← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Intermediate · Handboek · 21. De wetten van Kirchhoff
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
I21. De wetten van Kirchhoff
IIntermediate · deel I6 · Elektronica

Handboek · hoofdstuk 21De wetten van Kirchhoff

Twee wetten die elk netwerk doorrekenen, van een breadboard tot de voeding van een hele module

In Fundamental rekende je met één bron en weerstanden die netjes in serie of parallel stonden. Echte schakelingen zijn gemengd, hebben meer dan één bron, en de draden zelf hebben weerstand. Met twee wetten, die van Gustav Kirchhoff, reken je ze allemaal door: wat een knooppunt binnenkomt, gaat eruit, en wie een gesloten rondje maakt, komt op dezelfde spanning terug. Je leert ze toepassen met tekenafspraken, controleert je berekeningen met metingen, lost een netwerk op als stelsel (met de hand en met numpy) en rekent de hele sensorvoeding van de klimaatmodule na.

8× uitleg5× uitgewerkt voorbeeld1× proef1× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel1× code17 opdrachten in het werkboek± 8 lestijden
Wie een verdeelkast begrijpt, ziet knooppunten en mazen: waar stromen samenkomen en waar spanningen verdeeld worden.
Wie een verdeelkast begrijpt, ziet knooppunten en mazen: waar stromen samenkomen en waar spanningen verdeeld worden.
Na dit hoofdstuk
Verhaal · 21.1

Een student en de draden van de telegraaf

1/19

In 1845 was Gustav Kirchhoff 21 jaar en student in Königsberg, in het toenmalige Pruisen. Elektrische stroom was nog jong: Ohm had zijn wet pas achttien jaar eerder gepubliceerd, en in dezelfde jaren werden de eerste telegraaflijnen gespannen. Ingenieurs wilden weten hoe de stroom zich verdeelt over een netwerk van draden met meerdere batterijen en aftakkingen. Met de wet van Ohm alleen lukte dat niet.

Kirchhoff schreef twee regels op die voor elk netwerk gelden. De eerste: in een punt waar draden samenkomen, kan geen lading verdwijnen of ontstaan. De tweede: wie langs een gesloten weg rondgaat, komt op dezelfde 'hoogte' terug. Twee jaar later, in 1847, toonde hij hoe je voor een netwerk precies zoveel onafhankelijke vergelijkingen vindt als er onbekende stromen zijn. Dat werk is een van de wortels van de grafentheorie, de wiskunde van netwerken.

Later werd Kirchhoff in Heidelberg beroemd om iets heel anders: samen met Robert Bunsen ontdekte hij dat elk element een eigen lijnenspectrum heeft (hoofdstuk 12). Maar elke elektronicus kent hem van de twee wetten die in dit hoofdstuk centraal staan. Simulatieprogramma's die schakelingen doorrekenen, doen in de kern niets anders dan Kirchhoffs vergelijkingen opstellen en oplossen, voor duizenden onderdelen tegelijk.

Waarom dit hoofdstuk ertoe doet

De klimaatmodule heeft één 12,8 V-rail met lampen, een pomp en ventilatoren, een 5 V-rail met elf verbruikers, en sensoren aan meters kabel. Of alles de juiste spanning krijgt, of de zekeringen kloppen, en of een meting niet verstoord wordt door de stroom van de pomp: dat reken je na met Kirchhoff.

Batterijen, draden en aftakkingen: het soort netwerk waarvoor Kirchhoff zijn regels opschreef.
Batterijen, draden en aftakkingen: het soort netwerk waarvoor Kirchhoff zijn regels opschreef.
Uitleg · 21.2

Wat je al weet, en wat er nu bijkomt

2/19

In Fundamental leerde je vier regels voor serie en parallel, en de wet van Ohm. Ze kloppen, maar ze werken alleen als een schakeling netjes uit serie- en parallelstukken bestaat en er maar één bron is. De wetten van Kirchhoff zijn de algemene vorm van dezelfde regels.

wat je al weet (Fundamental)wat er nu bijkomt
In serie loopt overal dezelfde stroom en tellen de spanningen op (F20).De maaswet: in elke gesloten lus is de som van alle spanningen nul, ook met meerdere bronnen en in ingewikkelde netwerken.
Parallel tellen de stromen van de takken op: de knooppuntregel (F20).De knooppuntwet met een tekenafspraak, ook als je vooraf niet weet welke kant de stroom op gaat.
in serie; twee gelijke parallel geven de helft (F20). voor om het even welke weerstanden parallel.
(F19) en (F21).Het vermogen in elke weerstand, en de vermogensbalans van het hele netwerk.
Stroom en spanning meten met een multimeter (F19).Metingen gebruiken om een berekening te controleren, en een berekening om een meetfout te vinden.

Eén nieuw woord maakt alles eenvoudiger: de potentiaal. Kies één punt van de schakeling als referentie, meestal de minpool van de bron, en noem dat de massa (0 V; in een schema drie streepjes onder elkaar). De potentiaal van een ander punt is de spanning tussen dat punt en de massa. De spanning over een onderdeel is dan gewoon het verschil tussen de potentialen aan zijn twee uiteinden: . Een microcontroller meet zo: een analoge ingang meet de potentiaal van één punt ten opzichte van zijn eigen GND.

