Handboek · hoofdstuk 2Onderzoeken: van vraag tot besluit
Hoe je een eerlijke proef opzet, en waarom één meting nooit genoeg is
Wetenschappers raden niet: ze stellen een vraag, voorspellen wat er zal gebeuren, meten zorgvuldig en kijken of hun voorspelling klopt. In dit hoofdstuk leer je die onderzoekscyclus gebruiken: een goede vraag stellen, een eerlijke proef opzetten met één veranderende variabele, herhalen en het gemiddelde nemen, waarneming en interpretatie uit elkaar houden, en alles opschrijven in een kort onderzoeksverslag.

- Je kan de vijf stappen van de onderzoekscyclus noemen en uitleggen wat je in elke stap doet.
- Je kan een vage vraag omvormen tot een onderzoeksvraag met een meetbaar antwoord, en een hypothese formuleren als 'als ... dan ..., omdat ...'.
- Je kan in een proef de onafhankelijke, de afhankelijke en de gecontroleerde variabelen aanduiden.
- Je kan beoordelen of een proef eerlijk is, en een oneerlijke proef verbeteren.
- Je kan uitleggen waarom je metingen herhaalt, het gemiddelde en het bereik berekenen, en zorgvuldig omgaan met een uitschieter.
- Je kan een waarneming onderscheiden van een interpretatie.
- Je kan een kort onderzoeksverslag opbouwen: vraag, hypothese, materiaal, werkwijze, resultaten, besluit, bespreking.
Een wilg, vijf jaar geduld en één grote vergissing
Waar haalt een boom zijn massa vandaan? In de eerste helft van de zeventiende eeuw wilde de Brusselse arts en scheikundige Jan Baptist van Helmont dat precies weten. De meeste mensen dachten toen dat een plant zich voedt met aarde. Van Helmont besloot het te meten.
Hij droogde 200 pond aarde in een oven, woog ze en deed ze in een grote pot. Daarin plantte hij een jonge wilg van 5 pond. (Een pond was toen ongeveer een halve kilogram.) Hij gaf de boom alleen regenwater of gedestilleerd water, en dekte de pot af met een geperforeerde, vertinde ijzeren plaat, zodat er geen stof of vuil in kon vallen. Zo wachtte hij vijf jaar.
Toen woog de wilg ongeveer 169 pond. De afgevallen bladeren van vier herfsten had hij niet eens meegeteld. Hij droogde de aarde opnieuw en woog ze: nog steeds 200 pond, op ongeveer 2 ounces na (zowat 57 gram). Zijn besluit: de boom was ruim 164 pond zwaarder geworden door water alleen.
Van Helmonts proef was voor zijn tijd heel zorgvuldig. Hij maakte een duidelijke vraag meetbaar, hij hield bewust dingen gelijk (de afgedekte pot, alleen zuiver water) en hij woog voor en na. Zijn metingen waren juist. Maar zijn besluit klopte niet: hij had aan één input niet gedacht, de lucht. Vandaag weten we dat het grootste deel van de droge massa van een boom uit koolstofdioxide uit de lucht komt, dat de plant met licht en water omzet in suikers (fotosynthese, hoofdstuk 27).
Dit hoofdstuk gaat over precies wat Van Helmont goed deed (een vraag meetbaar maken, eerlijk vergelijken, zorgvuldig meten) en over de valkuil die hem te pakken kreeg: een juiste waarneming verwarren met de enige mogelijke interpretatie. En zijn vraag is ook de vraag van de meetkas: wat heeft een plant nodig om te groeien?

De onderzoekscyclus
Elk wetenschappelijk onderzoek, van een schoolproef tot een klimaatstudie, volgt dezelfde vijf stappen. We volgen ze met een voorbeeld: tuinkers in de meetkas.
- Vraag. Wat wil je te weten komen? Hoe hangt de lengte van tuinkers na 7 dagen af van het aantal uren licht per dag?
- Hypothese. Wat verwacht je, en waarom? Als tuinkers meer uren licht krijgt, dan wordt ze langer, omdat een plant licht gebruikt om voedsel te maken.
- Proef. Plan hoe je het test (wat verander je, wat meet je, wat hou je gelijk) en voer het uit: drie groepen bakjes krijgen 4, 8 of 12 uur licht per dag.
