Handboek · hoofdstuk 20Serie- en parallelschakeling
Eén weg of meerdere wegen: wat er gebeurt met stroom en spanning
Een kerstslinger die helemaal uitvalt door één kapot lampje, een huis waar elke lamp apart brandt, een zonnepaneel dat bijna niets meer levert als er één cel in de schaduw ligt: het verschil zit in hoe de onderdelen geschakeld zijn. In dit hoofdstuk leer je de regels van de serieschakeling en de parallelschakeling voor stroom en spanning, je rekent met de vervangingsweerstand, en je bevestigt alles met metingen. Daarmee sluit je de ledstrip, het pompje en de microcontroller van de meetkas correct aan op één voeding.

- Je kan in een schema en een opstelling herkennen welke onderdelen in serie en welke parallel staan.
- Je kan de regels voor de stroom toepassen: in serie overal dezelfde stroom, parallel tellen de stromen van de takken op.
- Je kan de regels voor de spanning toepassen: in serie verdeelt de spanning zich, parallel staat over elke tak dezelfde spanning.
- Je kan voorspellen welke lampjes blijven branden als er één uitvalt, en hoe fel ze branden.
- Je kan de vervangingsweerstand berekenen van weerstanden in serie en van twee (of meer) gelijke weerstanden parallel.
- Je kan uitleggen waarom een huisinstallatie parallel geschakeld is en wanneer een stekkerdoos overbelast raakt.
- Je kan met metingen nagaan of de regels kloppen.
- Je kan de verbruikers van de meetkas correct op één bron aansluiten en de stroom van de voeding berekenen.
Edison en de lamp die je apart kan aanzetten
Rond 1880 kregen de eerste steden elektrische straatverlichting. Het waren booglampen: een felle vonk tussen twee staafjes koolstof, veel te fel voor in huis. Uitvinders als de Amerikaan Charles Brush zetten ze in serie, als kralen aan een ketting: één lange kabel liep van lamp naar lamp en terug naar de dynamo. Dat was eenvoudig, maar alle lampen gingen samen aan en uit, en als er één uitviel, moest een automatisch contact de kring weer sluiten om niet de hele straat in het donker te zetten.
Thomas Edison wilde iets anders: licht in elke kamer, dat je zelf aan- en uitzet, zoals een gaslamp. Daarvoor moest elke lamp een eigen tak krijgen tussen twee hoofdleidingen: een parallelschakeling. Elke lamp krijgt dan dezelfde spanning, en een lamp aan- of uitzetten verandert niets aan de andere. Maar er was een probleem: alle stromen van al die lampen samen moesten door de hoofdleidingen, en dikke koperen kabels waren duur. Edison zocht daarom een gloeidraad die de stroom sterk afremt, zodat elke lamp maar een kleine stroom vraagt. Na honderden proeven vond hij die in een draadje van verkoold plantenmateriaal.
Op 4 september 1882 zette Edison in New York zijn elektriciteitscentrale aan Pearl Street aan. Ze leverde gelijkspanning van 110 V aan de huizen en kantoren in de buurt, met alle lampen parallel. Zo werkt de installatie in je huis nog altijd: elke lamp, elk stopcontact zit in een eigen tak.
In serie delen de onderdelen één weg: dezelfde stroom, en ze verdelen de spanning. Parallel heeft elk onderdeel een eigen weg: dezelfde spanning, en ze verdelen de stroom.

Eén weg of meerdere wegen
Zitten er in een kring twee of meer verbruikers, dan kan je ze op twee manieren schakelen:
- In serie: achter elkaar, in één weg. De stroom moet door het ene onderdeel en daarna door het volgende. Er is geen splitsing.
- Parallel: naast elkaar, elk in een eigen tak. De draad splitst in een knooppunt, de stroom verdeelt zich over de takken en komt in een tweede knooppunt weer samen.