Het beeld van de trap

In F20 zag je spanning als hoogte: de bron tilt de lading op, en in elke verbruiker valt ze een stukje naar beneden. De potentiaal is precies die hoogte, gemeten vanaf de vloer (de massa). Een draad zonder weerstand is een vlakke overloop: overal dezelfde potentiaal.

Ontleed · 21.3

Een netwerk ontleden: knooppunt, tak en maas

3/19

Voor je rekent, lees je het schema. Dit netwerk komt verder in het hoofdstuk terug als uitgewerkt voorbeeld. Zes begrippen zijn genoeg om elk netwerk te beschrijven.

U = 12 VR₁ = 470 ΩR₂ = 1,0 kΩR₃ = 680 ΩR₄ = 820 ΩAB0 VI₁I₂I₃III
R₁ staat in serie met twee parallelle takken: R₂, en R₃ + R₄. De stroompijlen en de omloopzinnen zijn gekozen.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Knooppunt

    Punt waar drie of meer draden samenkomen, getekend als een bolletje: hier A en B. De hele onderste draad is één knooppunt, want er zit niets tussen: overal dezelfde potentiaal.

  2. 2
    Tak

    Het stuk tussen twee knooppunten, zonder vertakking. R₃ en R₄ vormen samen één tak: door beide loopt dezelfde stroom I₃. Dit netwerk heeft drie takken: bron met R₁, R₂, en R₃ met R₄.

  3. 3
    Maas

    Een gesloten lus. De vensters I en II zijn onafhankelijke mazen; de buitenste lus (bron, R₁, R₃, R₄) is ook een maas, maar haar vergelijking is de som van die van I en II.

  4. 4
    Gekozen stroomzin

    Per tak kies je een pijl. Klopt de keuze niet, dan wordt de stroom gewoon negatief. In deze kring is de zin duidelijk: van de pluspool weg.

  5. 5
    Bron

    De lange streep is de pluspool. Van de min- naar de pluspool stijgt de potentiaal met de bronspanning U.

  6. 6
    Massa

    Het referentiepunt: 0 V. Alle potentialen tel je vanaf hier. Waar je de massa legt, verandert niets aan de stromen en spanningen, alleen aan de getallen van de potentialen.

Uitleg · 21.4

De knooppuntwet: lading hoopt zich niet op

4/19

Lading kan in een draad niet verdwijnen en niet ontstaan, en in een knooppunt kan ze zich ook niet opstapelen: er is geen plaats voor. Wat er per seconde binnenkomt, moet er dus per seconde uit. Dat is de eerste wet van Kirchhoff.

knooppuntwet (eerste wet van Kirchhoff)
In de tweede vorm tel je een stroom die het knooppunt binnenkomt positief, een stroom die vertrekt negatief.

In knooppunt (a) komen 0,50 A en 0,20 A binnen en vertrekt 0,45 A. Dan is , dus , in de richting van de pijl.

Je weet niet altijd welke kant de stroom op gaat. Dan kies je een richting, tekent een pijl, en rekent. In knooppunt (b) is de pijl van naar buiten gekozen: , dus . Het minteken is geen fout: het zegt dat er 0,20 A loopt, maar tegen de gekozen pijl in. In (b) komt die stroom het knooppunt dus binnen.

De stroom kiest de weg met de kleinste weerstand

Stroom verdeelt zich over alle takken tussen twee knooppunten. De tak met de kleinste weerstand krijgt het grootste deel, maar ook een tak van 1 MΩ krijgt zijn (kleine) stroom. Alleen als één tak nul ohm heeft (een kortsluiting), krijgt die praktisch alles, en dan staat er geen spanning meer over de andere.

(a)(b)0,50 A0,20 A0,45 AI₄ = ?0,30 A0,50 AI₃ = ?
(a) Er gaat evenveel uit als erin komt: I₄ = 0,25 A. (b) Met de gekozen pijl wordt I₃ = −0,20 A: de stroom loopt het knooppunt in.
Uitgewerkt voorbeeld · 21.5

Laadt of ontlaadt de batterij?

5/19

Alle 12,8 V-verbruikers van de klimaatmodule hangen aan één rail: de groeilampen (190 W), de pomp (1,0 A), de omvormer voor de sensoren (3,0 W) en de ventilatoren (5 W). De laadregelaar van de zonnepanelen levert . De batterij hangt aan dezelfde rail; we kiezen haar stroom positief als hij de batterij in gaat (laden). Bereken op een zonnige middag () en op een grijze ochtend (), als alles aanstaat.

