← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Handboek · 4. Tabellen, grafieken en verbanden
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F4. Tabellen, grafieken en verbanden
FFundamental · deel F1 · Denken en werken als STEM'er

Handboek · hoofdstuk 4Tabellen, grafieken en verbanden

Van een rij getallen naar een beeld dat een verband toont, en weten hoe ver je dat beeld mag vertrouwen

Meten levert getallen op. Pas als je ze ordent in een tabel en tekent in een grafiek, zie je wat ze vertellen: stijgt iets, daalt het, verdubbelt het samen met iets anders? In dit hoofdstuk leer je een tabel en een grafiek maken volgens de afspraken, een recht evenredig verband herkennen en zijn evenredigheidsconstante bepalen, aflezen tussen je metingen (interpoleren) en voorbij je metingen (extrapoleren, met de nodige voorzichtigheid), en voor elke soort data de juiste grafiek kiezen.

6× uitleg4× uitgewerkt voorbeeld1× proef2× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel16 opdrachten in het werkboek± 7 lestijden
Een dag metingen uit de meetkas wordt één lijn op millimeterpapier.
Een dag metingen uit de meetkas wordt één lijn op millimeterpapier.
Na dit hoofdstuk
Verhaal · 4.1

Een Schot, een verpleegster en de uitvinding van de grafiek

1/16

Grafieken lijken zo gewoon dat je zou denken dat ze altijd hebben bestaan. Toch is de lijngrafiek nauwelijks tweehonderdveertig jaar oud. In 1786 gaf de Schotse ingenieur en econoom William Playfair in Londen een boek uit over de handel van Engeland, The Commercial and Political Atlas. In plaats van lange tabellen met getallen tekende hij de in- en uitvoer van jaar tot jaar als lijnen, en voor de handel van Schotland met andere landen in één jaar gebruikte hij staven. In 1801 voegde hij er in een volgend boek nog een vorm aan toe: de cirkel die in sectoren verdeeld is, het cirkeldiagram. Zijn argument: het oog ziet in één blik een patroon dat in een tabel verborgen blijft.

Ruim zeventig jaar later bewees de Britse verpleegster Florence Nightingale hoe krachtig dat is. Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) verzorgde ze gewonde soldaten in een legerhospitaal bij Istanbul. Ze hield nauwkeurig bij waaraan de soldaten stierven. Haar cijfers toonden iets ontstellends: veel meer soldaten stierven aan infectieziekten, die met hygiëne, schoon water en verluchting te voorkomen waren, dan aan hun verwondingen. Omdat ze wist dat politici geen tabellen lezen, tekende ze die cijfers in 1858 als een rond diagram met één sector per maand, waarin de oppervlakte van elke gekleurde sector toonde hoeveel soldaten er die maand stierven, en waaraan. In één oogopslag zag je waar de doden vandaan kwamen. Haar grafieken hielpen om leger en regering te overtuigen de hygiëne in legerhospitalen en kazernes grondig te verbeteren. In datzelfde jaar werd Nightingale als eerste vrouw lid van de Statistical Society in Londen.

Waarom dit verhaal ertoe doet

Een goede grafiek maakt een patroon zichtbaar dat in een rij getallen verborgen zit, en overtuigt waar een tabel niet gelezen wordt. Een slechte grafiek verbergt het patroon, of erger: toont een patroon dat er niet is. In dit hoofdstuk leer je beide herkennen.

Lijnen, staven en sectoren: uitgevonden om getallen te laten spreken.
Lijnen, staven en sectoren: uitgevonden om getallen te laten spreken.
Uitleg · 4.2

Een goede tabel

2/16

Wie meet, noteert eerst in een tabel. Een leerling test het waterpompje van de meetkas: het pompt water door een dun slangetje in een maatbeker, en elke 5 seconden leest hij af hoeveel water erin zit. Zijn eerste notities zien er zo uit:

TijdWater
10 s79 mL
00
541
200,16 L
15121
30241 mL
25198,0

Alles staat erin, maar het is een puzzel: waar staan de eenheden, is 0,16 L meer of minder dan 121, en in welke volgorde is er gemeten? Dezelfde metingen in een goede tabel (figuur) lees je in één oogopslag. De afspraken:

  1. Eén kolom per grootheid. Bij weinig metingen mag het ook in rijen (een liggende tabel).
  2. In de kop: grootheid en eenheid, de eenheid tussen haakjes: (s), (mL). In de cellen staan dan alleen getallen.
  3. Eén eenheid per kolom. Heb je 0,16 L genoteerd tussen milliliters, zet dan om: 160 mL (hoofdstuk 3).
  4. De grootheid die je zelf kiest, de onafhankelijke variabele (hoofdstuk 2), komt in de eerste kolom, van klein naar groot. De grootheid die je meet, volgt erna.
  5. Zoveel cijfers als je instrument toont, per kolom liefst op dezelfde manier: niet eens 198,0 en dan weer 121.
  6. Een titel: wat is er gemeten, en waar.
Maak de tabel vóór je meet

Teken de lege tabel met de kop al ingevuld voor je aan de proef begint. Zo weet je welke eenheid je noteert, en vergeet je geen meting. Heb je een meting fout genoteerd, streep ze dan door in plaats van ze uit te gommen: wie later je notities leest, ziet wat er gebeurd is.

