Handboek · hoofdstuk 11Druk en hydraulica
Waarom een punaise prikt, een dam onderaan dikker is en een klein pompje water 1,5 m hoog krijgt
Een kracht die over een oppervlak verdeeld is, heet druk. Druk verklaart waarom sneeuwschoenen werken en een mes snijdt, waarom je oren pijn doen onderaan een zwembad, hoe een klein pedaal een auto van 100 km/h stilzet, en waarom een stalen schip drijft. In dit hoofdstuk reken je met druk in vloeistoffen (), gebruik je de wet van Pascal in hydraulische systemen, verklaar je met Archimedes wat je in F7 al zag bij zinken en drijven, en ontdek je dat we op de bodem van een zee van lucht leven. Voor Habitat meet je het niveau in het reservoir met een druksensor en kies je de pomp.

- Je kan druk berekenen als kracht per oppervlakte en omrekenen tussen Pa, hPa, kPa, bar en MPa.
- Je kan de hydrostatische druk berekenen met en afleiden uit het gewicht van een vloeistofkolom.
- Je kan uitleggen waarom de druk alleen van de diepte afhangt en niet van de vorm van het vat (communicerende vaten).
- Je kan de wet van Pascal toepassen op een hydraulische pers, een krik en een remkring, en nagaan dat de arbeid behouden blijft.
- Je kan de opwaartse kracht berekenen met de wet van Archimedes en bepalen of en hoe diep een voorwerp drijft.
- Je kan de atmosferische druk verklaren, schatten hoe ze met de hoogte afneemt, en overdruk en absolute druk uit elkaar houden.
- Je kan uitleggen wat een pomp doet, waarom zuigen maar tot ongeveer 10 m werkt, en een pomp kiezen met een pompkarakteristiek.
- Je kan een druksensor gebruiken om een vloeistofniveau te meten, en de omrekening programmeren.
Wat je al weet, en wat nu komt
In F7 zag je dat een voorwerp zinkt, zweeft of drijft naargelang zijn dichtheid, en dat een drijvend voorwerp zo ver wegzakt dat het evenveel vloeistof verplaatst als zijn eigen massa. Waarom dat zo is, bleef open. In F6 botsten gasdeeltjes tegen de wand van hun vat. In hoofdstuk 9 pompte je water 1,5 m hoog, en in hoofdstuk 10 vervang je een verdeelde last door één resultante.
| begrip | formule of regel | waar |
|---|---|---|
| dichtheid | , water 1,00 g/cm³ = 1000 kg/m³ | F7 |
| zinken, zweven, drijven | vergelijk de dichtheid van voorwerp en vloeistof | F7 |
| gasdeeltjes botsen tegen de wand | deeltjesmodel | F6 |
| zwaartekracht, normaalkracht | F11, hoofdstuk 8 | |
| opvoerhoogte van een pomp | hoofdstuk 9 | |
| resultante van een driehoekige last, hefboom, koppel | op een derde | hoofdstuk 10 |
In dit hoofdstuk verdeel je een kracht over een oppervlak. Concreet:
- reken je met druk en haar eenheden;
- bereken je de druk in een vloeistof, onderaan het voedingsreservoir en op zijn wand;
- laat je een kleine kracht een grote maken met hydrauliek (wet van Pascal);
- verklaar je drijven met de opwaartse kracht van Archimedes;
- ontdek je de luchtdruk, en het verschil tussen overdruk en absolute druk;
- zoek je uit wat een pomp doet, en welke pomp en welke slang Habitat nodig heeft.
Druk: kracht per oppervlakte
Leg een baksteen plat op zand, dan op zijn kant, dan rechtop. Het gewicht is telkens hetzelfde, maar hoe kleiner het steunvlak, hoe dieper de steen wegzakt. Wat telt, is hoe de kracht over het oppervlak verdeeld is: de druk.
Eén pascal is heel weinig: een blad papier op tafel geeft ongeveer 1 Pa. Daarom gebruik je vaak veelvouden:
| eenheid | in pascal | waar je ze ziet |
|---|---|---|
| 1 Pa = 1 N/m² | 1 | SI-eenheid |
| 1 hPa = 1 mbar | 100 | weerkaarten (1013 hPa) |
| 1 kPa | 1000 | techniek, sensoren |
| 1 bar | 100 000 | banden, leidingwater, duikflessen |
| 1 MPa | 1 000 000 | hydrauliek, sterkte van materialen |
| 1 mmHg (millimeter kwik) | 133,3 | bloeddruk (120/80 mmHg) |
| 1 standaardatmosfeer | 101 325 | = 1013,25 hPa = 760 mmHg |
Wil je veel druk, dan maak je de oppervlakte klein: een mes, een naald, de punt van een punaise. Wil je weinig druk, dan maak je ze groot: sneeuwschoenen, de rupsbanden van een tank of een graafmachine, de brede riemen van een rugzak.
