Handboek · hoofdstuk 2Experimenten ontwerpen en rapporteren
Een eerlijke proef ontwerpen, alles noteren en er een verslag over schrijven dat een ander kan controleren
Een goed experiment begint lang voor de eerste meting: bij een scherpe vraag, een toetsbare hypothese en een opzet die toeval, vooroordelen en verstorende factoren buitensluit. En het eindigt pas als iemand anders je werk kan nalezen en overdoen. In dit hoofdstuk leer je proeven ontwerpen met een controlegroep, voldoende herhalingen, loting en blind meten; je houdt een labojournaal bij, schrijft een wetenschappelijk verslag en vermeldt je bronnen correct.

- Je kan een onderzoeksvraag scherp formuleren en er een toetsbare hypothese en een meetbare voorspelling bij schrijven.
- Je kan de onafhankelijke, afhankelijke en gecontroleerde variabelen van een proef benoemen en een verstorende variabele herkennen.
- Je kan uitleggen waarom een controlegroep, herhalingen, loting en blind meten nodig zijn, en ze in een proefopzet gebruiken.
- Je kan met een vuistregel schatten hoeveel herhalingen een proef nodig heeft, en herkent pseudoreplicatie.
- Je kan een labojournaal bijhouden dat een ander kan controleren.
- Je kan een wetenschappelijk verslag opbouwen volgens inleiding, methode, resultaten en discussie.
- Je kan bronnen zoeken, beoordelen met vijf vragen, en correct vermelden in de tekst en in een bronnenlijst (APA).
Wat je al weet, en wat nu komt
In Fundamental (hoofdstuk F2) leerde je de onderzoekscyclus: een vraag, een hypothese, een proef, waarnemingen en een besluit. Je onderscheidde de onafhankelijke variabele (die jij verandert), de afhankelijke variabele (die je meet) en de gecontroleerde variabelen (die je gelijk houdt), want alleen dan is een proef eerlijk. Je herhaalde metingen en nam het gemiddelde, en je hield waarneming en interpretatie uit elkaar.
Op Intermediate verdiep je elke stap. Je formuleert de vraag zo scherp dat ze meetbaar wordt, je maakt onderscheid tussen een hypothese en een voorspelling, je ontwerpt een proef met een controlegroep, genoeg herhalingen, loting en blind meten, je houdt een labojournaal bij, en je rapporteert in de vorm die onderzoekers wereldwijd gebruiken, met bronnen die een ander kan terugvinden. Uit hoofdstuk 1 neem je mee: elke meting heeft een fout, en een verschil betekent pas iets als het groter is dan de spreiding.
Omdat je jezelf het makkelijkst voor de gek houdt. Wie een resultaat verwacht, ziet het sneller, meet net iets anders of vergeet de proef die mislukte. Een goed proefontwerp is een reeks afspraken die je tegen je eigen verwachting beschermt.
Twaalf zieke matrozen
Op lange zeereizen in de achttiende eeuw stierven meer matrozen aan scheurbuik dan in gevechten: hun tandvlees bloedde, wonden genazen niet meer, ze werden doodmoe. Er deden tientallen 'remedies' de ronde, en iedere scheepsarts zwoer bij de zijne.
In mei 1747 deed de Schotse scheepsarts James Lind op het oorlogsschip HMS Salisbury iets nieuws. Hij koos twaalf matrozen met scheurbuik die zo goed mogelijk op elkaar leken, liet ze in hetzelfde deel van het schip liggen en gaf ze hetzelfde basisvoedsel. Daarna verdeelde hij ze in zes paren. Elk paar kreeg een andere behandeling: cider, verdund zwavelzuur, azijn, zeewater, een kruidenpasta, of elke dag twee sinaasappelen en een citroen.
Het paar met de citrusvruchten herstelde veruit het snelst: na zes dagen was een van beiden weer geschikt voor dienst. Lind publiceerde zijn resultaten in 1753. Toch duurde het tot 1795 voor de Britse marine citroensap standaard meegaf, en pas in de twintigste eeuw werd duidelijk waarom het werkte: scheurbuik is een tekort aan vitamine C.