Zo herken je het. Volg de stroom met je vinger van de pluspool naar de minpool. Kom je langs alle onderdelen zonder ooit te moeten kiezen, dan staan ze in serie. Moet je bij een knooppunt kiezen tussen twee wegen, en komen die wegen later weer samen, dan staan de onderdelen in die wegen parallel. Hoe het schema getekend is (naast of onder elkaar), maakt niets uit: alleen de verbindingen tellen.
Veel schakelingen zijn gemengd: een schakelaar in serie met twee lampen die parallel staan, bijvoorbeeld. In hoofdstuk 18 zag je dat al met schakelaars: in serie werken ze als EN, parallel als OF.
Twee lampen die in het schema naast elkaar op dezelfde draad staan, zijn net in serie. Parallel betekent: elk in een eigen tak, met een knooppunt ervoor en erna. Zoek de knooppunten.
Lampjes in serie en parallel
Branden twee lampjes in serie even fel als twee lampjes parallel? En wat gebeurt er als je er één losdraait?
- voeding van 6 V (of 4 AA-batterijen in een houder)
- 3 lampjes van 6 V / 0,1 A in een fitting
- multimeter op mA, als ampèremeter in de hoofdleiding
- snoertjes
- 1Sluit één lampje aan op de bron, met de ampèremeter in serie. Noteer de stroom en hoe fel het lampje brandt.
- 2Zet twee lampjes in serie. Noteer de stroom en hoe fel ze branden. Draai daarna één lampje los: wat doet het andere?
- 3Zet twee lampjes parallel, met de ampèremeter in de hoofdleiding (vóór de splitsing). Noteer. Draai één lampje los.
- 4Voeg een derde lampje parallel toe. Wat gebeurt er met de stroom in de hoofdleiding?
| schakeling | stroom in de hoofdleiding | helderheid | één lampje losgedraaid |
|---|---|---|---|
| één lampje | 100 mA | fel | uit |
| twee in serie | 68 mA | beide zwak, oranje | het andere gaat ook uit |
| twee parallel | 200 mA | beide fel | het andere blijft even fel; 100 mA |
| drie parallel | 300 mA | alle drie fel | de andere twee blijven fel |
Voorbeeld van resultaten met een voeding van 6 V.
Serie. De lampjes delen één weg: draai je er één los, dan is de kring open en gaat alles uit. De twee lampjes delen ook de 6 V van de bron: elk krijgt maar 3 V, en brandt dus zwak. De stroom is kleiner dan bij één lampje, maar niet de helft: een lampje is geen gewone weerstand, en een koude gloeidraad laat relatief meer stroom door (hoofdstuk 19).
Parallel. Elk lampje heeft een eigen tak en krijgt de volle 6 V: het brandt even fel als alleen. Draai je er één los, dan blijft de tak van het andere gesloten. Maar de bron moet voor elk lampje een eigen stroom leveren: bij twee lampjes de dubbele stroom, bij drie de drievoudige. Een batterij is dan ook sneller leeg.
Stroom: overal gelijk in serie, optellen in parallel
In serie is er maar één weg. Alle lading die door het eerste onderdeel gaat, moet ook door het tweede: er gaat onderweg niets verloren en er komt niets bij. Daarom is de stroom overal even groot. Een ampèremeter wijst hetzelfde aan, waar je hem ook in de kring zet.
Parallel splitst de stroom in een knooppunt. Wat erin gaat, moet eruit: de stroom in de hoofdleiding is gelijk aan de som van de stromen in de takken. Dat heet de knooppuntregel. Denk aan een rivier die zich splitst rond een eiland: hoeveel water er per seconde langs beide kanten stroomt, samen, is evenveel als wat de rivier aanvoert.
De tak met het onderdeel dat de stroom het minst afremt (de kleinste weerstand), krijgt de grootste stroom. In de figuur neemt de lamp 0,20 A en de motor 0,10 A: de bron levert samen 0,30 A.
In een serieschakeling 'pakt' de eerste lamp niet eerst haar deel. De stroom is overal dezelfde, ook meteen na de bron en vlak voor de minpool. In hoofdstuk 19 zag je al dat er evenveel stroom uit een lamp komt als erin gaat.