- Waarneming. Meet en noteer zorgvuldig, in een tabel met eenheden: de lengte van de plantjes in millimeter, na 7 dagen.
- Besluit. Beantwoord je vraag met je metingen. Klopt je hypothese? Dan is ze bevestigd. Klopt ze niet? Dan is ze weerlegd, en ook dat is een resultaat.
Het besluit roept bijna altijd een nieuwe vraag op (en wat als het licht rood is in plaats van wit?). Daarom is het een cyclus: onderzoek is nooit echt af.
Een goede onderzoeksvraag is:
- meetbaar: het antwoord is een getal of een waarneming die iedereen kan controleren;
- afgebakend: over één verband, liefst in de vorm 'Hoe hangt ... af van ...?';
- haalbaar: met het materiaal en de tijd die je hebt, en veilig;
- echt: je kan het antwoord niet gewoon opzoeken, of je wil controleren of wat je leest klopt.
Een hypothese is een verwachting met een reden. Ze moet toetsbaar zijn, niet juist. Een weerlegde hypothese is geen mislukte proef: je hebt iets geleerd dat je daarvoor niet wist. Pas wel op dat je je hypothese niet achteraf aanpast aan je resultaten.
Van een vage vraag naar een toetsbare hypothese
Een klasgenoot vraagt zich af: Houden planten van muziek? Maak er een onderzoeksvraag en een toetsbare hypothese van.
- de vage vraag 'Houden planten van muziek?'
- tuinkers, bakjes, een luidsprekertje, 10 dagen tijd
- een meetbare onderzoeksvraag
- een hypothese in de vorm 'als ..., dan ..., omdat ...'
- 1Maak 'houden van' meetbaar. Een plant kan niet zeggen wat ze leuk vindt. Wat je wel kan meten: hoe goed ze groeit. Kies één afhankelijke variabele: de lengte in millimeter na 10 dagen.
- 2Maak 'muziek' concreet. Kies wat je verandert: het aantal uren muziek per dag (0, 2 en 4 uur), telkens hetzelfde nummer op hetzelfde volume.
- 3Schrijf de onderzoeksvraag. Hoe hangt de lengte van tuinkers na 10 dagen af van het aantal uren muziek per dag?
- 4Formuleer een hypothese met een reden. Bijvoorbeeld: Als tuinkers meer uren muziek krijgt, dan wordt ze niet langer dan zonder muziek, omdat planten geen oren hebben om geluid waar te nemen. De omgekeerde verwachting mag ook, zolang je een reden geeft.
- 5Controleer. Meetbaar: ja, met een lat. Afgebakend: één verband. Haalbaar: 10 dagen, vensterbank, luidsprekertje. Veilig: ja.
Variabelen: veranderen, meten, gelijk houden
Een variabele is alles wat in een proef kan veranderen: de hoeveelheid licht, de temperatuur, de lengte van een plant. Bij elke proef onderscheid je drie soorten:
- De onafhankelijke variabele kies en verander jij: het aantal uren licht per dag.
- De afhankelijke variabele meet je: de lengte na 7 dagen. Ze hangt (misschien) af van de onafhankelijke variabele; dat wil je net ontdekken.
- De gecontroleerde variabelen hou je bewust gelijk: dezelfde soort zaad, dezelfde potgrond, evenveel water, dezelfde temperatuur, hetzelfde aantal dagen.
Een handig ezelsbruggetje: één ding verander ik, één ding meet ik, al de rest hou ik gelijk.
De onderzoeksvraag verraadt meestal al welke variabele welke is: in Hoe hangt de lengte af van het aantal uren licht? staat de afhankelijke variabele eerst en de onafhankelijke na 'af van'. In een grafiek zet je de onafhankelijke variabele op de horizontale as en de afhankelijke op de verticale as (hoofdstuk 4).
Noteer vóór je begint welke variabelen je gelijk houdt, en hoe. 'Evenveel water' wordt dan '20 mL per bakje, elke ochtend om 8 uur, met dezelfde maatspuit'. Wat je niet opschrijft, vergeet je halverwege.
De eerlijke proef
Een proef is eerlijk als je maar één variabele verandert en al de rest gelijk houdt. Alleen dan weet je zeker dat een verschil in het resultaat door die ene variabele komt.