Goed: vergelijkbare patiënten, dezelfde omstandigheden, één verschil per groep, en meerdere behandelingen naast elkaar. Beter: twee patiënten per groep is heel weinig; Lind liet het toeval niet beslissen wie welke behandeling kreeg; en iedereen wist wie wat kreeg. Loting, voldoende herhalingen en blind meten zijn precies de onderwerpen van dit hoofdstuk.

Van onderwerp naar vraag, hypothese en voorspelling
Een onderwerp ('licht en planten') is nog geen onderzoek. Je trechtert het in drie stappen.
1. Een onderzoeksvraag is specifiek (één onafhankelijke en één afhankelijke variabele), meetbaar en haalbaar met jouw tijd en materiaal. Handige vormen: 'Wat is het effect van X op Y?' of 'Hoe hangt Y af van X?'. Meetbaar maken heet operationaliseren: 'groei' wordt 'verse massa van het bovengrondse deel na 28 dagen, in gram'.
| te vaag | onderzoekbaar |
|---|---|
| Is rood licht goed voor planten? | Wat is het effect van de lichtkleur (rood-blauw of wit) op de verse massa van sla na 28 dagen, bij evenveel licht? |
| Isoleert karton? | Hoe hangt de afkoelsnelheid van 200 mL water van 60 °C af van het aantal lagen karton rond de beker? |
| Werkt onze sensor goed? | Hoe groot is de systematische fout van de DHT11 tegenover een referentiethermometer tussen 10 en 30 °C? |
2. Een hypothese is een toetsbare verklaring: wat je denkt dat er gebeurt en waarom. Ze steunt op wat je al weet of in bronnen vond. Een goede hypothese kan fout blijken: 'planten groeien zoals ze willen' kan je met geen enkele meting tegenspreken, en is dus geen hypothese.
3. Een voorspelling zegt wat je zal meten als de hypothese klopt, in de vorm 'als ..., dan ...'. De voorspelling maakt de hypothese toetsbaar: komt ze niet uit, dan moet de hypothese bijgesteld worden.
Een proef kan een hypothese ondersteunen of tegenspreken, maar niet bewijzen: er kan altijd een andere verklaring zijn voor hetzelfde resultaat. Daarom schrijf je 'de resultaten ondersteunen de hypothese', niet 'de hypothese is bewezen'. Een voorspelling die niet uitkomt, is geen mislukte proef: ze is een resultaat.
Eerlijk vergelijken: controlegroep en loting
Wil je weten wat een behandeling doet, dan heb je iets nodig om mee te vergelijken. De controlegroep krijgt de gewone behandeling (wit licht, gewone voeding) of geen behandeling (0 g/L zout), en is voor de rest identiek aan de proefgroep. Zonder controlegroep weet je niet of een verandering door jouw behandeling komt of door iets anders dat intussen gebeurde: het weer, de seizoenen, de leeftijd van de planten.
Een controlegroep is iets anders dan gecontroleerde variabelen. Gecontroleerde variabelen houd je gelijk in álle groepen (temperatuur, pot, ras). Maar je kan nooit alles gelijk houden: in een kas is het bij het raam lichter en kouder, bij de deur tochtiger. Daarom loot je (randomiseren): het toeval beslist welke pot welke behandeling krijgt en waar hij staat. Zo verdelen onbekende verschillen zich eerlijk over de groepen, in plaats van samen te vallen met je behandeling.
Loten kan met een dobbelsteen, briefjes uit een pot of een rekenblad: zet naast elke pot =ASELECT() (Engels: =RAND()), sorteer op die kolom, en geef de eerste helft behandeling A.
Een verstorende variabele verandert samen met je onafhankelijke variabele en kan het resultaat verklaren. Staan alle planten van groep A bij het raam (linkse figuur), dan kan je een verschil niet meer toeschrijven aan de behandeling: licht en temperatuur verschillen mee. Een ander voorbeeld: rood-blauwe en witte ledlampen hebben een ander rendement en kunnen bij evenveel licht verschillend warm worden. Meet daarom ook de temperatuur in elk vak.
Een slaproef ontwerpen
Voor de klimaatmodule wil je weten of het zin heeft om rood-blauwe groeiledlampen te kopen in plaats van witte. Je hebt een rek met zes vakjes, elk met een eigen ledpaneel, en 24 jonge slaplantjes van hetzelfde ras. Ontwerp de proef.
