Handboek · hoofdstuk 5Groei en verval: exponentiële modellen
Vermenigvuldigen in plaats van optellen: van bacteriën en algen tot afkoelende thee en vervallende kernen
Sommige dingen groeien niet met een vaste hoeveelheid per stap, maar met een vaste factor: bacteriën, algen, het aantal transistoren op een chip. Andere dalen zo: de temperatuur van thee boven die van de kamer, de spanning over een condensator, het aantal radioactieve kernen. In dit hoofdstuk leer je rekenen met groeifactoren en procenten, verdubbelings- en halveringstijden afleiden met logaritmen, en een logaritmische schaal lezen. En je ontdekt waarom exponentiële groei onze intuïtie zo vaak te snel af is.

- Je kan een groeifactor omzetten in een procentuele groei of afname en omgekeerd, ook naar een andere tijdseenheid.
- Je kan een exponentieel model N = N0 · g^t opstellen uit een beschrijving of uit twee metingen, en het herkennen aan constante verhoudingen.
- Je kan met logaritmen een exponent terugrekenen en de formule voor de verdubbelingstijd t2 = log 2 / log g afleiden en gebruiken.
- Je kan bacteriegroei, afkoeling, het ontladen van een condensator en radioactief verval met een exponentieel model beschrijven, met de juiste beginwaarde en eindwaarde.
- Je kan uitleggen waarom exponentiële groei lineaire groei altijd inhaalt en waarom ze in het begin misleidt.
- Je kan waarden aflezen op een logaritmische schaal en er een groeifactor en een verdubbelingstijd uit bepalen.
- Je kan het geldigheidsgebied van een exponentieel model benoemen: waar groei begrensd wordt en waar de aannames niet meer gelden.
Wat je al weet, en wat nu komt
Je rekent al lang met procenten: 20 % korting, 6 % btw, 3 % meer leerlingen dan vorig jaar. In hoofdstuk 4 leerde je een model kiezen: constante eerste verschillen wijzen op een lineaire functie, constante tweede verschillen op een kwadratische. En er bleef een meetreeks over, de bacteriën, waarin niet de verschillen maar de verhoudingen constant waren: 100, 160, 256, 410, 655, telkens × 1,60.
Dat is het kenmerk van dit hoofdstuk. Een lineaire functie telt per stap hetzelfde getal op, een exponentiële functie vermenigvuldigt met hetzelfde getal. In de grafiek lijkt dat onschuldig: een groei van 5 % per stap blijft 48 stappen lang achter bij een vaste groei van 20 per stap. Daarna is het voorbij. Je leert in dit hoofdstuk
- rekenen met de groeifactor en met procenten, ook als de tijdseenheid verandert;
- de verdubbelingstijd en de halveringstijd, en hoe je ze afleidt met logaritmen;
- vier toepassingen: bacteriën, afkoelen, een condensator die ontlaadt, radioactief verval;
- een logaritmische schaal lezen, waarop een exponentiële functie een rechte wordt.
; voor elke ; ; ; ; . Die laatste regel gebruik je om een groeifactor per dag om te rekenen naar een groeifactor per uur.
Een schaakbord vol rijst
Een oude legende, uit India of Perzië, vertelt over de uitvinder van het schaakspel. De koning is zo opgetogen over het spel dat de uitvinder zelf zijn beloning mag kiezen. Zijn vraag lijkt bescheiden: één rijstkorrel op het eerste veld van het schaakbord, twee op het tweede, vier op het derde, en zo telkens het dubbele, tot en met het 64ste veld. De koning lacht en laat een zak rijst brengen.
Reken mee, met 25 mg per korrel:
| veld | korrels op dat veld | massa (bij 25 mg per korrel) |
|---|---|---|
| 1 | 1 | 25 mg |
| 10 | 13 g, een klein handje | |
| 20 | 13 kg, een zak | |
| 32 | 54 ton, twee vrachtwagens | |
| 40 | 14 000 ton, een vrachtschip | |
| 64 | 230 miljard ton | |
| samen | 460 miljard ton |
De eerste helft van het bord, tot veld 32, vraagt samen ongeveer 107 ton: veel, maar een koning kan dat betalen. De tweede helft is een ander verhaal. Alles samen is het ongeveer 460 miljard ton rijst. De hele wereld oogst vandaag ongeveer 520 miljoen ton (gepelde) rijst per jaar: het schaakbord vraagt bijna 900 jaar wereldoogst.
