← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Handboek · 27. Planten: fotosynthese en groei
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F27. Planten: fotosynthese en groei
FFundamental · deel F7 · Leven en systemen

Handboek · hoofdstuk 27Planten: fotosynthese en groei

Hoe een plant van lucht, water en licht een krop sla maakt

Een slaplant van 100 gram groeit uit een zaadje van een milligram. Waar komt al die massa vandaan? Niet uit de grond, zoals bijna iedereen denkt, maar grotendeels uit de lucht. In dit hoofdstuk leer je hoe een plant met licht suiker maakt (fotosynthese), wat ze daarvoor nodig heeft, welke factor haar groei afremt, hoe water van de wortels tot in de bladeren komt, en hoe je een eerlijke groeiproef opzet. Je ontwerpt de groeiproef voor de meetkas, en je kweekt sla zonder aarde.

7× uitleg4× uitgewerkt voorbeeld2× proef1× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel16 opdrachten in het werkboek± 8 lestijden
De groeiproef in de meetkas: twaalf bakjes pluksla, sommige onder een schaduwdoek.
De groeiproef in de meetkas: twaalf bakjes pluksla, sommige onder een schaduwdoek.
Na dit hoofdstuk
Verhaal · 27.1

Waar haalt een plant haar massa vandaan?

1/17

In hoofdstuk 2 las je hoe Jan Baptist van Helmont vijf jaar lang een wilg liet groeien in een pot met gewogen aarde. De boom werd 164 pond (ongeveer 80 kg) zwaarder, de aarde verloor nog geen 60 gram. Van Helmont besloot dat de boom uit water bestond. Zijn metingen waren goed, zijn besluit maar half juist: hij vergat de lucht.

Meer dan een eeuw later zette de Engelse dominee en scheikundige Joseph Priestley in augustus 1771 een takje munt samen met een kaars onder een glazen stolp. De kaars doofde al snel: de lucht was 'bedorven'. Zevenentwintig dagen later stak hij de kaars opnieuw aan met een brandglas, en ze brandde weer. De plant had de lucht 'hersteld'. Later deed hij hetzelfde met een muis.

Maar niet elke keer lukte het. De Nederlandse arts Jan Ingenhousz ontdekte in 1779 waarom: alleen de groene delen van een plant herstellen de lucht, en alleen in het licht. In het donker bederven planten de lucht, net als dieren. Daarmee had hij de twee helften van dit hoofdstuk gevonden: de fotosynthese, die alleen met licht werkt, en de ademhaling, die altijd doorgaat.

Vandaag weten we het precies. Droog hout bestaat voor ongeveer 50 % uit koolstof, 43 % uit zuurstof en 6 % uit waterstof. De koolstof komt helemaal uit de koolstofdioxide van de lucht, de waterstof uit het water. Uit de grond komt maar ongeveer 1 %: de mineralen.

Een plant eet aarde

Bijna iedereen denkt dat een boom zijn massa uit de grond haalt: 'hij voedt zich met aarde'. Van Helmonts pot bewijst het tegendeel, en een slaplant die zonder aarde groeit in water met wat zouten (dit hoofdstuk) ook. Het grootste deel van de droge massa van een plant is koolstof uit de lucht, vastgelegd met lichtenergie.

Een munttakje en een gedoofde kaars onder een stolp: na enkele weken brandt de kaars opnieuw.
Een munttakje en een gedoofde kaars onder een stolp: na enkele weken brandt de kaars opnieuw.
Uitleg · 27.2

Fotosynthese: suiker maken met licht

2/17

In de bladgroenkorrels van een blad (hoofdstuk 26) maakt een plant uit twee eenvoudige stoffen een suiker. Dat heet fotosynthese: 'samenstellen met licht'.

fotosynthese als woordvergelijking
Links staan de stoffen die opgebruikt worden, rechts de stoffen die ontstaan. Licht en bladgroen staan bij de pijl: ze zijn nodig, maar worden geen deel van de producten.
  • Koolstofdioxide (CO2) komt uit de lucht, waar er maar 0,04 % van in zit. Het komt het blad binnen door de huidmondjes.
  • Water komt uit de grond, via de wortels en de houtvaten.
  • Licht levert de energie. Het bladgroen (chlorofyl) vangt vooral het rode en het blauwe licht op; het groene licht kaatst het grotendeels terug, daarom zie je bladeren groen.
  • Glucose is een suiker, zoals druivensuiker. De plant maakt er cellulose van (voor de celwanden), bewaart ze als zetmeel (in bladeren, knollen, zaden) en verbrandt ze in haar cellen om energie te krijgen.
  • Zuurstof is een 'afvalproduct' dat door de huidmondjes naar buiten gaat. Alle zuurstof die jij inademt, werd ooit door een plant, een alg of een bacterie gemaakt.

Energetisch is fotosynthese een omzetting van stralingsenergie in chemische energie (hoofdstuk 15). In de meetkas komt ongeveer 1 % van het zonlicht in de suiker terecht.

