Handboek · hoofdstuk 17Warmteoverdracht kwantitatief
Van wandlagen tot een digitale tweeling met twee tijdschalen
Een goed geïsoleerde ruimte kan toch snel afkoelen. Warmteverlies bepaalt hoeveel je moet blijven verwarmen; warmtecapaciteit bepaalt hoe lang de temperatuur onderweg is. Je bouwt beide stap voor stap op en houdt het warmtemodel van de klimaatmodule apart van dat van het hele station.

- Je leidt geleidingsweerstanden af uit de wet van Fourier.
- Je combineert geleiding, convectie en straling met een geldige systeemgrens.
- Je bouwt en simuleert een warmtemodel met één en twee knopen.
- Je schat parameters uit een proef en toetst het model op andere data.
- Je gebruikt het model om vermogen, buffer en regeling van Habitat te beoordelen.
Warmteverlies en opslag zijn verschillende eigenschappen
Je kende en het stationverlies van 50 W/K. De eerste relatie gaat over energie opslaan; de tweede over energie per seconde verliezen. Schrijf daarom in J/K en in W/K. Een groot houdt een ruimte tijdelijk warm, maar verandert het stationaire verlies niet.
Een temperatuurverschil van 1 °C is 1 K. In stralingsformules is de absolute temperatuur verplicht: . Warmte is energie die door temperatuurverschil wordt overgedragen; een lichaam bevat inwendige energie, geen voorraad 'warmte'.
Fourier: van lokale gradiënt naar wandverlies
Voor een vlakke wand met constante geleidbaarheid geldt . Het minteken stuurt warmte van hoog naar laag. is warmtestroomdichtheid in W/m²; is vermogen in W.
In een stationaire, homogene laag zonder interne warmtebron is : het temperatuurprofiel is recht. Integreren over dikte geeft . Die formule geldt niet zomaar voor een cylinder of een isolatielaag met een sterk temperatuurafhankelijke geleidbaarheid.
Een isolatieplaat volledig doorrekenen
- , , ; twee plaatvlakken op 19 en −6 °C.
- De weerstand en de geleidingswarmtestroom.
- 1Het verschil is 25 K. .
- 2. De flux is en de gradiënt .
- 3In acht uur stroomt door de plaat.
Convectie koppelt lucht aan een oppervlak
Een stilstaande luchtlaag geleidt; beweging transporteert energie verder. Newtons warmteovergangsmodel bundelt beide: en . is geen universele materiaalconstante. Het hangt af van snelheid, vorm, oriëntatie, ruwheid en stromingsregime.
Natuurlijke convectie ontstaat door dichtheidsverschillen; gedwongen convectie door ventilator of pomp. Een ontwerp gebruikt een correlatie met haar toepassingsgebied of een gemeten , geen willekeurig tabelgetal. Bijvoorbeeld: bij , en 15 K verschil volgt 240 W.
Weerstanden in serie: temperatuurvallen verdelen
In serie stroomt hetzelfde vermogen door elke laag. . Alle temperatuurvallen optellen geeft . Bij een vlakke wand werk je vaak per vierkante meter: in m²K/W en .
De binnen- en buitenfilms zijn hier rekenwaarden en . De opgegeven filmweerstanden kunnen effectieve straling bevatten. Daar nog een volledige stralingsstroom bovenop tellen zou hetzelfde verlies tweemaal tellen.
Houtskelet: isolatie met een parallelle koudebrug
- 12,5 mm gips (0,25 W/(m·K)), 160 mm houtvezel (0,038 W/(m·K)), 15 mm OSB (0,13 W/(m·K)); films 0,13 en 0,04 m²K/W.
- In 10 % van de wand vervangt hout met λ = 0,13 W/(m·K) de houtvezel. Dit is een rekenwand, geen nieuwe specificatie van de woonmodule.
- U zonder en met stijlbrug.
- 1Isolatiepad: R′ = 0,13 + 0,0125/0,25 + 0,16/0,038 + 0,015/0,13 + 0,04 = 4,546 m²K/W. U = 0,220 W/(m²K).
- 2Houtpad: R′ = 1,566 m²K/W. Beide paden zien hetzelfde temperatuurverschil: hun vermogens tellen op.
- 3Ueff = 0,90·Uisolatie + 0,10·Uhout = 0,262 W/(m²K). Een gemiddelde van de weerstanden zou hier fout zijn.
Ventilatie is een parallel verliespad
Bij volumestroom verlaat lucht de ruimte met enthalpieverschil ongeveer per m³. Dus . Met warmteterugwinning is dat . Een debiet in m³/h moet eerst door 3600.
De 100 m³/h van e14, met 85 % warmteterugwinning, en , geeft . Zonder terugwinning is dat 33,5 W/K. Dit verlies zit al in de woonmodulewaarde; voeg het niet nogmaals toe aan de 50 W/K van het station.