Het verhaal is verzonnen, de rekening niet. Elke grootheid die met een vaste factor groeit, gedraagt zich zo: lang onschuldig, dan onbetaalbaar. Het omgekeerde geldt ook: een grootheid die per stap halveert, is na 64 stappen nog maar van het begin.
Op veld 64 liggen meer korrels dan op alle 63 vorige velden samen ( tegenover ). Bij verdubbeling is de laatste stap altijd groter dan de hele geschiedenis ervoor. Dat is de reden waarom exponentiële problemen, van algen tot epidemieën, pas opvallen als het bijna te laat is.

Groeifactor en procentuele groei
Groeit een grootheid per tijdstap met procent, dan wordt ze per stap vermenigvuldigd met de groeifactor . Na stappen:
| verandering per stap | groeifactor |
|---|---|
| +3 % | 1,03 |
| +100 % (verdubbelen) | 2 |
| −20 % | 0,80 |
| −50 % (halveren) | 0,5 |
| +700 % (acht keer zoveel) | 8 |
Andere tijdseenheid. Is de groeifactor per uur , dan is hij per dag . Omgekeerd: . Groeit iets met 10 % per dag, dan is de groeifactor per week : bijna het dubbele, dus +95 %, niet +70 %.
+10 % per dag is niet +70 % per week, want elke dag rekent de 10 % op een groter getal. En eerst +20 % en dan −20 % brengt je niet terug bij het begin: , dus 4 % minder. Werk altijd met groeifactoren: die vermenigvuldig je.
Herkennen doe je aan de verhoudingen: bij gelijke stappen in is constant (en gelijk aan ). In een grafiek: een kromme die steeds steiler wordt (groei) of steeds trager daalt en nooit nul wordt (afname).
Bacteriën in een voedingsbodem
Bij 37 °C, in een rijke voedingsbodem, verdubbelt de darmbacterie E. coli ongeveer elke 20 minuten. Een buisje bevat bij de start 1000 bacteriën per mL. Stel het model op met in uren. Hoeveel bacteriën zijn er na 3 uur en na 8 uur? Wat is de procentuele groei per uur en per minuut?
- per mL
- verdubbelingstijd
- , ,
- groei per uur en per minuut in procent
- 1In één uur verdubbelt de populatie drie keer: per uur. Model: (per mL, in uren).
- 2per mL.
- 3per mL.
- 4Per uur: , dus . Per minuut: , dus 3,5 % per minuut. (Controle: .)
Verdubbelingstijd en halveringstijd
Vaak is het handiger om een exponentieel model te beschrijven met de tijd die nodig is om te verdubbelen of te halveren, in plaats van met een groeifactor.
Het mooie: de verdubbelingstijd hangt niet af van de beginwaarde. Van 1000 naar 2000 duurt even lang als van een miljoen naar twee miljoen. Dat is precies wat 'exponentieel' betekent: in gelijke tijden, gelijke factoren.
De vuistregel van 70. Bij een kleine procentuele groei per tijdstap is de verdubbelingstijd ongeveer tijdstappen. Bij 2 % per jaar: 35 jaar; bij 7 % per jaar: 10 jaar. De regel is een benadering; bij 20 % geeft hij 3,5 in plaats van 3,8. Waar hij vandaan komt, zie je in het voorbeeld 'Hoe lang tot het verdubbelt?'.
Na twee halveringstijden is niet alles weg, maar nog een kwart. Een exponentieel dalende grootheid wordt nooit precies nul. In de praktijk zeg je: na ongeveer tien halveringstijden is er nog 0,1 % over, en dat is vaak verwaarloosbaar.