Tabel 1 · Water uit het pompje van de meetkast (s)V (mL)00541107915121201602519830241Kopgrootheid met de eenheid tussen haakjesEerste kolomwat je zelf kiest, van klein naar grootCellenalleen getallen, één eenheid per kolomCijferszoveel als het instrument toont
Dezelfde zeven metingen, nu volgens de afspraken: je ziet meteen dat het volume gelijkmatig stijgt.
Uitleg · 4.3

Van tabel naar grafiek in vijf stappen

3/16

Een tabel toont de getallen, een grafiek toont het verband. Zo teken je er een op millimeterpapier:

  1. Kies de assen. De grootheid die je zelf kiest (onafhankelijke variabele) komt op de horizontale as, de grootheid die je meet (afhankelijke variabele) op de verticale as. Bij metingen in de tijd staat de tijd dus bijna altijd horizontaal.
  2. Zet bij elke as de grootheid en de eenheid, net als in de kop van de tabel: (s) en (mL).
  3. Kies een schaal. De stappen zijn overal even groot, en het zijn handige stappen: 1, 2 of 5 (of 10, 20, 50, en eventueel 2,5 of 25) per centimeter. De grafiek vult het grootste deel van het papier. Begin bij nul, tenzij je een goede reden hebt (zie het blad over misleidende grafieken).
  4. Zet de punten, met een potlood, als een klein kruisje of een stip precies op de juiste plaats.
  5. Teken een trendlijn. Meetpunten van een proef liggen nooit perfect op een lijn: elke meting heeft een kleine fout. Teken daarom een vloeiende lijn, vaak een rechte, die het verloop zo goed mogelijk volgt, met ongeveer evenveel punten erboven als eronder. Verbind de punten niet met een zigzag: die knikken zijn meetfouten, geen deel van het verband.

Er is één uitzondering op stap 5. Volg je iets in de tijd en telt elke meting (de temperatuur in de kas, elk uur), dan mag je de punten met rechte stukjes verbinden. Zo'n lijngrafiek toont het verloop, zonder te beweren dat er één eenvoudig verband achter zit.

Door de oorsprong of niet?

Laat de trendlijn door de oorsprong (0, 0) gaan als je weet dat ze erdoor moet: een bal die je van 0 cm laat vallen, botst 0 cm op. Weet je dat niet, dan trek je de lijn gewoon door de punten en kijk je waar ze uitkomt. Ook dat is informatie.

02040608010012014001020304050607080valhoogte (cm)terugbotshoogte (cm)punten verbonden: zigzag
Fout: een bal botst op, en de knikken in de zigzag zijn alleen meetfouten.
02040608010012014001020304050607080valhoogte (cm)terugbotshoogte (cm)metingentrendlijn
Goed: één rechte tussen de punten toont het verband. Terugbotshoogte ≈ 0,63 × valhoogte.
Ontleed · 4.4

De onderdelen van een grafiek

4/16

Dit is de grafiek van de pompmetingen uit de tabel. Elk onderdeel heeft een taak: haal er één weg en de grafiek wordt onleesbaar of zelfs misleidend.

0510152025303504080120160200240280t (s)V (mL)metingentrendlijn: V = 8,0 · t
Het volume water uit het pompje tegenover de tijd: zeven metingen en één trendlijn.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Horizontale as

    De grootheid die je zelf kiest (hier de tijd ), met haar eenheid tussen haakjes. Ook de x-as genoemd.

  2. 2
    Verticale as

    De grootheid die je meet (hier het volume ), met haar eenheid. Ook de y-as genoemd.

  3. 3
    Schaalverdeling

    Getallen op gelijke afstanden en in gelijke stappen: 0, 40, 80, 120 ... Ontbreken ze, dan zegt de grafiek niets over hoeveel.

  4. 4
    Meetpunt

    Eén rij uit de tabel: na 15 s zat er 121 mL in de maatbeker. Zoek het getal op elke as en ga recht omhoog en recht opzij.

  5. 5
    Trendlijn

    Een rechte die het verloop volgt, niet door elk punt, maar er zo dicht mogelijk langs. Ze toont het verband, zonder de kleine meetfouten.

  6. 6
    Oorsprong

    Het punt (0, 0). Na 0 s is er nog 0 mL gepompt: de trendlijn gaat hier door.

  7. 7
    Legenda

    Zegt wat elk teken betekent. Onmisbaar als er meer dan één reeks in de grafiek staat.

