Handboek · hoofdstuk 21De wetten van Kirchhoff
Twee wetten die elk netwerk doorrekenen, van een breadboard tot de voeding van een hele module
In Fundamental rekende je met één bron en weerstanden die netjes in serie of parallel stonden. Echte schakelingen zijn gemengd, hebben meer dan één bron, en de draden zelf hebben weerstand. Met twee wetten, die van Gustav Kirchhoff, reken je ze allemaal door: wat een knooppunt binnenkomt, gaat eruit, en wie een gesloten rondje maakt, komt op dezelfde spanning terug. Je leert ze toepassen met tekenafspraken, controleert je berekeningen met metingen, lost een netwerk op als stelsel (met de hand en met numpy) en rekent de hele sensorvoeding van de klimaatmodule na.

- Je kan in een schakeling de knooppunten, takken en mazen aanduiden en het aantal onafhankelijke vergelijkingen bepalen.
- Je kan de knooppuntwet en de maaswet opschrijven met een gekozen stroomzin en omloopzin, en een negatieve uitkomst juist interpreteren.
- Je kan de vervangingsweerstand berekenen van om het even welke weerstanden in serie en parallel.
- Je kan een gemengde schakeling volledig oplossen: alle stromen, spanningen en vermogens.
- Je kan het vermogen in elke weerstand berekenen en een vermogensbalans opstellen als controle.
- Je kan een netwerk met meer dan één bron oplossen als stelsel van vergelijkingen, met de hand en met numpy.
- Je kan metingen gebruiken om een berekening te controleren, en omgekeerd een foute meting opsporen.
- Je kan de voeding van een groep sensoren narekenen, met de spanningsval in de draden en de gevolgen van een gedeelde massadraad.
Een student en de draden van de telegraaf
In 1845 was Gustav Kirchhoff 21 jaar en student in Königsberg, in het toenmalige Pruisen. Elektrische stroom was nog jong: Ohm had zijn wet pas achttien jaar eerder gepubliceerd, en in dezelfde jaren werden de eerste telegraaflijnen gespannen. Ingenieurs wilden weten hoe de stroom zich verdeelt over een netwerk van draden met meerdere batterijen en aftakkingen. Met de wet van Ohm alleen lukte dat niet.
Kirchhoff schreef twee regels op die voor elk netwerk gelden. De eerste: in een punt waar draden samenkomen, kan geen lading verdwijnen of ontstaan. De tweede: wie langs een gesloten weg rondgaat, komt op dezelfde 'hoogte' terug. Twee jaar later, in 1847, toonde hij hoe je voor een netwerk precies zoveel onafhankelijke vergelijkingen vindt als er onbekende stromen zijn. Dat werk is een van de wortels van de grafentheorie, de wiskunde van netwerken.
Later werd Kirchhoff in Heidelberg beroemd om iets heel anders: samen met Robert Bunsen ontdekte hij dat elk element een eigen lijnenspectrum heeft (hoofdstuk 12). Maar elke elektronicus kent hem van de twee wetten die in dit hoofdstuk centraal staan. Simulatieprogramma's die schakelingen doorrekenen, doen in de kern niets anders dan Kirchhoffs vergelijkingen opstellen en oplossen, voor duizenden onderdelen tegelijk.
De klimaatmodule heeft één 12,8 V-rail met lampen, een pomp en ventilatoren, een 5 V-rail met elf verbruikers, en sensoren aan meters kabel. Of alles de juiste spanning krijgt, of de zekeringen kloppen, en of een meting niet verstoord wordt door de stroom van de pomp: dat reken je na met Kirchhoff.