12,8 V-rail: één knooppuntlaadregelaar (zon)IzonbatterijIbat (+ = laden)lampen14,84 Apomp1,00 Aomvormer 5V0,23 Aventilatoren0,39 A
Eén knooppunt, zes stromen. De pijl van de batterij is gekozen; het teken van de uitkomst zegt of ze laadt of ontlaadt.
Gegeven
  • ; lampen 190 W, pomp 1,0 A, omvormer 3,0 W, ventilatoren 5 W
  • of
  • pijl van : de batterij in
Gevraagd
  • in beide gevallen, en wat het teken betekent
Oplossing
  1. 1
    Stroom per verbruiker met : lampen ; omvormer ; ventilatoren ; pomp .
  2. 2
    De rail is één knooppunt. Erin: . Eruit: de vier verbruikers en (met de gekozen pijl). Knooppuntwet: , met de som van de verbruikers.
  3. 3
    Zonnig: .
  4. 4
    Grijs: .
Antwoord
Op de zonnige middag laadt de batterij met 8,53 A. Op de grijze ochtend is de uitkomst negatief: de stroom loopt tegen de pijl in, de batterij ontlaadt met 10,47 A en levert samen met de zon de stroom voor de verbruikers.
Klopt dit? Het teken doet precies wat de coulombteller van hoofdstuk 16 doet: stroom erin positief, eruit negatief. Een laadregelaar die meer levert dan de verbruikers vragen, laadt de batterij; levert hij minder, dan vult de batterij het verschil aan. De lampen zijn 90 % van de stroom: daarom zijn zij de afschakelbare last van het energiebeheer (hoofdstuk 20).
Uitleg · 21.6

De maaswet: rondgaan en terugkomen op dezelfde hoogte

6/19

Neem in gedachten een lading mee langs een gesloten lus. In de bron wordt ze 'opgetild', in elke weerstand zakt ze wat. Als ze terug is bij haar vertrekpunt, is ze op dezelfde potentiaal: anders zou ze bij elke ronde energie winnen of verliezen uit het niets. Dat is de tweede wet van Kirchhoff.

maaswet (tweede wet van Kirchhoff)
Langs een gesloten lus is de som van alle potentiaalstijgingen en -dalingen nul.

De tekenafspraken. Kies een omloopzin (hier met de klok mee) en loop de maas rond:

  • door een bron van − naar +: de potentiaal stijgt, schrijf ; van + naar −: ;
  • door een weerstand in de zin van zijn stroompijl: de potentiaal daalt, schrijf ; tegen de stroompijl in: .

In de kring van de figuur, vanaf A met de klok mee: , dus . De potentiaal gaat van 0 V naar 12 V (B), zakt 4,0 V in (C: 8,0 V) en 8,0 V in (D: 0 V). Dat is de regel 'in serie tellen de spanningen op' uit F20, nu als bijzonder geval van een algemene wet.

Omloopzin en stroomzin zijn twee verschillende keuzes

De stroompijl zegt welke richting je positief noemt voor de stroom in een tak. De omloopzin zegt in welke volgorde je de maas afloopt. Ze hoeven niet samen te vallen. Loop je tegen een stroompijl in door een weerstand, dan schrijf je . Wie zich aan de afspraken houdt, krijgt altijd hetzelfde resultaat, welke zin hij ook kiest.

12 VR₁ = 40 ΩR₂ = 80 ΩABCD12 V8 V0 V0 VI = 0,10 Aomloopzin04812potentiaal (V)ABCDA+12 V in de bron−4 Vover R₁−8 Vover R₂
Links de maas met de omloopzin; rechts de potentiaal langs de kring: +12 V in de bron, −4 V en −8 V in de weerstanden.
Uitgewerkt voorbeeld · 21.7

Twee batterijen parallel: de vereffeningsstroom

7/19

De klimaatmodule krijgt een tweede LiFePO4-batterij parallel aan de eerste (hoofdstuk 20). Batterij A is vol en heeft een bronspanning van 13,30 V, batterij B minder vol: 13,10 V. Elke batterij heeft, met haar kabel en BMS, een inwendige weerstand (orde van grootte): en . Er is nog niets aangesloten. Welke stroom loopt er zodra je ze verbindt? Welke spanning meet je dan over de klemmen? En als B bijna leeg was (12,00 V)?

UARARBUBIomloopzin
Eén maas met twee bronnen die tegen elkaar in staan: het verschil van 0,20 V drijft de stroom.
Gegeven
  • ,
  • ,
Gevraagd
  • de stroom
  • de klemspanning
  • als
Oplossing
  1. 1
    Kies de stroompijl van A naar B over de bovenste draad, en loop de maas met de klok mee, vanaf de min van A.
  2. 2
    Door A van − naar +: . Door met de pijl mee: . Door met de pijl mee: . Door B van + naar −: .
  3. 3
    Maaswet: , dus .
  4. 4
    Klemspanning (tussen de bovenste en de onderste draad): . Controle langs B: .
  5. 5
    Met B op 12,00 V: .
Antwoord
Er loopt 4,44 A van A naar B: de volle batterij laadt de andere bij, en beide klemmen staan op 13,21 V. Is B bijna leeg, dan wordt dat 29 A, meer dan de laadregelaar ooit levert.
Klopt dit? De stroom is positief: de gekozen pijl klopte. De stroom neemt vanzelf af, want de volle batterij zakt en de andere stijgt, tot hun spanningen gelijk zijn. Daarom laad je twee batterijen eerst apart vol voor je ze parallel zet, met gelijke kabels naar één verzamelpunt. Kortsluiting van één batterij zou A geven: een zekering vlak bij elke pluspool is geen luxe.
Uitleg · 21.8

Een echte bron: bronspanning en klemspanning

8/19

Het vorige voorbeeld gebruikte een model dat voor elke echte bron werkt: een ideale bron met spanning (de bronspanning, wat je meet zonder stroom) in serie met een kleine inwendige weerstand . Zodra de bron stroom levert, valt er een deel van de spanning over , en blijft er aan de klemmen minder over. De maaswet geeft meteen de formule:

klemspanning van een bron
: spanning tussen de klemmen (V); : bronspanning (V); : inwendige weerstand (); : geleverde stroom (A).