| situatie | kracht | oppervlakte | druk (orde van grootte) |
|---|---|---|---|
| winddruk op een wand bij storm (20 m/s) | 300 Pa | ||
| iemand van 70 kg op twee sneeuwschoenen | 687 N | 0,40 m² | 1,7 kPa |
| iemand van 60 kg op twee schoenen | 589 N | 0,030 m² | 20 kPa |
| olifant van 5 t op vier poten | 49 kN | ongeveer 0,5 m² | 100 kPa |
| luchtdruk op zeeniveau | 101 kPa | ||
| autoband (overdruk) | 220 kPa = 2,2 bar | ||
| iemand van 60 kg op één naaldhak | 589 N | 1 cm² | 6 MPa |
| punt van een punaise | 20 N | 0,1 mm² | 200 MPa |
Een naaldhak en een olifantenpoot: de olifant oefent tachtig keer zoveel kracht uit, maar de naaldhak geeft zestig keer zoveel druk. Kracht is een vector met een richting (in N); druk is kracht per oppervlakte (in Pa) en werkt in een vloeistof of gas in alle richtingen tegelijk.
Habitat: drukt het reservoir te hard op de vloer?
Het volle voedingsreservoir (65 kg met bak, deksel en pomp, buitenmaten 0,64 m × 0,44 m) staat op de vloer van de klimaatmodule. Vloeren in Belgische woningen worden berekend op een gelijkmatig verdeelde nuttige belasting van 2,0 kN/m² (en daarnaast op een puntlast van 2 kN). Hoe groot is de druk van het reservoir op de vloer? Wat verandert er als het reservoir op vier pootjes van 3 × 3 cm staat?
- ; pootjes
- rekenwaarde vloer: verdeeld, als puntlast
- op de volle bodem en op de pootjes
- 1Kracht: .
- 2Op de volle bodem: , of .
- 3Dat is iets meer dan de 2,0 kN/m² van de norm, maar alleen op 0,28 m². De totale kracht, 0,64 kN, is veel kleiner dan de puntlast van 2 kN waarmee elke vloer ook berekend wordt. In hoofdstuk 10 berekende je welke krachten de liggers daardoor krijgen: 595 N en 223 N.
- 4Op vier pootjes: : bijna tachtig keer zoveel.
Druk in een vloeistof
Duik naar de bodem van een zwembad en je voelt het in je oren: hoe dieper, hoe groter de druk. De oorzaak is het gewicht van het water boven je. Neem een denkbeeldige kolom water met oppervlakte en hoogte . Haar massa is en haar gewicht . Verdeeld over de oppervlakte geeft dat
Drie gevolgen die je niet meteen verwacht:
- De vorm doet er niet toe. viel weg uit de formule: de druk hangt alleen af van de diepte. Onderaan een smalle buis van 10 m hoog is de druk even groot als onderaan een meer van 10 m diep.
- Druk werkt in alle richtingen. Op een bepaalde diepte duwt het water even hard opzij en omhoog als omlaag. Daarom staat er ook druk op de wanden van een reservoir, en is een stuwdam onderaan dikker.
- In water: ongeveer 1 bar per 10 m. . Een duiker op 10 m diepte in zee ondervindt dus 1 bar overdruk, 2 bar absoluut: twee keer de druk aan het oppervlak.
Het water in een breed vat weegt meer, maar het verdeelt zich ook over een grotere bodem. De druk hangt alleen af van de hoogte van de vloeistof. Zet je vaten van heel verschillende vorm op dezelfde bodemplaat, dan is bij gelijke waterhoogte de kracht op die bodemplaat telkens gelijk. Pascal beschreef deze hydrostatische paradox al in de zeventiende eeuw.
Habitat: de druk onderaan het voedingsreservoir
Het voedingsreservoir heeft binnenmaten van 60 cm × 40 cm × 30 cm en is gevuld tot 25 cm (60 L). Bereken de overdruk en de absolute druk op de bodem, de kracht op de bodem, en de kracht die het water op een lange zijwand uitoefent. Neem voor de voedingsoplossing (1 g zout per liter verandert daar bijna niets aan).
- , bodem
- ,
- en op de bodem
- op een lange zijwand
- 1Overdruk op de bodem: . Absoluut: .
- 2Kracht op de bodem (door het water): .
- 3Controle: dat is precies het gewicht van 60 kg water, . Bij een vat met rechte wanden draagt de bodem al het water.
- 4Op de zijwand groeit de druk lineair van 0 (bovenaan) tot 2452,5 Pa (onderaan): een driehoekige belasting (hoofdstuk 10). De gemiddelde druk is de helft: .
- 5Die resultante grijpt aan op een derde van de waterhoogte boven de bodem: .
De druk in water meten met een drukdoos
Hoe hangt de druk in water af van de diepte? En hangt ze af van de richting waarin je meet?
- hoge maatcilinder of vaas, gevuld met water
- drukdoos: kleine trechter met een strak gespannen ballonvlies
- slangetje en U-buis met gekleurd water
- meetlat
- 1Verbind de drukdoos met het slangetje met één been van de U-buis. Controleer dat beide waterniveaus in de U-buis gelijk staan.
- 2Laat de drukdoos zakken tot 5 cm onder het wateroppervlak (gemeten tot het vlies). Lees het hoogteverschil tussen de twee benen af.
- 3Herhaal om de 5 cm tot 25 cm diepte.
