← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Handboek · 29. Het lichaam als systeem
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F29. Het lichaam als systeem
FFundamental · deel F7 · Leven en systemen

Handboek · hoofdstuk 29Het lichaam als systeem

Hoe longen, hart en bloed je in leven houden, en wat een bewoner van het station nodig heeft

Je lichaam is een systeem: er gaan lucht, water en voedsel in, er komen koolstofdioxide, waterdamp, afval en warmte uit, en daartussen werken organen samen om elke cel te voorzien. In dit hoofdstuk volg je de zuurstof van je neus tot in je spieren, meet je je hartslag in rust en na inspanning, reken je met de energie op een voedingsetiket, en ontdek je dat je lichaamstemperatuur net zo geregeld wordt als de meetkas. Aan het eind weet je wat één bewoner van het station elke dag nodig heeft om te overleven.

6× uitleg6× uitgewerkt voorbeeld2× proef2× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel16 opdrachten in het werkboek± 7 lestijden
Twee vingers op de pols en een klok met secondewijzer: meer heb je niet nodig om je hart te meten.
Twee vingers op de pols en een klok met secondewijzer: meer heb je niet nodig om je hart te meten.
Na dit hoofdstuk
Verhaal · 29.1

Een half jaar in een blikken doos

1/19

Eind mei 2009 vertrok de Belgische astronaut Frank De Winne voor de tweede keer naar de ruimte, voor een verblijf van ongeveer een half jaar in het Internationaal Ruimtestation (ISS). Op 11 oktober 2009 werd hij er commandant, als eerste Europeaan ooit.

Zo'n half jaar is een lange proef op het menselijk lichaam. Buiten het station is geen lucht, geen water en geen voedsel: alles wat de bemanning nodig heeft, moet aan boord zijn of gemaakt worden. Het ISS maakt zuurstof door water met elektriciteit te splitsen, filtert de uitgeademde koolstofdioxide uit de lucht, en wint vandaag 98 % van zijn water terug, ook uit zweet en urine. Voedsel komt met vrachtschepen.

Het lichaam zelf verandert ook. Zonder zwaartekracht verliezen astronauten spiermassa, en als ze niet genoeg trainen tot 1 à 1,5 % van de botmassa in hun heupen en benen per maand. Daarom sporten ze elke dag ongeveer twee uur, op een loopband met elastieken en een fiets zonder zadel. Artsen op aarde volgen hun hartslag, bloeddruk en gewicht op de voet.

Waarom dit verhaal ertoe doet

Een ruimtestation toont heel scherp wat een lichaam nodig heeft: zuurstof, water, energie en een veilige temperatuur, elke dag opnieuw. Ook de bewoners van Habitat hebben dat nodig. In dit hoofdstuk ontdek je hoe je lichaam die stoffen gebruikt, en aan het eind reken je uit hoeveel het station per bewoner moet voorzien.

Sporten met elastieken om niet weg te zweven: twee uur per dag, om spieren en botten sterk te houden.
Sporten met elastieken om niet weg te zweven: twee uur per dag, om spieren en botten sterk te houden.
Uitleg · 29.2

Het lichaam als systeem

2/19

Je lichaam bestaat uit ongeveer 30 000 miljard cellen (hoofdstuk 26), en elke cel heeft hetzelfde nodig: glucose en zuurstof voor de celademhaling, die energie vrijmaakt, net als bij planten (hoofdstuk 27):

celademhaling in elke cel

Die cellen liggen diep in je lichaam, ver van de lucht en het voedsel. Daarom werken je organen samen in orgaanstelsels, elk met een eigen taak:

orgaanstelseltaakinput of output
ademhalingsstelsel (longen)zuurstof opnemen, koolstofdioxide afgevenin: zuurstof; uit: CO2, waterdamp
spijsverteringsstelselvoedsel afbreken tot kleine moleculen die in het bloed kunnenin: voedsel en water; uit: onverteerde resten
bloedsomloop (hart en bloedvaten)alles vervoeren tussen organen en cellen(binnen)
uitscheiding (nieren, blaas)afvalstoffen en overtollig water uit het bloed halenuit: urine
huidbeschermen, temperatuur regelenuit: warmte, zweet
zenuwstelsel en hormonenmeten, beslissen, sturen(binnen)
spieren en skeletbewegen, steunenuit: arbeid en warmte

Net als bij de meetkas en de plant (hoofdstuk 1 en 27) kan je het lichaam dus zien als een systeem met input, proces en output. Het bijzondere: het houdt zijn binnenkant bijna constant, wat er buiten ook gebeurt. Dat heet homeostase, en je ontdekt verder in dit hoofdstuk hoe dat werkt.

bloedsomloophart en bloedvatenvervoeren alleslongenzuurstof in, CO₂ uitdarmenvoedingsstoffen enwater in, onverteerderesten eruitnierenafval uit het bloed:urinehuidwarmte en zweet eruithersenensturen en regelenalle cellenglucose + zuurstof → CO₂ +water + energiezuurstof,glucoseCO₂,afvalwarmte, beweging
Organen die samenwerken: de bloedsomloop brengt zuurstof en voedingsstoffen naar elke cel en haalt het afval weg.
Ontleed · 29.3

De ademhalingsorganen

3/19

Lucht gaat via de neus of de mond, de keelholte en de luchtpijp naar de longen. De luchtpijp splitst in twee bronchiën, die zich vertakken in steeds fijnere buisjes, de bronchiolen, tot ze eindigen in trosjes van piepkleine luchtzakjes: de longblaasjes. Een volwassene heeft er honderden miljoenen, met samen een oppervlakte van ongeveer 70 m² (schattingen lopen van 50 tot 100 m²): de vloer van een klaslokaal, opgevouwen in je borstkas.