Zet je de klemspanning uit tegen de stroom, dan krijg je een dalende rechte: het snijpunt met de verticale as is , de helling is (hoofdstuk 3). Een blokbatterij van 9 V heeft enkele ohm, een AA-cel enkele tienden van een ohm, een grote LiFePO4-batterij enkele milliohm. Daarom zakt een 9 V-batterij merkbaar als je er een motortje aan hangt, en kan een autobatterij honderden ampère leveren om een startmotor te laten draaien.

Kleine inwendige weerstand, grote kortsluitstroom

Bij kortsluiting is , dus . Voor een LiFePO4-batterij van 13,3 V met 20 mΩ is dat 665 A: genoeg om een schroevendraaier te laten smelten. Elke batterij krijgt daarom een zekering zo dicht mogelijk bij de pluspool (F18), en je werkt met geïsoleerd gereedschap.

0501001502002503008,88,99,09,19,29,39,49,59,6I (mA)Uk (V)U₀ (zonder stroom)helling −1,8 Ω9 V-batterij: U₀ = 9,40 V, Rᵢ = 1,8 Ω
Hoe meer stroom de bron levert, hoe meer spanning er in de bron zelf verloren gaat.
Uitleg · 21.9

Vervangingsweerstand: serie en parallel in het algemeen

9/19

Een groep weerstanden gedraagt zich naar buiten toe als één weerstand, de vervangingsweerstand : bij dezelfde spanning trekt ze dezelfde stroom. De wetten van Kirchhoff geven de formules.

Serie. Door alle weerstanden loopt dezelfde stroom . De maaswet zegt dat de spanningen optellen: .

Parallel. Over alle weerstanden staat dezelfde spanning . De knooppuntwet zegt dat de stromen optellen: . Deel door :

vervangingsweerstand in serie en parallel
Voor twee weerstanden parallel: ('product door som'). Voor gelijke weerstanden : .

Parallel is altijd kleiner dan de kleinste weerstand: elke extra tak is een extra weg voor de stroom. De grafiek toont het voor 100 Ω parallel met een tweede weerstand: hoe groot ook wordt, komt nooit boven 100 Ω.

De stroomdeler. Over twee parallelle weerstanden staat dezelfde spanning, dus : de stromen verhouden zich omgekeerd als de weerstanden. Met de totale stroom :

stroomdeler (twee takken)
Let op: in de teller staat de weerstand van de andere tak.
in serieparallelR₁R₂…Rₙdezelfde stroom; de spanningen tellen opR₁R₂Rₙ⋮dezelfde spanning; de stromen tellen op
In serie één weg, parallel meerdere: de formules volgen uit de maaswet en de knooppuntwet.
01002003004005006007008009001000020406080100120R₂ (Ω)Rv (Ω)R₁ = 100 Ω: de grensR₂ = 100 Ω: 50 Ω220 Ω: 68,8 Ω1000 Ω: 90,9 Ω100 Ω parallel met R₂
Hoe groot R₂ ook wordt, 100 Ω parallel met R₂ blijft onder 100 Ω.
Uitgewerkt voorbeeld · 21.10

Een gemengde schakeling volledig oplossen

10/19

Bereken in het netwerk van het ontleedblad (, , , , ) alle stromen en alle spanningen. Controleer met de knooppuntwet en de maaswet.

12 V470 Ω1,0 kΩ680 Ω820 ΩR₃ + R₄ = 1500 Ω470 Ω600 ΩR₂ ∥ 1500 Ω = 600 Ω1070 ΩRv = 1070 Ω
Vereenvoudigen van binnen naar buiten, daarna terugrekenen van buiten naar binnen.
Gegeven
  • , , ,
Gevraagd
  • , , ; tot
Oplossing
  1. 1
    Vereenvoudig van binnen naar buiten. en staan in serie: .
  2. 2
    staat parallel met : .
  3. 3
    staat in serie met die groep: , dus .
  4. 4
    Rek terug naar binnen. en de spanning over de parallelle groep .
  5. 5
    en .
  6. 6
    en .
Antwoord
, , ; , , , .
Klopt dit? Knooppunt A: mA. Maas I: . Maas II (met de klok mee, door en met de stroom mee, door ertegen in): . Alles klopt tot op de afronding.
Uitleg · 21.11

Vermogen in elke weerstand

11/19

Elke weerstand zet elektrische energie om in warmte. Zijn vermogen volgt uit (F21), en met de wet van Ohm kan je dat op drie manieren schrijven:

vermogen in een weerstand
Kies de vorm met wat je kent: in serie ken je vaak de stroom (), parallel de spanning ().

Twee gevolgen die veel mensen verrassen, met 100 Ω en 220 Ω op 9,0 V (grafiek):

  • In serie is de stroom gelijk, dus krijgt de grootste weerstand het grootste vermogen (): 174 mW in 220 Ω tegenover 79 mW in 100 Ω.
  • Parallel is de spanning gelijk, dus krijgt de kleinste weerstand het grootste vermogen (): 810 mW in 100 Ω, 368 mW in 220 Ω.