Uitgewerkt voorbeeld · 4.5

Een schaal kiezen

5/16

Je tekent de pompmetingen op millimeterpapier. Je hebt 16 cm plaats in de breedte en 14 cm in de hoogte. De tijd loopt van 0 tot 30 s, het volume van 0 tot 241 mL. Welke schaal kies je voor elke as?

Gegeven
  • : van 0 tot 30 s; 16 cm breed
  • : van 0 tot 241 mL; 14 cm hoog
Gevraagd
  • een handige schaal voor de horizontale en de verticale as
Oplossing
  1. 1
    Horizontale as. Deel de grootste waarde door de beschikbare lengte: s per cm. Rond naar boven af naar een handige stap: 2 s per cm. Dan komt 30 s op cm: dat past.
  2. 2
    Verticale as. mL per cm. De eerste handige stap erboven is 20 mL per cm. Dan komt 241 mL op cm: dat past ook.
  3. 3
    Waarom naar boven afronden? Met 10 mL per cm zou 241 mL op 24,1 cm komen: van het papier af. Naar boven afronden maakt de grafiek iets kleiner, maar ze past altijd.
  4. 4
    Waarom een handige stap? Met 17,2 mL per cm moet je voor elk punt rekenen: 121 mL ligt dan op 7,03 cm. Met 20 mL per cm ligt 121 mL op cm, dus 60,5 mm: dat vind je meteen. Vergelijk de mogelijkheden:
    schaal (verticale as)241 mL komt opoordeel
    10 mL per cm24,1 cmpast niet op 14 cm
    17,2 mL per cm14,0 cmpast net, maar geen enkel punt is vlot te zetten
    20 mL per cm12,05 cmgoed: handige stap, grafiek vult het blad
    50 mL per cm4,8 cmte klein: de punten liggen op een hoopje
  5. 5
    Getallen bij de as. Zet niet bij elke centimeter een getal, maar bijvoorbeeld om de 5 cm op de horizontale as (0, 10, 20, 30 s) en om de 2 cm op de verticale as (0, 40, 80 ... 280 mL).
Antwoord
Horizontaal 2 s per cm (30 s op 15 cm), verticaal 20 mL per cm (241 mL op 12,05 cm).
Klopt dit? De grafiek gebruikt 15 van de 16 cm en 12 van de 14 cm: ruim meer dan de helft in beide richtingen. Een grafiek die maar een hoekje van het blad vult, is even onnauwkeurig als een meting met een te grove lat.
Proef · 4.6

Omtrek en diameter: een verborgen constante

6/16
Onderzoeksvraag

Hoe hangt de omtrek van een rond voorwerp af van zijn diameter?

Materiaal
  • zes ronde voorwerpen van klein tot groot: een munt, een blikje, een mok, een bloempot, een bord, een emmerdeksel
  • stroken papier (of een naaimeter)
  • lat van 30 cm en een meetlint
  • potlood, millimeterpapier
051015202530350102030405060708090100110diameter d (cm)omtrek O (cm)zes ronde voorwerpentrendlijn: O = 3,14 · d
Zes voorwerpen, van munt tot emmerdeksel, en toch één rechte: .
Werkwijze
  1. 1Maak een lege tabel met drie kolommen: voorwerp, (cm) en (cm).
  2. 2Meet de diameter : de breedste afstand dwars door het midden. Meet in twee richtingen en neem het gemiddelde.
  3. 3Meet de omtrek : leg een strook papier strak rond het voorwerp, zet een streepje waar ze zichzelf raakt, rol af en meet.
  4. 4Bereken voor elk voorwerp de verhouding .
  5. 5Teken de grafiek: horizontaal, verticaal. Teken een trendlijn.
Waarneming
voorwerp (cm) (cm)
2-euromunt2,68,23,15
frisdrankblikje6,620,83,15
mok8,225,63,12
bloempot12,539,43,15
bord24,075,13,13
deksel van een emmer29,592,83,15

De punten liggen op een rechte door de oorsprong, en de verhouding is voor elk voorwerp ongeveer 3,1: gemiddeld 3,14.

Verklaring

Hoe groot of klein de cirkel ook is: de omtrek is altijd ongeveer 3,14 keer de diameter. Verdubbelt de diameter, dan verdubbelt de omtrek. Omtrek en diameter zijn recht evenredig, en de vaste verhouding is een van de beroemdste getallen uit de wiskunde: pi, met het symbool , dat begint met 3,14159 en eindeloos verder gaat. Al rond 250 voor Christus bewees de Griekse wiskundige Archimedes dat tussen en ligt.

Omdat omtrek en diameter allebei lengtes zijn, heeft deze constante geen eenheid: cm gedeeld door cm. De kleine verschillen (3,12 tot 3,15) zijn meetfouten: de strook papier ligt niet helemaal strak, of de lat ligt net niet door het midden.