Spanning: verdelen in serie, gelijk in parallel
Spanning is de 'duw' van de bron (hoofdstuk 19). Een handig beeld: de bron tilt de lading op een hoogte, en in elke verbruiker valt ze een stukje naar beneden, zoals water van een trap. Onderaan, bij de minpool, is ze weer op de bodem.
In serie valt de lading in stapjes: eerst door het ene onderdeel, dan door het volgende. De spanningen over de onderdelen tellen op tot de spanning van de bron. Het onderdeel met de grootste weerstand krijgt het grootste deel: bij 40 Ω en 80 Ω in serie op 12 V krijgt de weerstand van 80 Ω twee keer zoveel spanning, 8 V tegenover 4 V.
Parallel hangt elke tak rechtstreeks tussen dezelfde twee knooppunten. Elke tak overbrugt dus dezelfde 'hoogte': over elke tak staat dezelfde spanning, de volle spanning van de bron.
Serie: dezelfde stroom, de spanning verdeelt. Parallel: dezelfde spanning, de stroom verdeelt. Wat 'verdeelt', telt samen op tot het totaal.
Metingen die de regels bevestigen
Kloppen de vier regels ook met echte meetwaarden, met weerstanden die niet precies hun opgedrukte waarde hebben?
- regelbare voeding, ingesteld op 9,0 V
- weerstanden van 100 Ω en 220 Ω (tolerantie 5 %)
- 2 multimeters
- snoertjes met krokodillenklemmen
- 1Zet de twee weerstanden in serie op 9,0 V. Meet de stroom op drie plaatsen: vóór R₁, tussen R₁ en R₂, en na R₂.
- 2Meet de spanning over R₁, over R₂ en over de bron.
- 3Herhaal de spanningsmetingen bij 3, 6 en 12 V.
- 4Zet de weerstanden parallel op 9,0 V. Meet de stroom in elke tak en in de hoofdleiding, en de spanning over elke tak.
| serie, 9,0 V | gemeten |
|---|---|
| stroom vóór R₁, tussen R₁ en R₂, na R₂ | 28,2 mA; 28,2 mA; 28,2 mA |
| spanning over R₁ en R₂ | 2,85 V en 6,15 V |
| som van de spanningen | 9,00 V |
| parallel, 9,0 V | gemeten |
|---|---|
| spanning over R₁ en over R₂ | 9,00 V en 9,00 V |
| stroom door R₁ en door R₂ | 89,1 mA en 41,3 mA |
| stroom in de hoofdleiding | 130,4 mA |
In serie is de stroom op de drie plaatsen gelijk, en de spanningen tellen op tot de bronspanning: . In parallel staat over beide takken dezelfde spanning, en de takstromen tellen op tot de stroom in de hoofdleiding: . De regels kloppen tot op de laatste decimaal.
De spanningen zijn niet precies en van 9 V (2,81 V en 6,19 V): de weerstanden zijn in werkelijkheid 101 Ω en 218 Ω, binnen hun tolerantie van 5 %. De grafiek toont dat de verdeling bij elke bronspanning dezelfde blijft: is altijd ruim twee keer .
Twee weerstanden in serie
Een weerstand van 40 Ω en een van 80 Ω staan in serie op een bron van 12 V. Bereken de stroom en de spanning over elke weerstand.
- , , in serie
- en
- 1De stroom moet door beide weerstanden: samen remmen ze als één weerstand van .
- 2Wet van Ohm voor de hele kring: .
- 3Dezelfde stroom loopt door elke weerstand: en .
De vervangingsweerstand
Een groep weerstanden kan je vervangen door één weerstand die dezelfde stroom zou laten lopen: de vervangingsweerstand .
In serie moet de stroom door de ene vernauwing én door de andere: de weerstanden tellen op. Twee draden van 1 m achter elkaar gedragen zich als één draad van 2 m (hoofdstuk 19).