Wat je al weet, en wat er nu bijkomt
In Fundamental leerde je vier regels voor serie en parallel, en de wet van Ohm. Ze kloppen, maar ze werken alleen als een schakeling netjes uit serie- en parallelstukken bestaat en er maar één bron is. De wetten van Kirchhoff zijn de algemene vorm van dezelfde regels.
| wat je al weet (Fundamental) | wat er nu bijkomt |
|---|---|
| In serie loopt overal dezelfde stroom en tellen de spanningen op (F20). | De maaswet: in elke gesloten lus is de som van alle spanningen nul, ook met meerdere bronnen en in ingewikkelde netwerken. |
| Parallel tellen de stromen van de takken op: de knooppuntregel (F20). | De knooppuntwet met een tekenafspraak, ook als je vooraf niet weet welke kant de stroom op gaat. |
| in serie; twee gelijke parallel geven de helft (F20). | voor om het even welke weerstanden parallel. |
| (F19) en (F21). | Het vermogen in elke weerstand, en de vermogensbalans van het hele netwerk. |
| Stroom en spanning meten met een multimeter (F19). | Metingen gebruiken om een berekening te controleren, en een berekening om een meetfout te vinden. |
Eén nieuw woord maakt alles eenvoudiger: de potentiaal. Kies één punt van de schakeling als referentie, meestal de minpool van de bron, en noem dat de massa (0 V; in een schema drie streepjes onder elkaar). De potentiaal van een ander punt is de spanning tussen dat punt en de massa. De spanning over een onderdeel is dan gewoon het verschil tussen de potentialen aan zijn twee uiteinden: . Een microcontroller meet zo: een analoge ingang meet de potentiaal van één punt ten opzichte van zijn eigen GND.
In F20 zag je spanning als hoogte: de bron tilt de lading op, en in elke verbruiker valt ze een stukje naar beneden. De potentiaal is precies die hoogte, gemeten vanaf de vloer (de massa). Een draad zonder weerstand is een vlakke overloop: overal dezelfde potentiaal.
Een netwerk ontleden: knooppunt, tak en maas
Voor je rekent, lees je het schema. Dit netwerk komt verder in het hoofdstuk terug als uitgewerkt voorbeeld. Zes begrippen zijn genoeg om elk netwerk te beschrijven.
- 1Knooppunt
Punt waar drie of meer draden samenkomen, getekend als een bolletje: hier A en B. De hele onderste draad is één knooppunt, want er zit niets tussen: overal dezelfde potentiaal.
- 2Tak
Het stuk tussen twee knooppunten, zonder vertakking. R₃ en R₄ vormen samen één tak: door beide loopt dezelfde stroom I₃. Dit netwerk heeft drie takken: bron met R₁, R₂, en R₃ met R₄.
- 3Maas
Een gesloten lus. De vensters I en II zijn onafhankelijke mazen; de buitenste lus (bron, R₁, R₃, R₄) is ook een maas, maar haar vergelijking is de som van die van I en II.
- 4Gekozen stroomzin
Per tak kies je een pijl. Klopt de keuze niet, dan wordt de stroom gewoon negatief. In deze kring is de zin duidelijk: van de pluspool weg.
- 5Bron
De lange streep is de pluspool. Van de min- naar de pluspool stijgt de potentiaal met de bronspanning U.
- 6Massa
Het referentiepunt: 0 V. Alle potentialen tel je vanaf hier. Waar je de massa legt, verandert niets aan de stromen en spanningen, alleen aan de getallen van de potentialen.
De knooppuntwet: lading hoopt zich niet op
Lading kan in een draad niet verdwijnen en niet ontstaan, en in een knooppunt kan ze zich ook niet opstapelen: er is geen plaats voor. Wat er per seconde binnenkomt, moet er dus per seconde uit. Dat is de eerste wet van Kirchhoff.
In knooppunt (a) komen 0,50 A en 0,20 A binnen en vertrekt 0,45 A. Dan is , dus , in de richting van de pijl.
Je weet niet altijd welke kant de stroom op gaat. Dan kies je een richting, tekent een pijl, en rekent. In knooppunt (b) is de pijl van naar buiten gekozen: , dus . Het minteken is geen fout: het zegt dat er 0,20 A loopt, maar tegen de gekozen pijl in. In (b) komt die stroom het knooppunt dus binnen.