Uitleg · 4.7

Recht evenredig verband

7/16

Bij het pompje en bij de cirkel zag je hetzelfde patroon: wordt de ene grootheid 2, 3 of 10 keer zo groot, dan wordt de andere ook 2, 3 of 10 keer zo groot. Zulke grootheden zijn recht evenredig. Hun verhouding is altijd hetzelfde getal, de evenredigheidsconstante :

recht evenredig verband
staat op de horizontale as, op de verticale. De eenheid van is de eenheid van gedeeld door die van , bijvoorbeeld mL/s.

Je herkent een recht evenredig verband op twee manieren:

  • in de tabel: is (binnen de meetfout) voor elke rij hetzelfde;
  • in de grafiek: de punten liggen op een rechte door de oorsprong.

De constante heeft een betekenis: bij het pompje is het het aantal milliliter per seconde. Hoe groter , hoe steiler de rechte (eerste figuur). Recht evenredige verbanden kom je in StemExpert overal tegen:

verbandconstante hoofdstuk
prijs = prijs per kg × massaprijs per kg (€/kg)dagelijks leven
omtrek (geen eenheid)dit hoofdstuk
massa dichtheid (g/cm³)7
uitrekking van een veer en de krachtveerconstante11
afstand bij constante snelheidsnelheid (m/s)14
spanning weerstand (Ω)19
Elke rechte is recht evenredig

Niet waar. Het reservoir van de meetkas bevat 24 L en de planten verbruiken 1,8 L per dag. Het verbruikte water is recht evenredig met de tijd: een rechte door de oorsprong. Het water dat nog in het reservoir zit, ligt ook op een rechte, maar die daalt en begint bij 24 L. Na 2 dagen zit er 20,4 L in, na 4 dagen niet het dubbele maar 16,8 L: de verhouding is niet constant. Een rechte die niet door de oorsprong gaat, heet een lineair verband; daar leer je in Intermediate mee rekenen.

051015202530050100150200250300350400450t (s)V (mL)k = 15 mL/sk = 8,0 mL/sk = 5 mL/s
Hoe groter de evenredigheidsconstante, hoe steiler de rechte door de oorsprong.
02468101204812162024t (dagen)V (L)verbruikt waterwater in het reservoir
Verbruikt water: recht evenredig. Water in het reservoir: een rechte, maar niet door de oorsprong.
Uitgewerkt voorbeeld · 4.8

De evenredigheidsconstante van het pompje

8/16

Gebruik de pompmetingen. (a) Is het volume recht evenredig met de tijd? (b) Bereken de evenredigheidsconstante, met eenheid. (c) De planten in de meetkas hebben samen 1,8 L water per dag nodig. Hoe lang moet het pompje per dag draaien? (d) Hoeveel water pompt het in één minuut?

Het pompje van de meetkas testen: stopwatch in de ene hand, potlood in de andere.
Het pompje van de meetkas testen: stopwatch in de ene hand, potlood in de andere.
Gegeven
  • de metingen van (s) en (mL)
  • nodig: per dag
Gevraagd
  • recht evenredig?
  • in mL/s
  • pomptijd per dag
  • volume per minuut
Oplossing
  1. 1
    (a) Bereken voor elke meting :
    (s)51015202530
    (mL)4179121160198241
    (mL/s)8,27,98,18,07,98,0
    De verhouding is telkens ongeveer 8, en de grafiek is een rechte door de oorsprong. Het volume is recht evenredig met de tijd. De kleine schommelingen (7,9 tot 8,2) zijn afleesfouten aan de maatbeker.
  2. 2
    (b) Neem het gemiddelde van de verhoudingen: . Of lees een punt ver op de trendlijn af, bijvoorbeeld (30 s; 240 mL): . De eenheid is mL gedeeld door s: . Het pompje pompt dus 8,0 mL per seconde.
  3. 3
    (c) Zet eerst om: . Uit volgt : , of 3 min 45 s.
  4. 4
    (d) : bijna een halve liter per minuut.
Antwoord
(a) ja; (b) ; (c) 225 s, of 3 min 45 s per dag; (d) 480 mL.
Klopt dit? Eenheden nakijken: mL gedeeld door mL/s geeft s, en mL/s maal s geeft mL. In (c) en (d) reken je verder dan de gemeten 30 s. Dat mag hier, omdat een pompje niet trager gaat werken zolang er water genoeg in het reservoir staat. Wanneer zo'n voorspelling wel misloopt, lees je op het volgende blad.
Uitleg · 4.9

Interpoleren en extrapoleren

9/16

Een grafiek laat je ook waarden aflezen die je niet gemeten hebt. Daarvoor bestaan twee woorden:

  • Interpoleren: een waarde aflezen tussen twee metingen in. Hoeveel water zat er na 12 s in de maatbeker? Je hebt 10 en 15 s gemeten; de trendlijn geeft ongeveer 96 mL. Omdat je aan weerszijden een meting hebt, is dat meestal betrouwbaar.
  • Extrapoleren: een waarde voorspellen buiten je metingen, door de lijn verder door te trekken. Het gebied dat je gemeten hebt, heet het meetbereik. Buiten het meetbereik weet je niet zeker of het verband nog geldt.