De vermogensbalans. Energie gaat niet verloren: wat alle bronnen samen leveren, nemen alle weerstanden samen op. In het gemengde voorbeeld: , en de bron levert . Dat is een uitstekende controle op een hele berekening.

Een gewone weerstand verdraagt 0,25 W

De weerstandjes in een doos met onderdelen zijn meestal gemaakt voor 0,25 W (¼ W). In de parallelschakeling hierboven wordt de weerstand van 100 Ω met 810 mW meer dan drie keer overbelast: hij wordt heet, verkleurt en kan doorbranden. Reken het vermogen dus altijd na, en kies zo nodig een weerstand van 1 W of 2 W.

0100200300400500600700800900P (mW)79,1174810368,2100 Ω220 Ωin serie op 9,0 Vparallel op 9,0 V
In serie wordt de grootste weerstand het warmst, parallel de kleinste.
Proef · 21.12

Kirchhoff nagemeten

12/19
Onderzoeksvraag

Kloppen de knooppuntwet en de maaswet ook met echte meters en weerstanden met een tolerantie?

Materiaal
  • voeding of 9 V-batterij
  • weerstanden 1,0 kΩ, 2,2 kΩ en 3,3 kΩ (tolerantie 5 %)
  • breadboard
  • multimeters (liefst drie)
  • draadjes
VeiligheidWerk onder 12 V. Zet de multimeter op mA voor je hem in serie zet; nooit parallel over de bron.
9,0 VAA₁R₁ = 1,0 kΩVV₁AA₂R₂ = 2,2 kΩAA₃R₃ = 3,3 kΩVV₂
De ampèremeters zitten in de takken, de voltmeters over R₁ en over de parallelle groep.
Werkwijze
  1. 1Bouw de schakeling van het schema: R₁ in serie met R₂ en R₃, die parallel staan.
  2. 2Bereken vooraf alle stromen en spanningen met de nominale waarden (stroom in mA, spanning in V).
  3. 3Meet de bronspanning, de spanning over R₁ en over de parallelle groep.
  4. 4Meet de stroom in de hoofdleiding en in elke tak. Heb je maar één meter, verplaats hem dan: open telkens de kring op die plaats.
  5. 5Controleer: tellen de takstromen op tot de hoofdstroom? Tellen en op tot de bronspanning?
Waarneming
meterberekend (nominaal)gemeten
bron9,00 V9,02 V
A₁ (hoofdleiding)3,88 mA3,91 mA
A₂ (tak R₂)2,33 mA2,33 mA
A₃ (tak R₃)1,55 mA1,58 mA
V₁ (over R₁)3,88 V3,86 V
V₂ (over R₂ en R₃)5,12 V5,16 V

Voorbeeldmeting. Knooppuntwet: . Maaswet: . Beide kloppen op het laatste cijfer.

Verklaring

De wetten van Kirchhoff kloppen ook voor de metingen: ze zijn geen benadering, maar behoud van lading en energie. Waar berekening en meting verschillen, zit het verschil in de gegevens: de bron gaf 9,02 V in plaats van 9,00 V, en de weerstanden wijken tot 5 % af van hun opgedrukte waarde (hier bleek , , met de ohmmeter). Met die echte waarden geeft de berekening precies de metingen.

Een multimeter op het mA-bereik heeft zelf een kleine weerstand (enkele tot enkele tientallen ohm). Tegenover kilo-ohms is dat verwaarloosbaar; in een kring met enkele ohm zou de meter zelf de stroom merkbaar verkleinen. Dat is de reden om voor zo'n proef weerstanden van enkele kilo-ohm te kiezen.

Drie weerstanden, twee meters en een schrift: meer heb je niet nodig om Kirchhoff te controleren.
Drie weerstanden, twee meters en een schrift: meer heb je niet nodig om Kirchhoff te controleren.
Uitleg · 21.13

Van netwerk naar stelsel

13/19

Niet elk netwerk bestaat uit serie- en parallelstukken. Staan er twee bronnen in verschillende takken, of zit er een weerstand 'dwars' tussen twee takken (een brug), dan kan je niets meer samennemen. Dan schrijf je de wetten van Kirchhoff gewoon op en los je het stelsel op. Met takken heb je onbekende stromen, en dus onafhankelijke vergelijkingen nodig:

zoveel vergelijkingen als onbekenden
: aantal knooppunten; : aantal takken. De laatste knooppuntvergelijking volgt uit de andere; is het aantal vensters van een vlak getekend schema.

Voor het netwerk van het ontleedblad: (A en B), . Dus 1 knooppuntvergelijking en 2 maasvergelijkingen (vensters I en II): drie vergelijkingen voor , en .

Waarom niet gewoon meer vergelijkingen?

Je kan er meer opschrijven (de buitenste maas, het tweede knooppunt), maar die zijn een som van de andere: ze brengen niets nieuws. Ze zijn wel nuttig als controle achteraf.

stap 1Kies in elketak eenstroomzin (eenpijl, vrij tekiezen).stap 2Schrijf k − 1knooppuntvergelijkingen.stap 3Schrijf b − k+ 1maasvergelijkingen(één pervenster).stap 4Los hetstelsel op:substitutie,eliminatie ofnumpy.stap 5Controleer:tekens, eenextra maas, devermogensbalans.
Het stappenplan werkt voor elk netwerk, ook als er niets te vereenvoudigen valt.
Uitgewerkt voorbeeld · 21.14

Twee batterijen voeden samen de lampen

14/19

Dezelfde twee batterijen als eerder (13,30 V met 20 mΩ en 13,10 V met 25 mΩ) voeden nu samen de groeilampen. Stel de lampen voor als een weerstand (190 W bij ongeveer 13 V). Hoeveel stroom levert elke batterij, en welke spanning krijgen de lampen?