Stefan-Boltzmann: uitwisselen met een omgeving
Een zwart lichaam straalt per m² uit. Voor een grijs oppervlak in een grote isotherme omgeving, met zichtfactor ongeveer 1, is netto . De omgeving straalt terug. Voor twee eindige platen spelen zichtfactor en beide emissiviteiten mee.
(afgeronde waarde uit NIST CODATA). Het product van een reflecterend metaaloppervlak en een luchtspleet kan straling beperken; een reflecterende folie zonder spleet is geen dikke isolatielaag.
Radiator: straling en convectie samen
- Oppervlak 2,0 m² op 35 °C, grote omgeving en lucht beide 20 °C, ε = 0,90, hconv = 8,0 W/(m²K).
- Afzonderlijke vermogens en totaal.
- 1Gebruik 308,15 en 293,15 K. = 166,5 W.
- 2Convectie: 8,0·2,0·15 = 240 W. De twee mechanismen zijn parallel: totaal 406,5 W.
- 3Het gemiddelde temperatuurniveau is 300,65 K. De lokale stralingscoëfficiënt 4εσTm³ is 5,55 W/(m²K), dus in dezelfde orde als de convectie.
Een knoop: de differentiaalvergelijking afleiden
Neem vaste , , buitenwaarde en ingaand vermogen . Tijdens verandert de energie met ; binnen komt , buiten gaat . Delen door geeft .
Het evenwicht is . Zet . Dan , zodat en met . De tijdconstante verandert de eindsituatie niet.
Het stationreferentiemodel van e39
- H = 50 W/K, C = 540 kJ/K, Tb = 0 °C, T0 = 0 °C, P = 1000 W.
- Evenwicht, tijdconstante, temperatuur na één uur en tijd tot 18 °C.
- 1T∞ = 1000/50 = 20 °C. τ = 540000/50 = 10800 s = 3 h.
- 2Na één uur: T = 20(1 − exp(−1/3)) = 5,67 °C.
- 318/20 = 1 − exp(−t/3), dus t = −3 ln(0,10) = 6,91 h. Tot dicht bij evenwicht komen duurt veel langer dan één tijdconstante.
Wanneer één temperatuur te grof wordt
Een homogeen voorwerp is een redelijke knoop als interne temperatuurverschillen klein blijven. De verhouding vergelijkt interne geleidingsweerstand met oppervlakweerstand, met . is gunstig. Een gebouw is echter een samengesteld systeem; daar toets je een knoop vooral aan de tijdschalen en meetresiduen.
Lucht, meubels en een grote waterbuffer krijgen niet onmiddellijk dezelfde temperatuur. Bij verwarmen reageert de lucht eerst; bij uitschakelen kan warm water nog energie teruggeven. Het totaal zomaar in één knoop stoppen mist deze uitwisseling.
Twee knopen uit twee energiebalansen
Voor de klimaatmodule nemen we , , en uit i31. De buffer verliest in dit model alleen warmte via de lucht. Het convectorvermogen wordt als netto warmte aan de lucht toegevoerd.
Optellen laat de interne overdracht wegvallen: . Dat is een sterke controle op de tekens. Dezelfde koppelstroom is verlies voor de ene knoop en winst voor de andere.
Twee eigenwaarden: snelle lucht, trage opslag
- Modulewaarden uit de twee balansen, constante bron en buitenwaarde.
- De twee natuurlijke tijdschalen en de Eulerstabiliteitsgrens.
- 1Rond evenwicht schrijf je met . Een oplossing bestaat als .
- 2karakteristieke vergelijking
- 3De wortels zijn negatief. Hun −1/s levert 0,431 h en 25,98 h. Elke temperatuur bevat een mengsel van beide exponentiële bijdragen.
- 4Voor Euler geldt per mode . De snelste mode vraagt . Kies veel kleiner voor nauwkeurigheid; hier 10 s.
Een reproduceerbare thermische tweeling
Een modelreeks begint om 00:00 UTC+1 met beide knopen op 12 °C, buiten constant 4 °C, 600 W netto warmte. Beide nieuwe temperaturen gebruiken de oude toestand; achtereenvolgens de nieuwe luchtwaarde voor de buffer gebruiken verandert de methode. De code vergelijkt bovendien 10 s met 5 s.
