← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Expert · Handboek · 17. Warmteoverdracht kwantitatief
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
E17. Warmteoverdracht kwantitatief
EExpert · deel E3 · Thermodynamica en stroming

Handboek · hoofdstuk 17Warmteoverdracht kwantitatief

Van wandlagen tot een digitale tweeling met twee tijdschalen

Een goed geïsoleerde ruimte kan toch snel afkoelen. Warmteverlies bepaalt hoeveel je moet blijven verwarmen; warmtecapaciteit bepaalt hoe lang de temperatuur onderweg is. Je bouwt beide stap voor stap op en houdt het warmtemodel van de klimaatmodule apart van dat van het hele station.

12× uitleg6× uitgewerkt voorbeeld1× proef1× naslag1× verhaal1× het geheel1× code12 opdrachten in het werkboek± 12 lestijden
Dezelfde installatie heeft een snel reagerende luchttemperatuur en veel trager water en bouwmateriaal.
Dezelfde installatie heeft een snel reagerende luchttemperatuur en veel trager water en bouwmateriaal.
Na dit hoofdstuk
Uitleg · 17.1

Warmteverlies en opslag zijn verschillende eigenschappen

1/23

Je kende en het stationverlies van 50 W/K. De eerste relatie gaat over energie opslaan; de tweede over energie per seconde verliezen. Schrijf daarom in J/K en in W/K. Een groot houdt een ruimte tijdelijk warm, maar verandert het stationaire verlies niet.

Een temperatuurverschil van 1 °C is 1 K. In stralingsformules is de absolute temperatuur verplicht: . Warmte is energie die door temperatuurverschil wordt overgedragen; een lichaam bevat inwendige energie, geen voorraad 'warmte'.

eerste hoofdwet voor één thermische knoop
Uitleg · 17.2

Fourier: van lokale gradiënt naar wandverlies

2/23

Voor een vlakke wand met constante geleidbaarheid geldt . Het minteken stuurt warmte van hoog naar laag. is warmtestroomdichtheid in W/m²; is vermogen in W.

In een stationaire, homogene laag zonder interne warmtebron is : het temperatuurprofiel is recht. Integreren over dikte geeft . Die formule geldt niet zomaar voor een cylinder of een isolatielaag met een sterk temperatuurafhankelijke geleidbaarheid.

van Fourier naar thermische weerstand
binnenfilmgipsisolatieOSBbuitenfilmdezelfde warmtestroom door alle lagen
De geometrie bepaalt welke weerstand hoort bij een materiaal; dun metaal en dik isolatiemateriaal zijn geen uitwisselbare lagen.
Uitgewerkt voorbeeld · 17.3

Een isolatieplaat volledig doorrekenen

3/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • , , ; twee plaatvlakken op 19 en −6 °C.
Gevraagd
  • De weerstand en de geleidingswarmtestroom.
Oplossing
  1. 1
    Het verschil is 25 K. .
  2. 2
    . De flux is en de gradiënt .
  3. 3
    In acht uur stroomt door de plaat.
Antwoord
De plaat verliest 71,3 W onder deze opgelegde oppervlaktetemperaturen.
Klopt dit? De luchtlagen aan weerszijden zijn hier niet meegerekend: oppervlaktemperaturen zijn geen luchttemperaturen.
Uitleg · 17.4

Convectie koppelt lucht aan een oppervlak

4/23

Een stilstaande luchtlaag geleidt; beweging transporteert energie verder. Newtons warmteovergangsmodel bundelt beide: en . is geen universele materiaalconstante. Het hangt af van snelheid, vorm, oriëntatie, ruwheid en stromingsregime.

Natuurlijke convectie ontstaat door dichtheidsverschillen; gedwongen convectie door ventilator of pomp. Een ontwerp gebruikt een correlatie met haar toepassingsgebied of een gemeten , geen willekeurig tabelgetal. Bijvoorbeeld: bij , en 15 K verschil volgt 240 W.

Een ventilator maakt geen kouEen ventilator verhoogt vooral de warmteoverdracht. Hij kan een voorwerp sneller richting luchttemperatuur brengen, maar levert zelf elektrische energie die uiteindelijk warmte wordt.
Uitleg · 17.5

Weerstanden in serie: temperatuurvallen verdelen

5/23

In serie stroomt hetzelfde vermogen door elke laag. . Alle temperatuurvallen optellen geeft . Bij een vlakke wand werk je vaak per vierkante meter: in m²K/W en .