UARARBUBRLKIAIBIL12
Drie takken, twee knooppunten, twee vensters: drie vergelijkingen voor drie stromen.
Gegeven
  • ,
  • ,
Gevraagd
  • , , en de spanning over de lampen
Oplossing
  1. 1
    Tel: knooppunten (boven K, onder), takken. Kies de pijlen zoals in de figuur: en naar K toe, door de lampen naar beneden.
  2. 2
    Knooppunt K: .
  3. 3
    Maas 1 (A en de lampen, met de klok mee): .
  4. 4
    Maas 2 (B en de lampen, tegen de klok in, ook vanaf de min van B): .
  5. 5
    Substitutie. Vul in: en .
  6. 6
    Eliminatie. Trek de tweede vergelijking af van de eerste: , dus . Invullen in de tweede: , zodat en . Dan en .
Antwoord
Batterij A levert 12,5 A, batterij B 2,0 A; de lampen krijgen 14,5 A bij .
Klopt dit? Maas via A: ; via B: : dezelfde railspanning. Het vermogen in de lampen is : dat klopt met 190 W. De volste batterij levert het meest; zo lopen hun laadtoestanden vanzelf naar elkaar toe.
Code · 21.15

Het stelsel met numpy

15/19

Met de hand is een stelsel van drie vergelijkingen nog te doen; een netwerk met twintig takken niet meer. Schrijf het stelsel daarom als één matrixvergelijking : elke rij van bevat de coëfficiënten van één vergelijking, is de lijst onbekende stromen, en bevat wat rechts van het gelijkheidsteken staat. De bibliotheek numpy lost dat op met np.linalg.solve. Hoe dat binnenin werkt (de methode van Gauss) en wat een matrix precies is, leer je in hoofdstuk E5.

Pythontwee_batterijen.py25 regelsDownload
# twee_batterijen.py - twee batterijen voeden samen de groeilampen: een stelsel van drie vergelijkingenimport numpy as np UA, RA = 13.30, 0.020     # batterij A: bronspanning (V), inwendige weerstand met kabel (ohm)UB, RB = 13.10, 0.025     # batterij BRL = 0.90                 # de groeilampen als weerstand (ohm) # onbekenden x = [IA, IB, IL], in de gekozen stroomzin van de figuurA = np.array([[1.0, 1.0, -1.0],     # knooppunt K:  IA + IB - IL = 0              [RA,  0.0,  RL],      # maas 1:       RA*IA + RL*IL = UA              [0.0, RB,   RL]])     # maas 2:       RB*IB + RL*IL = UBb = np.array([0.0, UA, UB])IA, IB, IL = np.linalg.solve(A, b)print(f"IA = {IA:.2f} A   IB = {IB:.2f} A   IL = {IL:.2f} A")print(f"spanning over de lampen: {RL * IL:.3f} V") # controle: wat de bronnen leveren, nemen de weerstanden opP_bronnen = UA * IA + UB * IBP_weerstanden = RA * IA**2 + RB * IB**2 + RL * IL**2print(f"bronnen {P_bronnen:.2f} W, weerstanden {P_weerstanden:.2f} W") print("\n  UB (V)   IA (A)   IB (A)   IL (A)")for ub in (12.9, 13.0, 13.1, 13.2, 13.3):    IA, IB, IL = np.linalg.solve(A, [0.0, UA, ub])    print(f"{ub:8.2f} {IA:8.2f} {IB:8.2f} {IL:8.2f}")

Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):

IA = 12.50 A   IB = 2.00 A   IL = 14.50 A
spanning over de lampen: 13.050 V
bronnen 192.45 W, weerstanden 192.45 W

  UB (V)   IA (A)   IB (A)   IL (A)
   12.90    16.89    -2.49    14.40
   13.00    14.70    -0.24    14.45
   13.10    12.50     2.00    14.50
   13.20    10.30     4.24    14.55
   13.30     8.11     6.49    14.60

De vermogensbalans klopt tot op de laatste decimaal: een goede test voor elk programma dat netwerken oplost. De tabel toont wat er gebeurt als batterij B leger is: bij 12,9 V wordt negatief, en laadt batterij A haar bij terwijl ze ook nog de lampen voedt. De lampen zelf merken bijna niets: hun stroom blijft rond 14,5 A.