Stroom verdeelt zich over alle takken tussen twee knooppunten. De tak met de kleinste weerstand krijgt het grootste deel, maar ook een tak van 1 MΩ krijgt zijn (kleine) stroom. Alleen als één tak nul ohm heeft (een kortsluiting), krijgt die praktisch alles, en dan staat er geen spanning meer over de andere.
Laadt of ontlaadt de batterij?
Alle 12,8 V-verbruikers van de klimaatmodule hangen aan één rail: de groeilampen (190 W), de pomp (1,0 A), de omvormer voor de sensoren (3,0 W) en de ventilatoren (5 W). De laadregelaar van de zonnepanelen levert . De batterij hangt aan dezelfde rail; we kiezen haar stroom positief als hij de batterij in gaat (laden). Bereken op een zonnige middag () en op een grijze ochtend (), als alles aanstaat.
- ; lampen 190 W, pomp 1,0 A, omvormer 3,0 W, ventilatoren 5 W
- of
- pijl van : de batterij in
- in beide gevallen, en wat het teken betekent
- 1Stroom per verbruiker met : lampen ; omvormer ; ventilatoren ; pomp .
- 2De rail is één knooppunt. Erin: . Eruit: de vier verbruikers en (met de gekozen pijl). Knooppuntwet: , met de som van de verbruikers.
- 3Zonnig: .
- 4Grijs: .
De maaswet: rondgaan en terugkomen op dezelfde hoogte
Neem in gedachten een lading mee langs een gesloten lus. In de bron wordt ze 'opgetild', in elke weerstand zakt ze wat. Als ze terug is bij haar vertrekpunt, is ze op dezelfde potentiaal: anders zou ze bij elke ronde energie winnen of verliezen uit het niets. Dat is de tweede wet van Kirchhoff.
De tekenafspraken. Kies een omloopzin (hier met de klok mee) en loop de maas rond:
- door een bron van − naar +: de potentiaal stijgt, schrijf ; van + naar −: ;
- door een weerstand in de zin van zijn stroompijl: de potentiaal daalt, schrijf ; tegen de stroompijl in: .
In de kring van de figuur, vanaf A met de klok mee: , dus . De potentiaal gaat van 0 V naar 12 V (B), zakt 4,0 V in (C: 8,0 V) en 8,0 V in (D: 0 V). Dat is de regel 'in serie tellen de spanningen op' uit F20, nu als bijzonder geval van een algemene wet.
De stroompijl zegt welke richting je positief noemt voor de stroom in een tak. De omloopzin zegt in welke volgorde je de maas afloopt. Ze hoeven niet samen te vallen. Loop je tegen een stroompijl in door een weerstand, dan schrijf je . Wie zich aan de afspraken houdt, krijgt altijd hetzelfde resultaat, welke zin hij ook kiest.
Twee batterijen parallel: de vereffeningsstroom
De klimaatmodule krijgt een tweede LiFePO4-batterij parallel aan de eerste (hoofdstuk 20). Batterij A is vol en heeft een bronspanning van 13,30 V, batterij B minder vol: 13,10 V. Elke batterij heeft, met haar kabel en BMS, een inwendige weerstand (orde van grootte): en . Er is nog niets aangesloten. Welke stroom loopt er zodra je ze verbindt? Welke spanning meet je dan over de klemmen? En als B bijna leeg was (12,00 V)?
- ,
- ,
- de stroom
- de klemspanning
- als
- 1Kies de stroompijl van A naar B over de bovenste draad, en loop de maas met de klok mee, vanaf de min van A.
- 2Door A van − naar +: . Door met de pijl mee: . Door met de pijl mee: . Door B van + naar −: .
- 3Maaswet: , dus .
- 4Klemspanning (tussen de bovenste en de onderste draad): . Controle langs B: .
- 5Met B op 12,00 V: .