De binnen- en buitenfilms zijn hier rekenwaarden en . De opgegeven filmweerstanden kunnen effectieve straling bevatten. Daar nog een volledige stralingsstroom bovenop tellen zou hetzelfde verlies tweemaal tellen.

van U-waarde naar gebouwverlies
binnenfilmgipsisolatieOSBbuitenfilmdezelfde warmtestroom door alle lagen
Een grotere weerstand krijgt een grotere temperatuurval, ook als de laag fysiek dun is.
Uitgewerkt voorbeeld · 17.6

Houtskelet: isolatie met een parallelle koudebrug

6/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • 12,5 mm gips (0,25 W/(m·K)), 160 mm houtvezel (0,038 W/(m·K)), 15 mm OSB (0,13 W/(m·K)); films 0,13 en 0,04 m²K/W.
  • In 10 % van de wand vervangt hout met λ = 0,13 W/(m·K) de houtvezel. Dit is een rekenwand, geen nieuwe specificatie van de woonmodule.
Gevraagd
  • U zonder en met stijlbrug.
Oplossing
  1. 1
    Isolatiepad: R′ = 0,13 + 0,0125/0,25 + 0,16/0,038 + 0,015/0,13 + 0,04 = 4,546 m²K/W. U = 0,220 W/(m²K).
  2. 2
    Houtpad: R′ = 1,566 m²K/W. Beide paden zien hetzelfde temperatuurverschil: hun vermogens tellen op.
  3. 3
    Ueff = 0,90·Uisolatie + 0,10·Uhout = 0,262 W/(m²K). Een gemiddelde van de weerstanden zou hier fout zijn.
Antwoord
De stijlen verhogen U met 19,0 %.
Klopt dit? Aandelen tellen op tot 1. Dit eenvoudige model mist de tweedimensionale spreiding rond een stijl; aansluitingen vergen een uitgebreider model.
Uitleg · 17.7

Ventilatie is een parallel verliespad

7/23

Bij volumestroom verlaat lucht de ruimte met enthalpieverschil ongeveer per m³. Dus . Met warmteterugwinning is dat . Een debiet in m³/h moet eerst door 3600.

De 100 m³/h van e14, met 85 % warmteterugwinning, en , geeft . Zonder terugwinning is dat 33,5 W/K. Dit verlies zit al in de woonmodulewaarde; voeg het niet nogmaals toe aan de 50 W/K van het station.

parallelle verliespaden
Uitleg · 17.8

Stefan-Boltzmann: uitwisselen met een omgeving

8/23

Een zwart lichaam straalt per m² uit. Voor een grijs oppervlak in een grote isotherme omgeving, met zichtfactor ongeveer 1, is netto . De omgeving straalt terug. Voor twee eindige platen spelen zichtfactor en beide emissiviteiten mee.

(afgeronde waarde uit NIST CODATA). Het product van een reflecterend metaaloppervlak en een luchtspleet kan straling beperken; een reflecterende folie zonder spleet is geen dikke isolatielaag.

exact factoriseren van het vierde-machtenverschil
01020304050607080−1000100200300400T oppervlak (°C)netto straling (W/m²)exact, omgeving 20 °Clineair rond 27,5 °C
De rechte benadert de kromme rond haar gekozen temperatuurgebied; extrapoleren naar hete oppervlakken onderschat het verlies.
Uitgewerkt voorbeeld · 17.9

Radiator: straling en convectie samen

9/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • Oppervlak 2,0 m² op 35 °C, grote omgeving en lucht beide 20 °C, ε = 0,90, hconv = 8,0 W/(m²K).
Gevraagd
  • Afzonderlijke vermogens en totaal.
Oplossing
  1. 1
    Gebruik 308,15 en 293,15 K. = 166,5 W.
  2. 2
    Convectie: 8,0·2,0·15 = 240 W. De twee mechanismen zijn parallel: totaal 406,5 W.
  3. 3
    Het gemiddelde temperatuurniveau is 300,65 K. De lokale stralingscoëfficiënt 4εσTm³ is 5,55 W/(m²K), dus in dezelfde orde als de convectie.
Antwoord
Samen 407 W; straling draagt 41 % bij.
Klopt dit? Dit hconv bevat uitdrukkelijk geen straling. Anders mocht je de bijdragen niet optellen.
Uitleg · 17.10

Een knoop: de differentiaalvergelijking afleiden

10/23

Neem vaste , , buitenwaarde en ingaand vermogen . Tijdens verandert de energie met ; binnen komt , buiten gaat . Delen door geeft .