De zuurstof komt uit het water

Je zou denken dat de zuurstof die een plant afgeeft uit de koolstofdioxide komt. In 1941 gaven onderzoekers groene algen water met 'zware' zuurstofatomen, die ze konden herkennen. De zware zuurstof dook op in het gas dat de algen afgaven: de zuurstof komt uit het water. De zuurstofatomen van de koolstofdioxide komen in de suiker terecht.

koolstofdioxideuit de lucht, viade huidmondjes+wateruit degrond, viade houtvatenlichtbladgroenglucosebouwstof enbrandstof+zuurstofnaar de luchtzonlichtstralingsenergie wordt chemische energie in de suiker (hoofdstuk 15)
Twee grondstoffen, twee producten, en licht als energiebron: de hele fotosynthese in één regel.
koolstofdioxidezuurstof enwaterdampwater
In het blad: koolstofdioxide komt binnen door de huidmondjes, water via de nerf; zuurstof en waterdamp gaan naar buiten.
Uitleg · 27.3

Ook planten ademen

3/17

Een plant maakt glucose om die ook zelf te gebruiken. In elke levende cel, in de mitochondriën, wordt glucose met zuurstof 'verbrand' om energie vrij te maken: de celademhaling. Dat is precies hetzelfde proces als in jouw spiercellen (hoofdstuk 29).

celademhaling als woordvergelijking
De omgekeerde richting van de fotosynthese: wat de ene opbouwt, breekt de andere af.

Het verschil zit in wanneer. Fotosynthese gebeurt alleen in het licht, ademhaling altijd. Overdag, bij genoeg licht, maakt een plant veel meer zuurstof dan ze verbruikt: ze neemt netto koolstofdioxide op. 's Nachts gaat alleen de ademhaling door: dan neemt ze zuurstof op en geeft ze koolstofdioxide af. Bij zwak licht, 's ochtends en 's avonds, heffen beide elkaar op.

fotosynthesecelademhaling
waarin de bladgroenkorrels (groene delen)in de mitochondriën (alle levende cellen)
wanneeralleen in het lichtaltijd, dag en nacht
neemt opkoolstofdioxide en waterglucose en zuurstof
geeft afglucose en zuurstofkoolstofdioxide en water
energielichtenergie wordt opgeslagen in suikerenergie uit suiker komt vrij voor de cel
wieplanten, algen, sommige bacteriënalle organismen: planten, dieren, schimmels, bacteriën
Planten maken zuurstof, dieren maken koolstofdioxide

Planten ademen ook, dag en nacht, net als dieren. Het klopt alleen dat een groeiende plant over een hele dag méér koolstofdioxide opneemt dan ze afgeeft: het verschil zit vast in haar groei. De wortels, die nooit licht krijgen, doen alleen aan ademhaling.

nachtnacht03691215182124−202468tijdstip (h)netto CO₂-opname (relatief)opnameafgifteopname min afgifte
Model van een zonnige dag: tussen zonsopgang en zonsondergang neemt de plant netto CO₂ op, 's nachts geeft ze het af.
Proef · 27.4

Zetmeel in een blad: licht en bladgroen nodig?

4/17
Onderzoeksvraag

Maakt een blad ook zetmeel op plaatsen zonder licht, of op plaatsen zonder bladgroen?

Materiaal
  • een plant met bonte bladeren (groen met witte randen), twee dagen in het donker gezet
  • een strook aluminiumfolie en twee paperclips
  • waterkoker, twee bekerglazen, pincet
  • ethanol (brandalcohol), jodiumoplossing, een petrischaal
VeiligheidEthanol is licht ontvlambaar: verwarm het nooit met een vlam, alleen in een bekerglas dat in heet water uit de waterkoker staat. Bril op. Jodium vlekt: handschoenen.
Na de jodiumtest: blauwzwart waar het blad groen was en licht kreeg; licht waar het wit was of onder de folie zat.
Na de jodiumtest: blauwzwart waar het blad groen was en licht kreeg; licht waar het wit was of onder de folie zat.
Werkwijze
  1. 1Na twee dagen donker is het zetmeel uit de bladeren verbruikt. Klem een strook folie aan beide kanten over een bont blad, zonder het blad te plooien.
  2. 2Zet de plant een dag in de zon of onder een lamp.
  3. 3Pluk het blad, haal de folie weg, en dompel het een minuut in kokend water: de cellen gaan dood en worden doorlaatbaar.
  4. 4Leg het blad in een bekerglas met ethanol, dat in een groter bekerglas met heet water staat, tot het blad bijna wit is: de ethanol lost het bladgroen op.
  5. 5Spoel het blad in lauw water (het wordt weer zacht), leg het in een petrischaal en druppel er jodiumoplossing op. Jodium kleurt zetmeel blauwzwart.
Waarneming

Alleen het deel van het blad dat groen was én niet onder de folie zat, kleurt blauwzwart. Het witte randje blijft geelbruin (de kleur van jodium), ook waar het licht kreeg. De strook die onder de folie zat, blijft geelbruin, ook waar het blad groen was.

Verklaring

Zetmeel maakt de plant van de glucose uit de fotosynthese. Waar geen licht was, of geen bladgroen, werd er geen glucose gemaakt, en dus ook geen zetmeel. De proef toont dus dat de fotosynthese licht en bladgroen nodig heeft, zoals Ingenhousz al zag. Omdat de plant eerst twee dagen in het donker stond, weet je zeker dat het zetmeel nieuw is: dat is een gecontroleerde beginsituatie.