- 4Draai op 15 cm diepte het vlies eens opzij en eens naar boven, zonder de diepte te veranderen. Noteer telkens .
| diepte (cm) | 0 | 5 | 10 | 15 | 20 | 25 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| (cm) | 0,0 | 4,8 | 9,7 | 14,6 | 19,5 | 24,3 |
groeit evenredig met de diepte, net iets minder dan de diepte zelf. Op 15 cm blijft 14,6 cm, of het vlies nu naar onder, opzij of naar boven wijst.
De U-buis vergelijkt de druk in de drukdoos met de luchtdruk: een hoogteverschil in water betekent een overdruk . De drukdoos meet dus diepte: de druk is recht evenredig met de diepte, zoals voorspelt. Dat iets kleiner is dan de diepte (helling 0,97), komt doordat het vlies zelf een beetje spanning opvangt en de lucht in het slangetje iets samengedrukt wordt. Dat het vlies in elke richting hetzelfde meet, toont dat druk in een vloeistof in alle richtingen even groot is.
Communicerende vaten
Verbind vaten onderaan met elkaar en giet er water in: het staat overal even hoog, hoe verschillend de vaten ook zijn. Stond het in één vat hoger, dan was de druk op de bodem daar groter (), en stroomde het water weg naar de andere vaten tot de drukken gelijk zijn. Zulke vaten heten communicerende vaten. Je gebruikt ze vaker dan je denkt:
- De peilbuis. Het voedingsreservoir van Habitat is lichtdicht (algen, hoofdstuk 5): je ziet het water niet. Een doorzichtig buisje dat onderaan op het reservoir aangesloten is, toont het niveau.
- De slangwaterpas. Een doorzichtige slang vol water: de twee uiteinden staan altijd even hoog, ook om een hoek of tien meter verder. Bouwvakkers zetten er peilen mee uit.
- De watertoren. Een reservoir hoog boven de stad levert de druk in het leidingnet. Een kraan 32 m onder de waterspiegel krijgt overdruk, zonder dat er een pomp draait. Hoog in een flatgebouw is de druk lager, en daar zijn soms drukverhogingspompen nodig.
- Een sifon onder een gootsteen houdt altijd wat water vast, zodat er geen rioollucht naar boven komt.
Gelijke niveaus gelden voor dezelfde vloeistof, die stilstaat, en met dezelfde luchtdruk boven elk oppervlak. Twee vloeistoffen met een verschillende dichtheid staan niet even hoog (dat gebruik je in een U-buis om een dichtheid te meten), en in een leiding waar water stroomt, gaat druk verloren aan wrijving (verderop).
De wet van Pascal en de hydraulische pers
Druk je op de zuiger van een injectiespuit vol water met een dichtgeknepen opening, dan stijgt de druk overal in het water even veel, ook in de hoeken. Blaise Pascal beschreef het in de zeventiende eeuw:
Een kracht vermenigvuldigen zonder iets te verliezen? Dat kan niet, en dat klopt ook: de olie die de kleine zuiger wegduwt, verdeelt zich onder de grote zuiger over een veel grotere oppervlakte. Het volume blijft gelijk: . De grote zuiger beweegt dus zoveel keer minder. De arbeid aan beide kanten is dezelfde: . Dat is de gulden regel van hoofdstuk 9, net als bij de hefboom (hoofdstuk 10) en het hellend vlak.
Waarom een vloeistof? Omdat die (bijna) niet samendrukbaar is. Zit er lucht in een hydraulisch systeem, dan drukt je zuiger eerst die lucht samen voor er iets gebeurt: het pedaal voelt 'sponzig' aan. Hydrauliek zit in graafmachines, hefbruggen, kraanwagens, de landingsgestellen van vliegtuigen, kantpersen die staalplaat plooien en de remmen van elke auto.
Een hydraulische krik
Een flessenkrik heeft een pompzuiger van 12 mm diameter en een hefzuiger van 50 mm. Je duwt met 150 N op de hendel, die als hefboom de kracht 8 keer vergroot (hoofdstuk 10). Welke druk heerst er in de olie, en welke last kan de krik heffen? Hoeveel keer moet je pompen om de last 10 cm op te krikken als de pompzuiger per slag 20 mm zakt?
- ,
- handkracht 150 N, hefboom 8 : 1
- slag pompzuiger 20 mm
- , en het aantal slagen voor 10 cm
- 1Kracht op de pompzuiger: .
- 2Oppervlaktes: en .
- 3Druk: .
- 4Kracht op de hefzuiger: : het gewicht van 2,1 ton. (Of korter: .)
- 5Per slag verplaatst de pompzuiger olie; de hefzuiger stijgt . Voor 100 mm: slagen.
De hydraulische rem van een auto
Met je voet stop je een auto van anderhalve ton. Dat lukt omdat twee principes uit dit en het vorige hoofdstuk samenwerken: de hefboom en de wet van Pascal. (Bij een echte auto helpt nog een rembekrachtiger, die de pedaalkracht enkele keren vergroot.)