De luchtwegen van neus tot longblaasjes (schematisch). Rechtsboven vergroot: een trosje longblaasjes.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Neusholte

    Verwarmt en bevochtigt de lucht; haartjes en slijm vangen stof en ziektekiemen op.

  2. 2
    Luchtpijp

    Buis met ringen van kraakbeen, die ze openhouden. Trilhaartjes vegen slijm met stof naar boven.

  3. 3
    Bronchie

    Eén voor elke long. Ze vertakken zich meer dan twintig keer, tot heel fijne bronchiolen.

  4. 4
    Long

    Sponsachtig orgaan vol luchtwegen, longblaasjes en bloedvaten. De linkerlong is iets kleiner: er moet ook plaats zijn voor het hart.

  5. 5
    Longblaasjes

    Trosjes luchtzakjes met een wand van één dunne cellaag, omgeven door haarvaten. Hier gaat zuurstof het bloed in en koolstofdioxide eruit.

  6. 6
    Middenrif

    Koepelvormige spier onder de longen. Trekt hij samen, dan wordt hij platter, de borstkas groter en stroomt er lucht in. Ontspant hij, dan stroomt de lucht weer uit.

  7. 7
    Ribben en tussenribspieren

    Ze tillen de ribben op bij diep inademen, zodat de borstkas nog groter wordt.

Uitleg · 29.4

Gaswisseling: zuurstof erin, koolstofdioxide eruit

4/19

In een longblaasje zit verse lucht met veel zuurstof. In het haarvat eromheen stroomt bloed dat net van de cellen komt: met weinig zuurstof en veel koolstofdioxide. Tussen die twee zit een wand van samen minder dan een duizendste millimeter. Zuurstofdeeltjes bewegen, net als alle deeltjes, voortdurend kriskras (hoofdstuk 6). Waar er veel zijn, botsen er meer door de wand dan in de andere richting: zuurstof gaat van het longblaasje naar het bloed. Koolstofdioxide gaat de omgekeerde weg. Dat heet diffusie: stoffen verspreiden zich van een plaats met een hoge naar een plaats met een lage concentratie, zonder dat er iets moet pompen.

In het bloed pakken de rode bloedcellen de zuurstof op, gebonden aan de rode kleurstof hemoglobine. In de haarvaten van je spieren en organen gebeurt het omgekeerde: daar is weinig zuurstof (de cellen verbruiken ze) en veel koolstofdioxide, dus zuurstof diffundeert naar de cellen en koolstofdioxide naar het bloed.

gasingeademde luchtuitgeademde lucht
stikstof78 %78 %
zuurstof21 %± 16 %
koolstofdioxide0,04 %± 4 %
waterdampwisselendveel (warm en vochtig)
temperatuurdie van de omgeving± 34 °C
We ademen zuurstof in en koolstofdioxide uit

We ademen lucht in, die vooral uit stikstof bestaat, en we ademen lucht uit die nog altijd ongeveer 16 % zuurstof bevat. Van elke ingeademde liter houden we maar een klein deel van de zuurstof. Daarom werkt mond-op-mondbeademing: de lucht die de redder uitblaast, bevat nog genoeg zuurstof.

Je ademt sneller omdat je zuurstof tekortkomt

Je hersenen sturen je ademhaling vooral op het koolstofdioxidegehalte van je bloed. Tijdens inspanning maken je spieren meer CO2; het gehalte stijgt, en je ademt sneller en dieper. Dat is ook een regelkring, zoals de temperatuurregeling verder in dit hoofdstuk.

lucht in hetlongblaasje21 % zuurstofzuurstofkoolstofdioxidezuurstofarm bloed van het hartzuurstofrijk bloed naar het hartwand van longblaasje en haarvat:samen minder dan 1 µm dikrode bloedcellen
Zuurstof diffundeert van de lucht naar het bloed, koolstofdioxide van het bloed naar de lucht.
Uitgewerkt voorbeeld · 29.5

Hoeveel zuurstof verbruik je per dag?

5/19

In rust adem je ongeveer 12 keer per minuut, telkens een halve liter lucht. Van de ingeademde lucht neem je ongeveer 5 % (van de 21 %) als zuurstof op. Hoeveel liter en hoeveel gram zuurstof verbruik je op een dag in rust? Eén liter zuurstof weegt bij 20 °C 1,33 g.

Gegeven
  • 12 ademhalingen per minuut
  • per ademhaling
  • 5 % van de lucht wordt opgenomen als zuurstof
  • 1 L zuurstof = (20 °C)
Gevraagd
  • liter lucht per minuut en per dag
  • liter en gram zuurstof per dag
Oplossing
  1. 1
    Lucht per minuut: .
  2. 2
    Een dag heeft minuten: lucht per dag.
  3. 3
    Zuurstof: 5 % daarvan, .
  4. 4
    Massa: , ongeveer 0,58 kg zuurstof.
  5. 5
    Wie overdag beweegt, ademt sneller en dieper. Over een actieve dag rekent men met ongeveer 0,84 kg zuurstof (dat is ): dat is de rekenwaarde voor een bewoner van Habitat.
Antwoord
In rust ongeveer of zuurstof per dag; met een normale actieve dag ongeveer .
Klopt dit? Ruimtevaartorganisaties rekenen met 0,8 à 0,9 kg zuurstof per astronaut per dag: het klopt. En de koolstofdioxide? Ongeveer 4 % van 8640 L = 346 L, of 630 g in rust, en ongeveer 1 kg over een actieve dag.
Proef · 29.6

Wat zit er in je uitgeademde lucht?