Uitleg · 27.5

Wat een plant nodig heeft

5/17

Een plant is een systeem (hoofdstuk 1): er gaan stoffen en energie in, er gebeurt iets mee, en er komt iets uit. Voor een gezonde groei heeft ze zes dingen nodig:

watwaarvoorin de meetkas
lichtenergie voor de fotosynthesezon door het polycarbonaat (±80 % gaat erdoor); ledstrip in de winter
watergrondstof van de fotosynthese; houdt de cellen stevig; vervoert stoffen; koelt door verdampingdruppelslang, water geven onder 30 % bodemvocht (hoofdstuk 25)
koolstofdioxidegrondstof: de koolstof van alle suiker, zetmeel en celluloseuit de lucht (±0,04 %), via kieren en het dakraam
geschikte temperatuuralle processen in de cel verlopen het best in een bepaald gebieddakraam open boven 28 °C (hoofdstuk 25), 's nachts warmtebuffer (hoofdstuk 16)
mineralenbouwstoffen: stikstof en zwavel voor eiwitten, magnesium in bladgroen, ijzer om bladgroen te maken, fosfor, kalium ...voedingsoplossing 1,0 g/L (hoofdstuk 8)
zuurstof bij de wortelscelademhaling in de wortelcellengeen natte voeten: water geven met mate
Plantenvoeding is eten voor de plant

De fles 'plantenvoeding' bevat mineralen: opgeloste zouten met stikstof, fosfor, kalium en andere elementen. Die zijn bouwstoffen, zoals kalk voor jouw botten, maar ze leveren geen energie. Een plant maakt haar eigen voedsel (glucose) met licht. Zonder licht helpt de beste voeding niets. En te veel voedingszouten is schadelijk: de wortels verbranden.

Stikstof uit de lucht?

Lucht bestaat voor 78 % uit stikstof, maar een gewone plant kan die niet gebruiken: ze neemt stikstof alleen op als opgeloste zouten (nitraat) via de wortels. Alleen vlinderbloemigen zoals bonen en klaver krijgen hulp van bacteriën in knolletjes op hun wortels, die stikstof uit de lucht vastleggen.

de plantfotosynthese, groeien celademhalinglichtwaterkoolstofdioxidemineralenzuurstofwaterdampgroei en oogstwarmteinputprocesoutput
Input, proces en output: de plant zet licht, water, koolstofdioxide en mineralen om in groei, zuurstof en waterdamp.
Uitleg · 27.6

Beperkende factoren

6/17

Een plant in fel licht groeit niet noodzakelijk sneller. Als er een ander ingrediënt ontbreekt, remt dat de fotosynthese. De factor die het minst voorhanden is, noem je de beperkende factor: die bepaalt hoe snel het proces gaat.

Denk aan een houten ton met duigen van verschillende hoogte: water loopt over de laagste duig weg. Zo bepaalt de 'kortste duig' hoe snel een plant groeit (de ton van Liebig, naar de Duitse scheikundige die zo over meststoffen dacht). Een langere duig (meer licht) helpt pas als de kortste (bijvoorbeeld CO2) ook langer wordt.

In de grafiek zie je het. Bij weinig licht stijgt de fotosynthese met de lichtsterkte: licht is beperkend. Bij fel licht vlakt de lijn af: meer licht helpt niet meer, iets anders beperkt, meestal koolstofdioxide. Met meer CO2 ligt het plafond hoger. Daarom blazen tuinders in hun serres extra koolstofdioxide in (tot 800 à 1000 ppm, hoofdstuk 14 van Intermediate).

Ook de temperatuur speelt mee: de fotosynthese gebeurt met enzymen (hoofdstuk 34 van Intermediate) die het best werken rond een optimum. Voor veel planten van ons klimaat ligt dat tussen 20 en 30 °C; boven 35 à 40 °C valt het snel stil.

De vuistregel van de tuinders

In de Nederlandse en Vlaamse glastuinbouw rekent men: in de winter en de lente, als licht de beperkende factor is, geeft 1 % meer licht ongeveer 0,5 à 1 % meer oogst. In de zomer is het effect kleiner: dan is er vaak licht genoeg en beperkt iets anders.

lichtsterktesnelheid van de fotosyntheselicht beperktCO₂ beperkthoger plafond met meer CO₂veel CO₂weinig CO₂
Schets: eerst beperkt het licht (beide lijnen stijgen samen), daarna de koolstofdioxide (elke lijn heeft haar eigen plafond).
lichtwaterCO₂warmtemineralenhet water loopt over de kortste duig
De ton van Liebig: hier is CO₂ de kortste duig. Langere duigen voor licht of water helpen niet.
0510152025303540450,00,20,40,60,81,01,2temperatuur (°C)snelheid (relatief)optimumfotosynthese (schematisch)
Schematisch: onder het optimum trager, erboven valt de fotosynthese snel terug.
Uitgewerkt voorbeeld · 27.7

Welke factor remt de sla in de meetkas?

7/17

Bepaal telkens de beperkende factor voor de pluksla in de meetkas, en wat je eraan kan doen.

(a) Een grijze ochtend in maart, 9 uur: 8 °C in de kas, weinig licht.
(b) Een zonnige aprildag, 13 uur (hoofdstuk 4): de kas is dicht en 32 °C.
(c) Een zonnige dag in mei, 25 °C, dakraam open, maar de grond is uitgedroogd: de bladeren hangen slap.

