?ss_res = sum((y - (a * x + b)) ** 2 for x, y in zip(T_ref, ruw))ss_tot = sum((y - y_gem) ** 2 for y in ruw)r2 = 1 - ss_res / ss_totprint(f"a = {a:.4f} tellen/°C b = {b:.2f} tellen R² = {r2:.5f}") def temperatuur(r): """Zet een ruwe sensorwaarde om naar °C met de omgekeerde kalibratierechte.""" return (r - b) / a for x, y in zip(T_ref, ruw): t = temperatuur(y) print(f"ref {x:5.1f} °C ruw {y:4d} gekalibreerd {t:5.1f} °C verschil {t - x:+.2f} °C")Uitvoer (gecontroleerd door het programma te draaien):
a = 2.0941 tellen/°C b = 105.21 tellen R² = 0.99961 ref 0.4 °C ruw 106 gekalibreerd 0.4 °C verschil -0.02 °C ref 10.2 °C ruw 127 gekalibreerd 10.4 °C verschil +0.21 °C ref 18.7 °C ruw 143 gekalibreerd 18.0 °C verschil -0.65 °C ref 24.9 °C ruw 158 gekalibreerd 25.2 °C verschil +0.31 °C ref 32.6 °C ruw 174 gekalibreerd 32.9 °C verschil +0.25 °C ref 41.3 °C ruw 192 gekalibreerd 41.4 °C verschil +0.15 °C ref 49.8 °C ruw 209 gekalibreerd 49.6 °C verschil -0.24 °C
Python toont een punt als decimaalteken. De getallen zijn dezelfde als in het vorige blad. zip() overloopt twee lijsten paar per paar; sum(... for ...) telt de termen van een som op, precies zoals het -teken in de formule. Wie numpy kent, krijgt en ook met numpy.polyfit(T_ref, ruw, 1).
Overzicht: rechten, verbanden en rekenblad
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| richtingscoëfficiënt | eenheid y / eenheid x | |
| snijpunt met de y-as | eenheid y |
| verband | tabel | grafiek | rechttrekken |
|---|---|---|---|
| recht evenredig | constant | rechte door de oorsprong | (al recht) |
| lineair | gelijke stappen in geven gelijke stappen in | rechte | (al recht) |
| omgekeerd evenredig | constant | hyperbool | tegen |
| kwadratisch | constant | halve parabool | tegen |
| kwadratenwet | constant | snel dalende kromme | tegen |
| wortel | constant | afvlakkende kromme | tegen of tegen |
| wat | Nederlandstalig rekenblad | Engelstalig rekenblad |
|---|---|---|
| richtingscoëfficiënt | =RICHTING(B2:B7;A2:A7) | =SLOPE(B2:B7,A2:A7) |
| snijpunt met de y-as | =SNIJPUNT(B2:B7;A2:A7) | =INTERCEPT(B2:B7,A2:A7) |
| R² | =R.KWADRAAT(B2:B7;A2:A7) | =RSQ(B2:B7,A2:A7) |
| gemiddelde | =GEMIDDELDE(A2:A7) | =AVERAGE(A2:A7) |
| kwadraat, omgekeerde, wortel | =A2^2 · =1/A2 · =WORTEL(A2) | =A2^2 · =1/A2 · =SQRT(A2) |
Let op de volgorde: eerst de y-waarden, dan de x-waarden. In een Nederlandstalig rekenblad scheidt een puntkomma de argumenten, in een Engelstalig een komma.
| controlelijst voor een grafiek met een rechte |
|---|
| spreidingsdiagram, geen lijndiagram; assen met grootheid en eenheid |
| punten niet verbinden; foutbalken als de fout bekend is |
| helling uit twee punten op de rechte, ver uit elkaar, of met de kleinste kwadraten |
| helling en snijpunt met eenheid en betekenis, afgerond volgens de fout |
| residuen bekeken: willekeurig rond nul? |
| geldigheidsgebied vermeld: alleen binnen het gemeten bereik voorspellen |
Waar verbanden in data terugkomen
De rechte is het werkpaard van elk labo: bijna elk verband dat je in StemExpert tegenkomt, maak je ooit recht om er een grootheid uit te halen. Dit hoofdstuk sluit het deel 'Onderzoeken met data' af: meten met een fout (hoofdstuk 1), eerlijk ontwerpen (hoofdstuk 2), en nu het verband vinden. In het volgende deel wordt de rechte een van de vele functies die je als model gebruikt.