- 1Rempedaal: een hefboom
Het pedaal draait rond een as bovenaan; de duwstang zit op een vierde van de afstand tot je voet. Een voet die met 200 N duwt, duwt de stang met 800 N (hefboom 4 : 1).
- 2Hoofdcilinder
Een zuiger van 22 mm diameter (): , ongeveer 21 bar.
- 3Reservoir met remvloeistof
Vult de kring bij als de remblokken slijten en de zuigers verder uitschuiven. Remvloeistof neemt vocht op; daarom wordt ze om de twee jaar vervangen.
- 4Remleiding
Een dunne stalen leiding. Volgens Pascal staat overal in de kring dezelfde druk. Zit er lucht in, dan drukt die eerst samen: het pedaal zakt door, en de remmen werken slecht. Daarom wordt een remkring na herstellingen 'ontlucht'.
- 5Zuiger in de remklauw
Een zuiger van 54 mm diameter (): , zes keer de kracht op de stang, 24 keer die van je voet.
- 6Remblokken en remschijf
De zuiger klemt de blokken tegen de draaiende schijf. De wrijving (hoofdstuk 8) zet de bewegingsenergie van de auto om in warmte (hoofdstuk 9): een remschijf kan na een lange afdaling honderden graden heet worden.
De wet van Archimedes
Een steen onder water lijkt lichter; een strandbal duw je nauwelijks onder. Het water duwt omhoog, met de opwaartse kracht. Waar komt die vandaan? Neem een blok met bovenvlak en hoogte onder water. De druk op de zijkanten heft zich op. Op het bovenvlak duwt het water omlaag met , op het ondervlak omhoog met . Onderaan is het dieper, dus de druk groter. Het verschil:
Archimedes beschreef die wet in de derde eeuw voor onze tijdrekening, in zijn boek Over drijvende lichamen. Nu kan je F7 verklaren. Op een voorwerp in een vloeistof werken twee krachten: het gewicht omlaag en de opwaartse kracht omhoog (helemaal ondergedompeld).
- : het gewicht wint, het voorwerp zinkt.
- : evenwicht, het voorwerp zweeft.
- : het voorwerp stijgt tot een deel boven komt, en drijft als : , dus . Precies de regel uit F7.
Een loden en een aluminium blokje van hetzelfde volume krijgen onder water dezelfde opwaartse kracht: het water 'weet' niet waarvan het blokje gemaakt is, alleen hoeveel plaats het inneemt. Het loden blokje zinkt toch, omdat zijn gewicht veel groter is.
Een steen wegen onder water
Hoe groot is de opwaartse kracht op een steen, en kan je er het volume en de dichtheid van de steen mee bepalen? Wat toont een weegschaal onder de beker als je de steen onderdompelt?
- dynamometer van 5 N
- steen of metalen blok aan een dun touwtje (ongeveer 500 g)
- beker met water op een keukenweegschaal
- zout (voor de tweede meting)
- 1Hang de steen aan de dynamometer en lees zijn gewicht in de lucht af.
- 2Zet de weegschaal met de beker water op nul.
- 3Laat de steen helemaal onder water zakken, zonder de bodem of de wand te raken. Lees de dynamometer en de weegschaal af.
- 4Los 100 g zout op per liter water en herhaal.
- 5Bereken de opwaartse kracht, het volume en de dichtheid van de steen.
| dynamometer | weegschaal onder de beker | |
|---|---|---|
| in de lucht | 4,90 N | 0 g |
| onder in water | 3,05 N | +189 g |
| onder in zout water | 2,86 N | +208 g |
De opwaartse kracht in water is . Dat is het gewicht van de verplaatste vloeistof, dus , en de dichtheid van de steen is : ongeveer die van kwarts of graniet. Het volume van een onregelmatig voorwerp meten zonder overloopvat: zo deed Archimedes het volgens Galilei met de krans (F7).
In zout water (ongeveer 1,10 g/cm³) is de opwaartse kracht groter: . En de weegschaal? Het water duwt de steen omhoog, dus duwt de steen het water omlaag (derde wet, hoofdstuk 8): de weegschaal stijgt met precies (in zout water 208 g). Wat de dynamometer minder toont, toont de weegschaal meer.
Habitat: de vlotter in het reservoir
Als tweede beveiliging naast de druksensor krijgt het voedingsreservoir een vlotterschakelaar: een holle kunststof cilinder (diameter 3,0 cm, hoogte 5,0 cm, massa 8,0 g) met een magneetje, die langs een stang schuift en een reedcontact in de stang schakelt. Hoe diep zakt de vlotter in de voedingsoplossing? Met welke kracht duwt hij tegen de bovenste aanslag als het water te hoog komt en hem helemaal onderdompelt?
- cilinder: , ,
- diepgang
- kracht bij volledige onderdompeling
- 1Volume: ; gemiddelde dichtheid : de vlotter drijft.
- 2Drijven: , dus de vlotter verplaatst 8,0 g oplossing, . Diepgang: .
- 3Helemaal onder: , gewicht . De vlotter duwt tegen de aanslag met .