Een echte bron: bronspanning en klemspanning
Het vorige voorbeeld gebruikte een model dat voor elke echte bron werkt: een ideale bron met spanning (de bronspanning, wat je meet zonder stroom) in serie met een kleine inwendige weerstand . Zodra de bron stroom levert, valt er een deel van de spanning over , en blijft er aan de klemmen minder over. De maaswet geeft meteen de formule:
Zet je de klemspanning uit tegen de stroom, dan krijg je een dalende rechte: het snijpunt met de verticale as is , de helling is (hoofdstuk 3). Een blokbatterij van 9 V heeft enkele ohm, een AA-cel enkele tienden van een ohm, een grote LiFePO4-batterij enkele milliohm. Daarom zakt een 9 V-batterij merkbaar als je er een motortje aan hangt, en kan een autobatterij honderden ampère leveren om een startmotor te laten draaien.
Bij kortsluiting is , dus . Voor een LiFePO4-batterij van 13,3 V met 20 mΩ is dat 665 A: genoeg om een schroevendraaier te laten smelten. Elke batterij krijgt daarom een zekering zo dicht mogelijk bij de pluspool (F18), en je werkt met geïsoleerd gereedschap.
Vervangingsweerstand: serie en parallel in het algemeen
Een groep weerstanden gedraagt zich naar buiten toe als één weerstand, de vervangingsweerstand : bij dezelfde spanning trekt ze dezelfde stroom. De wetten van Kirchhoff geven de formules.
Serie. Door alle weerstanden loopt dezelfde stroom . De maaswet zegt dat de spanningen optellen: .
Parallel. Over alle weerstanden staat dezelfde spanning . De knooppuntwet zegt dat de stromen optellen: . Deel door :
Parallel is altijd kleiner dan de kleinste weerstand: elke extra tak is een extra weg voor de stroom. De grafiek toont het voor 100 Ω parallel met een tweede weerstand: hoe groot ook wordt, komt nooit boven 100 Ω.
De stroomdeler. Over twee parallelle weerstanden staat dezelfde spanning, dus : de stromen verhouden zich omgekeerd als de weerstanden. Met de totale stroom :
Een gemengde schakeling volledig oplossen
Bereken in het netwerk van het ontleedblad (, , , , ) alle stromen en alle spanningen. Controleer met de knooppuntwet en de maaswet.
- , , ,
- , , ; tot
- 1Vereenvoudig van binnen naar buiten. en staan in serie: .
- 2staat parallel met : .
- 3staat in serie met die groep: , dus .
- 4Rek terug naar binnen. en de spanning over de parallelle groep .
- 5en .
- 6en .
Vermogen in elke weerstand
Elke weerstand zet elektrische energie om in warmte. Zijn vermogen volgt uit (F21), en met de wet van Ohm kan je dat op drie manieren schrijven:
Twee gevolgen die veel mensen verrassen, met 100 Ω en 220 Ω op 9,0 V (grafiek):
- In serie is de stroom gelijk, dus krijgt de grootste weerstand het grootste vermogen (): 174 mW in 220 Ω tegenover 79 mW in 100 Ω.
- Parallel is de spanning gelijk, dus krijgt de kleinste weerstand het grootste vermogen (): 810 mW in 100 Ω, 368 mW in 220 Ω.
De vermogensbalans. Energie gaat niet verloren: wat alle bronnen samen leveren, nemen alle weerstanden samen op. In het gemengde voorbeeld: , en de bron levert . Dat is een uitstekende controle op een hele berekening.
De weerstandjes in een doos met onderdelen zijn meestal gemaakt voor 0,25 W (¼ W). In de parallelschakeling hierboven wordt de weerstand van 100 Ω met 810 mW meer dan drie keer overbelast: hij wordt heet, verkleurt en kan doorbranden. Reken het vermogen dus altijd na, en kies zo nodig een weerstand van 1 W of 2 W.
Kirchhoff nagemeten
Kloppen de knooppuntwet en de maaswet ook met echte meters en weerstanden met een tolerantie?
- voeding of 9 V-batterij
- weerstanden 1,0 kΩ, 2,2 kΩ en 3,3 kΩ (tolerantie 5 %)
- breadboard
- multimeters (liefst drie)
- draadjes
- 1Bouw de schakeling van het schema: R₁ in serie met R₂ en R₃, die parallel staan.