Gegeven
  • drie situaties in de meetkas
  • de regelingen van hoofdstuk 25 (water geven onder 30 %, dakraam boven 28 °C)
Gevraagd
  • de beperkende factor in elke situatie
  • een maatregel
Oplossing
  1. 1
    (a) Er is weinig licht én het is koud. Welke is het kortst? Om 9 uur in maart is het licht zwak: licht is hier de beperkende factor, met de temperatuur als tweede. De ledstrip aanzetten helpt (daarvoor is ze er), een warmtebuffer (hoofdstuk 16) houdt de kas 's nachts warmer.
  2. 2
    (b) Licht is er genoeg. Maar in een dichte kas nemen de planten de koolstofdioxide sneller op dan er bijkomt: de lucht in de meetkas (576 L) bevat maar een halve gram CO2. En 32 °C ligt boven het optimum van sla. Koolstofdioxide en temperatuur beperken; het dakraam openen lost beide op: verse lucht met CO2, en afkoeling (dat doet de regeling van hoofdstuk 25 vanaf 28 °C).
  3. 3
    (c) Slappe bladeren: de vacuoles zijn leeg, de plant heeft te weinig water. Om minder water te verliezen, sluit ze haar huidmondjes. Dan komt er ook geen CO2 meer binnen, en stopt de fotosynthese, hoe fel de zon ook schijnt. Water geven, en de drempel van de vochtregeling nakijken.
Antwoord
(a) licht (en temperatuur); (b) koolstofdioxide en een te hoge temperatuur; (c) water, en daardoor ook koolstofdioxide.
Klopt dit? Kijk of je maatregel de kortste duig verlengt. In (a) helpt extra CO2 niets: het licht blijft beperkend. In (c) helpt het dakraam openen niets zolang de huidmondjes dicht zijn.
Ontleed · 27.8

Huidmondjes: de poorten van het blad

8/17

Een blad moet koolstofdioxide binnenlaten, maar de waslaag laat geen gas door. De oplossing: honderden piepkleine poortjes per vierkante millimeter, de huidmondjes (hoofdstuk 26). Elke poort heeft twee sluitcellen die de spleet open en dicht kunnen doen.

opendichtlicht en genoeg waterdonker of te weinig water
Links open: de sluitcellen staan bol en buigen uit elkaar. Rechts dicht: slap, ze liggen tegen elkaar.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Sluitcel

    Boonvormige cel met een dikke binnenwand. Neemt ze water op, dan zwelt ze op en buigt ze naar buiten: de spleet gaat open.

  2. 2
    Spleet (open)

    Hierlangs gaat koolstofdioxide naar binnen, en zuurstof en waterdamp naar buiten.

  3. 3
    Bladgroenkorrels

    Sluitcellen zijn de enige opperhuidcellen met bladgroenkorrels. Ze reageren op licht: bij licht gaan de huidmondjes open.

  4. 4
    Opperhuidcel

    Doorzichtige cellen zonder bladgroen, die als puzzelstukken in elkaar passen (zie de nagellakafdruk van hoofdstuk 26).

  5. 5
    Gesloten huidmondje

    In het donker, en bij droogte, verliezen de sluitcellen water en worden ze slap: de spleet sluit. De plant verliest dan bijna geen water meer, maar kan ook geen CO2 opnemen.

Uitleg · 27.9

Verdamping en watertransport

9/17

Door de open huidmondjes ontsnapt er voortdurend waterdamp: de plant verdampt water (ook wel transpiratie genoemd). Dat lijkt verspilling, maar het is de motor van het watertransport:

  1. Wortelharen, heel fijne uitstulpingen van wortelcellen, nemen water en opgeloste mineralen op uit de grond. Ze vergroten het oppervlak van de wortel enorm.
  2. Het water gaat omhoog door de houtvaten: lange buisjes van dode cellen, van de wortel door de stengel tot in de nerven van elk blad.
  3. In het blad verdampt water uit de cellen in de luchtholtes, en ontsnapt het door de huidmondjes.
  4. Waterdeeltjes trekken elkaar aan (hoofdstuk 6). Verdwijnt er bovenaan water, dan trekt dat de hele waterdraad in de houtvaten een stukje omhoog, als een ketting. Zo krijgen de hoogste bomen ter wereld, kustmammoetbomen van ruim 115 m, water tot in hun top, zonder pomp.

De glucose die in de bladeren gemaakt wordt, gaat via de bastvaten (levende cellen) naar alle delen die groeien of voorraad aanleggen: wortels, jonge bladeren, bloemen, vruchten, knollen. Dat kan naar beneden én naar boven.

Verdamping koelt ook het blad af (verdampen kost energie, hoofdstuk 6), en ze gaat sneller als het warm, zonnig, droog en winderig is. Van al het water dat een plant opneemt, blijft er maar een paar procent in de plant: de rest verdampt. Daarom is de lucht in een kas zo vochtig, en beslaat de wand 's nachts (hoofdstuk 6).