Logaritmen: de exponent terugvinden
Hoe lang duurt het tot een grootheid met 3 % per jaar verdubbelt? Je zoekt in . De onbekende staat in de exponent. Om ze eruit te halen, heb je de logaritme nodig, de omgekeerde bewerking van een macht:
Twee rekenregels zijn genoeg voor dit hoofdstuk:
De eerste regel maakt van vermenigvuldigen optellen: dat is het principe van de rekenlat, tot in de jaren 1970 het rekentoestel van elke ingenieur (figuur). De tweede regel haalt de exponent naar beneden. Daarmee los je elke exponentiële vergelijking op:
Voor : jaar.
Je rekenmachine heeft ook een ln-toets: de natuurlijke logaritme, met als grondtal het getal (dat verschijnt bij de condensator). Voor maakt het niet uit welke je gebruikt, zolang je in teller en noemer dezelfde neemt: geeft ook 23,4.
Hoe lang tot het verdubbelt? De formule afgeleid
Leid een formule af voor de verdubbelingstijd en de halveringstijd bij een groeifactor . Pas ze toe op drie gevallen: (a) een waterverbruik dat groeit met 3 % per jaar; (b) de 'wet van Moore', een verdubbeling om de twee jaar: welke groeifactor per jaar is dat? (c) het radioactieve jodium-131, met een halveringstijd van 8,02 dagen: met hoeveel procent daalt het per dag?
- (a) per jaar; (b) jaar; (c) dagen
- en
- (a) ; (b) per jaar; (c) per dag
- 1Verdubbeld betekent : , dus .
- 2Neem de logaritme van beide kanten: , dus en . Op dezelfde manier: (positief, want bij afname is ).
- 3(a) jaar. De vuistregel gaf .
- 4(b) Omgekeerd: geeft per jaar: +41 % per jaar.
- 5(c) per dag: een daling van 8,3 % per dag.
Afkoelen: het verschil valt exponentieel
Een kop thee van 90 °C staat in een kamer van 20 °C. Ze koelt eerst snel af, dan steeds trager, en komt nooit onder 20 °C. Het is niet de temperatuur zelf die exponentieel daalt, maar het verschil met de omgeving. Isaac Newton beschreef dit verband in 1701: hoe groter het verschil, hoe sneller de warmte wegstroomt, dus hoe sneller het verschil kleiner wordt.
In de grafiek halveert het verschil elke 15 minuten: van 70 °C naar 35 °C (de thee is dan 55 °C), naar 17,5 °C (37,5 °C), enzovoort. Elke halveringstijd komt de thee de helft van de resterende afstand dichter bij de kamertemperatuur.
Geldigheidsgebied. Het model veronderstelt een constante omgevingstemperatuur en een warmteverlies evenredig met het verschil. Dat klopt goed voor geleiding en voor stroming bij kleine verschillen. Bij een open beker koelt de thee in het begin sneller af dan het model zegt, door verdamping; en een grote watertank in een kas die 's nachts afkoelt, ziet de omgeving zelf ook kouder worden.
In Expert (hoofdstuk E4) schrijf je dit model als een differentiaalvergelijking: de snelheid van afkoelen is evenredig met het verschil, . De exponentiële functie is daar de oplossing van. Het warmtemodel van het station in hoofdstuk E39 is hetzelfde idee, met een verwarming erbij.
Hoe koelt een beker thee af?
Daalt het temperatuurverschil tussen een beker heet water en de kamer exponentieel? Zo ja, wat is de halveringstijd van het verschil?
- beker (liefst dezelfde voor alle groepen), waterkoker
- digitale thermometer of temperatuursensor met datalogger
- thermometer voor de kamertemperatuur
- stopwatch
- rekenblad
- 1Meet de kamertemperatuur, uit de buurt van ramen en verwarming.
- 2Vul de beker met water van ongeveer 85 °C. Zet de sensor in het midden van het water, niet tegen de wand.
- 3Roer zacht en noteer elke 4 minuten de temperatuur, 40 minuten lang. Laat de beker staan zonder deksel.
- 4Bereken het verschil en de verhouding van twee opeenvolgende verschillen.