- 2Bereken vooraf alle stromen en spanningen met de nominale waarden (stroom in mA, spanning in V).
- 3Meet de bronspanning, de spanning over R₁ en over de parallelle groep.
- 4Meet de stroom in de hoofdleiding en in elke tak. Heb je maar één meter, verplaats hem dan: open telkens de kring op die plaats.
- 5Controleer: tellen de takstromen op tot de hoofdstroom? Tellen en op tot de bronspanning?
| meter | berekend (nominaal) | gemeten |
|---|---|---|
| bron | 9,00 V | 9,02 V |
| A₁ (hoofdleiding) | 3,88 mA | 3,91 mA |
| A₂ (tak R₂) | 2,33 mA | 2,33 mA |
| A₃ (tak R₃) | 1,55 mA | 1,58 mA |
| V₁ (over R₁) | 3,88 V | 3,86 V |
| V₂ (over R₂ en R₃) | 5,12 V | 5,16 V |
Voorbeeldmeting. Knooppuntwet: . Maaswet: . Beide kloppen op het laatste cijfer.
De wetten van Kirchhoff kloppen ook voor de metingen: ze zijn geen benadering, maar behoud van lading en energie. Waar berekening en meting verschillen, zit het verschil in de gegevens: de bron gaf 9,02 V in plaats van 9,00 V, en de weerstanden wijken tot 5 % af van hun opgedrukte waarde (hier bleek , , met de ohmmeter). Met die echte waarden geeft de berekening precies de metingen.
Een multimeter op het mA-bereik heeft zelf een kleine weerstand (enkele tot enkele tientallen ohm). Tegenover kilo-ohms is dat verwaarloosbaar; in een kring met enkele ohm zou de meter zelf de stroom merkbaar verkleinen. Dat is de reden om voor zo'n proef weerstanden van enkele kilo-ohm te kiezen.

Van netwerk naar stelsel
Niet elk netwerk bestaat uit serie- en parallelstukken. Staan er twee bronnen in verschillende takken, of zit er een weerstand 'dwars' tussen twee takken (een brug), dan kan je niets meer samennemen. Dan schrijf je de wetten van Kirchhoff gewoon op en los je het stelsel op. Met takken heb je onbekende stromen, en dus onafhankelijke vergelijkingen nodig:
Voor het netwerk van het ontleedblad: (A en B), . Dus 1 knooppuntvergelijking en 2 maasvergelijkingen (vensters I en II): drie vergelijkingen voor , en .
Je kan er meer opschrijven (de buitenste maas, het tweede knooppunt), maar die zijn een som van de andere: ze brengen niets nieuws. Ze zijn wel nuttig als controle achteraf.
Twee batterijen voeden samen de lampen
Dezelfde twee batterijen als eerder (13,30 V met 20 mΩ en 13,10 V met 25 mΩ) voeden nu samen de groeilampen. Stel de lampen voor als een weerstand (190 W bij ongeveer 13 V). Hoeveel stroom levert elke batterij, en welke spanning krijgen de lampen?
- ,
- ,
- , , en de spanning over de lampen
- 1Tel: knooppunten (boven K, onder), takken. Kies de pijlen zoals in de figuur: en naar K toe, door de lampen naar beneden.
- 2Knooppunt K: .
- 3Maas 1 (A en de lampen, met de klok mee): .
- 4Maas 2 (B en de lampen, tegen de klok in, ook vanaf de min van B): .
- 5Substitutie. Vul in: en .
- 6Eliminatie. Trek de tweede vergelijking af van de eerste: , dus . Invullen in de tweede: , zodat en . Dan en .
Het stelsel met numpy
Met de hand is een stelsel van drie vergelijkingen nog te doen; een netwerk met twintig takken niet meer. Schrijf het stelsel daarom als één matrixvergelijking : elke rij van bevat de coëfficiënten van één vergelijking, is de lijst onbekende stromen, en bevat wat rechts van het gelijkheidsteken staat. De bibliotheek numpy lost dat op met np.linalg.solve. Hoe dat binnenin werkt (de methode van Gauss) en wat een matrix precies is, leer je in hoofdstuk E5.