6/19
Onderzoeksvraag

Bevat uitgeademde lucht meer koolstofdioxide dan de lucht in het lokaal?

Materiaal
  • twee proefbuizen met elk 5 mL helder kalkwater
  • een rietje
  • een fietspompje of ballonpompje met een slangetje
  • eventueel een CO₂-meter
VeiligheidKalkwater is bijtend voor de ogen: bril op. Alleen blazen, nooit zuigen door het rietje. Spoel gemorst kalkwater af met veel water.
Links kalkwater met lokaallucht, rechts na drie keer uitademen: de melkachtige kleur verraadt koolstofdioxide.
Links kalkwater met lokaallucht, rechts na drie keer uitademen: de melkachtige kleur verraadt koolstofdioxide.
Werkwijze
  1. 1Kalkwater wordt troebel (melkachtig) als er koolstofdioxide in komt: er vormt zich onoplosbare kalk. Hoe meer CO₂, hoe sneller.
  2. 2Blaas met het rietje rustig uitgeademde lucht door de eerste proefbuis. Tel hoeveel keer je moet uitademen tot het kalkwater troebel is.
  3. 3Pomp met het pompje lokaallucht door de tweede proefbuis, telkens een halve liter per pompslag, evenveel keer als je bij de eerste proefbuis uitademde. Tel verder tot het troebel wordt.
  4. 4Met een CO₂-meter: meet de lokaallucht, en blaas dan één keer rustig uit vlak bij de sensor.
Waarneming

Het kalkwater met uitgeademde lucht wordt na twee à drie keer uitademen duidelijk melkachtig. Het kalkwater met lokaallucht blijft na hetzelfde aantal pompslagen helder, en wordt pas na tientallen slagen een beetje troebel. De CO₂-meter geeft in het lokaal bijvoorbeeld 600 à 800 ppm; na uitblazen schiet hij naar boven, tot buiten zijn meetbereik.

Verklaring

Uitgeademde lucht bevat ongeveer 4 % koolstofdioxide, lokaallucht maar 0,04 à 0,08 %: honderd keer minder. Die koolstofdioxide komt uit de celademhaling in al je cellen, wordt door het bloed naar de longen vervoerd en daar afgegeven. Dat de lokaallucht in een volle klas hoger is dan buiten (425 ppm), komt ook van jullie ademhaling: daarom moet een klas verlucht worden.

Ontleed · 29.7

Het hart

7/19

Je hart is een holle spier, ongeveer zo groot als je vuist. Het bestaat uit twee pompen naast elkaar, gescheiden door een wand: de rechterhelft pompt bloed naar de longen, de linkerhelft naar de rest van het lichaam. Elke helft heeft een boezem (die bloed ontvangt) en een kamer (die het wegpompt). In schema's teken je het hart zoals je het van voren ziet: de rechterhelft staat dus links op de tekening. Blauw is zuurstofarm bloed, rood zuurstofrijk.

RBRKLBLKlongslagaderholle aderslongadersaorta
Schema van het hart: RB en RK rechterboezem en -kamer, LB en LK linkerboezem en -kamer. De pijlen tonen de stroomrichting.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Rechterboezem

    Ontvangt het zuurstofarme bloed dat uit het lichaam terugkomt via de holle aders.

  2. 2
    Rechterkamer

    Pompt dat bloed via de longslagader naar de longen, een korte weg: de wand is minder dik dan links.

  3. 3
    Linkerboezem

    Ontvangt het zuurstofrijke bloed uit de longen via de longaders.

  4. 4
    Linkerkamer

    Pompt het bloed via de aorta naar het hele lichaam, van hersenen tot tenen. Daarvoor heeft ze de dikste, sterkste spierwand.

  5. 5
    Hartkleppen

    Ze laten het bloed maar in één richting door: van boezem naar kamer, en van kamer naar slagader. Het 'boem-tak' van je hart is het geluid van kleppen die dichtklappen.

  6. 6
    Holle aders

    De twee grootste aders: ze brengen het bloed van het bovenlichaam en het onderlichaam terug naar het hart.

  7. 7
    Longslagader

    Voert bloed van de rechterkamer naar de longen. Een slagader met zuurstofarm bloed!

  8. 8
    Longaders

    Voeren het bloed uit de longen naar de linkerboezem. Aders met zuurstofrijk bloed.

  9. 9
    Aorta

    De grootste slagader, zo dik als een tuinslang. Ze vertakt zich naar alle organen.

  10. 10
    Tussenschot

    Stevige spierwand tussen de rechter- en de linkerhelft: zuurstofarm en zuurstofrijk bloed mengen niet.