- zes vakjes met elk een ledpaneel (drie rood-blauw, drie wit)
- 24 slaplantjes, hetzelfde ras en dezelfde leeftijd
- balans (), PAR-meter (meet de hoeveelheid bruikbaar licht)
- onderzoeksvraag, hypothese, voorspelling
- variabelen, controlegroep, loting, meting
- 1Vraag: Wat is het effect van de lichtkleur (rood-blauw of wit) op de verse massa van sla na 28 dagen, bij evenveel bruikbaar licht?
- 2Hypothese: bladgroen absorbeert vooral rood en blauw licht, dus rood-blauw licht wordt beter benut. Voorspelling: als dat klopt, dan is de gemiddelde verse massa na 28 dagen onder rood-blauw groter dan onder wit.
- 3Onafhankelijke variabele: de lichtkleur. Afhankelijke: de verse massa van het bovengrondse deel na 28 dagen (g). Gecontroleerd: de hoeveelheid bruikbaar licht (elk paneel afgesteld op met de PAR-meter), 16 uur licht per dag, ras, potgrond, potmaat, water, voeding. Bewaken: de temperatuur in elk vak.
- 4Eerlijk licht. Niet 'lampen van hetzelfde vermogen', maar 'evenveel licht op de planten': een lamp met een beter rendement geeft bij hetzelfde vermogen meer licht, en dan vergelijk je de hoeveelheid, niet de kleur.
- 5Controlegroep: wit licht, de gewone keuze. Loting: welke drie vakjes rood-blauw krijgen en welke plant in welk vakje komt (vier per vakje), met een rekenblad. Herhalingen: drie lampen per kleur, twaalf planten per kleur.
- 6Meten: na 28 dagen afknippen op het grondoppervlak en wegen. De planten krijgen een code; wie weegt, weet niet welke code bij welke kleur hoort.
Hoeveel herhalingen?
Geen twee planten, schaaltjes of proefpersonen zijn gelijk. Die natuurlijke spreiding, samen met je meetfout (hoofdstuk 1), maakt dat één plant per groep niets zegt. De grafiek toont een gesimuleerde proef waarin voeding B de planten echt 13 g zwaarder maakt. Met één plant per groep zou je het omgekeerde besluiten; pas vanaf een tiental planten liggen de gemiddelden stabiel in de juiste volgorde.
Hoeveel herhalingen je nodig hebt, hangt af van twee getallen: de spreiding binnen een groep (uit een vooronderzoek of uit eerdere proeven) en het kleinste verschil dat je wil kunnen aantonen. Een bruikbare vuistregel:
Voor de sla: een vooronderzoek gaf . Wil je een verschil van 15 g kunnen zien, dan is planten per groep nodig. Met twaalf planten per groep zie je betrouwbaar alleen verschillen vanaf ongeveer .
Twaalf planten onder één lamp zijn twaalf metingen, maar maar één herhaling van 'die lamp': een lamp die toevallig iets feller brandt, geeft alle twaalf hetzelfde voordeel. Hetzelfde geldt voor tien metingen aan dezelfde plant. Tel als herhaling alleen wat de behandeling onafhankelijk kreeg: daarom gebruikt de slaproef drie lampen per kleur.
Blind meten en verwachtingen
Rond 1900 werd in Berlijn een paard beroemd: 'Kluge Hans', de slimme Hans, die rekensommen oploste door met zijn hoef te tikken. Zijn eigenaar geloofde er zelf in. In 1907 onderzocht de psycholoog Oskar Pfungst het paard. Wist de vraagsteller het antwoord niet, of kon Hans hem niet zien, dan faalde het paard. Hans rekende niet: hij las onbewuste signalen in de houding en het gezicht van de vraagsteller, die ontspande zodra het juiste aantal tikken bereikt was.
Onderzoekers zijn niet anders. Wie weet welke plant de 'goede' behandeling kreeg, knipt die net iets lager af, telt een twijfelachtig kiemworteltje net wel mee, of beoordeelt een blad net iets groener. Niet uit oneerlijkheid, maar omdat verwachtingen onze waarneming kleuren. De remedie:
| techniek | hoe | beschermt tegen |
|---|---|---|
| codes | elke proefeenheid krijgt een nummer; de sleutel ligt bij iemand anders | verwachting van wie meet |
| blind (enkelblind) | wie meet of beoordeelt, weet niet welke behandeling er bij hoort | verwachting van wie meet |
| dubbelblind | ook de proefpersoon weet het niet (bv. met een placebo, een nepbehandeling) | ook het placebo-effect bij mensen |
| operationele definitie vooraf | 'gekiemd = worteltje van minstens 2 mm', vastgelegd vóór de proef | grenzen verschuiven tijdens het meten |
Een balans heeft geen verwachtingen, maar de hand die de plant afknipt, de aarde eraf klopt en beslist of een geel blad nog meetelt, wel. Blind meten kost weinig: een rol plakband en een klasgenoot die de sleutel bewaart.