Recht evenredig, trendlijn, interpoleren en extrapoleren: hier uitgebreid tot rechten met snijpunt en de kleinste kwadraten.
Foutbalken, uitschieters en afronden bepalen hoe zeker een helling is.
De lineaire functie als model naast de kwadratische, met domein en geldigheidsgebied.
Groei en verval rechttrekken met een logaritmische schaal.
De helling van een (x,t)-grafiek is de snelheid, die van een (v,t)-grafiek de versnelling.
Een sensor met een microcontroller inlezen en kalibreren met een referentie.
Lijsten, functies en CSV-bestanden in Python: de kalibratie van dit hoofdstuk voor een hele week data.
De helling van een kromme in één punt: de afgeleide als richtingscoëfficiënt van de raaklijn.
Kleinste kwadraten met meerdere variabelen, overfitting en het analyseren van residuen.
In het kort
- Een lineair verband heeft een richtingscoëfficiënt en een snijpunt , allebei grootheden met een eenheid en een betekenis (dichtheid, opwarmsnelheid, beginwaarde).
- Bepaal de helling uit twee punten op de rechte, ver uit elkaar. De steilste en de minst steile rechte door de foutbalken geven de fout op de helling.
- De methode van de kleinste kwadraten kiest de rechte met de kleinste som van de gekwadrateerde residuen; ze gaat door .
- zegt hoe dicht de punten bij de rechte liggen, niet of een rechte het juiste model is: kijk naar de residuen.
- Omgekeerd evenredig: , het product is constant, de grafiek is een hyperbool. Dalend is niet hetzelfde als omgekeerd evenredig.
- Lineariseren: zet uit tegen een functie van (, , ...) zodat het model een rechte wordt; een snijpunt dat niet nul is, verraadt vaak een systematische fout of een achtergrond.
- In een rekenblad: één grootheid per kolom met eenheid in de kop, formules met relatieve en absolute verwijzingen (met dollartekens), altijd een spreidingsdiagram, RICHTING en SNIJPUNT.
- Een sensor kalibreer je met een rechte tegenover een referentie en een omgevormde formule , geldig binnen het gemeten bereik.
Wat je nu kent
- lineair verband
- Verband van de vorm ; de grafiek is een rechte. Recht evenredig is het speciale geval .
- richtingscoëfficiënt
- De helling van een rechte, met als eenheid de eenheid van gedeeld door die van .
- snijpunt met de y-as
- De waarde van bij , met de eenheid van .
- best passende rechte
- De rechte die zo dicht mogelijk bij alle meetpunten ligt; met de methode van de kleinste kwadraten wordt ze uniek bepaald.
- residu
- Het verschil tussen een gemeten waarde en de waarde op de rechte (of het model) bij dezelfde .
- kleinste kwadraten
- Methode die de rechte kiest waarvoor de som van de kwadraten van de residuen het kleinst is.
- R² (determinatiecoëfficiënt)
- Het deel van de spreiding in dat de rechte verklaart; 1 = alle punten op de rechte. Bewijst geen lineair verband.
- omgekeerd evenredig
- Verband : het product is constant; verdubbel je , dan halveert . De grafiek is een hyperbool.
- lineariseren
- Grootheden op de assen zetten (bv. of ) zodat een verwacht verband een rechte wordt.
- kalibratierechte
- Rechte die de ruwe waarde van een sensor koppelt aan de echte waarde, bepaald met een referentie.
- spreidingsdiagram
- Grafiek met punten op hun echte - en -waarde (xy-grafiek); het juiste diagram voor meetreeksen.