In de linkse opstelling hieronder wil een leerling weten of een meststof tuinkers sneller doet groeien. Bakje A krijgt meststof en staat bij het raam; bakje B krijgt geen meststof en staat achteraan in het lokaal. Groeit A sneller, dan weet je niet of dat door de meststof komt of door het extra licht en de warmte bij het raam. Twee variabelen tegelijk veranderen: het resultaat zegt niets.
In de rechtse opstelling staan beide bakjes naast elkaar voor hetzelfde raam. Ze krijgen evenveel water; het enige verschil is de meststof in het water van A. Bakje B is de controlegroep: de vergelijkingsgroep die de meststof niet krijgt.
Voor een eerlijke proef let je ook op hoe je meet: met hetzelfde instrument, op hetzelfde moment, bij alle bakjes op dezelfde manier (bijvoorbeeld tien willekeurige plantjes per bakje, niet alleen het grootste). En je gebruikt meer dan één bakje per groep: planten verschillen van nature.
Het lijkt handig: meer licht, meer water én meststof tegelijk, en kijken of de plant beter groeit. Maar als dat zo is, weet je niet welke van de drie het deed, en of ze elkaar misschien tegenwerken. Drie vragen vragen drie eerlijke proeven.
Is deze proef eerlijk?
Lotte wil weten of meststof tuinkers sneller doet groeien. Bakje A krijgt water met meststof en staat op de vensterbank. Bakje B krijgt kraantjeswater en staat op een tafel achteraan. A krijgt elke dag 20 mL, B 'als ik eraan denk'. Na 5 dagen meet ze in elk bakje het langste plantje: A 38 mm, B 25 mm. Haar besluit: 'Meststof werkt.' Beoordeel de proef en verbeter ze.
- onafhankelijke variabele: meststof of niet
- afhankelijke variabele: lengte van een plantje (mm)
- resultaat: A 38 mm, B 25 mm (één plantje per bakje)
- is de proef eerlijk?
- welke variabelen zijn niet gecontroleerd?
- een verbeterd plan
- 1Zoek de onafhankelijke variabele. Meststof: ja of nee. Dat is het enige wat mocht verschillen.
- 2Zoek wat nog meer verschilt. De plaats (licht en temperatuur zijn bij het raam anders dan achteraan), de hoeveelheid water (elke dag 20 mL tegenover soms), en de manier van meten (alleen het langste plantje, dat toevallig kan uitschieten).
- 3Oordeel. De proef is niet eerlijk: drie variabelen verschillen tegelijk. Het verschil van 13 mm kan evengoed door het licht of het water komen.
- 4Verbeter. Beide groepen naast elkaar op de vensterbank (en elke dag van plaats wisselen, zodat geen enkel bakje altijd het meeste licht krijgt); elke ochtend 20 mL per bakje, voor A met opgeloste meststof en voor B zuiver water; drie bakjes per groep; na 5 dagen tien willekeurige plantjes per bakje meten en het gemiddelde nemen.
De papieren helikopter
Hoe hangt de valtijd van een papieren helikopter af van de lengte van zijn vleugels?
- papier (80 g/m²), schaar, lat, potlood
- paperclips (één per helikopter)
- meetlint
- stopwatch
- 1Maak vier helikopters volgens de bouwplaat, met vleugellengte = 6, 8, 10 en 12 cm. Al de rest is gelijk: breedte 5 cm, romp, één paperclip.
- 2Hou een helikopter met de vleugels open zo dat de onderkant van de romp 2,00 m boven de grond is. Laat los zonder te duwen.
- 3Start de stopwatch bij het loslaten en stop bij het neerkomen. Laat telkens dezelfde leerling loslaten en dezelfde leerling meten.
- 4Doe vijf worpen per helikopter, in een lokaal zonder tocht (ramen en deur dicht).
- 5Noteer alle tijden in een tabel en bereken per helikopter het gemiddelde.
Zo zag het resultaat van één groep eruit (tijden in seconden):
| (cm) | worp 1 | worp 2 | worp 3 | worp 4 | worp 5 | gemiddelde (s) | bereik (s) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 6 | 1,31 | 1,38 | 1,29 | 1,35 | 1,33 | 1,33 | 0,09 |
| 8 | 1,55 | 1,62 | 1,58 | 1,51 | 1,60 | 1,57 | 0,11 |
| 10 | 1,82 | 1,74 | 1,79 | 1,85 | 1,77 | 1,79 | 0,11 |
| 12 | 1,97 | 2,04 | 1,93 | 2,01 | 1,98 | 1,99 | 0,11 |
De helikopters draaien tijdens de val. Hoe langer de vleugels, hoe trager ze vallen. De vijf worpen met dezelfde helikopter geven telkens iets andere tijden.