Water gaat door de plant zoals door een rietje dat je opzuigt

Niemand zuigt: de verdamping bovenaan trekt aan een ononderbroken draad van water. Zit er lucht in een houtvat (bijvoorbeeld als je een bloem lang droog laat liggen), dan breekt de draad. Daarom snij je bloemstelen onder water af voor je ze in een vaas zet.

grondwaterdampCO₂houtvaten: water enmineralen omhoogbastvaten: suiker naarwortels, bloemen, vruchtenwortelharen nemen wateren mineralen ophuidmondjes aan deonderkant van het blad
Water gaat van de wortelharen door de houtvaten (blauw) naar de bladeren en verdampt; suiker gaat via de bastvaten (oranje) naar waar hij nodig is.
Selderij in blauw water: na een paar uur zie je in de dwarse snede de houtvaten als blauwe stipjes.
Selderij in blauw water: na een paar uur zie je in de dwarse snede de houtvaten als blauwe stipjes.
Proef · 27.10

Welke kant van het blad verdampt het meest?

10/17
Onderzoeksvraag

Verliest een blad zijn water vooral langs de bovenkant of langs de onderkant?

Materiaal
  • vier ongeveer even grote bladeren van dezelfde plant (bijvoorbeeld laurier of klimop), met steel
  • vaseline
  • een balans tot op 0,01 g
  • touw en wasknijpers
0123465707580859095100tijd (dagen)massa (% van het begin)A: geen vaselineB: bovenkantC: onderkantD: beide kanten
Vaseline op de onderkant (C) remt het verdampen bijna even goed als op beide kanten (D).
Werkwijze
  1. 1Blad A krijgt geen vaseline, blad B een dun laagje op de bovenkant, blad C op de onderkant, blad D op beide kanten. Vaseline laat geen waterdamp door.
  2. 2Weeg elk blad en noteer de massa. Hang de vier bladeren naast elkaar aan een touw, op dezelfde plaats in het lokaal.
  3. 3Weeg elke dag op hetzelfde tijdstip, vier dagen lang.
  4. 4Bereken voor elk blad de massa als percentage van de beginmassa, en zet alles in één grafiek.
Waarneming

Een voorbeeld van resultaten:

bladvaselinedag 0 (g)dag 1 (g)dag 2 (g)dag 3 (g)dag 4 (g)massaverlies
Ageen2,141,911,701,521,3537 %
Bbovenkant2,081,881,701,541,3933 %
Conderkant2,202,152,112,062,019 %
Dbeide kanten2,112,092,072,052,034 %

Blad A verliest het meest, B bijna evenveel, C veel minder en D bijna niets.

Verklaring

De massa daalt doordat er water verdampt. Vaseline op de onderkant (C) remt het verdampen veel sterker dan op de bovenkant (B): de meeste huidmondjes zitten onderaan, zoals je in de nagellakafdruk van hoofdstuk 26 zag. D verliest nog een klein beetje, door de waslaag en door plekjes waar de vaseline dun was. Dat alle bladeren van dezelfde plant komen en op dezelfde plaats hangen, maakt de proef eerlijk: alleen de plaats van de vaseline verschilt. Nog beter: meerdere bladeren per groep.

Uitgewerkt voorbeeld · 27.11

Hoeveel water verdampen de planten in de meetkas?

11/17

De meetkas verbruikt ongeveer 1,8 L water per dag (hoofdstuk 3), bijna allemaal door de planten. Na 6 weken oogst je in elk van de 12 bakjes ongeveer 100 g pluksla. Sla bestaat voor 94 % uit water. (a) Hoeveel water per bakje per dag? (b) Hoeveel water ging er in 6 weken door de kas? (c) Welk deel daarvan zit in de geoogste sla?

Gegeven
  • verbruik per dag
  • 12 bakjes, 6 weken = 42 dagen
  • oogst per bakje, 94 % water
Gevraagd
  • (a) water per bakje per dag
  • (b) water in 6 weken
  • (c) aandeel dat in de oogst zit
Oplossing
  1. 1
    (a) per bakje per dag.
  2. 2
    (b) in 6 weken.
  3. 3
    (c) Oogst: sla, waarvan 94 % water: , ongeveer water.
  4. 4
    Aandeel: .
  5. 5
    De andere 98,5 % is verdampt: ongeveer 1,8 L waterdamp per dag in 576 L kaslucht, die er bij 20 °C maar hoogstens een tiental gram kan bevatten (hoofdstuk 6). Het meeste verlaat de kas via kieren en het dakraam, de rest condenseert op de koude wanden.
Antwoord
(a) 150 mL per bakje per dag; (b) 75,6 L; (c) maar ongeveer 1,5 %: bijna al het water verdampt.
Klopt dit? Voor landbouwgewassen geldt hetzelfde: meer dan 95 % van het opgenomen water verdampt. En de droge stof? 1200 g − 1128 g = 72 g, gebouwd uit koolstofdioxide, water en een paar gram mineralen.
Uitleg · 27.12

Een eerlijke groeiproef

12/17

In hoofdstuk 2 leerde je een eerlijke proef opzetten: één variabele veranderen, één meten, al de rest gelijk houden, met herhalingen. Bij planten komen daar drie aandachtspunten bij.

1. Wat meet je? 'Groei' kan je op verschillende manieren meten:

afhankelijke variabelevoordeelnadeel
lengte of hoogte (mm)snel, de plant blijft levenlanger is niet altijd beter (zie figuur)
aantal bladereneenvoudig tellenzegt niets over de grootte
versgewicht (g)wat je oogst en eetde plant moet eraf; hangt af van hoeveel water ze net had
drooggewicht (g)de echte opgebouwde massadrogen in een oven, de plant is weg

2. Planten verschillen van nature. Geen twee zaadjes zijn gelijk: gebruik veel planten per groep en meerdere bakjes, en werk met gemiddelden.