Uitleg · 29.8

De dubbele bloedsomloop

8/19

Volg een rode bloedcel. Van de linkerkamer gaat ze via de aorta en steeds kleinere slagaders naar, bijvoorbeeld, een beenspier. In de haarvaten van de spier geeft ze zuurstof af en neemt het bloed koolstofdioxide op. Via aders en de holle ader komt ze terug in de rechterboezem. Dat is de grote bloedsomloop. Dan pompt de rechterkamer haar naar de longen, waar ze nieuwe zuurstof opneemt, en komt ze via de longaders terug in de linkerboezem: de kleine bloedsomloop. Per rondgang passeert het bloed dus twee keer het hart: een dubbele bloedsomloop.

bloedvatrichtingwandvoorbeeld
slagadervan het hart wegdik en elastisch: hoge druk, je voelt er de polsaorta, longslagader, halsslagader
adernaar het hart toedunner, met kleppen die terugstromen verhinderenholle aders, longaders, aders op je handrug
haarvatverbindt slagaders en aderséén cellaag dik: hier gebeurt de uitwisselingin longen, spieren, alle organen

Een volwassene heeft ongeveer 5 liter bloed. In rust pompt het hart ongeveer 70 mL per slag, zo'n 70 keer per minuut: 5 liter per minuut. Al je bloed gaat dus ongeveer één keer per minuut rond. Bij zware inspanning kan dat vier à vijf keer sneller.

Een slagader vervoert altijd zuurstofrijk bloed

Slagaders worden genoemd naar de richting (van het hart weg), niet naar de zuurstof. De longslagader vervoert zuurstofarm bloed naar de longen; de longaders brengen zuurstofrijk bloed terug.

Bloed in je aders is blauw

Zuurstofarm bloed is donkerrood, niet blauw. Aders lijken blauw doordat de huid en het weefsel erboven het licht verschillend doorlaten en terugkaatsen. Het blauw in schema's is een afspraak om zuurstofarm bloed aan te duiden.

longenhaarvaten: zuurstoferin, CO₂ eruitorganen en spierenhaarvaten: zuurstoferuit, CO₂ erinRLhartlongslagaderlongadersaortaholle aderskleine bloedsomloop(hart - longen - hart)grote bloedsomloop(hart - lichaam - hart)
Twee kringen, één hart: de kleine bloedsomloop langs de longen en de grote langs het lichaam.
Uitgewerkt voorbeeld · 29.9

Hoeveel werk doet je hart?

9/19

Een hart klopt in rust 70 keer per minuut en pompt 70 mL per slag. (a) Hoeveel liter bloed pompt het per minuut en per dag? (b) Hoeveel keer klopt het per dag, en in een leven van 80 jaar?

Gegeven
  • 70 slagen per minuut
  • per slag
  • 1 dag = 1440 minuten; 1 jaar = 365,25 dagen
Gevraagd
  • (a) liter per minuut en per dag
  • (b) slagen per dag en in 80 jaar
Oplossing
  1. 1
    (a) Per minuut: .
  2. 2
    Per dag: : ongeveer 7000 liter, zeventig volle badkuipen.
  3. 3
    (b) Per dag: slagen: ongeveer honderdduizend.
  4. 4
    In 80 jaar: : bijna drie miljard slagen, zonder pauze.
Antwoord
(a) 4,9 L per minuut, ongeveer 7000 L per dag. (b) Ongeveer 100 000 slagen per dag, bijna 3 miljard in 80 jaar.
Klopt dit? Het hele bloedvolume (5 L) gaat ongeveer één keer per minuut rond: 4,9 L per minuut klopt. Tijdens inspanning stijgen zowel de hartslag als het volume per slag.
Proef · 29.10

Hartslag in rust en na inspanning

10/19
Onderzoeksvraag

Hoe verandert je hartslag door een korte inspanning, en hoe snel komt ze terug op het rustniveau?

Materiaal
  • een klok of stopwatch met seconden
  • een springtouw (of een trede om op en af te stappen)
  • een tabel en millimeterpapier
VeiligheidWie een hart- of longaandoening heeft, of zich duizelig voelt, doet de inspanning niet of stopt meteen.
springen0123456789101112708090100110120130140150160tijd (min)hartslag (slagen per minuut)gemiddelde in rust: 72in rustna de inspanning
Rust, inspanning (oranje band) en herstel: na 5 minuten is de hartslag bijna terug bij de rustwaarde.
Werkwijze
  1. 1Zoek je pols: leg twee vingers (niet je duim, die heeft zelf een pols) aan de binnenkant van je pols, aan de kant van je duim, of opzij van je hals.
  2. 2Zit 3 minuten rustig. Tel je hartslag telkens 15 seconden lang en vermenigvuldig met 4. Doe dat drie keer.
  3. 3Spring één minuut stevig touwtje.
  4. 4Ga meteen zitten en meet je hartslag direct, en daarna elke minuut opnieuw (15 seconden tellen, × 4), tot 8 minuten na de inspanning.
  5. 5Zet alles in een grafiek: de tijd horizontaal, de hartslag verticaal.
Waarneming

Een leerling mat in rust 72, 74 en 71 slagen per minuut (gemiddeld 72). Na de minuut springen:

minuten na het springen012345678
hartslag (per minuut)146118100888279767473

Ook de ademhaling ging van 14 naar ongeveer 30 keer per minuut, en ze had het warm.

Verklaring

Tijdens het springen hebben de beenspieren veel meer energie nodig. Hun cellen verbruiken meer glucose en zuurstof en maken meer koolstofdioxide. Het hart klopt sneller (en krachtiger) om meer bloed te sturen, en de ademhaling versnelt om meer zuurstof op te nemen en meer CO2 af te geven. Na de inspanning daalt de hartslag eerst snel, dan steeds trager, naar het rustniveau. Wie getraind is, herstelt sneller. Dat je zo nauwkeurig 15 seconden telt en vermenigvuldigt, geeft wel een afrondingsfout: één slag te veel of te weinig is al 4 slagen per minuut.