- 5Zet het verschil uit tegen de tijd, op een gewone en op een logaritmische as.
| (min) | 0 | 4 | 8 | 12 | 16 | 20 | 24 | 28 | 32 | 36 | 40 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (°C) | 85,0 | 75,0 | 66,1 | 59,2 | 53,0 | 47,9 | 43,9 | 40,1 | 37,0 | 34,6 | 32,5 |
| (°C) | 64,0 | 54,0 | 45,1 | 38,2 | 32,0 | 26,9 | 22,9 | 19,1 | 16,0 | 13,6 | 11,5 |
| verhouding per 4 min | 0,844 | 0,835 | 0,847 | 0,838 | 0,841 | 0,851 | 0,834 | 0,838 | 0,850 | 0,846 |
Kamertemperatuur 21,0 °C. De verhoudingen liggen allemaal tussen 0,834 en 0,851, zonder trend: gemiddeld 0,842 per 4 minuten. Op een logaritmische as liggen de verschillen op een rechte.
Constante verhoudingen bij gelijke tijdstappen: het verschil daalt exponentieel, met per 4 min. Per minuut is dat : het verschil wordt elke minuut 4,2 % kleiner. Halveringstijd van het verschil: . Het model: (°C, in min).
De halveringstijd hangt af van de beker, de hoeveelheid water en de luchtstroming: een dunne plastic beker of een ventilator maakt ze korter, een geïsoleerde beker veel langer. Precies dat getal gebruik je later om een warmtebuffer voor de klimaatmodule te ontwerpen (hoofdstukken 18 en 19).
Een condensator ontlaadt
Een condensator van 470 µF is opgeladen tot 5,0 V en ontlaadt over een weerstand van 22 kΩ. De spanning volgt met . Bereken de tijdconstante, de halveringstijd, de groeifactor per seconde, en de tijd tot de spanning onder 1,0 V zakt.
- ,
- , , per seconde
- waarbij
- 1(ohm maal farad is seconde).
- 2is een gewone exponentiële functie: , dus per seconde: de spanning daalt elke seconde 9,2 %.
- 3Na één tijdconstante is : nog 37 %. Na nog 13,5 %, na nog 0,7 %.
- 4Halveringstijd: geeft , dus .
- 5Onder 1,0 V: , dus en .
Radioactief verval
Sommige atoomkernen zijn instabiel. Ze vallen vanzelf uiteen en zenden daarbij straling uit. Wanneer één bepaalde kern vervalt, is volledig toevallig: je kan het niet voorspellen. Maar elke kern heeft per tijdseenheid dezelfde kans om te vervallen. In een grote groep vervalt daardoor per tijdseenheid een vaste fractie van de kernen die er nog zijn: exponentieel verval.
De halveringstijd is een eigenschap van de isotoop, en loopt van fracties van een seconde tot miljarden jaren:
| isotoop | halveringstijd | waar je het tegenkomt |
|---|---|---|
| technetium-99m | 6,0 uur | medische beeldvorming (scan van botten, hart) |
| radon-222 | 3,8 dagen | radioactief gas uit de bodem, onder meer in delen van de Ardennen |
| jodium-131 | 8,0 dagen | behandeling van de schildklier; vrijgekomen bij kernongevallen |
| cesium-137 | 30 jaar | splijtingsproduct uit kerncentrales; bron in meettoestellen |
| koolstof-14 | 5730 jaar | ouderdomsbepaling van hout, bot en textiel |
| kalium-40 | 1,25 miljard jaar | in bananen, in je eigen lichaam, in gesteenten |
| uranium-238 | 4,47 miljard jaar | ouderdom van gesteenten en van de aarde |
Koolstof-14. Planten nemen koolstof op uit de lucht, met een vaste kleine fractie radioactief koolstof-14. Zolang een organisme leeft, blijft die fractie gelijk; na zijn dood vervalt de koolstof-14 zonder aanvulling. Meet je hoeveel er nog over is, dan ken je de ouderdom. De Amerikaanse chemicus Willard Libby ontwikkelde deze methode rond 1949 en kreeg er in 1960 de Nobelprijs voor.
Na één halveringstijd is de helft over, na twee een kwart, na drie een achtste. Een monster jodium-131 is na 8 dagen niet 'half op' in de zin van een half lege batterij: elke overblijvende kern heeft nog precies dezelfde kans om te vervallen als op dag één.