Parallel krijgt de stroom er een extra weg bij. Twee gelijke weerstanden naast elkaar zijn als één draad die twee keer zo dik is: er kan twee keer zoveel stroom door, dus de weerstand is de helft. Met drie gelijke weerstanden is het een derde, met gelijke weerstanden een -de:
Parallel is de vervangingsweerstand altijd kleiner dan de kleinste weerstand in de groep: elke extra tak is een extra weg voor de stroom. Voor ongelijke weerstanden parallel bestaat er ook een formule; die leer je in Intermediate (hoofdstuk I21). Tot dan kan je het met de stromen: bereken de stroom in elke tak, tel ze op, en deel de spanning door die totale stroom.
De ledstrip van de meetkas: twee helften parallel
In hoofdstuk 19 had een stuk ledstrip een weerstand van 60 Ω op 12 V. De meetkas heeft er twee, één boven elke rij plantenbakken, parallel aangesloten. (a) Hoe groot is de vervangingsweerstand? (b) Welke stroom levert de voeding aan de twee samen? (c) Wat gebeurt er als één helft losraakt?
- twee gelijke stukken van , parallel
- stroom van de voeding
- gevolg als één helft losraakt
- 1(a) Twee gelijke weerstanden parallel: .
- 2(b) Met de vervangingsweerstand: . Controle via de takken: elke helft krijgt de volle 12 V en trekt ; samen .
- 3(c) De andere helft zit in een eigen tak: ze krijgt nog altijd 12 V en blijft even fel branden, met 0,20 A. De voeding levert dan nog maar 0,20 A.
Een led met een voorschakelweerstand
Een rode led moet branden op de 5 V van een USB-poort. Volgens de fabrikant krijgt ze 2,0 V en 20 mA. Te veel spanning maakt de stroom veel te groot en de led brandt door. Daarom zet je een weerstand in serie. Hoe groot moet die zijn?
- bron
- led: bij
- led en weerstand in serie
- van de voorschakelweerstand
- 1In serie tellen de spanningen op: , dus .
- 2In serie is de stroom overal gelijk: ook door de weerstand loopt .
- 3Wet van Ohm voor de weerstand: .
Cellen en zonnecellen in serie en parallel
Ook bronnen kan je in serie of parallel zetten.
In serie (de pluspool van de ene tegen de minpool van de volgende) tellen de spanningen op. Vier AA-batterijen van 1,5 V geven samen 6 V. Een alkalische blokbatterij van 9 V bevat zes kleine cellen van 1,5 V in serie, een autobatterij van 12 V zes cellen van ongeveer 2 V. Een zonnepaneel met 36 cellen van ongeveer 0,5 V geeft zo ongeveer 18 V (hoofdstuk 17). Steek je één cel omgekeerd in de houder, dan werkt ze tegen: .
Parallel (alle pluspolen samen, alle minpolen samen) blijft de spanning die van één cel. Wel kunnen ze samen meer stroom leveren, of dezelfde stroom twee keer zo lang: twee cellen parallel gaan ongeveer twee keer zo lang mee. Zet alleen gelijke cellen parallel: een volle cel naast een lege duwt stroom in de lege, en die kan heet worden.
De zwakste schakel. In serie moet dezelfde stroom door elke cel. Levert één zonnecel minder stroom, omdat ze in de schaduw ligt, dan remt ze de stroom van alle andere af. Dat verklaart de proef met het zonnepaneeltje in hoofdstuk 17: één afgedekte cel liet de stroom bijna helemaal wegvallen. Grote panelen hebben daarom bypassdiodes in de aansluitdoos: een omweg voor de stroom rond een groep cellen die in de schaduw ligt.

Waarom je huis parallel geschakeld is
Alle lampen en stopcontacten in een huis staan parallel tussen twee draden: de fase en de nul (hoofdstuk 5). Daar zijn drie goede redenen voor:
- Elk toestel krijgt de volle 230 V, waarvoor het gemaakt is.
- Elk toestel kan je apart aan- en uitzetten: de schakelaar staat in serie met zijn eigen lamp, in haar eigen tak.