# module_thermisch.py — twee knopen, SI, modeltijd sinds 00:00 UTC+1import numpy as npCA, CB = 80000.0, 1100000.0 # J/K: snelle massa en trage bufferH, G = 20.2, 30.0 # W/K: buitenverlies en interne koppeling def simuleer(dt=10.0, uren=24, vermogen=600.0, buiten=4.0, start=12.0): a = b = start rij = [] for k in range(round(uren * 3600 / dt) + 1): rij.append((k * dt / 3600, a, b)) qa = vermogen - H * (a - buiten) - G * (a - b) qb = G * (a - b) a, b = a + dt * qa / CA, b + dt * qb / CB return np.asarray(rij) A = np.array([[-(H + G)/CA, G/CA], [G/CB, -G/CB]])polen = np.linalg.eigvals(A)tau = sorted(-1 / polen / 3600)rij = simuleer()for uur in (0, 1, 4, 8, 24): k = round(uur * 3600 / 10) print(f"{uur:2d} h: lucht {rij[k,1]:.2f} °C, buffer {rij[k,2]:.2f} °C")print("tijdconstanten (h):", ", ".join(f"{x:.3f}" for x in tau))fijn = simuleer(dt=5)print(f"verschil laatste luchtwaarde 10/5 s: {abs(rij[-1,1]-fijn[-1,1]):.5f} K")0 h: lucht 12.00 °C, buffer 12.00 °C 1 h: lucht 19.98 °C, buffer 12.50 °C 4 h: lucht 22.20 °C, buffer 14.78 °C 8 h: lucht 23.84 °C, buffer 17.48 °C 24 h: lucht 28.38 °C, buffer 24.94 °C tijdconstanten (h): 0.431, 25.981 verschil laatste luchtwaarde 10/5 s: 0.00013 K
Een afgeronde uitvoer is geen meting. De tabel en grafiek komen uit exact deze code, zodat je aannames en resultaten samen kan wijzigen.
Afkoelen toont wat het gemiddelde verbergt
Na uitschakelen uit 20 °C in 4 °C buitenlucht valt de lucht snel terug, terwijl de buffer relatief warm blijft. Daardoor blijft er naar de lucht stromen. De éénknoopbenadering met 1,18 MJ/K heeft dezelfde totale energie bij een uniforme temperatuur, maar voorspelt het comfort in het eerste uur verkeerd.
Een regeling gebruikt dus als comfortvariabele en als energietoestand. Een digitale tweeling is pas nuttig wanneer de toestand betekenis heeft: alleen een gladde voorspelde lijn is onvoldoende.
Parameters schatten met een energiebalans
In rust volgt , mits zon en interne winsten bekend zijn. Tijdens afkoelen zonder bron volgt voor één knoop . De helling van die rechte is ; vervolgens .
Bij twee knopen kan je de luchtbalans herschrijven als . Meet beide temperaturen en vermogen. De bufferbalans voegt toe. Afgeleiden versterken ruis, zodat e36 rechtstreeks tijdreeksen zal fitten.
Een alleenstaande koelcurve bepaalt vooral verhoudingen; om en afzonderlijk te vinden heb je een gekend energie- of vermogenssignaal nodig. Bij vrijwel gelijke lucht- en buffertemperatuur is slecht identificeerbaar.
Een afkoelproef met onafhankelijk verliespunt
- Voorbeeldproef: Tb = 5 °C, T0 = 25 °C, na 2 h T = 17,13 °C. In een aparte evenwichtsproef houdt 800 W de knoop 16,0 K boven buiten.
- H, τ en C van het eenvoudige model.
- 1Het rustpunt geeft H = 800/16 = 50 W/K.
- 2De genormaliseerde afkoeling is (17,13−5)/(25−5) = 0,6065. τ = −2/ln(0,6065) = 4,000 h.
- 3C = Hτ = 50·14 399 = 719,9 kJ/K. Het kleine verschil met 720 kJ/K komt door het afgeronde meetpunt.
Een thermische parameterproef zonder verborgen vermogen
- geïsoleerd vat met 2,0 kg water
- roerder
- twee thermometers
- gezekerde 12 V-verwarming
- vermogensmeter
- logger
- 1Meet water- en luchttemperatuur en netto verwarmingsvermogen; noteer de systeemgrens inclusief vat en sensor.
- 2Roer langzaam en vergelijk twee waterposities om de éénknoopaanname te toetsen.
- 3Verwarm met constant gemeten vermogen; registreer een bijna-stationair deel en schakel daarna uit.
- 4Schat H uit het rustpunt en C uit de koelcurve. Houd een tweede vermogen of proefdag buiten de fit.
- 5Plot residuen tegen tijd en temperatuur. Bekijk of verdamping, sensorvertraging of het vat een extra knoop vraagt.
Van warmte naar elektriciteit en comfort
Het warmtemodel vraagt thermisch vermogen. De elektrische vraag van de R290-warmtepomp volgt pas na delen door haar COP en toevoegen van hulpenergie (e16). Een constante COP is alleen geldig binnen een beperkt bron- en aanvoergebied; een hoger waterniveau vergroot vaak het temperatuurverschil en verlaagt COP.