3. De plaats telt. Vooraan in de kas is het lichter en warmer dan achteraan, vlak bij de wand kouder dan in het midden. Zet niet alle bakjes van één groep naast elkaar, maar loot hun plaats, zodat elke groep op goede en minder goede plaatsen staat.

Hoe langer de plant, hoe beter ze groeit

Zet tuinkers een week in een donkere doos, en ze wordt langer dan in het licht: lange, dunne, bleke stengeltjes met kleine gele blaadjes. De plant verbruikt de voorraad in het zaad om zo snel mogelijk licht te zoeken (etiolement). Ze is niet gezonder, wel uitgeput. Wie alleen de lengte meet, besluit dan dat licht de groei remt!

7 dagen in het licht7 dagen in het donkerkort, stevig en groenlang, dun, bleek en geel
Tuinkers na een week: in het donker langer, maar dun, bleek en uitgeput. Lengte alleen is een misleidende maat.
Uitgewerkt voorbeeld · 27.13

Habitat: de groeiproef in de meetkas ontwerpen

13/17

Groeit pluksla in de meetkas in april trager als ze minder licht krijgt, en hoeveel? Ontwerp een eerlijke proef met de twaalf bakjes van de kas.

de plantentafel van bovenaf gezienachtervoorB30 % schaduwD70 % schaduwA0 % schaduwC50 % schaduwD70 % schaduwB30 % schaduwC50 % schaduwA0 % schaduwD70 % schaduwB30 % schaduwA0 % schaduwC50 % schaduwblauw: de druppelslang tussen de rijen, met één druppelaar in elk bakje
Elke letter is een groep: A 0 %, B 30 %, C 50 %, D 70 % schaduw. Elke groep staat zowel voor- als achteraan; de blauwe stip is de druppelaar.
Gegeven
  • 12 bakjes van 30 × 20 cm in twee rijen van zes, elk met een eigen druppelaar
  • pluksla, zaad uit één pakje
  • schaduwdoek van 30, 50 en 70 % (tuincentrum), houten raampjes
  • lichtsensor (LDR) op de microcontroller (hoofdstuk 25)
Gevraagd
  • onderzoeksvraag en hypothese
  • variabelen
  • de indeling van de bakjes
  • het meetplan
Oplossing
  1. 1
    Vraag en hypothese. 'Hoe hangt de oogst van pluksla na vijf weken af van de hoeveelheid licht?' Hypothese: 'Als de sla minder licht krijgt, dan wordt de oogst kleiner, omdat licht in april de beperkende factor is voor de fotosynthese.'
  2. 2
    Onafhankelijke variabele: het licht, met een schaduwdoek op een raampje boven het bakje: 0 % (A), 30 % (B), 50 % (C) en 70 % (D) schaduw. Vier groepen van drie bakjes. Groep A is de controlegroep. Afhankelijke variabele: het versgewicht per bakje bij de oogst, gewogen op een keukenweegschaal (en van één bakje per groep ook het drooggewicht).
  3. 3
    Gecontroleerd: zaad uit hetzelfde pakje, 30 zaadjes per bakje, na twee weken uitgedund tot 10 plantjes; dezelfde potgrond (hoofdstuk 7); water via de druppelslang, voor elk bakje dezelfde druppelaar en dus hetzelfde water; dezelfde voedingsoplossing; zaaidag en oogstdag gelijk; de ledstrip blijft uit. De raampjes staan 20 cm boven de grond, zodat de lucht onder het doek vrij kan stromen.
  4. 4
    Loten. De plaats van de groepen wordt geloot, met de afspraak dat elke groep in beide rijen staat (zie het plan): zo krijgt geen enkele groep alleen de lichte voorkant.
  5. 5
    Meetplan. Elke week: aantal bladeren en een foto van boven. Met de lichtsensor meet je onder elk doek hoeveel licht er echt overblijft (een doek van '50 %' laat niet altijd precies de helft door). De temperatuursensor noteert de kastemperatuur. Na vijf weken: alles oogsten op dezelfde hoogte (2 cm boven de grond), elk bakje apart wegen.
Antwoord
Vier groepen van drie bakjes (0, 30, 50 en 70 % schaduw), geloot over beide rijen; al de rest gelijk; versgewicht per bakje na vijf weken als afhankelijke variabele; licht en temperatuur gemeten met de sensoren van de kas.
Klopt dit? Loop de vraag uit hoofdstuk 2 na: 'Waarin verschillen de bakjes nog?' Het schaduwdoek maakt het er ook iets koeler. Dat is een tweede variabele die je niet volledig kan uitschakelen: meet ze, en vermeld het in je bespreking.
Uitgewerkt voorbeeld · 27.14

De resultaten van de groeiproef verwerken

14/17

Na vijf weken weegt een klas de sla per bakje. Verwerk de resultaten en trek een besluit.