Uitleg · 21.16

Habitat: de 5 V-voeding van alle sensoren narekenen

16/19

De microcontroller en alle sensoren van de klimaatmodule hangen parallel aan één 5 V-rail, die gevoed wordt door een omvormer van 12 V naar 5 V (rendement 83 %, zoals in de meetkas). De rail is één knooppunt: de stroom die de omvormer levert, is de som van alle verbruikers. Voor elke verbruiker haal je de stroom uit de datasheet: het gemiddelde voor het energieverbruik, de piek om de omvormer en de draden te kiezen.

verbruiker op 5 Vgemiddeld (mA)piek (mA)
microcontroller (Arduino Mega 2560, rekenwaarde)5050
CO₂-sensor (NDIR, MH-Z19B)60150
pH-module (hoofdstuk 15)1010
stroomsensor ACS712 (hoofdstuk 16)1013
druksensor MPX5010 (hoofdstuk 11)510
SD-kaartmodule (datalogger)10100
twee statusleds (hoofdstuk 23)1020
temperatuur en RV (DHT22)1,51,5
lichtsensor, LDR + 1 kΩ (hoofdstuk 22)24,5
NTC in het reservoir (hoofdstuk 22)0,250,25
EC-meting, gepulst (hoofdstuk 13)0,102,3
som (knooppuntwet)158,8361,6

Vermogen. Aan de 5 V-kant: gemiddeld, 1,81 W bij de pieken. De omvormer neemt aan de 12 V-kant gemiddeld (2,2 W piek), bij 12,8 V een stroom van 0,075 A. Een omvormer van 1 A aan de 5 V-kant heeft dus meer dan genoeg reserve, en de zekering van 1 A aan de 12 V-kant beschermt de draad.

Het budget. Hoofdstuk 20 rekende voor 'microcontroller en sensoren' met 3,0 W. De som van de datasheets geeft 0,96 W gemiddeld: het budget is ruim. Die ruimte is welkom: een display en een wifi-module voor de datalogger komen er later bij (opdracht 21.13), en een kleine omvormer werkt bij weinig belasting slechter dan 83 %.

De sensorkast op drie meter. De CO₂-sensor, de temperatuursensor en de lichtsensor zitten in een kastje boven het kweekbed, 3,0 m van de microcontroller, aan een sensorkabel met aders van 0,14 mm². De weerstand van een draad volgt uit zijn lengte en doorsnede:

weerstand van een draad
: soortelijke weerstand, voor koper ; : lengte (m); : doorsnede (mm²).

Eén ader: . Bij de piek van het kastje (156 mA, vooral de CO₂-sensor) valt er over de plus- én over de massader 0,057 V. De maaswet langs plusader, sensor en massader: aan de sensoren. Dat ligt binnen de 4,5 tot 5,5 V die de CO₂-sensor vraagt.

batterij12,8 V1 Aomvormer 12→ 5 V (83%)5 V-railgemiddeld 0,16 Apiek 0,36 Amicrocontroller50 mACO₂-sensor60 (150) mApH-module10 mAstroomsensor10 (13) mAdruksensor5 (10) mASD-kaart10 (100) mAstatusleds10 (20) mADHT22, LDR, NTC, EC3,9 (8,6) mA
Elf verbruikers parallel op de 5 V-rail; tussen haakjes de piekstroom. De omvormer levert de som.
De sensorkast boven het kweekbed hangt aan drie meter kabel: ook die draden hebben weerstand.
De sensorkast boven het kweekbed hangt aan drie meter kabel: ook die draden hebben weerstand.
Uitgewerkt voorbeeld · 21.17

Habitat: waarom de pH verspringt als de pomp aanslaat

17/19

Bij de eerste test van de klimaatmodule verspringt de gemeten pH telkens met ongeveer een halve eenheid als de pomp aanslaat. De pH-module (hoofdstuk 15: 2,50 V bij pH 7,00, per pH) en de pomp (1,0 A) staan allebei bij het reservoir. Om draad te sparen, lopen hun massadraden samen over één ader van 2,5 m en 0,5 mm² naar de massa van de microcontroller. Verklaar het verspringen en reken het na.

(a) gedeelde massadraadmicro-controllerA0GNDpH-modulepH-signaalMpomp+12,8 V1,01 A · 0,086 Ω+87 mV bij de modulenaar de minpool(b) sterpuntmicro-controllerA0GNDpH-modulepH-signaalMpomp+12,8 V10 mA: +0,9 mVeigen retourdraad pompsterpunt (minpool)
Links deelt de pH-module haar massadraad met de pomp; rechts heeft elk zijn eigen draad naar één sterpunt.
Gegeven
  • gedeelde massadraad: , , koper
  • pomp 1,0 A, pH-module 10 mA
  • pH-module: per pH
Gevraagd
  • de verschuiving van de massa van de module
  • de fout in de pH
  • een oplossing
Oplossing
  1. 1
    Weerstand van de gedeelde draad: .
  2. 2
    Als de pomp draait, loopt er door die draad naar de microcontroller. De massa van de module ligt dan hoger dan de massa van de microcontroller.
  3. 3
    De module zet haar signaal ten opzichte van haar eigen massa. Maaswet langs signaaldraad, module en massadraad: de microcontroller meet het signaal plus 0,087 V.
  4. 4
    Een hogere spanning betekent bij deze module een lagere pH: de fout is pH. De regeling denkt dat de oplossing zuurder wordt zodra de pomp draait.
  5. 5
    Oplossing: een sterpunt. De pomp krijgt een eigen retourdraad rechtstreeks naar de minpool. Door de massadraad van de module loopt dan alleen haar eigen 10 mA: , of 0,005 pH.
Antwoord
De pompstroom maakt over de gedeelde massadraad 87 mV, en de pH-meting schuift daardoor 0,48 pH op. Met een eigen retourdraad voor de pomp (sterpunt) wordt de fout 0,005 pH: honderd keer kleiner.
Klopt dit? De sprong is even groot als de waarneming ('ongeveer een halve eenheid'), en ze verdwijnt als de pomp stilvalt: een sterk teken dat de verklaring klopt. Dezelfde regel geldt voor elke analoge sensor: grote stromen (lampen, pomp, ventilatoren) nooit door de massadraad van een meting laten lopen.
Naslag · 21.18