De figuur toont waarom extrapoleren gevaarlijk kan zijn. Een beker water op een kookplaat warmt elke minuut ongeveer 8 °C op: na 8 minuten 83 °C. Trek je die rechte door, dan voorspel je na 12 minuten ongeveer 116 °C. Maar water kookt bij ongeveer 100 °C, en dan stijgt de temperatuur niet meer: de extra energie gaat naar het verdampen (waarom, leer je in hoofdstuk 6). Het verband verandert buiten het meetbereik.

Wanneer mag je wel extrapoleren?

  • als je weet waarom het verband bestaat, en dat die reden blijft gelden (de omtrek is keer de diameter voor elke cirkel, ook een grote);
  • als je niet ver buiten het meetbereik gaat;
  • en als je nagaat of er niets verandert: water dat kookt, een reservoir dat leeg raakt, een veer die uitrekt tot ze vervormt, een plant die stopt met groeien.
Ook de oorsprong kan extrapolatie zijn

Trek je een trendlijn door naar nul terwijl je daar niet gemeten hebt, dan extrapoleer je ook. Laat een lijn alleen door de oorsprong gaan als je zeker weet dat ze erdoor moet (0 s pompen is 0 mL water).

01234567891011121314020406080100120140t (min)T (°C)116 °C?100 °C: water kooktmetingen 0 tot 8 mintrendlijn, doorgetrokkenwat er echt gebeurt
Tot 8 minuten gemeten; de doorgetrokken trendlijn voorspelt meer dan 100 °C, maar kokend water blijft op 100 °C.
Ontleed · 4.10

Een dag in de meetkas

10/16

Een temperatuursensor in de meetkas en een tweede sensor buiten meten een hele zonnige dag in april elk uur de temperatuur. De punten van de kas zijn verbonden: elke meting telt, het is een verloop in de tijd. Wat vertelt deze grafiek?

02468101214161820222405101520253035tijdstip (h)T (°C)30 °Czon opin de kasbuiten
Om het uur gemeten: de kas (rood) en buiten (blauw, gestippeld).
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Het koudste moment

    Rond 5 à 6 uur: 7,7 °C in de kas. De hele nacht is er warmte weggelekt, en de zon is nog niet op.

  2. 2
    Snelle opwarming

    Zodra de zon op de kas schijnt, stijgt de temperatuur steil: tussen 8 en 12 uur gemiddeld meer dan 4 °C per uur. Hoe steiler de lijn, hoe sneller de verandering.

  3. 3
    25 °C om 11 uur

    Precies op een meetpunt. Wil je weten wanneer het 23 °C was, dan interpoleer je tussen 10 uur (20,5 °C) en 11 uur (25,0 °C).

  4. 4
    Het warmste moment

    Om 14 uur: 32,0 °C in de kas, terwijl het buiten 17,3 °C is. De kas houdt de zonnewarmte vast, zoals een auto in de zon (hoofdstuk 16).

  5. 5
    De grens van 30 °C

    Een hulplijn. Boven 30 °C lijden de meeste kasplanten onder de hitte. Tussen ongeveer 12:35 en 15:10 ligt de kas erboven: het dakraam moet open.

  6. 6
    Afkoelen

    Als de zon zakt, daalt de temperatuur bijna even snel als ze 's morgens steeg.

  7. 7
    's Nachts

    's Nachts is de kas maar ongeveer 1 °C warmer dan buiten: zonder zon houdt een dunne wand de warmte niet vast.

  8. 8
    Buiten

    De buitentemperatuur ter vergelijking. Ze bereikt haar maximum later dan de kas, rond 16 uur, en is veel vlakker.

Uitgewerkt voorbeeld · 4.11

De kasgrafiek lezen

11/16

Gebruik de metingen van de kas (om het uur). (a) Hoe warm was het om 10:30? (b) Van wanneer tot wanneer was het in de kas warmer dan 30 °C? (c) Hoeveel warmer dan buiten was de kas om 14 uur en om 2 uur 's nachts? (d) Wat betekent dit voor het ontwerp van de meetkas?