# twee_batterijen.py - twee batterijen voeden samen de groeilampen: een stelsel van drie vergelijkingenimport numpy as np UA, RA = 13.30, 0.020 # batterij A: bronspanning (V), inwendige weerstand met kabel (ohm)UB, RB = 13.10, 0.025 # batterij BRL = 0.90 # de groeilampen als weerstand (ohm) # onbekenden x = [IA, IB, IL], in de gekozen stroomzin van de figuurA = np.array([[1.0, 1.0, -1.0], # knooppunt K: IA + IB - IL = 0 [RA, 0.0, RL], # maas 1: RA*IA + RL*IL = UA [0.0, RB, RL]]) # maas 2: RB*IB + RL*IL = UBb = np.array([0.0, UA, UB])IA, IB, IL = np.linalg.solve(A, b)print(f"IA = {IA:.2f} A IB = {IB:.2f} A IL = {IL:.2f} A")print(f"spanning over de lampen: {RL * IL:.3f} V") # controle: wat de bronnen leveren, nemen de weerstanden opP_bronnen = UA * IA + UB * IBP_weerstanden = RA * IA**2 + RB * IB**2 + RL * IL**2print(f"bronnen {P_bronnen:.2f} W, weerstanden {P_weerstanden:.2f} W") print("\n UB (V) IA (A) IB (A) IL (A)")for ub in (12.9, 13.0, 13.1, 13.2, 13.3): IA, IB, IL = np.linalg.solve(A, [0.0, UA, ub]) print(f"{ub:8.2f} {IA:8.2f} {IB:8.2f} {IL:8.2f}")Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):
IA = 12.50 A IB = 2.00 A IL = 14.50 A spanning over de lampen: 13.050 V bronnen 192.45 W, weerstanden 192.45 W UB (V) IA (A) IB (A) IL (A) 12.90 16.89 -2.49 14.40 13.00 14.70 -0.24 14.45 13.10 12.50 2.00 14.50 13.20 10.30 4.24 14.55 13.30 8.11 6.49 14.60
De vermogensbalans klopt tot op de laatste decimaal: een goede test voor elk programma dat netwerken oplost. De tabel toont wat er gebeurt als batterij B leger is: bij 12,9 V wordt negatief, en laadt batterij A haar bij terwijl ze ook nog de lampen voedt. De lampen zelf merken bijna niets: hun stroom blijft rond 14,5 A.
Habitat: de 5 V-voeding van alle sensoren narekenen
De microcontroller en alle sensoren van de klimaatmodule hangen parallel aan één 5 V-rail, die gevoed wordt door een omvormer van 12 V naar 5 V (rendement 83 %, zoals in de meetkas). De rail is één knooppunt: de stroom die de omvormer levert, is de som van alle verbruikers. Voor elke verbruiker haal je de stroom uit de datasheet: het gemiddelde voor het energieverbruik, de piek om de omvormer en de draden te kiezen.
| verbruiker op 5 V | gemiddeld (mA) | piek (mA) |
|---|---|---|
| microcontroller (Arduino Mega 2560, rekenwaarde) | 50 | 50 |
| CO₂-sensor (NDIR, MH-Z19B) | 60 | 150 |
| pH-module (hoofdstuk 15) | 10 | 10 |
| stroomsensor ACS712 (hoofdstuk 16) | 10 | 13 |
| druksensor MPX5010 (hoofdstuk 11) | 5 | 10 |
| SD-kaartmodule (datalogger) | 10 | 100 |
| twee statusleds (hoofdstuk 23) | 10 | 20 |
| temperatuur en RV (DHT22) | 1,5 | 1,5 |
| lichtsensor, LDR + 1 kΩ (hoofdstuk 22) | 2 | 4,5 |
| NTC in het reservoir (hoofdstuk 22) | 0,25 | 0,25 |
| EC-meting, gepulst (hoofdstuk 13) | 0,10 | 2,3 |
| som (knooppuntwet) | 158,8 | 361,6 |
Vermogen. Aan de 5 V-kant: gemiddeld, 1,81 W bij de pieken. De omvormer neemt aan de 12 V-kant gemiddeld (2,2 W piek), bij 12,8 V een stroom van 0,075 A. Een omvormer van 1 A aan de 5 V-kant heeft dus meer dan genoeg reserve, en de zekering van 1 A aan de 12 V-kant beschermt de draad.