Het evenwicht is . Zet . Dan , zodat en met . De tijdconstante verandert de eindsituatie niet.

analytische staprespons
012345678904812162024t (h)stijging boven buiten (K)evenwicht1000 W, stationreferentie
Na drie uur is 63,2 % van de uiteindelijke stijging bereikt; de overige stijging verloopt steeds trager.
Uitgewerkt voorbeeld · 17.11

Het stationreferentiemodel van e39

11/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • H = 50 W/K, C = 540 kJ/K, Tb = 0 °C, T0 = 0 °C, P = 1000 W.
Gevraagd
  • Evenwicht, tijdconstante, temperatuur na één uur en tijd tot 18 °C.
Oplossing
  1. 1
    T∞ = 1000/50 = 20 °C. τ = 540000/50 = 10800 s = 3 h.
  2. 2
    Na één uur: T = 20(1 − exp(−1/3)) = 5,67 °C.
  3. 3
    18/20 = 1 − exp(−t/3), dus t = −3 ln(0,10) = 6,91 h. Tot dicht bij evenwicht komen duurt veel langer dan één tijdconstante.
Antwoord
De stijging is na één uur 5,67 K; 18 °C vraagt 6,91 uur.
Klopt dit? Aan het begin is dT/dt = 1000/540000 = 6,67 K/h; die helling daalt zodra warmteverlies ontstaat.
Uitleg · 17.12

Wanneer één temperatuur te grof wordt

12/23

Een homogeen voorwerp is een redelijke knoop als interne temperatuurverschillen klein blijven. De verhouding vergelijkt interne geleidingsweerstand met oppervlakweerstand, met . is gunstig. Een gebouw is echter een samengesteld systeem; daar toets je een knoop vooral aan de tijdschalen en meetresiduen.

Lucht, meubels en een grote waterbuffer krijgen niet onmiddellijk dezelfde temperatuur. Bij verwarmen reageert de lucht eerst; bij uitschakelen kan warm water nog energie teruggeven. Het totaal zomaar in één knoop stoppen mist deze uitwisseling.

Een effectieve capaciteit is geen volledige massatellingDe 540 kJ/K van e39 geldt voor de snelle stationrespons, zonder de modulebuffer. De 80 kJ/K van de module is lucht plus snel reagerende massa, niet alleen de warmtecapaciteit van het gas.
Uitleg · 17.13

Twee knopen uit twee energiebalansen

13/23

Voor de klimaatmodule nemen we , , en uit i31. De buffer verliest in dit model alleen warmte via de lucht. Het convectorvermogen wordt als netto warmte aan de lucht toegevoerd.

Optellen laat de interne overdracht wegvallen: . Dat is een sterke controle op de tekens. Dezelfde koppelstroom is verlies voor de ene knoop en winst voor de andere.

buitenTb(t)R = 1/HTa, CaP(t) naar luchtR = 1/GTbuf, Cbufgeen direct buitenpad
De weerstand naar buiten verschilt van de weerstand tussen buffer en lucht; ze mogen niet tot één tijdconstante worden samengevouwen.
Uitgewerkt voorbeeld · 17.14

Twee eigenwaarden: snelle lucht, trage opslag

14/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • Modulewaarden uit de twee balansen, constante bron en buitenwaarde.
Gevraagd
  • De twee natuurlijke tijdschalen en de Eulerstabiliteitsgrens.
Oplossing
  1. 1
    Rond evenwicht schrijf je met . Een oplossing bestaat als .
  2. 2
    karakteristieke vergelijking
  3. 3
    De wortels zijn negatief. Hun −1/s levert 0,431 h en 25,98 h. Elke temperatuur bevat een mengsel van beide exponentiële bijdragen.
  4. 4
    Voor Euler geldt per mode . De snelste mode vraagt . Kies veel kleiner voor nauwkeurigheid; hier 10 s.
Antwoord
Twee tijdschalen horen bij het gekoppelde systeem, niet simpelweg bij Ca/H en Cb/G.
Klopt dit? Beide negatieve wortels bevestigen dat een constante verstoring uitdempt naar een nieuw evenwicht.
Code · 17.15

Een reproduceerbare thermische tweeling

15/23

Een modelreeks begint om 00:00 UTC+1 met beide knopen op 12 °C, buiten constant 4 °C, 600 W netto warmte. Beide nieuwe temperaturen gebruiken de oude toestand; achtereenvolgens de nieuwe luchtwaarde voor de buffer gebruiken verandert de methode. De code vergelijkt bovendien 10 s met 5 s.