Drijven, zweven en stabiel blijven
Een stalen schip drijft omdat zijn romp veel lucht omsluit: de gemiddelde dichtheid van schip en lucht is kleiner dan die van water (F7). Hoe zwaarder het geladen wordt, hoe dieper het zakt, tot het evenveel water verplaatst als het weegt. Een duikboot regelt zijn gemiddelde dichtheid met ballasttanks: laat hij er water in, dan zinkt hij; blaast hij ze leeg met perslucht, dan stijgt hij. Een vis doet hetzelfde met zijn zwemblaas. Ook in lucht werkt Archimedes: een heliumballon stijgt omdat de lucht die hij verplaatst zwaarder is dan de ballon met het helium.
Drijven is niet genoeg: je moet ook rechtop blijven. Het gewicht grijpt aan in het zwaartepunt van het schip, de opwaartse kracht in het zwaartepunt van het verplaatste water (het drukkingspunt). Helt een schip over, dan verschuift naar de kant die dieper ligt. Gewicht en opwaartse kracht vormen dan een koppel (hoofdstuk 10). Ligt laag, dan draait dat koppel het schip terug. Ligt te hoog, dan draait het het schip verder om.
Op 10 augustus 1628 vertrok het Zweedse oorlogsschip Vasa op zijn eerste tocht, in de haven van Stockholm. Na ruim een kilometer helde het in een windvlaag over, water stroomde door de open geschutspoorten naar binnen, en het schip zonk. Het was te hoog gebouwd, met twee dekken vol zware bronzen kanonnen, en had te weinig ballast onderin: het zwaartepunt lag te hoog. In 1961 werd het wrak geborgen; het staat nu in een museum in Stockholm.

Een zee van lucht
Waarom komt water omhoog in een rietje of in de buis van een zuigpomp? Tweeduizend jaar lang was het antwoord: de natuur heeft een afkeer van leegte. Maar in 1638 schreef Galilei dat een zuigpomp water niet hoger dan ongeveer 18 Florentijnse ellen (zowat 10 m) kan optrekken. Waarom juist daar zou die afkeer ophouden?
In 1643 vulde zijn leerling Evangelista Torricelli een glazen buis van ongeveer een meter met kwik, sloot ze af, en zette ze omgekeerd in een schaal kwik. Het kwik zakte tot ongeveer 76 cm boven de schaal, en bleef daar staan; erboven was niets. Torricelli begreep waarom: de lucht weegt, en duwt op het kwik in de schaal. Die druk houdt een kolom van 76 cm kwik in evenwicht, of zowat 10 m water, want water is 13,6 keer lichter. In een brief schreef hij dat we op de bodem van een zee van lucht leven.
Als de lucht weegt, redeneerde Blaise Pascal, moet de kolom op een berg lager zijn: daar ligt er minder lucht boven je. Op 19 september 1648 beklom zijn schoonbroer Florin Périer de Puy de Dôme, een vulkaan van 1465 m bij Clermont. Beneden stond het kwik op 711 mm, bovenaan zo'n 85 mm lager. De eenheid van druk draagt vandaag de naam van Pascal.
Otto von Guericke, burgemeester van Maagdenburg, bouwde een luchtpomp en toonde ze in 1654 aan keizer Ferdinand III. Hij pompte de lucht uit twee koperen halve bollen die tegen elkaar lagen. Volgens zijn boek uit 1672 kregen zestien paarden, acht aan elke kant, ze niet uit elkaar. Liet hij de lucht terug binnen, dan vielen ze vanzelf los.
Zuigen bestaat eigenlijk niet: je maakt de druk aan één kant kleiner, en de luchtdruk aan de andere kant duwt. Die luchtdruk is enorm, 10 ton per vierkante meter, maar je merkt ze niet omdat ze van alle kanten even hard duwt, ook van binnenuit.

De atmosferische druk
De lucht boven ons weegt. Op zeeniveau is de gemiddelde luchtdruk
Waarom word je dan niet platgedrukt? Omdat de druk in een vloeistof of gas in alle richtingen werkt, en omdat de lucht en de vloeistoffen in je lichaam met dezelfde druk terugduwen. Pas als de druk aan één kant verandert, merk je iets: je oren 'ploppen' in een lift of een vliegtuig, een plastic fles die je op een berg leegdrinkt en sluit, wordt beneden ingedeukt.
Het weer. De luchtdruk schommelt met het weer, meestal tussen ongeveer 980 en 1040 hPa. Een barometer toont dat; op een weerkaart verbinden isobaren punten met dezelfde druk. Hogedrukgebieden brengen meestal droog weer, lagedrukgebieden wind en regen.
De hoogte. Hoe hoger, hoe minder lucht er boven je ligt, en hoe dunner de lucht zelf. Onderin daalt de druk ongeveer 12 hPa per 100 m. De afname is niet lineair: op 5,5 km is de druk gehalveerd, op de top van de Mount Everest is ze nog een derde. De grafiek toont de internationale standaardatmosfeer, een model met 15 °C op zeeniveau; de echte druk wijkt daar met het weer een paar procent van af.
Luchtdruk meten op de trap
Kan je met een smartphone meten dat de luchtdruk afneemt als je een paar verdiepingen hoger gaat? En kan je er de dichtheid van lucht uit halen?