Het budget. Hoofdstuk 20 rekende voor 'microcontroller en sensoren' met 3,0 W. De som van de datasheets geeft 0,96 W gemiddeld: het budget is ruim. Die ruimte is welkom: een display en een wifi-module voor de datalogger komen er later bij (opdracht 21.13), en een kleine omvormer werkt bij weinig belasting slechter dan 83 %.
De sensorkast op drie meter. De CO₂-sensor, de temperatuursensor en de lichtsensor zitten in een kastje boven het kweekbed, 3,0 m van de microcontroller, aan een sensorkabel met aders van 0,14 mm². De weerstand van een draad volgt uit zijn lengte en doorsnede:
Eén ader: . Bij de piek van het kastje (156 mA, vooral de CO₂-sensor) valt er over de plus- én over de massader 0,057 V. De maaswet langs plusader, sensor en massader: aan de sensoren. Dat ligt binnen de 4,5 tot 5,5 V die de CO₂-sensor vraagt.

Habitat: waarom de pH verspringt als de pomp aanslaat
Bij de eerste test van de klimaatmodule verspringt de gemeten pH telkens met ongeveer een halve eenheid als de pomp aanslaat. De pH-module (hoofdstuk 15: 2,50 V bij pH 7,00, per pH) en de pomp (1,0 A) staan allebei bij het reservoir. Om draad te sparen, lopen hun massadraden samen over één ader van 2,5 m en 0,5 mm² naar de massa van de microcontroller. Verklaar het verspringen en reken het na.
- gedeelde massadraad: , , koper
- pomp 1,0 A, pH-module 10 mA
- pH-module: per pH
- de verschuiving van de massa van de module
- de fout in de pH
- een oplossing
- 1Weerstand van de gedeelde draad: .
- 2Als de pomp draait, loopt er door die draad naar de microcontroller. De massa van de module ligt dan hoger dan de massa van de microcontroller.
- 3De module zet haar signaal ten opzichte van haar eigen massa. Maaswet langs signaaldraad, module en massadraad: de microcontroller meet het signaal plus 0,087 V.
- 4Een hogere spanning betekent bij deze module een lagere pH: de fout is pH. De regeling denkt dat de oplossing zuurder wordt zodra de pomp draait.
- 5Oplossing: een sterpunt. De pomp krijgt een eigen retourdraad rechtstreeks naar de minpool. Door de massadraad van de module loopt dan alleen haar eigen 10 mA: , of 0,005 pH.
Overzicht: de wetten van Kirchhoff
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| stroom in een tak (met gekozen pijl) | A |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| stijging (+) of daling (−) van de potentiaal | V |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| vervangingsweerstand | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| stroom naar de twee takken | A |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| vermogen | W |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| bronspanning | V | |
| inwendige weerstand | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| soortelijke weerstand (koper 0,0172) | Ω·mm²/m | |
| lengte | m | |
| doorsnede | mm² |
| je loopt door ... | in de zin van de pijl / van − naar + | tegen de pijl / van + naar − |
|---|---|---|
| een weerstand met stroom | ||
| een bron | (van − naar +) | (van + naar −) |
| een draad | 0 (geen weerstand, geen spanning) | |
Een negatieve stroom in de uitkomst: de stroom loopt tegen de gekozen pijl in. Een negatieve spanning: de potentiaal daalt waar je een stijging verwachtte.