Uitgewerkt voorbeeld · 29.11

Twee herstelcurven vergelijken

11/19

Lotte en Mats deden dezelfde inspanning. Lees de grafiek. (a) Wat is hun hartslag in rust en direct na de inspanning? (b) Hoe lang duurt het tot ze binnen 10 slagen van hun rustwaarde zitten? (c) Wie is het best getraind, en waaraan zie je dat?

0123456785060708090100110120130140150160170tijd na de inspanning (min)hartslag (slagen per minuut)rust Lotte: 62rust Mats: 78Lotte (traint 3 keer per week)Mats (sport zelden)
Dezelfde inspanning, twee harten: Lotte herstelt veel sneller dan Mats.
Gegeven
  • de herstelcurven van Lotte en Mats
  • rust Lotte 62, rust Mats 78 slagen per minuut
Gevraagd
  • (a) rust en piek
  • (b) hersteltijd
  • (c) besluit
Oplossing
  1. 1
    (a) Lotte: rust 62, direct na de inspanning 138 slagen per minuut. Mats: rust 78, direct na de inspanning 158.
  2. 2
    (b) 'Binnen 10 slagen' betekent voor Lotte onder 72 en voor Mats onder 88. Lotte zit na 3 minuten op 72 en na 4 minuten op 67: na ongeveer 3 à 4 minuten. Mats zit na 6 minuten nog op 89 en na 7 minuten op 86: na ongeveer 6 à 7 minuten.
  3. 3
    (c) Lotte heeft een lagere rusthartslag, een lagere piek bij dezelfde inspanning en herstelt twee keer zo snel. Een getraind hart pompt meer bloed per slag, en hoeft dus minder vaak te slaan.
Antwoord
Lotte (rust 62, piek 138, herstel in 3 à 4 min) is beter getraind dan Mats (rust 78, piek 158, herstel in 6 à 7 min).
Klopt dit? Vergelijk alleen curven van dezelfde inspanning, en meet in dezelfde omstandigheden (niet net na het eten, niet na koffie of cola). Eén meting per persoon is weinig: herhaal op een andere dag.
Uitleg · 29.12

Energie uit voeding

12/19

Voedsel levert bouwstoffen en chemische energie (hoofdstuk 15). Die energie komt vrij bij de celademhaling en gebruik je om te leven: je hart laten kloppen, je hersenen laten werken, je spieren bewegen en je lichaam op 37 °C houden. Op een voedingsetiket staat de energie in kilojoule (kJ) en in kilocalorie (kcal), een oudere eenheid: .

voedingsstofwaarvoorenergie per gramzit veel in
koolhydraten (suikers, zetmeel)snelle brandstof17 kJ (4 kcal)brood, pasta, rijst, aardappelen, fruit
vettenbrandstof, reserve, isolatie37 kJ (9 kcal)boter, olie, noten, kaas, chips
eiwittenbouwstof (spieren, enzymen)17 kJ (4 kcal)vlees, vis, eieren, peulvruchten, zuivel
vezelsgoede darmwerking8 kJ (2 kcal)volkoren, groenten, havermout
water, vitaminen, mineralennodig voor alle processen0groenten, fruit, drank

De Europese regels leggen vast hoe fabrikanten de energie berekenen: 17 kJ per gram koolhydraten en eiwitten, 37 kJ per gram vet en 8 kJ per gram vezels. Vet levert dus meer dan dubbel zoveel energie per gram als suiker.

energie van voedsel (EU-regels)
in kJ, de massa's in gram, zoals ze op het etiket staan.

Hoeveel heb je nodig? Op etiketten staat de referentie-inname van een gemiddelde volwassene: 8400 kJ per dag. Tieners in de groei en mensen die veel bewegen hebben meer nodig, 10 à 12 MJ. Het grootste deel (ongeveer twee derde) gaat naar je basisverbruik: organen die werken, ook als je slaapt. Het andere deel hangt af van hoeveel je beweegt.

Uiteindelijk wordt bijna al die energie warmte. Wie 10 MJ per dag eet en even zwaar blijft, geeft gemiddeld af: een mens is een kachel van ongeveer 100 W (hoofdstuk 16).

05101520253035kJ per minuut3,34,512,220,223,728,9slapenzittenwandelenzwemmenfietsenjoggen
Orde van grootte voor iemand van 50 kg (1 MET = 1 kcal per kg per uur). Joggen verbruikt zes keer zoveel als rustig zitten.
Uitgewerkt voorbeeld · 29.13

Een voedingsetiket narekenen

13/19

Hieronder staat het etiket van havermout (typische waarden). (a) Controleer de energie per 100 g met de energiefactoren. (b) Hoeveel energie levert een portie van 50 g, en welk deel is dat van de referentie-inname? (c) Hoeveel procent van de energie komt uit vet?