Langere vleugels hebben een grotere oppervlakte: ze botsen tegen meer lucht en worden dus meer afgeremd. Daardoor duurt de val langer. Het verband is niet evenredig: twee keer zo lange vleugels (6 cm naar 12 cm) geven een valtijd die ongeveer 1,5 keer zo lang is (1,33 s naar 1,99 s).
De worpen verschillen van elkaar door toevallige afwijkingen: je reactietijd bij het starten en stoppen van de stopwatch, een kleine duw bij het loslaten, een zuchtje lucht. Daarom meet je vijf keer en neem je het gemiddelde (volgend blad).
Waarom één meting niets bewijst
Kijk naar de worpen van de helikopter: met exact dezelfde helikopter meet je 1,51 s, dan 1,62 s. Elke meting heeft een kleine, toevallige afwijking. Wie maar één keer meet, weet niet of hij een 'gewone' of een 'toevallig hoge' meting heeft. Stel dat je bij 6 cm alleen 1,38 s en bij 8 cm alleen 1,51 s had gemeten: dan leek het verschil 0,13 s. Met 1,29 s en 1,62 s leek het 0,33 s. Eén meting geeft dus een toevallig antwoord.
Daarom herhaal je elke meting, minstens drie keer en liefst vijf keer of meer, en reken je het gemiddelde uit:
Hoe sterk de metingen verschillen, zie je aan het bereik: de grootste min de kleinste meting. Bij is dat . Is het verschil tussen twee groepen veel groter dan het bereik binnen een groep, dan is het verschil waarschijnlijk echt. Is het kleiner, wees dan voorzichtig met je besluit.
Bij levende dingen is herhalen nog belangrijker: geen twee plantjes zijn gelijk. Daarom meet je in een groeiproef niet één plant per groep, maar liefst tien of meer.
Een resultaat telt pas echt als andere onderzoekers het met hun eigen proef kunnen herhalen. Daarom beschrijf je je werkwijze zo precies dat iemand anders ze kan overdoen.
Het gemiddelde, en wat met een uitschieter?
(a) Bereken het gemiddelde en het bereik van de vijf worpen met : 1,55; 1,62; 1,58; 1,51; 1,60 s.
(b) Een andere groep meet met zes keer: 1,82; 1,74; 1,79; 2,31; 1,85; 1,77 s. Bij de vierde worp drukte de leerling de stopwatch pas af toen de helikopter al lag. Welk gemiddelde noteer je?
- (a) 5 worpen bij
- (b) 6 worpen bij , waarvan worp 4 met een gekende fout
- (a) gemiddelde en bereik
- (b) een verantwoord gemiddelde
- 1(a) Som: .
- 2Gemiddelde: . De metingen hebben twee decimalen, dus: .
- 3Bereik: grootste min kleinste .
- 4(b) Worp 4 (2,31 s) ligt ver van de andere vijf, die tussen 1,74 en 1,85 s liggen: een uitschieter. Met alle zes: . Zonder worp 4: .
- 5Mag worp 4 eruit? Ja, omdat je een gekende reden hebt: de stopwatch werd te laat gestopt. Schrap hem niet ongemerkt: vermeld in je verslag dat je hem weggelaten hebt en waarom. Een afwijkende meting zonder gekende fout laat je staan, en je meet liever een paar keer extra.
Zien of denken: waarneming en interpretatie
Een waarneming is wat je vaststelt met je zintuigen of een meetinstrument, zonder uitleg: de bladeren van plant B zijn geel. Een interpretatie is wat je denkt dat die waarneming betekent: plant B krijgt te weinig voeding. Het eerste kan iedereen controleren, het tweede is een verklaring die fout kan zijn.
| waarneming | mogelijke interpretatie |
|---|---|
| De bladeren van plant B zijn geel. | Plant B krijgt te weinig voeding. (Of te veel water? Of te weinig licht?) |
| 's Ochtends hangen er druppels aan de binnenkant van de kas. | Het water komt uit de lucht in de kas, die 's nachts afkoelt. |
| De helikopter met 12 cm-vleugels valt gemiddeld 0,66 s trager dan die met 6 cm. | Langere vleugels remmen meer af. |
| De grond in Van Helmonts pot verloor maar 57 gram. | De massa van de boom komt uit het water. (Fout: ook uit de lucht.) |
In een onderzoeksverslag hou je ze gescheiden: bij de resultaten staan alleen waarnemingen (tabellen, grafieken, wat je zag), in het besluit en de bespreking je interpretatie. Zo kan een lezer je metingen controleren en er eventueel een andere verklaring voor vinden, zoals latere onderzoekers deden met Van Helmonts wilg.