schaduwdoeklichtbakje 1 (g)bakje 2 (g)bakje 3 (g)gemiddelde (g)bereik (g)t.o.v. 100 % licht
0 %100 %98106101101,78100 %
30 %70 %74697873,7972 %
50 %50 %51574952,3851 %
70 %30 %29332629,3729 %
0102030405060708090100020406080100120licht (% van onbeschaduwd)versgewicht per bakje (g)afzonderlijke bakjesgemiddelde met bereikrecht evenredig
Voorbeelduitkomst: de gemiddelden liggen dicht bij de stippellijn (recht evenredig met het licht).
Gegeven
  • versgewicht van 3 bakjes per groep
  • licht = 100 % min het percentage schaduw
Gevraagd
  • gemiddelde en bereik per groep
  • een grafiek
  • een besluit
Oplossing
  1. 1
    Gemiddelde van de controlegroep: ; bereik . Zo ook voor de andere groepen (tabel).
  2. 2
    Zet het licht (onafhankelijke variabele) horizontaal en het versgewicht verticaal. Teken de afzonderlijke bakjes en het gemiddelde met het bereik als streepje.
  3. 3
    Vergelijk met de controlegroep: bij 70 % licht nog van de oogst, bij 30 % licht nog maar 29 %.
  4. 4
    De verschillen tussen de groepen (20 g en meer) zijn veel groter dan het bereik binnen een groep (7 à 9 g): het effect is echt, geen toeval (hoofdstuk 2).
  5. 5
    De punten liggen dicht bij een rechte door de oorsprong: minder licht geeft ongeveer evenredig minder oogst. Per procent licht minder, ongeveer 1 % minder sla: dat past bij de vuistregel van de tuinders.
Antwoord
Hoe minder licht, hoe kleiner de oogst, ongeveer recht evenredig. De hypothese is bevestigd: in april is licht de beperkende factor voor sla in de meetkas.
Klopt dit? Zou hetzelfde gelden in juli? Dan is er veel meer licht en wordt de kas heet; een beetje schaduw kan dan zelfs helpen. Een besluit geldt alleen voor de omstandigheden waarin je het getest hebt.
Uitleg · 27.15

Telen zonder aarde

15/17

Wat doet de aarde eigenlijk voor een plant? Vier dingen: ze houdt de plant overeind, ze bewaart water, ze levert mineralen, en tussen de korrels zit lucht voor de wortels. Alle vier kan je ook anders regelen. Dan teel je zonder aarde: hydrocultuur of hydroponie (Grieks: 'werk met water').

  • De wortels staan in water met opgeloste voedingszouten, zoals de voedingsoplossing van de meetkas (1,0 g per liter, hoofdstuk 8).
  • Steun komt van een netpotje met kleikorrels of steenwol, die zelf geen voeding geven.
  • Lucht voor de wortels: door een luchtlaag, door luchtbellen (een aquariumpompje) of doordat de oplossing stroomt.

De eenvoudigste methode, bedacht door de Amerikaanse tuinbouwkundige Bernard Kratky, heeft zelfs geen pomp nodig. Een pot wordt gevuld met voedingsoplossing tot net onder het netpotje. Terwijl de plant drinkt, zakt het niveau en ontstaat er een luchtlaag waarin de bovenste wortels ademen; de onderste wortels blijven water opnemen. Voor één slaplant is een pot van ongeveer 5 liter genoeg voor haar hele leven (in de meetkas drinkt een bakje 150 mL per dag).

voordelennadelen
geen ziektes en onkruid uit de grondalgen als er licht bij de oplossing komt
minder water: niets zakt weg in de ondergrondje moet zoutgehalte (EC) en zuurtegraad (pH) bewaken
snelle groei, veel planten op weinig plaatspompen en lampen verbruiken elektriciteit
werkt ook waar geen goede grond is: op een dak, in een stationeen fout (te sterk, geen lucht) treft meteen alle planten
Van Helmont, definitief

Een slaplant van 150 g die groeit zonder een korrel aarde, alleen in water met een paar gram zouten, is het sterkste bewijs dat een plant haar massa uit de lucht en het water haalt. In de klimaatmodule van Intermediate (hoofdstuk 36) bouw je een echt hydroponiesysteem, met een pomp, een EC- en een pH-meting.

deksel (lichtdicht)netpotje met kleikorrelsluchtlaag: hier ademende bovenste wortelsvoedingsoplossing(1,0 g zouten per liter)donkere pot: geen licht, dus geen algenniveau zaktals de plantdrinkt
Een Kratky-pot: geen aarde, geen pomp. De luchtlaag groeit mee terwijl de plant drinkt.
Sla zonder aarde: witte, gezonde wortels in voedingsoplossing, met een luchtlaag erboven.
Sla zonder aarde: witte, gezonde wortels in voedingsoplossing, met een luchtlaag erboven.
Naslag · 27.16

Overzicht: fotosynthese, ademhaling en groei

16/17

De twee woordvergelijkingen, wat een plant nodig heeft, en de checklist voor een groeiproef.