HAVERMOUTVoedingswaardeper 100 gper portie (50 g)Energie1563 kJ / 371 kcal782 kJ / 186 kcalVetten7,0 g3,5 gwaarvan verzadigde vetzuren1,3 g0,7 gKoolhydraten59 g30 gwaarvan suikers1,0 g0,5 gVezels10 g5,0 gEiwitten13 g6,5 gZout0,02 g0,01 gReferentie-inname van een gemiddelde volwassene (8400 kJ / 2000 kcal)
Het voedingsetiket van havermout: per 100 g en per portie van 50 g.
Gegeven
  • per 100 g: vetten 7,0 g, koolhydraten 59 g, vezels 10 g, eiwitten 13 g
  • 17 kJ/g koolhydraten en eiwitten, 37 kJ/g vet, 8 kJ/g vezels
  • referentie-inname 8400 kJ
Gevraagd
  • (a) energie per 100 g
  • (b) energie per portie en % van de referentie-inname
  • (c) aandeel van het vet
Oplossing
  1. 1
    (a) Koolhydraten ; eiwitten ; vetten ; vezels .
  2. 2
    Samen: per 100 g, precies wat op het etiket staat. In kcal: ; het etiket rekent met 4, 4, 9 en 2 kcal per gram en komt op 371 kcal.
  3. 3
    (b) 50 g is de helft: . Deel van de referentie-inname: .
  4. 4
    (c) Uit vet: van de energie.
Antwoord
(a) 1563 kJ per 100 g, zoals op het etiket. (b) 782 kJ per portie, 9 % van de referentie-inname. (c) 17 % van de energie komt uit vet.
Klopt dit? Een ontbijt levert vaak 15 à 25 % van de energie van een dag: 50 g havermout (met melk en fruit erbij) past daar goed in. Zou je 12 % vet in gram zien en 17 % in energie? Ja: vet heeft meer dan dubbel zoveel energie per gram.
Uitleg · 29.14

Homeostase: de thermostaat in je lichaam

14/19

Of je nu in de sneeuw staat of in de zon ligt, de temperatuur binnenin je lichaam, de kerntemperatuur, blijft ongeveer 37 °C (tussen 36,5 en 37,5 °C). Je enzymen (hoofdstuk 34 van Intermediate) werken het best bij die temperatuur. Boven 40 °C of onder 35 °C wordt het gevaarlijk.

Dat constant houden gebeurt met een gesloten regelkring, net als het dakraam van de meetkas (hoofdstuk 25):

  • Sensoren: zenuwcellen in je huid en in je hersenen meten de temperatuur.
  • Regelaar: de hypothalamus, een klein deel van je hersenen, vergelijkt met de gewenste waarde van ongeveer 37 °C.
  • Actuatoren bij te warm: zweetklieren (zweet verdampt en koelt, hoofdstuk 6) en bloedvaten in de huid die wijder worden: er gaat meer warm bloed naar de huid, die warmte afgeeft (je wordt rood).
  • Actuatoren bij te koud: bloedvaten in de huid die nauwer worden (je wordt bleek, de warmte blijft binnen), rillen (spieren die snel samentrekken en warmte maken) en kippenvel.
  • Gedrag: een trui aantrekken, de schaduw opzoeken. Ook dat is een actuator!

Het is negatieve terugkoppeling: wordt het te warm, dan zet de regelaar iets in gang dat afkoelt, en omgekeerd. Anders dan de aan/uit-thermostaat van hoofdstuk 25 stuurt je lichaam wel geleidelijk bij: een beetje warm geeft een beetje zweet, veel warmte veel zweet. Dezelfde soort regeling houdt ook je waterhuishouding (dorst en nieren), je ademhaling (op het CO2-gehalte) en je bloedsuiker constant.

Koorts: een verschoven gewenste waarde

Bij een infectie zet de hypothalamus de gewenste waarde hoger, bijvoorbeeld op 39 °C. Je lichaam is dan 'te koud' in vergelijking met die nieuwe waarde: je rilt en hebt het koud, terwijl je temperatuur stijgt. Zakt de gewenste waarde terug naar 37 °C, dan is je lichaam 'te warm': je zweet. In opdracht 29.15 lees je zo'n koortsgrafiek.

sensorentemperatuurzintuigenin huid enhersenenregelaarhypothalamus:gewenst ± 37 °Cte warmzweten, bloedvaten in dehuid wijderte koudrillen, bloedvatennauwer, kippenvelproceslichaamterugkoppeling: de sensoren meten wat de actuatoren veranderd hebbenstoring: omgeving,inspanningmetenbeslissendoen
Dezelfde bouw als de regelkring van de meetkas: meten, beslissen, doen, en terugkoppeling.
Uitgewerkt voorbeeld · 29.15

Hoeveel zweet je bij het lopen?

15/19

Tijdens een loopwedstrijd maakt je lichaam 400 W meer warmte dan in rust. Neem aan dat je al die extra warmte kwijtraakt door zweet te laten verdampen. Om 1 g zweet te verdampen op je huid is ongeveer 2,4 kJ nodig (iets meer dan de 2,26 kJ bij 100 °C uit hoofdstuk 6). Hoeveel zweet verdampt er per uur?

Gegeven
  • extra warmte: per seconde
  • per gram zweet
Gevraagd
  • gram zweet per seconde en per uur
Oplossing
  1. 1
    Per seconde: zweet.
  2. 2
    Per uur: , dus ongeveer 0,6 liter.
  3. 3
    In werkelijkheid druppelt een deel van het zweet af zonder te verdampen (dat koelt niet), en bij vochtig weer verdampt het slechter. Je zweet dan nog meer.
Antwoord
Ongeveer 600 g, of 0,6 L zweet per uur: dat moet je ook drinken.
Klopt dit? Sporters verliezen bij zware inspanning 0,5 tot 2 L zweet per uur: het klopt. Daarom verbruikt een bewoner die zwaar werkt ook veel meer drinkwater dan iemand die stilzit.
Uitleg · 29.16

Wat heeft een mens nodig om te overleven?