910111213141516171520253035tijdstip (h)T (°C)10:3030 °C12:3615:1022,8 °Cin de kas (metingen om het uur)
Ingezoomd tussen 9 en 17 uur, met hulplijnen voor het aflezen.
Gegeven
  • kas: 10 h: 20,5 °C; 11 h: 25,0 °C; 12 h: 28,5 °C; 13 h: 31,0 °C; 14 h: 32,0 °C; 15 h: 30,5 °C; 16 h: 27,5 °C; 2 h: 8,6 °C
  • buiten: 14 h: 17,3 °C; 2 h: 7,6 °C
Gevraagd
  • temperatuur om 10:30
  • tijdstippen waarop 30 °C overschreden wordt
  • verschil met buiten
  • besluit voor het ontwerp
Oplossing
  1. 1
    (a) 10:30 ligt precies halfweg tussen 10 en 11 uur. Interpoleren met een rechte tussen de twee meetpunten: halfweg tussen 20,5 en 25,0 °C, dus , afgerond 22,8 °C. In de ingezoomde grafiek lees je hetzelfde af.
  2. 2
    (b) Stijgend gaat de lijn door 30 °C tussen 12 uur (28,5 °C) en 13 uur (31,0 °C). In dat uur stijgt de temperatuur 2,5 °C, en er is 1,5 °C nodig om 30 °C te halen: dat is van het uur, of 36 minuten. Dus om ongeveer 12:36.
  3. 3
    Dalend gaat ze door 30 °C tussen 15 uur (30,5 °C) en 16 uur (27,5 °C): een daling van 3,0 °C, waarvan 0,5 °C nodig is: van het uur, 10 minuten. Dus om ongeveer 15:10. De kas is ongeveer 2 uur en 34 minuten te warm.
  4. 4
    (c) Om 14 uur: °C warmer. Om 2 uur: °C warmer.
  5. 5
    (d) Overdag moet de kas verlucht worden (een dakraam dat opengaat), anders lijden de planten onder de hitte. 's Nachts houdt ze bijna geen warmte vast: op een koude nacht is ze even koud als buiten. Warmte vasthouden en isoleren is het onderwerp van hoofdstuk 16.
Antwoord
(a) ongeveer 22,8 °C; (b) van ongeveer 12:36 tot 15:10; (c) 14,7 °C en 1,0 °C; (d) verluchten overdag, isoleren 's nachts.
Klopt dit? Interpoleren met een rechte tussen twee punten veronderstelt dat de temperatuur in dat uur gelijkmatig verandert. Dat is een benadering: meet je elke 10 minuten, dan worden de tijdstippen nauwkeuriger. Merk ook op dat de verticale as van de ingezoomde grafiek bij 15 °C begint: bij een lijngrafiek mag dat, als de getallen duidelijk op de as staan.
Uitleg · 4.12

Lijn, staaf, cirkel of spreiding?

12/16

Niet elke grafiek past bij elke soort data. De vraag is telkens: wat wil je tonen?

grafiekgebruik je voorvoorbeeldlet op
lijngrafiekhoe een grootheid verandert met de tijd, of met een grootheid die je zelf regelttemperatuur in de kas per uur; volume uit het pompjebij metingen van een proef een trendlijn
staafdiagramhoeveelheden van aparte groepen vergelijkenaantal leerlingen per vervoermiddel; neerslag per maandde as begint bij 0; de volgorde van de groepen mag je kiezen
cirkeldiagramtonen hoe één geheel verdeeld issamenstelling van de lucht; het afval van de schoolalleen als de delen samen 100 % zijn; niet voor meer dan zes à zeven delen
spreidingsdiagramper voorwerp of persoon twee gemeten grootheden: hangen ze samen?lengte en armspanwijdte van leerlingenpunten niet verbinden; eventueel een trendlijn

In het spreidingsdiagram is elk punt één leerling. De punten liggen niet op één lijn, maar vormen een wolk rond de lijn 'spanwijdte = lengte': je armspanwijdte is ongeveer even groot als je lengte. Een spreidingsdiagram toont dus een trend, geen vaste regel. Met zo'n wolk punten voorspellen is precies wat computers doen die 'leren uit data' (leerlijn Data en AI).

Een lijn tussen groepen betekent niets

Verbind de toppen van een staafdiagram nooit met een lijn: tussen 'fiets' en 'bus' ligt geen tussenwaarde. Een lijn suggereert een verloop dat er niet is.

024681012aantal leerlingen115431fietsbuste voetautotreinvervoermiddel
Staafdiagram: aparte groepen, de lengte van een staaf is het aantal.
140145150155160165170175180185135140145150155160165170175180185lengte (cm)armspanwijdte (cm)één leerlingspanwijdte = lengte
Spreidingsdiagram: elk punt is één leerling. De punten liggen rond de lijn 'spanwijdte = lengte'.
Uitgewerkt voorbeeld · 4.13

Van tabel naar cirkeldiagram

13/16

In klas 1B komen 24 leerlingen naar school: 11 met de fiets, 5 met de bus, 4 te voet, 3 met de auto en 1 met de trein. Teken een cirkeldiagram.