Verval met dobbelstenen, gesimuleerd
Een dobbelsteen is een goed model voor een radioactieve kern: bij elke worp is er een kans van 1/6 op een zes ('verval'), en de steen onthoudt niet hoe vaak hij al gegooid is. Gooi 1000 stenen, haal de zessen eruit, gooi de rest opnieuw. Het model voorspelt na worpen, met een halveringstijd van worpen. De computer gooit sneller dan jij.
# verval.py - radioactief verval nabootsen met dobbelstenenimport mathimport random random.seed(159) # vaste startwaarde: elke keer dezelfde 'toevallige' worpenN0 = 1000 # aantal dobbelstenen ('kernen') bij de startp = 1 / 6 # kans dat een steen een zes gooit ('vervalt') per worp over = N0print("worp over model")for worp in range(1, 16): vervallen = sum(1 for _ in range(over) if random.randint(1, 6) == 6) over = over - vervallen model = N0 * (1 - p) ** worp print(f"{worp:4d} {over:5d} {model:6.1f}") T_half = math.log(0.5) / math.log(1 - p)print(f"halveringstijd volgens het model: {T_half:.2f} worpen")Uitvoer (gecontroleerd door het programma te draaien):
worp over model 1 824 833.3 2 696 694.4 3 574 578.7 4 488 482.3 5 402 401.9 6 328 334.9 7 281 279.1 8 230 232.6 9 182 193.8 10 149 161.5 11 128 134.6 12 110 112.2 13 97 93.5 14 77 77.9 15 66 64.9 halveringstijd volgens het model: 3.80 worpen
De simulatie schommelt rond het model, soms erboven, soms eronder: toeval. Hoe kleiner de groep, hoe groter die schommelingen in verhouding (bij 1000 stenen enkele procenten, bij de laatste 66 stenen al meer). Dat is ook bij echte straling zo: een geigerteller tikt onregelmatig, maar gemiddeld over veel kernen geldt de halveringstijd heel precies. Met random.seed(159) krijg je elke keer dezelfde worpen; verander het getal en je krijgt een andere, even toevallige reeks. In opdracht 5.10 gooi je zelf.
Exponentieel tegenover lineair: waarom je intuïtie faalt
Onze intuïtie is lineair: wat gisteren een beetje groeide, groeit morgen een beetje meer. Bij exponentiële groei klopt dat niet, om drie redenen.
1. Lang is er niets te zien. In een vijver verdubbelt een laag algen elke dag. Op dag 30 is de vijver volledig bedekt. Wanneer was hij half bedekt? Op dag 29, één dag eerder. Op dag 25 was nog maar 3 % bedekt: wie dan naar de vijver keek, zag vooral water. Vier dagen later was er geen water meer te zien.
2. Kleine getallen worden snel astronomisch. Een blad papier van 0,1 mm dik, 42 keer dubbel gevouwen, zou dik zijn: verder dan de maan (gemiddeld 384 400 km). In werkelijkheid lukt het vouwen maar enkele keren, maar de rekening klopt.
3. Wachten is duur. Verdubbelt iets om de 3 dagen, dan betekent een week later ingrijpen keer zoveel werk. Bij een groeiend probleem, van algen in een reservoir tot een besmettelijke ziekte, is de goedkoopste dag om in te grijpen altijd vandaag.
En op lange termijn wint exponentiële groei altijd van lineaire groei, en zelfs van elke kwadratische of hogere macht: 5 % per stap haalt '+20 per stap' in na 48,6 stappen (eerste blad), en haalt ook in, alleen later.
Algen raken hun licht of hun voeding kwijt, bacteriën hun suiker, een epidemie de mensen die nog niet ziek of immuun zijn. Dan vlakt de groei af tot een grens: de draagkracht. Zo'n S-vormige kromme heet logistische groei (hoofdstuk E32). Het exponentiële model is dus het begin van het verhaal, maar vaak precies het deel waar je nog kan ingrijpen.
De logaritmische schaal lezen
Hoe teken je iets dat groeit van 2300 tot 16 miljard? Op een gewone as zie je alleen het laatste punt. Op een logaritmische schaal staan 1, 10, 100, 1000 ... op gelijke afstanden: elke stap is een factor 10, een decade. Wat je uitzet, is eigenlijk .