16/19

Een bekende vuistregel, de regel van drie, zet de noden op een rij: zonder lucht hou je het ongeveer 3 minuten vol, zonder water ongeveer 3 dagen, zonder voedsel ongeveer 3 weken. Het zijn ordes van grootte, geen exacte grenzen (het hangt sterk af van de temperatuur, je gezondheid en wat je doet), maar ze tonen goed wat eerst moet: lucht, dan een veilige temperatuur, dan water, dan voedsel.

watzonder hou je het ongeveer ... vol (vuistregel)per dag nodig (rekenwaarde)
zuurstof (lucht met ± 21 %)3 minuten0,84 kg zuurstof
een veilige temperatuur (kern ± 37 °C)enkele uren in ijskoud water of extreme hittekleding, verwarming, koeling
water3 dagen2 à 2,5 L, bij warmte of zwaar werk meer
voedsel3 weken (sterk verschillend)± 10 MJ (8 à 12 MJ)

In een afgesloten ruimte komt er nog iets bij: de afvalstoffen moeten weg. Een mens ademt per dag ongeveer 1 kg koolstofdioxide uit. In een dichte kamer van 30 m³ stijgt het CO2-gehalte daardoor met ongeveer 760 ppm per uur. Vanaf ongeveer 1000 ppm voelt de lucht bedompt en daalt je concentratie; op het werk mag het gemiddeld hoogstens 5000 ppm zijn. Ook de waterdamp die je uitademt en uitzweet (1 à 3 kg per dag) moet weg, anders beslaat alles, zoals de wanden van de meetkas.

Te weinig zuurstof merk je meteen

Een tekort aan zuurstof voel je nauwelijks aankomen: je wordt suf, je denkt trager en je oordeel wordt slechter, zonder dat je beseft wat er gebeurt. De bewoners van Biosphere 2 (hoofdstuk 28) werden maandenlang moe. Wat je wél voelt, is te veel CO2: dan wil je sneller ademen. Daarom meet een station altijd zowel de zuurstof als de koolstofdioxide.

In een poolstation of een ruimtestation moeten lucht, water, warmte en voedsel elke dag verzekerd zijn.
In een poolstation of een ruimtestation moeten lucht, water, warmte en voedsel elke dag verzekerd zijn.
Uitgewerkt voorbeeld · 29.17

Habitat: levensondersteuning voor één bewoner

17/19

Een bewoner van het station verbruikt per dag 0,84 kg zuurstof, 2,5 L drinkwater (om te drinken en om voedsel te bereiden) en ongeveer 1,3 kg voedsel, waarvan 0,6 kg droge stof en 0,7 kg water, met 10 MJ energie. Hij geeft ongeveer 1,0 kg koolstofdioxide, 1,5 L urine, 2,0 kg waterdamp en 0,15 kg ontlasting af. (a) Klopt de massabalans? (b) Hoeveel moet er voor 30 dagen voorzien worden? (c) Hoeveel nieuw water is nodig als het station 98 % van het water terugwint? (d) Hoeveel warmte geeft de bewoner af?

één bewoner, per dagzuurstof: 0,84 kgdrinkwater: 2,5 Lvoedsel: ± 1,3 kg(daarin ± 10 MJ energie)CO₂: ± 1,0 kgwaterdamp: ± 2,0 kgurine: ± 1,5 Lwarmte: ± 10 MJen ± 0,15 kg ontlasting
Per dag gaat er ongeveer 4,6 kg in en komt er evenveel uit; de energie van het voedsel wordt warmte.
Gegeven
  • in: 0,84 kg zuurstof, 2,5 L water, 1,3 kg voedsel (10 MJ)
  • uit: 1,0 kg CO₂, 1,5 L urine, 2,0 kg waterdamp, 0,15 kg ontlasting
  • 1 L water = 1 kg; waterterugwinning 98 %
Gevraagd
  • (a) massabalans
  • (b) voorraad voor 30 dagen
  • (c) nieuw water per dag en per maand
  • (d) warmte in watt
Oplossing
  1. 1
    (a) In: . Uit: . Op afronding na gelijk: een volwassene die even zwaar blijft, geeft evenveel massa af als hij opneemt. Opvallend: de koolstof en de zuurstof van de koolstofdioxide komen uit het voedsel en de ingeademde zuurstof.
  2. 2
    (b) Voor 30 dagen: zuurstof ; water ; voedsel (waarvan droog).
  3. 3
    (c) Wordt 98 % van het water teruggewonnen (uit urine, zweet en adem), dan gaat 2 % verloren: per dag, per maand in plaats van 75 L.
  4. 4
    (d) . In het station (hoofdstuk 39 van Expert: 50 W per °C verschil met buiten) houdt één bewoner het binnen °C warmer.
Antwoord
(a) 4,64 kg in, 4,65 kg uit: de balans klopt. (b) 25 kg zuurstof, 75 L water en 39 kg voedsel voor 30 dagen. (c) Met 98 % terugwinning maar 0,05 L nieuw water per dag. (d) Ongeveer 116 W warmte.
Klopt dit? Vergelijk met de planten: de hele slateelt in de meetkas geeft in zes weken maar 77 g zuurstof (hoofdstuk 28), minder dan een tiende van wat één bewoner op één dag inademt. De zuurstof van het station moet dus van elders komen: uit water gesplitst met elektriciteit, of uit een algenreactor.
Naslag · 29.18