- smartphone met een barometer en een app die hem uitleest (bijvoorbeeld phyphox, 'Druk')
- een trappenhal met minstens vier verdiepingen
- rolmeter
- 1Meet de hoogte van één trede en tel de treden per verdieping; bereken de hoogte van elke verdieping.
- 2Leg de smartphone op het gelijkvloers op de trap, wacht 20 s en noteer de gemiddelde druk.
- 3Herhaal op elke verdieping, telkens met de telefoon even hoog boven de trede en uit de tocht.
- 4Zet de druk uit tegen de hoogte en bepaal de helling van de best passende rechte (hoofdstuk 3).
| hoogte (m) | 0,0 | 3,2 | 6,4 | 9,6 | 12,8 |
|---|---|---|---|---|---|
| luchtdruk (hPa) | 1012,40 | 1012,03 | 1011,64 | 1011,28 | 1010,88 |
Per verdieping daalt de druk met ongeveer 0,38 hPa; de punten liggen op een rechte met helling .
Ook in lucht geldt : over een paar verdiepingen verandert de dichtheid van de lucht niet merkbaar. Uit de helling volgt , dicht bij de tabelwaarde van 1,20 kg/m³ bij 20 °C. Water is ongeveer 830 keer dichter: daarom merk je het drukverschil in een zwembad van 3 m meteen, en op een trap van 13 m niet. Smartphones gebruiken hun barometer om te bepalen op welke verdieping je bent. Wacht je tien minuten en meet je opnieuw, dan is de druk misschien door het weer al een paar tienden hPa veranderd: meet daarom snel na elkaar, of begin en eindig op het gelijkvloers.

Overdruk en absolute druk
De meeste drukmeters tonen niet de druk zelf, maar het verschil met de luchtdruk. Een bandenspanningsmeter die 2,2 bar toont, meet 2,2 bar overdruk: in de band is de absolute druk . Een lege band is niet leeg: er zit lucht in van 1 bar absoluut, en de meter toont 0.
Een eenvoudige manometer is een U-buis met water: het ene been hangt aan het gas, het andere staat open. Het hoogteverschil geeft de overdruk, . Een aardgasleiding in huis heeft een overdruk van ongeveer 20 à 25 mbar: 20 à 25 cm water in de U-buis. De ronde wijzermanometer op een compressor of een pomp bevat een gebogen buisje (de buis van Bourdon) dat zich strekt als de druk erin stijgt, en de wijzer meeneemt. Ook je bloeddruk is een overdruk: 120 mmHg is boven de luchtdruk.
Voor krachten op een wand (een reservoir, een band, een duikbril) telt het drukverschil tussen binnen en buiten: meestal de overdruk. Voor gassen (hoofdstuk E14) reken je met de absolute druk.

Pompen en leidingen
Een pomp maakt een drukverschil: aan de persopening is de druk hoger dan aan de zuigopening. Die overdruk duwt het water door de leiding omhoog. Pompbouwers geven het drukverschil meestal als opvoerhoogte: de hoogte van de waterkolom die het kan dragen.
Zuigen tot 10 m. Een pomp boven een put 'zuigt' niet: ze maakt de druk in de zuigbuis kleiner, en de luchtdruk op het water in de put duwt het omhoog. Zelfs met een perfect vacuüm draagt de luchtdruk maar 10,3 m water. In de praktijk halen zuigpompen 7 à 8 m: bij lage druk begint het water te koken en vormen er dampbellen. Diepe putten krijgen daarom een dompelpomp onderin, die duwt. Ook in het reservoir van Habitat staat een dompelpomp.
Verlies in de leiding. Stromend water wrijft tegen de wand en tegen zichzelf. Daardoor gaat er druk verloren, alsof de pomp het water hoger moest brengen. Dat verlies groeit ongeveer met het kwadraat van de snelheid, en de snelheid met het omgekeerde van de doorsnede: een dunnere slang kost veel meer. Voor de slang van Habitat (2,5 m lang, bij 5,0 L/min, berekend met de formules van hoofdstuk E18):
| binnendiameter van de slang | 8 mm | 10 mm | 13 mm | 16 mm |
|---|---|---|---|---|
| snelheid van het water bij 5,0 L/min | 1,66 m/s | 1,06 m/s | 0,63 m/s | 0,41 m/s |
| extra opvoerhoogte (2,5 m slang) | 1,57 m | 0,56 m | 0,17 m | 0,07 m |
Een pomp levert dus niet één debiet, maar een debiet dat afhangt van de opvoerhoogte die het systeem vraagt: de pompkarakteristiek. Hoe hoger ze moet duwen, hoe minder water ze verplaatst.
Habitat: welke pomp, welke slang?
Voor de waterkringloop liggen drie 12 V-pompen op tafel, met hun karakteristiek (vereenvoudigd als rechte): A (6 W) tot 2,0 m en 8 L/min; B (12 W, de pomp uit hoofdstuk 9) tot 3,0 m en 10 L/min; C (24 W) tot 5,0 m en 16 L/min. Het water moet 1,5 m hoog, van het wateroppervlak in het reservoir tot de bovenste kweekgoot, door een slang van 2,5 m. Het team wil ongeveer 5 L/min. Welke pomp, en welke slang: 8 mm of 16 mm binnendiameter?