- Gelijke afstanden zijn gelijke factoren. Van 10 naar 100 is even ver als van 10⁶ naar 10⁷.
- Tussenwaarden staan niet in het midden: 2 staat op 30 % van een decade (), 3 op 48 %, 5 op 70 %. Halverwege tussen 10 en 100 staat 32 (), niet 55.
- Een exponentiële functie wordt een rechte, want : lineair in , met helling . Zo trek je een exponentieel verband recht, zoals je in hoofdstuk 3 krommen rechttrok.
- De helling is de groeifactor. Stijgt de rechte één decade in een tijd , dan is en de verdubbelingstijd .
- Nul bestaat niet op een logaritmische as: is niet gedefinieerd. De as begint bij een macht van tien die je kiest.
De grafiek toont de wet van Moore. In 1965 voorspelde Gordon Moore, later medeoprichter van Intel, dat het aantal onderdelen op een chip elk jaar zou verdubbelen; in 1975 stelde hij dat bij tot elke twee jaar. Vijftig jaar lang bleven de punten verrassend dicht bij één rechte: een exponentiële groei met een factor van ongeveer 1,38 per jaar.
De pH-schaal (hoofdstuk 15): pH 5 is tien keer zo zuur als pH 6. De decibel voor geluid: +10 dB is tien keer zoveel geluidsvermogen. De magnitude van een aardbeving: één punt meer is tien keer zo grote uitslag op de seismometer. Telkens zijn gelijke stappen gelijke factoren.

De wet van Moore narekenen
De Intel 4004 (1971) had ongeveer 2300 transistoren, de Apple M1 (2020) 16 miljard. Bereken uit deze twee punten de groeifactor per jaar en de verdubbelingstijd. Hoe lang duurt een tienvoud? Wat voorspelt het model voor 2000, en hoe ver zit de Pentium 4 (42 miljoen) ernaast?
- per jaar, ,
- volgens het model
- 1Groeifactor over 49 jaar: . Dus .
- 2Met logaritmen: , dus en per jaar: +38 % per jaar.
- 3Verdubbelingstijd: jaar. Tienvoud: jaar.
- 4Model voor 2000: . De Pentium 4 had : 1,6 keer meer dan het model, op een logaritmische schaal maar een klein stukje boven de rechte ( decade).
Habitat: wanneer wordt het reservoir groen?
Het voedingsreservoir van de klimaatmodule (60 L) is doorschijnend. Je meet de algen in het water met een sensor: cellen per mL bij het vullen, drie dagen later. Het team legt de alarmgrens op cellen per mL, waar het water groenig begint te kleuren. Wanneer gaat het alarm af? Wat levert het op als je het reservoir bij elke vulling zo grondig reinigt dat je met tien keer minder algen start?
- /mL, /mL
- alarmgrens /mL
- per dag en
- tijd tot de alarmgrens, met en zonder grondige reiniging
- 1In 3 dagen een factor : , dus per dag. De algen verdubbelen elke dag: dag.
- 2Alarm: geeft en dagen.
- 3Met tien keer minder algen bij de start: , dagen.
- 4Tien keer minder algen levert dus maar dagen uitstel op: er zijn 3,3 verdubbelingen nodig om een factor 10 in te halen.