- Valt er één toestel uit, dan werken de andere gewoon verder.
Er is één nadeel, dat je al kent van de proef: alle takstromen tellen op in de draden die ze delen. Hoe meer toestellen er tegelijk aan staan, hoe groter de stroom door de draad van de kring. Daarom is de installatie verdeeld in kringen, elk met een eigen zekering: 16 A voor een lichtkring met draden van 1,5 mm², 20 A voor een kring met stopcontacten en draden van 2,5 mm², met hoogstens acht stopcontacten per kring. Een waterkoker trekt al bijna 9 A.
Een stekkerdoos zet nog meer toestellen parallel op één stopcontact. Het snoer van de stekkerdoos is vaak dunner dan de draden in de muur en verdraagt meestal hoogstens 16 A. De automaat van 20 A in de zekeringkast beschermt dat snoer dus niet. Steek nooit meerdere verwarmende toestellen samen in één stekkerdoos, en nooit stekkerdozen in elkaar.
Een stekkerdoos in de keuken
Op een stekkerdoos (hoogstens 16 A) staan een waterkoker (8,7 A), een broodrooster (3,9 A) en een microgolfoven (5,2 A). Het stopcontact hangt aan een kring met een automaat van 20 A. (a) Hoeveel stroom loopt er door het snoer van de stekkerdoos als alles tegelijk werkt? (b) Is dat veilig? (c) Schakelt de automaat uit?
- drie toestellen parallel: 8,7 A, 3,9 A en 5,2 A
- stekkerdoos: hoogstens 16 A
- automaat: 20 A
- stroom in het snoer
- veilig?
- reageert de automaat?
- 1(a) De toestellen staan parallel: de stromen tellen op in het snoer. .
- 2(b) is meer dan de 16 A waarvoor de stekkerdoos gemaakt is. Het snoer en de contacten worden warm, zeker als dat lang duurt: brandgevaar.
- 3(c) is minder dan 20 A: de automaat schakelt niet uit. Hij beschermt de draden in de muur (2,5 mm²), niet het dunnere snoer van de stekkerdoos.
Habitat: alles op één 12 V-voeding
De meetkas heeft één 12 V-voeding van 2 A. Daarop komen de ledstrip (30 Ω), het pompje (0,65 A) en de omvormer van 12 V naar 5 V voor de microcontroller (0,15 A aan de 12 V-kant). Op de 5 V-kant hangen de microcontroller en drie sensoren (temperatuur, licht, bodemvocht). (a) Hoe sluit je alles aan? (b) Welke stroom levert de voeding? (c) Wat zou er gebeuren als je de ledstrip en het pompje per ongeluk in serie zet?
- voeding 12 V, hoogstens 2 A
- ledstrip 30 Ω
- pompje 0,65 A bij 12 V
- omvormer 0,15 A bij 12 V
- schema
- stroom van de voeding
- gevolg van een serieschakeling
- 1(a) Elke verbruiker is gemaakt voor 12 V en moet apart kunnen werken: dus parallel, elk in een eigen tak tussen de plus- en de minleiding, met een eigen zekering en (voor ledstrip en pompje) een eigen schakelaar. Een hoofdzekering F1 komt vóór de eerste splitsing (hoofdstuk 18). Op de 5 V-kant staan de microcontroller en de sensoren ook parallel: elk krijgt 5 V.
- 2(b) Ledstrip: . Parallel tellen de stromen op: . Dat is minder dan 2 A: de voeding volstaat, met reserve voor de aanloopstroom van het pompje.
- 3(c) In serie delen ze één stroom en de 12 V. Rekenen we het pompje voor de eenvoud als een weerstand van , dan is en . De ledstrip krijgt , het pompje .