- pompkarakteristieken A, B, C (grafiek)
- hoogteverschil 1,5 m; slang 2,5 m, 8 of 16 mm; leidingverlies uit de tabel van het vorige blad
- het werkpunt (debiet en opvoerhoogte) van elke combinatie
- de keuze
- 1De leidingkarakteristiek is de opvoerhoogte die het systeem vraagt bij elk debiet: 1,5 m plus het leidingverlies. Bij 0 L/min is het 1,5 m; met de slang van 16 mm stijgt ze nauwelijks (0,07 m extra bij 5 L/min), met 8 mm snel (1,6 m extra).
- 2Het werkpunt is het snijpunt van pomp- en leidingkarakteristiek: daar levert de pomp precies de opvoerhoogte die het systeem bij dat debiet vraagt.
- 3Pomp A haalt met 16 mm maar 2,0 L/min: te weinig. Pomp C haalt 10,4 L/min: ruim twee keer te veel, voor twee keer het vermogen.
- 4Pomp B met 16 mm: 4,8 L/min bij 1,56 m. Met 8 mm valt ze terug tot 3,0 L/min: de dunne slang 'knijpt' de pomp af.
Python en C++: het niveau meten met een druksensor
Het reservoir is lichtdicht, dus meet je het niveau met de druk. Een stijve buis hangt tot vlak boven de bodem; de lucht erin wordt samengedrukt tot haar druk gelijk is aan de waterdruk op die diepte, en geeft die door naar een droge druksensor op het deksel (Pascal). De sensor MPX5010 meet overdruk van 0 tot 10 kPa en geeft volgens zijn datasheet , met in kPa en : 0,2 V bij 0 kPa, 450 mV per kPa. De microcontroller leest die spanning met een ADC van 10 bit (hoofdstuk 25) als een getal van 0 tot 1023. Het programma rekent terug: getal, spanning, druk, hoogte, volume.
# niveau.py - waterhoogte en volume uit de druksensor onderaan het voedingsreservoirRHO, G = 1000.0, 9.81 # dichtheid van de oplossing (kg/m3) en valversnelling (m/s2)VS = 5.0 # voedingsspanning van de sensor (V)BODEM = 0.60 * 0.40 # binnenoppervlakte van het reservoir (m2) def niveau(ruw): u = ruw * VS / 1023 # ADC-waarde (0 tot 1023) naar volt p = (u / VS - 0.04) / 0.09 * 1000 # datasheet: druk in kPa; maal 1000 geeft Pa h = p / (RHO * G) # hydrostatische druk: p = rho * g * h return u, p, h, h * BODEM * 1000 # volt, Pa, m, liter for ruw in (41, 86, 154, 222, 267): u, p, h, liter = niveau(ruw) print(f"ADC {ruw:4d} {u:5.3f} V {p:6.0f} Pa {h * 100:5.1f} cm {liter:5.1f} L")Uitvoer (gecontroleerd door het programma te draaien):
ADC 41 0.200 V 1 Pa 0.0 cm 0.0 L ADC 86 0.420 V 490 Pa 5.0 cm 12.0 L ADC 154 0.753 V 1228 Pa 12.5 cm 30.0 L ADC 222 1.085 V 1967 Pa 20.0 cm 48.1 L ADC 267 1.305 V 2456 Pa 25.0 cm 60.1 L
Eén stap van de ADC is 4,9 mV, dus 0,011 kPa of 1,1 mm water: fijn genoeg. Maar de datasheet belooft maar van het bereik, tot 0,5 kPa of 5 cm water fout. Daarom kalibreer je: je leest de sensor af bij een leeg reservoir en trekt dat getal voortaan af (hoofdstuk 1 en 3; opdracht 11.11). Op de microcontroller ziet dezelfde berekening er zo uit:
// niveau.ino - dezelfde berekening op de microcontroller
const float RHO = 1000.0, G = 9.81, VS = 5.0, BODEM = 0.60 * 0.40;
void setup() {
Serial.begin(9600);
}
void loop() {
int ruw = analogRead(A5); // sensoruitgang op A5 (Mega)
float u = ruw * VS / 1023.0; // volt
float p = (u / VS - 0.04) / 0.09 * 1000.0; // overdruk in Pa
float h = p / (RHO * G); // waterhoogte in m
Serial.print(h * 100.0);
Serial.print(" cm, ");
Serial.print(h * BODEM * 1000.0);
Serial.println(" L");
delay(1000);
}Overzicht: druk en hydraulica
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| druk | Pa = N/m² | |
| kracht loodrecht op het oppervlak | N | |
| oppervlakte | m² |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| dichtheid van de vloeistof | kg/m³ | |
| diepte onder het oppervlak | m | |
| luchtdruk, 101 325 Pa (standaard) | Pa |
| eenheid | in pascal | waar je ze ziet |
|---|---|---|
| 1 Pa = 1 N/m² | 1 | SI-eenheid |
| 1 hPa = 1 mbar | 100 | weerkaarten (1013 hPa) |
| 1 kPa | 1000 | techniek, sensoren |
| 1 bar | 100 000 | banden, leidingwater, duikflessen |
| 1 MPa | 1 000 000 | hydrauliek, sterkte van materialen |
| 1 mmHg (millimeter kwik) | 133,3 | bloeddruk (120/80 mmHg) |