Pythonmodule_thermisch.py25 regelsDownload
# module_thermisch.py — twee knopen, SI, modeltijd sinds 00:00 UTC+1import numpy as npCA, CB = 80000.0, 1100000.0             # J/K: snelle massa en trage bufferH, G = 20.2, 30.0                      # W/K: buitenverlies en interne koppeling def simuleer(dt=10.0, uren=24, vermogen=600.0, buiten=4.0, start=12.0):    a = b = start    rij = []    for k in range(round(uren * 3600 / dt) + 1):        rij.append((k * dt / 3600, a, b))        qa = vermogen - H * (a - buiten) - G * (a - b)        qb = G * (a - b)        a, b = a + dt * qa / CA, b + dt * qb / CB    return np.asarray(rij) A = np.array([[-(H + G)/CA, G/CA], [G/CB, -G/CB]])polen = np.linalg.eigvals(A)tau = sorted(-1 / polen / 3600)rij = simuleer()for uur in (0, 1, 4, 8, 24):    k = round(uur * 3600 / 10)    print(f"{uur:2d} h: lucht {rij[k,1]:.2f} °C, buffer {rij[k,2]:.2f} °C")print("tijdconstanten (h):", ", ".join(f"{x:.3f}" for x in tau))fijn = simuleer(dt=5)print(f"verschil laatste luchtwaarde 10/5 s: {abs(rij[-1,1]-fijn[-1,1]):.5f} K")
 0 h: lucht 12.00 °C, buffer 12.00 °C
 1 h: lucht 19.98 °C, buffer 12.50 °C
 4 h: lucht 22.20 °C, buffer 14.78 °C
 8 h: lucht 23.84 °C, buffer 17.48 °C
24 h: lucht 28.38 °C, buffer 24.94 °C
tijdconstanten (h): 0.431, 25.981
verschil laatste luchtwaarde 10/5 s: 0.00013 K

Een afgeronde uitvoer is geen meting. De tabel en grafiek komen uit exact deze code, zodat je aannames en resultaten samen kan wijzigen.

0481216202412162024283236t sinds 00:00 UTC+1 (h)T (°C)lucht + snelle massabuffer
Zelfs na vele uren hebben lucht en buffer nog niet dezelfde temperatuur; het gezamenlijke evenwicht is 33,70 °C.
Uitleg · 17.16

Afkoelen toont wat het gemiddelde verbergt

16/23

Na uitschakelen uit 20 °C in 4 °C buitenlucht valt de lucht snel terug, terwijl de buffer relatief warm blijft. Daardoor blijft er naar de lucht stromen. De éénknoopbenadering met 1,18 MJ/K heeft dezelfde totale energie bij een uniforme temperatuur, maar voorspelt het comfort in het eerste uur verkeerd.

Een regeling gebruikt dus als comfortvariabele en als energietoestand. Een digitale tweeling is pas nuttig wanneer de toestand betekenis heeft: alleen een gladde voorspelde lijn is onvoldoende.

0481216202448121620t sinds 00:00 UTC+1 (h)T (°C)luchtbufferalles één blok
De volle reeksen en de gestippelde éénknoopbenadering starten met dezelfde energie; hun luchttemperaturen verschillen toch sterk.
Uitleg · 17.17

Parameters schatten met een energiebalans

17/23

In rust volgt , mits zon en interne winsten bekend zijn. Tijdens afkoelen zonder bron volgt voor één knoop . De helling van die rechte is ; vervolgens .

Bij twee knopen kan je de luchtbalans herschrijven als . Meet beide temperaturen en vermogen. De bufferbalans voegt toe. Afgeleiden versterken ruis, zodat e36 rechtstreeks tijdreeksen zal fitten.