fiets45,8 %bus20,8 %te voet16,7 %auto12,5 %trein4,2 %
Start bovenaan, met de klok mee, de grootste sector eerst.
Gegeven
  • aantallen per vervoermiddel; totaal 24 leerlingen
  • een volle cirkel is 360°
Gevraagd
  • percentage en middelpuntshoek per vervoermiddel
  • het cirkeldiagram
Oplossing
  1. 1
    Bereken per groep het deel van het geheel: aantal gedeeld door 24. Maal 100 geeft het percentage, maal 360° de hoek van de sector:
    vervoermiddelaantaldeelpercentagehoek
    fiets1111/2445,8 %165°
    bus55/2420,8 %75°
    te voet44/2416,7 %60°
    auto33/2412,5 %45°
    trein11/244,2 %15°
    samen241100 %360°
  2. 2
    Een snellere weg voor de hoek: één leerling is . De fietsers krijgen dus . Werk je met percentages, dan is 1 % gelijk aan .
  3. 3
    Controleer: . Klopt de som niet, dan heb je een rekenfout of een afrondingsfout.
  4. 4
    Teken een cirkel en een straal naar boven. Zet de gradenboog op het middelpunt en teken de sectoren met de klok mee, de grootste eerst. Schrijf bij elke sector de naam en het percentage.
Antwoord
Sectoren van 165°, 75°, 60°, 45° en 15° (zie figuur).
Klopt dit? Een cirkeldiagram toont goed dat bijna de helft van de klas fietst. Maar het faalt bij heel kleine delen. Droge lucht bestaat voor 78,08 % uit stikstof, 20,95 % zuurstof, 0,93 % argon en ongeveer 0,04 % koolstofdioxide. De sector van CO₂ is dan : dunner dan een potloodstreep, terwijl net die kleine hoeveelheid de planten in de kas voedt (hoofdstuk 27).
Uitleg · 4.14

Grafieken die misleiden

14/16

Twee zaadhandelaars verkopen tomatenzaad. Van merk A kiemt 92 % van de zaadjes, van merk B 95 %. Handelaar B zet dat in een reclamegrafiek waarvan de as bij 90 % begint. Zijn staaf lijkt dan 2,5 keer zo hoog: . In werkelijkheid kiemen er per 100 zaadjes maar 3 meer. Met de as vanaf 0 % zie je dat de twee merken bijna even goed zijn.

Bij een staafdiagram moet de as bij nul beginnen, omdat je oog de lengte van de staven vergelijkt. Bij een lijngrafiek mag je wel inzoomen (zoals de kasgrafiek tussen 15 en 35 °C): daar lees je de positie van punten af, niet een lengte. Voorwaarde is dat de getallen duidelijk op de as staan. Sommigen tekenen een klein zigzagje onderaan de as om aan te geven dat er een stuk weggelaten is.

Andere trucs om op te letten:

  • een as zonder getallen of zonder eenheid: dan kan de lijn alles betekenen;
  • een ongelijke schaalverdeling: 0, 10, 20, 50, 100 op gelijke afstanden;
  • alleen het stukje data tonen dat het verhaal steunt, en de rest weglaten;
  • 3D-effecten en schuin getekende cirkels: de sectoren vooraan lijken groter dan ze zijn.
Grafieken lezen als een onderzoeker

Kijk bij elke grafiek eerst naar de assen: welke grootheid, welke eenheid, waar begint de schaal? Pas dan naar de lijnen of de staven. In Intermediate (hoofdstuk 39) leer je meer misleidende grafieken ontmaskeren, en ook waarom twee dingen die samen stijgen elkaar niet per se veroorzaken.

90919293949596gekiemd (%)9295merk Amerk B
Misleidend: de staaf van B lijkt 2,5 keer zo hoog.
020406080100gekiemd (%)9295merk Amerk B
Dezelfde getallen vanaf 0 %: de verschillen zijn klein.
Naslag · 4.15

Overzicht: tabellen, grafieken en verbanden

15/16
recht evenredig verband
symboolbetekeniseenheid
grootheid op de horizontale asbv. s
grootheid op de verticale asbv. mL
evenredigheidsconstanteeenheid van y / eenheid van x, bv. mL/s
sector van een cirkeldiagram
symboolbetekeniseenheid
middelpuntshoek van de sector°
onderdeelafspraak
tabeléén kolom per grootheid; kop: grootheid (eenheid); alleen getallen in de cellen; onafhankelijke variabele eerst, van klein naar groot; titel
assenonafhankelijke variabele horizontaal, afhankelijke verticaal; bij elke as grootheid en eenheid
schaalgrootste waarde ÷ beschikbare lengte, naar boven afronden naar 1, 2, 5 (of 2,5) × 10, 100 ...; gelijke stappen; de grafiek vult het papier
puntenklein kruisje of stip, met potlood, precies geplaatst
trendlijnvloeiende lijn of rechte tussen de punten; geen zigzag; door de oorsprong alleen als het moet
recht evenredig constant; rechte door de oorsprong; met eenheid
interpolerenaflezen tussen metingen: meestal betrouwbaar
extrapolerenvoorspellen buiten het meetbereik: alleen als het verband blijft gelden, en niet te ver
staafdiagramas altijd vanaf 0
cirkeldiagramdelen van één geheel; 1 % = 3,6°; controleer dat de hoeken samen 360° zijn
Hoe verandert iets met de tijd, of met eengrootheid die je zelf stap voor stap regelt?lijngrafiekVergelijk je hoeveelheden van apartegroepen of categorieën?staafdiagramToon je hoe één geheel verdeeld isin delen die samen 100 % zijn?cirkeldiagramMeet je twee grootheden bij elk voorwerp ofelke persoon, en zoek je een verband?spreidingsdiagram
Vier vragen, vier grafieken. Past geen enkele vraag, dan is een tabel misschien de beste keuze.
Het geheel · 4.16