| 1 standaardatmosfeer | 101 325 | = 1013,25 hPa = 760 mmHg |
| dichtheid | kg/m³ |
|---|---|
| lucht (20 °C, zeeniveau) | 1,20 |
| helium (20 °C) | 0,17 |
| zoet water | 1000 |
| zeewater | 1025 |
| ijs | 917 |
| hydraulische olie | ongeveer 870 |
| kwik | 13 590 |
| Habitat: rekenwaarden uit dit hoofdstuk | |
|---|---|
| voedingsreservoir | binnenmaten 60 × 40 × 30 cm; vol 25 cm (60 L): 2,45 kPa overdruk op de bodem, 184 N op een lange wand |
| niveaumeting | druksensor MPX5010 (0 tot 10 kPa, 0,2 V + 0,45 V/kPa); alarm bij 10 cm (24 L), plus vlotterschakelaar |
| pomp en slang | pomp B (12 W), slang 16 mm, 2,5 m: werkpunt 4,8 L/min bij 1,56 m |
| druk op de vloer | 2,3 kPa op de volle bodem; nooit op dunne pootjes zonder plaat |
Waar druk terugkomt
Druk verbindt de mechanica met de stoffen: ze is kracht per oppervlakte, en ze komt voort uit het gewicht van een vloeistof of het botsen van gasdeeltjes. In Expert wordt ze een van de hoofdrolspelers: in de gaswetten, in de warmtepomp en in de stroming door leidingen.
Gasdruk als het botsen van deeltjes tegen de wand.
Zinken, zweven en drijven, nu verklaard met de opwaartse kracht.
Normaalkracht en derde wet: de weegschaal onder de beker, de reactie van het water.
De pomp en haar opvoerhoogte; de gulden regel bij de hydraulische pers.
De waterdruk op een wand als driehoekige last; het koppel dat een schip terug rechtzet.
Een sensor met een analoge uitgang inlezen en kalibreren, zoals de druksensor.
Het hydroponiesysteem waarvoor de pomp en de niveaumeting dienen.
Druk, volume en temperatuur van gassen; absolute druk in de ideale gaswet.
Een warmtepomp werkt met een koelmiddel onder hoge en lage druk.
Bernoulli, drukverlies in leidingen en het werkpunt van een pomp, nu echt berekend.
In het kort
- Druk is kracht per oppervlakte: , in pascal (); , .
- In een vloeistof in rust is : ze hangt alleen af van de diepte, niet van de vorm van het vat, en werkt in alle richtingen. In water ongeveer 1 bar per 10 m.
- Communicerende vaten: dezelfde vloeistof in rust staat overal even hoog (peilbuis, slangwaterpas, watertoren).
- Wet van Pascal: een drukverandering in een ingesloten vloeistof plant zich overal voort. Een hydraulische pers vermenigvuldigt de kracht met , en deelt de weg door hetzelfde getal.
- Wet van Archimedes: . Een drijvend voorwerp verplaatst zijn eigen gewicht aan vloeistof; stabiel drijven vraagt een laag zwaartepunt.
- De luchtdruk is op zeeniveau gemiddeld 101 325 Pa; ze daalt met de hoogte (de helft op 5,5 km). Zuigen werkt daarom tot hoogstens 10,3 m water.
- Een manometer toont overdruk: .
- Een pomp maakt een drukverschil . Het werkpunt is het snijpunt van pomp- en leidingkarakteristiek; een te dunne leiding kost veel debiet.
Wat je nu kent
- druk
- Kracht loodrecht op een oppervlak, gedeeld door die oppervlakte: , in pascal.
- pascal
- De SI-eenheid van druk: . , .
- hydrostatische druk
- De druk in een vloeistof in rust door het gewicht van de vloeistof erboven: .
- communicerende vaten
- Vaten die onderaan verbonden zijn; een vloeistof in rust staat erin overal even hoog.
- wet van Pascal
- Een drukverandering in een ingesloten vloeistof plant zich onverminderd voort naar elk punt van de vloeistof.
- opwaartse kracht
- De kracht omhoog van een vloeistof of gas op een voorwerp erin: (wet van Archimedes).
- atmosferische druk
- De druk van de lucht rondom ons, door het gewicht van de lucht erboven; op zeeniveau gemiddeld 101 325 Pa.
- overdruk
- Het verschil tussen de druk en de atmosferische druk; dat is wat een manometer meestal toont.
- absolute druk
- De druk gemeten vanaf het vacuüm: overdruk plus atmosferische druk.
- opvoerhoogte
- De hoogte van een waterkolom die met het drukverschil van een pomp overeenkomt: .
- werkpunt
- Het snijpunt van de pompkarakteristiek en de leidingkarakteristiek: het debiet en de opvoerhoogte waarbij het systeem echt draait.