fotosynthese (in de bladgroenkorrels, alleen in het licht)
celademhaling (in de mitochondriën, altijd)
fotosynthesecelademhaling
waarin de bladgroenkorrels (groene delen)in de mitochondriën (alle levende cellen)
wanneeralleen in het lichtaltijd, dag en nacht
neemt opkoolstofdioxide en waterglucose en zuurstof
geeft afglucose en zuurstofkoolstofdioxide en water
energielichtenergie wordt opgeslagen in suikerenergie uit suiker komt vrij voor de cel
wieplanten, algen, sommige bacteriënalle organismen: planten, dieren, schimmels, bacteriën
watwaarvoorin de meetkas
lichtenergie voor de fotosynthesezon door het polycarbonaat (±80 % gaat erdoor); ledstrip in de winter
watergrondstof van de fotosynthese; houdt de cellen stevig; vervoert stoffen; koelt door verdampingdruppelslang, water geven onder 30 % bodemvocht (hoofdstuk 25)
koolstofdioxidegrondstof: de koolstof van alle suiker, zetmeel en celluloseuit de lucht (±0,04 %), via kieren en het dakraam
geschikte temperatuuralle processen in de cel verlopen het best in een bepaald gebieddakraam open boven 28 °C (hoofdstuk 25), 's nachts warmtebuffer (hoofdstuk 16)
mineralenbouwstoffen: stikstof en zwavel voor eiwitten, magnesium in bladgroen, ijzer om bladgroen te maken, fosfor, kalium ...voedingsoplossing 1,0 g/L (hoofdstuk 8)
zuurstof bij de wortelscelademhaling in de wortelcellengeen natte voeten: water geven met mate
transportwatrichtingmotor
houtvatenwater en mineralenvan de wortels naar bovenverdamping in de bladeren
bastvatensuikersvan de bladeren naar alle delen, op en neerlevende cellen
huidmondjesCO2 in; O2 en waterdamp uitmet de luchtopen bij licht en genoeg water
checklist groeiproef
Eén onafhankelijke variabele, met een controlegroep.
Veel planten per groep en meerdere bakjes; gemiddelde en bereik.
Plaatsen geloot; elke groep op goede en minder goede plaatsen.
Een zinvolle maat voor groei: versgewicht of drooggewicht, niet alleen de lengte.
Wat je niet kan gelijk houden, meet en vermeld je.
Het geheel · 27.17

Waar fotosynthese terugkomt

17/17

Fotosynthese is het begin van bijna elke voedselketen en de bron van de zuurstof in de lucht: in het volgende hoofdstuk zie je hoe ze de energiestroom en de koolstofkringloop van elk ecosysteem aandrijft. Scheikundig is het een reactie (leerlijn Materie en chemie) die in Intermediate een kloppende reactievergelijking wordt, met getallen. Energetisch is het een omzetting van licht in chemische energie met een laag rendement (leerlijn Energie). En de groeiproef is zuiver Onderzoeken en meten.

Van Helmonts wilg, de eerlijke proef en herhalen: de basis van elke groeiproef.

Verdampen en condenseren: de vochtige kaslucht komt uit de bladeren.

De voedingsoplossing: 1,0 g voedingszouten per liter.

Van 1000 J zonlicht wordt ongeveer 10 J suiker in de plant.

Water geven en het dakraam: regelingen die de beperkende factoren water en temperatuur bewaken.

Bladgroenkorrels, mitochondriën en huidmondjes: waar het allemaal gebeurt.

Producenten aan het begin van de voedselketen; de koolstofkringloop.

De woordvergelijking wordt een kloppende reactie: hoeveel CO₂ een slaplant opneemt.

Waarom de temperatuur een optimum heeft: enzymen.

Hydroponie op schaal: EC, pH, groeilampen en opbrengst per kWh.

Algen kweken voor zuurstof en voedsel in een reactor.

HabitatDe meetkas bestaat om planten te laten groeien. Met wat je nu weet, kan je elke regeling verklaren: de ledstrip verlengt de 'duig' licht in de winter, het dakraam laat CO2 binnen en houdt de temperatuur onder het te-warm-gebied, en de vochtregeling zorgt dat de huidmondjes open kunnen blijven. In opdracht 27.13 ontwerp je je eigen groeiproef voor de meetkas; in hoofdstuk 33 voer je ze uit en rapporteer je ze.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

fotosynthese
Het proces waarbij een plant met lichtenergie en bladgroen koolstofdioxide en water omzet in glucose en zuurstof.
glucose
Een suiker die de plant bij de fotosynthese maakt; bouwstof (cellulose, zetmeel) en brandstof voor de cellen.
bladgroen (chlorofyl)
De groene kleurstof in de bladgroenkorrels die licht opvangt voor de fotosynthese.
celademhaling
Het vrijmaken van energie uit glucose met zuurstof, waarbij koolstofdioxide en water ontstaan; gebeurt in alle levende cellen, dag en nacht.
beperkende factor
De factor die het minst beschikbaar is en daardoor de snelheid van een proces bepaalt.
huidmondje
Opening tussen twee sluitcellen in de opperhuid, vooral aan de onderkant van het blad, waardoor koolstofdioxide, zuurstof en waterdamp gaan.
verdamping (transpiratie)
Het ontsnappen van waterdamp uit de bladeren via de huidmondjes; het trekt water van de wortels naar boven.
houtvaten
Buisjes van dode cellen die water en mineralen van de wortels naar de bladeren vervoeren.
bastvaten
Buisjes van levende cellen die suikers van de bladeren naar alle delen van de plant vervoeren.
mineralen
Opgeloste zouten (met stikstof, fosfor, kalium, magnesium ...) die een plant als bouwstof nodig heeft; ze leveren geen energie.
versgewicht
De massa van een plant zoals ze geoogst wordt, met al het water erin.
drooggewicht
De massa van een plant nadat al het water eruit gedroogd is.
hydrocultuur
Telen zonder aarde: de wortels staan in water met opgeloste voedingszouten, eventueel in een steunmateriaal zoals kleikorrels.
Aan de slag in het werkboek16 opdrachten, van oefenen tot uitdagen