Een alleenstaande koelcurve bepaalt vooral verhoudingen; om en afzonderlijk te vinden heb je een gekend energie- of vermogenssignaal nodig. Bij vrijwel gelijke lucht- en buffertemperatuur is slecht identificeerbaar.

model fitten, geen onbeperkt bewijs
Uitgewerkt voorbeeld · 17.18

Een afkoelproef met onafhankelijk verliespunt

18/23
Een volledig doorgerekend ontwerpvoorbeeld.
Gegeven
  • Voorbeeldproef: Tb = 5 °C, T0 = 25 °C, na 2 h T = 17,13 °C. In een aparte evenwichtsproef houdt 800 W de knoop 16,0 K boven buiten.
Gevraagd
  • H, τ en C van het eenvoudige model.
Oplossing
  1. 1
    Het rustpunt geeft H = 800/16 = 50 W/K.
  2. 2
    De genormaliseerde afkoeling is (17,13−5)/(25−5) = 0,6065. τ = −2/ln(0,6065) = 4,000 h.
  3. 3
    C = Hτ = 50·14 399 = 719,9 kJ/K. Het kleine verschil met 720 kJ/K komt door het afgeronde meetpunt.
Antwoord
H = 50 W/K en C ≈ 720 kJ/K; deze voorbeeldknoop is bewust niet de 540 kJ/K-stationreferentie.
Klopt dit? Fitdata en toetsdata scheiden. Een nieuw rustpunt en een nieuwe koelproef moeten volgen voordat je dit als stationsparameter overneemt.
Proef · 17.19

Een thermische parameterproef zonder verborgen vermogen

19/23
Onderzoeksvraag
Een demonstratie maakt verlies en capaciteit apart zichtbaar.
Materiaal
  • geïsoleerd vat met 2,0 kg water
  • roerder
  • twee thermometers
  • gezekerde 12 V-verwarming
  • vermogensmeter
  • logger
VeiligheidGebruik uitsluitend een daarvoor geschikte laagspanningsverwarming en beschermd circuit. Geen onderdompeling van netspanning of zelfgebouwde drukvaten; beperk watertemperatuur en voorkom droogkoken.
012345678904812162024t (h)stijging boven buiten (K)evenwicht1000 W, stationreferentie
De vorm is algemeen; het vat heeft eigen waarden en een veel kortere tijdschaal dan het station.
Werkwijze
  1. 1Meet water- en luchttemperatuur en netto verwarmingsvermogen; noteer de systeemgrens inclusief vat en sensor.
  2. 2Roer langzaam en vergelijk twee waterposities om de éénknoopaanname te toetsen.
  3. 3Verwarm met constant gemeten vermogen; registreer een bijna-stationair deel en schakel daarna uit.
  4. 4Schat H uit het rustpunt en C uit de koelcurve. Houd een tweede vermogen of proefdag buiten de fit.
  5. 5Plot residuen tegen tijd en temperatuur. Bekijk of verdamping, sensorvertraging of het vat een extra knoop vraagt.
Waarneming
De respons vlakt af; na uitschakelen daalt de temperatuur ongeveer exponentieel. Bij onvoldoende roeren lopen beide sensoren uiteen.
Verklaring
Water alleen heeft . Een groter gefit C kan komen van vat en sensor; een verkeerde H ook van ongemeten verdamping. Een goede fit maskeert geen slechte systeemgrens.
Uitleg · 17.20

Van warmte naar elektriciteit en comfort

20/23

Het warmtemodel vraagt thermisch vermogen. De elektrische vraag van de R290-warmtepomp volgt pas na delen door haar COP en toevoegen van hulpenergie (e16). Een constante COP is alleen geldig binnen een beperkt bron- en aanvoergebied; een hoger waterniveau vergroot vaak het temperatuurverschil en verlaagt COP.