Voor het hele station zonder interne winst is bij −8 °C buiten 50·28 = 1400 W nodig; bij −15 °C 1750 W. Dat zijn dezelfde waarden als e39. Voor de module apart is bij −8 °C 20,2·28 = 565,6 W; de woonmodule levert afgerond de resterende 29,8 W/K. Buffers leveren tijdelijk energie, geen permanent extra vermogen.
i40 rekent de werkende module met scherm en interne winst op 525 W en 1,09 MJ/K; dat is een andere bedrijfstoestand dan de onbeschermde 20,2 W/K-ontwerpbalans hier. De stationreferentie blijft op 50 W/K. Een 100 L-warmtepompbuffer en de 200 L-modulebuffer zijn bovendien afzonderlijke onderdelen.
Een ruimtevaartuig regelt warmte zonder buitenlucht
Een radiator op een ruimtevaartuig kan geen warmte door convectie aan vacuüm afgeven. Geleiding brengt energie naar het radiatoroppervlak; straling voert ze af. Tegelijk kan zonnestraling een andere wand opwarmen. Oppervlakte-eigenschappen, kijkrichting en warmtebuizen zijn daarom ontwerpvariabelen.
NASA beschrijft deze balans in haar overzicht van thermische beheersing voor kleine ruimtevaartuigen. Voor Habitat blijft convectie aan de buitenlucht wel belangrijk. De overdraagbare les is de systeemgrens: zet voor ieder pad neer welke omgeving energie ontvangt, voordat je een coëfficiënt kiest.
Een infraroodcamera meet bovendien straling, waarna een toestel met een ingestelde emissiviteit een oppervlaktetemperatuur schat. Glanzend metaal kan de omgeving reflecteren. Een donker meetvlak en een contactsensor helpen een koudebrug beoordelen; een kleurrijk beeld alleen levert nog geen U-waarde.
Warmtepaden, opslag en geldigheid
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| geleidingscoëfficiënt | W/(m·K) | |
| oppervlakte | m² |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| overgangscoëfficiënt | W/(m²·K) |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| emissiviteit | 1 | |
| absolute temperatuur | K |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| weerstand | K/W | |
| geleiding van een pad | W/K |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| capaciteit | J/K | |
| tijdconstante | s |
| Model | H | Capaciteit | Doel |
|---|---|---|---|
| Meetkas e04 | 16,7 W/K | ≈30 kJ/K snel | dagcurve |
| Module i31/e17 | 20,2 W/K | 80 kJ/K + 1,10 MJ/K, G = 30 W/K | lucht en buffer |
| Station e39 | 50 W/K | 540 kJ/K snel | PID-referentie, τ = 3 h |
Het geheel: een model dat je kan toetsen
e04 gaf de numerieke evolutie, e14 de ventilatie, e15 de energiebalans en e16 de warmtebron. Hier krijgen hun verlies- en opslagtermen een fysische betekenis. e36 zal parameters fitten; e38 onderzoekt modes en stabiliteit; e39 regelt op een eenvoudiger referentie. Gebruik hetzelfde model niet blind voor elk doel.
Euler en betekenis van een toestand.
Thermisch vermogen omzetten naar elektrische vraag.
Parameters zoeken en fouten van de discretisatie beoordelen.
Referentielus blijft op de snelle stationknoop.
Vastgelegd voor de digitale tweeling: modulemodel Ca = 80 kJ/K, Cbuffer = 1,10 MJ/K, H = 20,2 W/K, G = 30 W/K; alle voorbeeldreeksen op UTC+1. De berekende modes zijn 0,431 en 25,98 h. Dit verfijnt i31 zonder de stationreferentie te vervangen. Alleen gevalideerde nieuwe proefparameters mogen later dossierwaarden worden.
In het kort
- Fourier bepaalt lokale geleiding; convectie en straling koppelen oppervlakken aan hun omgeving.
- Weerstanden tellen in serie; geleidingen en vermogens tellen in parallel.
- Warmtecapaciteit bepaalt traagheid, warmteverlies bepaalt het benodigde rustvermogen.
- Twee knopen leveren twee modes en vermijden dat een buffer de snelle luchtrespons verbergt.
- Een fit vereist gekend vermogen, voldoende prikkeling en een onafhankelijke toetsreeks.
Wat je nu kent
- warmteovergangscoëfficiënt
- De lokale verhouding tussen warmtestroomdichtheid en temperatuurverschil aan een oppervlak.
- thermische weerstand
- Temperatuurverschil gedeeld door de warmtestroom, in K/W.
- tijdconstante
- De tijdschaal van een exponentiële respons; na één tijdconstante resteert 1/e van een beginafwijking.
- thermische knoop
- Een modeldeel met één temperatuur en een eigen warmtecapaciteit.
- identificeerbaarheid
- De mate waarin verschillende parameterwaarden door de beschikbare data van elkaar te onderscheiden zijn.