| stap | wat je doet |
|---|---|
| 1 | Knooppunten () en takken () tellen; per tak een stroompijl. |
| 2 | knooppuntvergelijkingen. |
| 3 | maasvergelijkingen, één per venster, met de tekenafspraken. |
| 4 | Oplossen: vereenvoudigen als het kan, anders substitutie of numpy. |
| 5 | Controle: een extra knooppunt of maas, de vermogensbalans, en de orde van grootte. |
Waar Kirchhoff vandaan komt en waar hij heen gaat
De twee wetten zijn behoudswetten: de knooppuntwet is behoud van lading, de maaswet behoud van energie. Daarom duiken ze ook buiten de elektriciteit op, overal waar iets 'stroomt' onder invloed van een 'verschil': water door leidingen (druk en debiet, hoofdstuk 11), warmte door een wand (temperatuur en warmtestroom, hoofdstuk 19), zelfs verkeer op een kruispunt. En een netwerk oplossen is lineaire algebra: de leerlijn wiskundig modelleren en de leerlijn programmeren komen hier samen.
De wet van Ohm, die je hier in elke tak gebruikt.
De vier regels voor serie en parallel: bijzondere gevallen van Kirchhoff.
P = U · I, nu per weerstand en als vermogensbalans.
De inwendige weerstand van een bron is de helling van een rechte door meetpunten.
De LiFePO4-batterij, de coulombteller en het teken van laden en ontladen.
De tweede batterij en het budget van 3,0 W voor de sensoren.
Twee weerstanden in serie als spanningsdeler: zo meet je met een sensor.
Kirchhoff blijft gelden als de spanning verandert, ook met condensatoren.
Het stelsel als matrixvergelijking, en hoe de methode van Gauss het oplost.
De brug van Wheatstone en de instrumentatieversterker: netwerken met een meetdoel.
In het kort
- Een knooppunt is een punt waar drie of meer draden samenkomen, een tak het stuk ertussen, een maas een gesloten lus.
- Knooppuntwet: wat een knooppunt binnenkomt, gaat eruit (); behoud van lading.
- Maaswet: langs een gesloten lus is de som van de potentiaalverschillen nul; behoud van energie. Bron van − naar +: ; weerstand met de pijl mee: .
- Kies de stroompijlen vrij: een negatieve uitkomst betekent dat de stroom tegen de pijl in loopt.
- Vervangingsweerstand: in serie ; parallel , altijd kleiner dan de kleinste.
- Vermogen per weerstand: ; in serie wordt de grootste weerstand het warmst, parallel de kleinste. De bronnen leveren wat de weerstanden opnemen.
- Een echte bron: . Een netwerk met takken en knooppunten geeft knooppunt- en maasvergelijkingen: los ze op met de hand of met numpy.
- Een gedeelde massadraad laat de stroom van een grote verbruiker in een sensormeting doorklinken: gebruik een sterpunt.
Wat je nu kent
- knooppunt
- Punt waar drie of meer geleiders samenkomen. Punten die alleen door een draad zonder onderdelen verbonden zijn, vormen samen één knooppunt.
- tak
- Stuk van een netwerk tussen twee knooppunten, zonder vertakking: door alle onderdelen van een tak loopt dezelfde stroom.
- maas
- Gesloten lus in een netwerk. Een venster van een vlak getekend schema is een onafhankelijke maas.
- knooppuntwet
- De som van de stromen die een knooppunt binnenkomen, is gelijk aan de som van de stromen die eruit gaan (behoud van lading).
- maaswet
- Langs een gesloten lus is de som van de spanningen nul: je komt terug op dezelfde potentiaal (behoud van energie).
- potentiaal
- De spanning van een punt ten opzichte van een gekozen referentiepunt (de massa, 0 V).
- inwendige weerstand
- Weerstand in een bron zelf; hierdoor zakt de klemspanning als de bron stroom levert: .
- vermogensbalans
- Het vermogen dat de bronnen leveren, is gelijk aan de som van de vermogens in alle weerstanden.
- sterpunt
- Eén gemeenschappelijk massapunt waar elke verbruiker met een eigen retourdraad op aansluit, zodat grote stromen geen spanning opwekken in de massa van een sensor.