Overzicht: exponentiële modellen
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| beginwaarde | eenheid van N | |
| groeifactor per tijdstap | – | |
| procentuele verandering per tijdstap | % |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| omgevingstemperatuur (eindwaarde) | °C | |
| begintemperatuur | °C |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| tijdconstante: na τ is nog 37 % over | s | |
| weerstand | Ω | |
| capaciteit | F |
| lineair | exponentieel | |
|---|---|---|
| per stap | zelfde getal erbij | zelfde factor maal |
| in een tabel constant | verschillen | verhoudingen |
| formule | ||
| rechte op | gewoon papier | papier met logaritmische verticale as |
| op lange termijn | blijft achter | wint altijd (bij ) |
| isotoop | halveringstijd | waar je het tegenkomt |
|---|---|---|
| technetium-99m | 6,0 uur | medische beeldvorming (scan van botten, hart) |
| radon-222 | 3,8 dagen | radioactief gas uit de bodem, onder meer in delen van de Ardennen |
| jodium-131 | 8,0 dagen | behandeling van de schildklier; vrijgekomen bij kernongevallen |
| cesium-137 | 30 jaar | splijtingsproduct uit kerncentrales; bron in meettoestellen |
| koolstof-14 | 5730 jaar | ouderdomsbepaling van hout, bot en textiel |
| kalium-40 | 1,25 miljard jaar | in bananen, in je eigen lichaam, in gesteenten |
| uranium-238 | 4,47 miljard jaar | ouderdom van gesteenten en van de aarde |
| na ... halveringstijden | 1 | 2 | 3 | 5 | 7 | 10 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| nog over | 50 % | 25 % | 12,5 % | 3,1 % | 0,8 % | 0,1 % |
Waar exponentiële modellen terugkomen
Exponentiële functies duiken op overal waar de verandering evenredig is met wat er al is: hoe meer bacteriën, hoe meer er bijkomen; hoe groter het temperatuurverschil, hoe sneller het kleiner wordt. Dat idee, 'de snelheid is evenredig met de grootte', wordt in Expert een differentiaalvergelijking, en verbindt biologie, energie en elektronica.
Lineariseren: een exponentieel verband trek je recht met een logaritmische as.
Modellen kiezen met verschillen en verhoudingen; domein en geldigheidsgebied.
De pH-schaal is logaritmisch: elke stap een factor 10 in zuurgraad.
Een watervat als warmtebuffer: hoe snel koelt het 's nachts af?
Laden en ontladen van een condensator, met de tijdconstante τ = R · C.
De groeicurve van een bacteriecultuur: aanloop, exponentiële groei, stationaire fase.
Afkoelingswet van Newton en RC-kring als dy/dt = −k · y: de exponentiële functie als oplossing.
PCR verdubbelt DNA bij elke cyclus: 30 cycli geven een factor van een miljard.
Logistische groei: waar exponentiële groei tegen de draagkracht botst.
In het kort
- Exponentieel: per tijdstap vermenigvuldigen met dezelfde groeifactor : , met . Herken het aan constante verhoudingen.
- Procenten tel je niet op, groeifactoren vermenigvuldig je: +10 % per dag is +95 % per week. Een andere tijdseenheid: .
- De verdubbelingstijd en de halveringstijd hangen niet af van de beginwaarde. Vuistregel: .
- Met logaritmen haal je een onbekende uit de exponent: geeft .
- Bij afkoelen daalt het verschil met de omgeving exponentieel; een condensator ontlaadt met ; radioactieve kernen vervallen met een vaste halveringstijd.
- Exponentiële groei wint altijd van lineaire, maar lijkt lang onschuldig: de laatste verdubbeling is groter dan alles ervoor.
- Op een logaritmische schaal zijn gelijke afstanden gelijke factoren en wordt een exponentiële functie een rechte; uit de helling lees je de groeifactor.
- Geen groei is eeuwig exponentieel: voeding, licht of ruimte begrenzen ze. Het model geldt in de groeifase.
Wat je nu kent
- exponentiële functie
- Functie : per tijdstap wordt de grootheid met dezelfde factor vermenigvuldigd.
- groeifactor
- De factor waarmee een grootheid per tijdstap vermenigvuldigd wordt; is groei, is afname.
- procentuele groei
- De groei per tijdstap in procent van de vorige waarde: .
- verdubbelingstijd
- De tijd waarin een exponentieel groeiende grootheid verdubbelt; .
- halveringstijd
- De tijd waarin een exponentieel afnemende grootheid halveert; .
- logaritme
- De exponent: is het getal waarvoor . Met logaritmen reken je een exponent terug.
- logaritmische schaal
- As waarop gelijke afstanden gelijke factoren zijn (1, 10, 100 ...); een exponentiële functie wordt er een rechte.
- tijdconstante
- Bij de tijd waarna nog over is; bij een RC-kring .
- radioactief verval
- Het willekeurig uiteenvallen van instabiele atoomkernen; per halveringstijd vervalt de helft van de overblijvende kernen.
- becquerel
- Eenheid van activiteit: één verval per seconde (Bq).