Overzicht: de wetten van Kirchhoff

18/19
knooppuntwet
symboolbetekeniseenheid
stroom in een tak (met gekozen pijl)A
maaswet
symboolbetekeniseenheid
stijging (+) of daling (−) van de potentiaalV
vervangingsweerstand in serie en parallel
symboolbetekeniseenheid
vervangingsweerstandΩ
stroomdeler
symboolbetekeniseenheid
stroom naar de twee takkenA
vermogen in een weerstand
symboolbetekeniseenheid
vermogenW
klemspanning
symboolbetekeniseenheid
bronspanningV
inwendige weerstandΩ
weerstand van een draad
symboolbetekeniseenheid
soortelijke weerstand (koper 0,0172)Ω·mm²/m
lengtem
doorsnedemm²
je loopt door ...in de zin van de pijl / van − naar +tegen de pijl / van + naar −
een weerstand met stroom
een bron (van − naar +) (van + naar −)
een draad0 (geen weerstand, geen spanning)

Een negatieve stroom in de uitkomst: de stroom loopt tegen de gekozen pijl in. Een negatieve spanning: de potentiaal daalt waar je een stijging verwachtte.

stapwat je doet
1Knooppunten () en takken () tellen; per tak een stroompijl.
2 knooppuntvergelijkingen.
3 maasvergelijkingen, één per venster, met de tekenafspraken.
4Oplossen: vereenvoudigen als het kan, anders substitutie of numpy.
5Controle: een extra knooppunt of maas, de vermogensbalans, en de orde van grootte.
Het geheel · 21.19

Waar Kirchhoff vandaan komt en waar hij heen gaat

19/19

De twee wetten zijn behoudswetten: de knooppuntwet is behoud van lading, de maaswet behoud van energie. Daarom duiken ze ook buiten de elektriciteit op, overal waar iets 'stroomt' onder invloed van een 'verschil': water door leidingen (druk en debiet, hoofdstuk 11), warmte door een wand (temperatuur en warmtestroom, hoofdstuk 19), zelfs verkeer op een kruispunt. En een netwerk oplossen is lineaire algebra: de leerlijn wiskundig modelleren en de leerlijn programmeren komen hier samen.

De wet van Ohm, die je hier in elke tak gebruikt.

De vier regels voor serie en parallel: bijzondere gevallen van Kirchhoff.

P = U · I, nu per weerstand en als vermogensbalans.

De inwendige weerstand van een bron is de helling van een rechte door meetpunten.

De LiFePO4-batterij, de coulombteller en het teken van laden en ontladen.

De tweede batterij en het budget van 3,0 W voor de sensoren.

Twee weerstanden in serie als spanningsdeler: zo meet je met een sensor.

Kirchhoff blijft gelden als de spanning verandert, ook met condensatoren.

Het stelsel als matrixvergelijking, en hoe de methode van Gauss het oplost.

De brug van Wheatstone en de instrumentatieversterker: netwerken met een meetdoel.

HabitatDe voeding van de klimaatmodule is nagerekend: een 5 V-rail met gemiddeld 0,16 A en pieken tot 0,36 A, een omvormer van 1 A, minder dan 1 W aan de 12 V-kant tegenover de 3,0 W van het budget, en 4,89 V aan de sensoren op drie meter kabel. De grootste les zit in de massa: grote stromen krijgen een eigen retourdraad naar een sterpunt. In opdracht 21.13 breid je de rail uit met een display en een wifi-module.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

knooppunt
Punt waar drie of meer geleiders samenkomen. Punten die alleen door een draad zonder onderdelen verbonden zijn, vormen samen één knooppunt.
tak
Stuk van een netwerk tussen twee knooppunten, zonder vertakking: door alle onderdelen van een tak loopt dezelfde stroom.
maas
Gesloten lus in een netwerk. Een venster van een vlak getekend schema is een onafhankelijke maas.
knooppuntwet
De som van de stromen die een knooppunt binnenkomen, is gelijk aan de som van de stromen die eruit gaan (behoud van lading).
maaswet
Langs een gesloten lus is de som van de spanningen nul: je komt terug op dezelfde potentiaal (behoud van energie).
potentiaal
De spanning van een punt ten opzichte van een gekozen referentiepunt (de massa, 0 V).
inwendige weerstand
Weerstand in een bron zelf; hierdoor zakt de klemspanning als de bron stroom levert: .
vermogensbalans
Het vermogen dat de bronnen leveren, is gelijk aan de som van de vermogens in alle weerstanden.
sterpunt
Eén gemeenschappelijk massapunt waar elke verbruiker met een eigen retourdraad op aansluit, zodat grote stromen geen spanning opwekken in de massa van een sensor.
Aan de slag in het werkboek17 opdrachten, van oefenen tot uitdagen