Overzicht: ademhaling, bloedsomloop, voeding en regeling

18/19

De belangrijkste getallen, formules en afspraken van dit hoofdstuk.

celademhaling (in elke cel)
energie van voedsel
symboolbetekeniseenheid
energiekJ
massa koolhydrateng
massa eiwitteng
massa vetteng
massa vezelsg
hartslag per minuut uit een telling van 15 seconden
kilocalorie en kilojoule
gasingeademde luchtuitgeademde lucht
stikstof78 %78 %
zuurstof21 %± 16 %
koolstofdioxide0,04 %± 4 %
waterdampwisselendveel (warm en vochtig)
temperatuurdie van de omgeving± 34 °C
bloedvatrichtingwandvoorbeeld
slagadervan het hart wegdik en elastisch: hoge druk, je voelt er de polsaorta, longslagader, halsslagader
adernaar het hart toedunner, met kleppen die terugstromen verhinderenholle aders, longaders, aders op je handrug
haarvatverbindt slagaders en aderséén cellaag dik: hier gebeurt de uitwisselingin longen, spieren, alle organen
grootheid (volwassene, rust)typische waarde
ademhaling12 à 20 keer per minuut, ± 0,5 L per keer
hartslag60 à 100 slagen per minuut
pompvolume van het hart± 5 L per minuut
bloed± 5 L
kerntemperatuur36,5 à 37,5 °C
zuurstof per dag± 0,84 kg (actief)
koolstofdioxide per dag± 1,0 kg
energie uit voeding per dag8 à 12 MJ; referentie-inname 8400 kJ
warmte± 100 W gemiddeld
Het geheel · 29.19

Waar het lichaam terugkomt

19/19

In dit hoofdstuk kwamen veel leerlijnen samen. Gaswisseling is diffusie uit het deeltjesmodel, energie uit voeding is de leerlijn Energie, de hartslaggrafiek is Onderzoeken en meten, en de temperatuurregeling is dezelfde regelkring als in de leerlijn Regelen. In Intermediate zie je de chemie achter de celademhaling (enzymen, ATP) en regelsystemen met hysterese; in Expert wordt het lichaam een regelsysteem met bloedsuikerregeling en biomedische sensoren.

Diffusie: zo gaan zuurstof en koolstofdioxide door de wand van de longblaasjes; verdampen van zweet koelt.

Chemische energie in voedsel, en het rendement van je spieren (20 à 25 %).

Een mens geeft ongeveer 100 W warmte af: een kachel voor het station.

Meten, beslissen, doen: de regelkring van het dakraam en die van je lichaamstemperatuur.

Dezelfde celademhaling als in planten, maar zonder fotosynthese.

De mens als consument; Biosphere 2 en zuurstof voor één bewoner.

Een bewoner ademt ongeveer 1 kg CO₂ per dag uit: een bron voor de planten van de kweekruimte.

Regelkringen met hysterese, met de lichaamstemperatuur als voorbeeld uit de natuur.

Waarom 37 °C: enzymen en hun optimum; ATP als energiedrager.

Partiële druk: zuurstof en koolstofdioxide in de lucht die je inademt.

Homeostase en negatieve terugkoppeling in detail; hartslag, ECG en zuurstofsaturatie meten.

HabitatElke bewoner van het station heeft per dag ongeveer 0,84 kg zuurstof, 2,5 L drinkwater en 10 MJ voedsel nodig, en geeft 1 kg koolstofdioxide, 2 kg waterdamp en 116 W warmte af. Die getallen bepalen hoe groot de levensondersteuning moet zijn: in opdracht 29.13 stel je het levensondersteuningsplan voor één bewoner op. In Intermediate gebruiken de planten van de kweekruimte de koolstofdioxide van de bewoners, in Expert bewaakt een gezondheidsmonitor hun hartslag.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

ademhaling
Het in- en uitademen van lucht (longademhaling); in elke cel gebeurt de celademhaling, waarbij zuurstof verbruikt wordt.
gaswisseling
Het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide tussen de lucht in de longblaasjes en het bloed, door diffusie.
longblaasje
Piepklein luchtzakje aan het einde van de fijnste luchtwegen, omgeven door haarvaten; daar gebeurt de gaswisseling.
middenrif
Koepelvormige spier onder de longen; als hij samentrekt en afplat, stroomt er lucht in de longen.
dubbele bloedsomloop
Het bloed passeert per rondgang twee keer het hart: een kleine kring langs de longen en een grote kring langs het lichaam.
slagader
Bloedvat dat bloed van het hart wegvoert, met een dikke, elastische wand.
ader
Bloedvat dat bloed naar het hart terugvoert, met kleppen die het terugstromen verhinderen.
haarvat
Heel dun bloedvat met een wand van één cellaag, waar stoffen uitgewisseld worden.
hartslag
Het aantal keer dat het hart per minuut samentrekt; je voelt het als de pols.
kilojoule (kJ)
Eenheid van energie, 1000 J, gebruikt op voedingsetiketten; 1 kcal = 4,184 kJ.
homeostase
Het constant houden van de toestand in het lichaam (temperatuur, water, suiker, zuurstof) door regelkringen met terugkoppeling.
hypothalamus
Deel van de hersenen dat onder andere als 'thermostaat' van het lichaam werkt.
levensondersteuning
Alle systemen die mensen in een afgesloten ruimte (station, ruimteschip) zuurstof, water, voedsel en een veilige temperatuur geven, en afval verwerken.
Aan de slag in het werkboek16 opdrachten, van oefenen tot uitdagen