Waar grafieken naartoe leiden

16/16

Dit hoofdstuk is het begin van twee leerlijnen. In Wiskundig modelleren is het recht evenredig verband de eerste formule die een verschijnsel beschrijft: , met een constante die een betekenis heeft. In Intermediate komen daar rechten die niet door de oorsprong gaan, krommen en exponentiële groei bij; in Expert wordt de steilheid van een grafiek de afgeleide. In Data en AI is een trendlijn door een wolk punten het eenvoudigste voorspellende model: wie later een computer leert voorspellen, doet in wezen hetzelfde, met veel meer data en dezelfde valkuil van het extrapoleren.

Onafhankelijke en afhankelijke variabele: welke grootheid op welke as komt.

Grootheid en eenheid in de kop, omzetten naar één eenheid, zinvol afronden.

Waarom kokend water op 100 °C blijft: de faseovergang achter de 'knik' in de opwarmgrafiek.

Massa is recht evenredig met volume; de constante is de dichtheid.

De (s,t)-grafiek: hoe steiler de rechte, hoe groter de snelheid.

De wet van Ohm als recht evenredig verband: de constante is de weerstand.

Sensoren die elke minuut meten: hun data lees je als grafiek.

Lineaire verbanden met snijpunt, de best passende rechte, rekenblad en lineariseren.

Misleidende grafieken ontmaskeren, correlatie tegenover oorzaak, en een eerste voorspellend model.

De best passende lijn berekenen met de kleinste kwadraten, en voorspellen met een model.

HabitatDe meetkas meet voortdurend: temperatuur, licht, bodemvocht. Die metingen worden pas bruikbaar als grafiek. In opdracht 4.13 teken je een dag temperatuur in de kas en beslis je wanneer het dakraam open moet. Noteer ook de evenredigheidsconstante van het pompje (8,0 mL/s) in je portfolio: in hoofdstuk 25 bepaalt ze hoe lang de pomp aan moet.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

resultatentabel
Een tabel waarin je metingen ordent: één kolom per grootheid, met grootheid en eenheid in de kop en alleen getallen in de cellen.
grafiek
Een tekening van hoe een grootheid samenhangt met een andere, met twee assen die elk een grootheid, een eenheid en een schaalverdeling hebben.
schaal van een as
Hoeveel eenheden van een grootheid met één hokje of één centimeter op het papier overeenkomen, bv. 20 mL per cm.
trendlijn
Een vloeiende lijn (vaak een rechte) die het verloop van meetpunten zo goed mogelijk volgt, met ongeveer evenveel punten erboven als eronder.
oorsprong
Het punt waar beide assen nul zijn: (0, 0).
recht evenredig
Twee grootheden zijn recht evenredig als hun verhouding constant is: wordt de ene 2 of 3 keer zo groot, dan ook de andere. De grafiek is een rechte door de oorsprong.
evenredigheidsconstante
Het vaste getal in bij een recht evenredig verband; , met als eenheid de eenheid van gedeeld door die van .
interpoleren
Een waarde aflezen of berekenen tussen twee metingen in, dus binnen het meetbereik.
extrapoleren
Een waarde voorspellen buiten het meetbereik, door het verband voorbij de laatste meting door te trekken.
meetbereik
Het gebied tussen de kleinste en de grootste waarde die je gemeten hebt.
lijngrafiek
Een grafiek met punten die met een lijn verbonden zijn of een trendlijn krijgen; toont hoe iets verandert.
staafdiagram
Een grafiek met staven waarvan de lengte een hoeveelheid voorstelt; om aparte groepen te vergelijken.
cirkeldiagram
Een cirkel verdeeld in sectoren die samen het geheel (100 %) vormen; elke procent is 3,6°.
spreidingsdiagram
Een grafiek met losse punten, één per voorwerp of persoon, om te zien of twee gemeten grootheden samenhangen.
Aan de slag in het werkboek16 opdrachten, van oefenen tot uitdagen