Ook je waarneming zelf kan je bedriegen. Kijk naar de figuur: de onderste lijn lijkt langer. Meet beide lijnen met een lat: ze zijn even lang. Daarom vertrouwen onderzoekers liever op een meetinstrument dan op hun indruk (hoofdstuk 3).
Woorden als omdat, doordat, daarom, waarschijnlijk, dus wijzen meestal op een interpretatie. Een zuivere waarneming kan je aanwijzen, tellen of meten.
Een kort onderzoeksverslag
Schrijf een kort verslag van de proef met de papieren helikopter. Gebruik de metingen uit het proefblad.
- de metingen: vijf worpen voor elke vleugellengte (6, 8, 10 en 12 cm)
- een verslag met de vaste onderdelen
- 1Titel en onderzoeksvraag. Hoe hangt de valtijd van een papieren helikopter af van de vleugellengte?
- 2Hypothese. Als de vleugels langer zijn, dan valt de helikopter trager (langere valtijd), omdat grotere vleugels meer lucht tegenhouden.
- 3Materiaal. Papier 80 g/m², schaar, lat, vier paperclips, meetlint, stopwatch.
- 4Werkwijze. Vier helikopters met = 6, 8, 10 en 12 cm, verder identiek (breedte 5 cm, één paperclip). Loslaten vanaf 2,00 m (onderkant van de romp), zonder duwen, ramen en deur dicht. Dezelfde leerling laat los en meet. Vijf worpen per helikopter.
- 5Resultaten (waarnemingen). De tabel met alle worpen, gemiddelden en bereik, en de grafiek met de gemiddelde valtijd tegenover de vleugellengte. De valtijd stijgt van 1,33 s (6 cm) tot 1,99 s (12 cm). Het bereik per helikopter is 0,09 tot 0,11 s.
- 6Besluit (antwoord op de vraag). Hoe langer de vleugels, hoe langer de valtijd. De hypothese is bevestigd. Twee keer zo lange vleugels geven geen twee keer zo lange valtijd, maar ongeveer 1,5 keer.
- 7Bespreking. De worpen verschillen tot 0,11 s, vooral door de reactietijd bij de stopwatch. Verbeteren: van grotere hoogte laten vallen, de val filmen en de beelden tellen, meer worpen. Nieuwe vraag: hangt de valtijd ook af van de breedte van de vleugels?
Overzicht: van vraag tot verslag
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| gemiddelde (spreek uit: x-streep) | zelfde eenheid als de metingen | |
| de afzonderlijke metingen | ||
| aantal metingen |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| grootste meting | ||
| kleinste meting |
| stap | vraag die je jezelf stelt | let op |
|---|---|---|
| vraag | Wat wil ik weten? | meetbaar, één verband: 'Hoe hangt ... af van ...?' |
| hypothese | Wat verwacht ik, en waarom? | 'als ..., dan ..., omdat ...'; ze mag fout zijn |
| proef | Wat verander ik, wat meet ik, wat hou ik gelijk? | één variabele veranderen; herhalen; controlegroep |
| waarneming | Wat meet en zie ik? | tabel met grootheid en eenheid; niets weglaten zonder reden |
| besluit | Wat is het antwoord op mijn vraag? Klopt de hypothese? | alleen besluiten wat de metingen tonen |
| checklist eerlijke proef |
|---|
| Ik verander maar één variabele. |
| Ik heb opgeschreven welke variabelen ik gelijk hou, en hoe. |
| Er is een vergelijkingsgroep (controlegroep) als dat zinvol is. |
| Ik meet elke situatie minstens drie keer, of met meerdere planten of voorwerpen. |
| Ik meet overal op dezelfde manier, met hetzelfde instrument. |
| onderdeel van het verslag | wat erin staat |
|---|---|
| titel en onderzoeksvraag | de vraag, zo precies mogelijk |
| hypothese | verwachting met reden |
| materiaal | alles wat je gebruikte, met hoeveelheden |
| werkwijze | stappen, zo dat iemand anders ze kan overdoen; ook wat je gelijk hield |
| resultaten | tabel en grafiek, met eenheden; alleen waarnemingen |
| besluit | antwoord op de vraag; hypothese bevestigd of weerlegd |
| bespreking | hoe betrouwbaar? wat kon beter? welke nieuwe vraag? |
Waar onderzoeken naartoe leidt
Onderzoeken is de ruggengraat van de leerlijn Onderzoeken en meten, en je gebruikt het in elk hoofdstuk met een proef. In het volgende hoofdstuk leer je meten met de juiste eenheden en instrumenten, daarna zet je je metingen in tabellen en grafieken. In Intermediate wordt 'herhalen en gemiddelde nemen' een echte foutenleer met standaardafwijking, en in Expert beslis je met statistiek of een verschil echt is of toeval.