Kiemt tuinkers minder in zout water?
Wat is het effect van de keukenzoutconcentratie van het gietwater (0, 2, 4 en 8 g/L) op het percentage gekiemde tuinkerszaadjes na 72 uur?
- 20 petrischalen met filtreerpapier
- 400 tuinkerszaadjes uit één zakje
- keukenzout, balans, maatcilinder, 4 flessen
- pipet of spuitje van 5 mL
- plakband en stift voor codes
- loep en lat
- 1Maak vier oplossingen: 0, 2, 4 en 8 g keukenzout per liter kraantjeswater. De fles met 0 g/L is de controle.
- 2Laat een klasgenoot de 20 schalen loten over de vier concentraties (vijf schalen per concentratie) en er een code K1 tot K20 op kleven. Hij bewaart de sleutel.
- 3Leg in elke schaal filtreerpapier, bevochtig met 4 mL van de juiste oplossing en leg er 20 zaadjes op.
- 4Zet de schalen in een geloot patroon op dezelfde vensterbank, uit de volle zon. Noteer alles in je labojournaal.
- 5Tel na 72 uur, zonder de sleutel te kennen, de gekiemde zaadjes. Leg vooraf vast: gekiemd = worteltje van minstens 2 mm.
- 6Open de sleutel pas na het tellen en bereken per concentratie het gemiddelde percentage en de standaardafwijking.
| NaCl (g/L) | gekiemd per schaaltje (van 20) | gemiddeld (%) | s (%) |
|---|---|---|---|
| 0 | 20 · 19 · 19 · 20 · 20 | 98 | 2,7 |
| 2 | 16 · 20 · 20 · 16 · 18 | 90 | 10,0 |
| 4 | 17 · 17 · 16 · 18 · 18 | 86 | 4,2 |
| 8 | 11 · 11 · 12 · 10 · 12 | 56 | 4,2 |
Tussen 0 en 4 g/L daalt de kieming weinig; bij 8 g/L kiemt nog iets meer dan de helft. De spreiding tussen schaaltjes van dezelfde concentratie is 3 tot 10 procentpunten.
Zout water trekt water uit het zaadje: water verplaatst zich door osmose naar de kant met de hoogste zoutconcentratie. Hoe zouter het gietwater, hoe moeilijker het zaadje genoeg water opneemt om te kiemen. In deze proef is het verschil tussen 0 en 8 g/L (ongeveer 40 procentpunten) veel groter dan de spreiding: dat is een duidelijk effect. Het verschil tussen 2 en 4 g/L (4 procentpunten) is kleiner dan de spreiding: daarover kan deze proef niets besluiten.
Kijk naar het ontwerp: een controle (0 g/L), vijf onafhankelijke schalen per concentratie, loting van posities, codes en blind tellen met een vooraf vastgelegde definitie. Ter vergelijking: zeewater bevat ongeveer 35 g zout per liter.
Een bladzijde uit een labojournaal
Het labojournaal is het geheugen van je onderzoek: alles wat je deed, mat en zag, op het moment zelf. In een onderzoekslabo is het een officieel document: wie een resultaat publiceert, moet het kunnen tonen. De regels zijn eenvoudig. Een gebonden schrift met genummerde bladzijden (of een digitaal journaal dat elke wijziging bewaart). Schrijf in pen, meteen, met datum en uur. Noteer ruwe gegevens met eenheden, niet alleen berekende. Gom of verwijder nooit: haal door met één lijn, zodat het leesbaar blijft, en schrijf de correctie en de reden erbij. En noteer ook wat misloopt: juist daar zitten vaak de verklaringen.
- 1Datum, uur en fase
Elke notitie begint met datum en uur. Zo kan je later reconstrueren wat wanneer gebeurde, bijvoorbeeld hoeveel uur de zaadjes echt kiemden.