Voor het hele station zonder interne winst is bij −8 °C buiten 50·28 = 1400 W nodig; bij −15 °C 1750 W. Dat zijn dezelfde waarden als e39. Voor de module apart is bij −8 °C 20,2·28 = 565,6 W; de woonmodule levert afgerond de resterende 29,8 W/K. Buffers leveren tijdelijk energie, geen permanent extra vermogen.

i40 rekent de werkende module met scherm en interne winst op 525 W en 1,09 MJ/K; dat is een andere bedrijfstoestand dan de onbeschermde 20,2 W/K-ontwerpbalans hier. De stationreferentie blijft op 50 W/K. Een 100 L-warmtepompbuffer en de 200 L-modulebuffer zijn bovendien afzonderlijke onderdelen.

koppeling met de energietweeling
Verhaal · 17.21

Een ruimtevaartuig regelt warmte zonder buitenlucht

21/23

Een radiator op een ruimtevaartuig kan geen warmte door convectie aan vacuüm afgeven. Geleiding brengt energie naar het radiatoroppervlak; straling voert ze af. Tegelijk kan zonnestraling een andere wand opwarmen. Oppervlakte-eigenschappen, kijkrichting en warmtebuizen zijn daarom ontwerpvariabelen.

NASA beschrijft deze balans in haar overzicht van thermische beheersing voor kleine ruimtevaartuigen. Voor Habitat blijft convectie aan de buitenlucht wel belangrijk. De overdraagbare les is de systeemgrens: zet voor ieder pad neer welke omgeving energie ontvangt, voordat je een coëfficiënt kiest.

Een infraroodcamera meet bovendien straling, waarna een toestel met een ingestelde emissiviteit een oppervlaktetemperatuur schat. Glanzend metaal kan de omgeving reflecteren. Een donker meetvlak en een contactsensor helpen een koudebrug beoordelen; een kleurrijk beeld alleen levert nog geen U-waarde.

01020304050607080−1000100200300400T oppervlak (°C)netto straling (W/m²)exact, omgeving 20 °Clineair rond 27,5 °C
De stralingswet geldt zowel op aarde als in vacuüm; de aanwezige overige verliespaden verschillen.
Naslag · 17.22

Warmtepaden, opslag en geldigheid

22/23
Fourier
symboolbetekeniseenheid
geleidingscoëfficiëntW/(m·K)
oppervlaktem²
convectie
symboolbetekeniseenheid
overgangscoëfficiëntW/(m²·K)
netto straling naar grote omgeving
symboolbetekeniseenheid
emissiviteit1
absolute temperatuurK
netwerkregels
symboolbetekeniseenheid
weerstandK/W
geleiding van een padW/K
opslag en eerste-ordetijd
symboolbetekeniseenheid
capaciteitJ/K
tijdconstantes
ModelHCapaciteitDoel
Meetkas e0416,7 W/K≈30 kJ/K sneldagcurve
Module i31/e1720,2 W/K80 kJ/K + 1,10 MJ/K, G = 30 W/Klucht en buffer
Station e3950 W/K540 kJ/K snelPID-referentie, τ = 3 h
Het geheel · 17.23

Het geheel: een model dat je kan toetsen

23/23

e04 gaf de numerieke evolutie, e14 de ventilatie, e15 de energiebalans en e16 de warmtebron. Hier krijgen hun verlies- en opslagtermen een fysische betekenis. e36 zal parameters fitten; e38 onderzoekt modes en stabiliteit; e39 regelt op een eenvoudiger referentie. Gebruik hetzelfde model niet blind voor elk doel.

Euler en betekenis van een toestand.

Thermisch vermogen omzetten naar elektrische vraag.

Parameters zoeken en fouten van de discretisatie beoordelen.

Referentielus blijft op de snelle stationknoop.

Habitat

Vastgelegd voor de digitale tweeling: modulemodel Ca = 80 kJ/K, Cbuffer = 1,10 MJ/K, H = 20,2 W/K, G = 30 W/K; alle voorbeeldreeksen op UTC+1. De berekende modes zijn 0,431 en 25,98 h. Dit verfijnt i31 zonder de stationreferentie te vervangen. Alleen gevalideerde nieuwe proefparameters mogen later dossierwaarden worden.

Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

warmteovergangscoëfficiënt
De lokale verhouding tussen warmtestroomdichtheid en temperatuurverschil aan een oppervlak.
thermische weerstand
Temperatuurverschil gedeeld door de warmtestroom, in K/W.
tijdconstante
De tijdschaal van een exponentiële respons; na één tijdconstante resteert 1/e van een beginafwijking.
thermische knoop
Een modeldeel met één temperatuur en een eigen warmtecapaciteit.
identificeerbaarheid
De mate waarin verschillende parameterwaarden door de beschikbare data van elkaar te onderscheiden zijn.
Aan de slag in het werkboek12 opdrachten, van oefenen tot uitdagen