Wetenschappelijke vraag tegenover technisch probleem: hier werk je de onderzoekscyclus uit.
Een waarneming is pas bruikbaar met een getal én een eenheid, gemeten met het juiste instrument.
Je metingen ordenen in een tabel en een grafiek, en een verband herkennen.
De groeiproef met één variabele, en het antwoord op Van Helmonts vraag.
In het integratieproject voer je de groeiproef in de meetkas echt uit en rapporteer je ze.
Toevallige en systematische fouten, standaardafwijking en uitschieters met een regel.
Controlegroep, steekproefgrootte, blind meten en het wetenschappelijk verslag.
Met een t-toets bepalen of een verschil tussen twee groepen echt is.
In het kort
- De onderzoekscyclus: vraag, hypothese, proef, waarneming, besluit; het besluit leidt tot een nieuwe vraag.
- Een goede onderzoeksvraag is meetbaar, afgebakend en haalbaar. Een hypothese is een verwachting met een reden en mag fout blijken.
- Je verandert één variabele (onafhankelijk), meet één variabele (afhankelijk) en houdt al de rest gelijk (gecontroleerd).
- Een proef is pas eerlijk als alleen de onderzochte variabele verschilt; een controlegroep dient als vergelijking.
- Eén meting bewijst niets: herhaal, neem het gemiddelde en kijk naar het bereik. Laat een uitschieter alleen weg met een gekende reden, en vermeld het.
- Een waarneming stel je vast; een interpretatie is je verklaring. Hou ze gescheiden in je verslag.
- Een verslag: titel en vraag, hypothese, materiaal, werkwijze, resultaten, besluit, bespreking.
Wat je nu kent
- onderzoekscyclus
- De vaste volgorde van wetenschappelijk onderzoek: vraag, hypothese, proef, waarneming, besluit; het besluit leidt vaak tot een nieuwe vraag.
- onderzoeksvraag
- Een vraag waarop je met metingen een antwoord kan vinden, meestal van de vorm 'Hoe hangt ... af van ...?'.
- hypothese
- Een voorspelling met een reden, die je met een proef kan toetsen: 'als ..., dan ..., omdat ...'.
- onafhankelijke variabele
- De grootheid die je in een proef zelf kiest en verandert.
- afhankelijke variabele
- De grootheid die je meet om te zien of ze verandert; ze hangt (misschien) af van de onafhankelijke variabele.
- gecontroleerde variabele
- Een grootheid die je bewust gelijk houdt, zodat ze het resultaat niet beïnvloedt.
- eerlijke proef
- Een proef waarin je maar één variabele verandert en al de rest gelijk houdt.
- controlegroep
- Een vergelijkingsgroep waarbij je de onderzochte factor niet toepast, bijvoorbeeld planten zonder meststof.
- gemiddelde
- De som van alle metingen gedeeld door het aantal metingen.
- bereik
- Het verschil tussen de grootste en de kleinste meting; een eenvoudige maat voor hoe sterk metingen verschillen.
- uitschieter
- Een meting die duidelijk afwijkt van de andere, vaak door een fout bij het meten.
- waarneming
- Wat je met je zintuigen of een meetinstrument vaststelt, zonder uitleg.
- interpretatie
- Wat je denkt dat een waarneming betekent: een verklaring of een oorzaak.