Overzicht: serie en parallel
De regels voor stroom, spanning en vervangingsweerstand naast elkaar.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| stroom | A | |
| spanning | V | |
| vervangingsweerstand | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| aantal gelijke weerstanden | — | |
| weerstand van elke tak | Ω |
| serie | parallel | |
|---|---|---|
| weg van de stroom | één weg, geen knooppunten | een eigen tak per onderdeel, tussen twee knooppunten |
| stroom | overal dezelfde | telt op: |
| spanning | verdeelt zich: ; grootste krijgt het meest | over elke tak dezelfde |
| vervangingsweerstand | groter dan de grootste: | kleiner dan de kleinste (twee gelijke: de helft) |
| één onderdeel valt uit | alles valt uit | de andere werken verder |
| lampjes erbij | ze branden zwakker | ze branden even fel; de bron levert meer stroom |
| cellen | spanningen tellen op | zelfde spanning, gaan langer mee |
| voorbeelden | oude kerstslinger, schakelaar met zijn lamp, zekering, voorschakelweerstand, zonnecellen in een paneel | huisinstallatie, stekkerdoos, verbruikers van de meetkas |
Waar serie en parallel terugkomen
Serie en parallel zijn de twee bouwstenen van elke schakeling, hoe ingewikkeld ook. Met de regels voor stroom en spanning reken je in de leerlijn elektriciteit alles uit, en je gebruikt ze ook buiten de elektriciteit: warmte die door twee lagen isolatie moet, werkt als weerstanden in serie; onderdelen die elkaar kunnen vervangen, maken een systeem betrouwbaarder, zoals takken in parallel.
Zonnecellen in serie: waarom één cel in de schaduw het hele paneel afremt.
Schakelaars in serie (EN) en parallel (OF), en de zekering in serie.
De wet van Ohm, die je hier per onderdeel en voor de hele kring gebruikt.
Hoeveel energie de verbruikers samen opnemen: vermogens tellen op, net als de stromen parallel.
Een led met voorschakelweerstand aan een pin van de microcontroller.
Knooppuntwet en maaswet: de algemene vorm van deze regels, en ongelijke weerstanden parallel.
Twee weerstanden in serie verdelen de spanning: zo lees je een lichtsensor uit.
Warmteweerstanden van lagen isolatie tellen op, zoals weerstanden in serie.
Systemen in serie en parallel: hoe betrouwbaar is het geheel?
In het kort
- In serie staan onderdelen achter elkaar in één weg; parallel heeft elk onderdeel een eigen tak tussen twee knooppunten.
- Serie: overal dezelfde stroom; de spanningen tellen op tot de bronspanning (). De grootste weerstand krijgt het grootste deel.
- Parallel: over elke tak dezelfde spanning; de takstromen tellen op (, knooppuntregel).
- In serie valt alles uit als één onderdeel stuk is, en branden lampjes zwakker; parallel werken de andere verder en levert de bron meer stroom.
- Vervangingsweerstand: in serie ; gelijke weerstanden parallel: , altijd kleiner dan de kleinste.
- Cellen in serie: spanningen tellen op; parallel: dezelfde spanning, maar ze gaan langer mee. In serie bepaalt de zwakste cel de stroom.
- Een huis is parallel geschakeld, verdeeld in kringen met elk een zekering; een stekkerdoos kan overbelast raken zonder dat de automaat reageert.
Wat je nu kent
- serieschakeling
- Onderdelen achter elkaar in één weg: door alle onderdelen loopt dezelfde stroom en de spanning van de bron verdeelt zich over hen.
- parallelschakeling
- Onderdelen naast elkaar, elk in een eigen tak tussen dezelfde twee knooppunten: over elke tak staat dezelfde spanning en de stromen tellen op.
- tak
- Eén van de wegen tussen twee knooppunten in een parallelschakeling.
- knooppuntregel
- De stroom die een knooppunt binnenkomt, is gelijk aan de stroom die eruit gaat.
- vervangingsweerstand
- De ene weerstand die dezelfde stroom zou laten lopen als een hele groep weerstanden. In serie: ; twee gelijke parallel: .
- voorschakelweerstand
- Weerstand in serie met een led, die het deel van de spanning opneemt dat de led niet mag krijgen.