- 2Genummerde bladzijde
Genummerde bladzijden tonen dat er niets uitgescheurd is. Verwijs ernaar vanuit je verslag.
- 3Doel en materiaal
Kort: wat wil je weten, met welk materiaal. Het lotnummer van de zaadjes lijkt overbodig, tot een volgende proef met een ander zakje andere resultaten geeft.
- 4Codes en sleutel
De codes staan in het journaal; de sleutel bewaart iemand anders. Zo is blind tellen mogelijk en toch alles terug te vinden.
- 5Schets
Een snelle schets van de opstelling zegt meer dan een alinea: waar stond wat, bij welke temperatuur.
- 6Afwijking van het plan
Iets liep anders dan gepland: noteer wat, wanneer en wat je deed. In het verslag vermeld je het in de methode of de discussie.
- 7Operationele definitie
Wat telt als gekiemd, vastgelegd vóór het tellen. Een volgende onderzoeker kan zo exact hetzelfde meten.
- 8Correctie, leesbaar
Doorgehaald met één lijn, de nieuwe waarde ernaast, met de reden en de initialen. Nooit gommen of overschrijven: de oorspronkelijke notitie blijft zichtbaar.
- 9Onverwachte waarneming
Schimmel in schaal K12: misschien verklaart die later een afwijkend resultaat. Een foto krijgt een nummer dat naar deze bladzijde verwijst.
- 10Volgende stap en namen
Wat moet er nu gebeuren, en wie werkte mee? Bij een vraag over de metingen weet iedereen wie hij moet aanspreken.
Het wetenschappelijk verslag
Onderzoekers over de hele wereld rapporteren in dezelfde volgorde, vaak afgekort als IMRaD: Introduction, Methods, Results and Discussion. Wie die vorm kent, vindt in elk artikel meteen wat hij zoekt. Het verslag heeft de vorm van een zandloper: breed beginnen, smal worden bij je eigen proef, en weer breed eindigen.
| deel | wat staat erin | tijd en toon |
|---|---|---|
| titel | het onderwerp in één zin, met de variabelen | concreet, geen vraag of slogan |
| samenvatting | vraag, methode, belangrijkste resultaat en besluit, in 100 à 200 woorden | als laatste geschreven |
| inleiding | achtergrond met bronnen, waarom het ertoe doet, onderzoeksvraag, hypothese, voorspelling | tegenwoordige tijd voor wat bekend is |
| methode | materiaal (met meetfouten), opstelling, werkwijze, variabelen, aantal herhalingen, hoe je loot en blind meet | verleden tijd; zo volledig dat een ander het kan overdoen |
| resultaten | verwerkte gegevens in tabellen en figuren, met gemiddelde ± s; wat opvalt, zonder uitleg | verleden tijd; feiten, geen meningen |
| discussie | klopt de voorspelling? verklaring, vergelijking met bronnen, fouten en grenzen, vervolgonderzoek | voorzichtig: 'wijst op', 'past bij' |
| besluit | het antwoord op de onderzoeksvraag, in enkele zinnen | kort en precies |
| bronnen | elke gebruikte bron, in één vaste stijl (bv. APA) | alfabetisch op eerste auteur |
Figuren en tabellen krijgen een nummer en een titel, zodat je ernaar kan verwijzen ('figuur 2 toont ...'). In de natuurwetenschappen staat de titel meestal boven een tabel en onder een figuur; in de APA-stijl staan nummer en titel bij beide erboven. Volg de afspraak van je school. Elke as en elke kolom heeft een grootheid en een eenheid, elk resultaat een fout.
Drie dingen zijn in onderzoek nooit toegestaan: gegevens verzinnen, gegevens vervalsen (weglaten wat niet past, waarden bijsturen) en plagiaat (andermans werk als het jouwe voorstellen). Een eerlijk verslag met een tegenvallend resultaat is meer waard dan een mooi verslag dat niet klopt.
Van ruwe gegevens naar resultaten en discussie
De slaproef is afgelopen. Na 28 dagen woog je (blind) de verse massa van elke plant. Verwerk de gegevens en schrijf de paragrafen Resultaten en Discussie.
| plant | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| wit (g) | 110 | 118 | 149 | 132 | 93 | 121 | 110 | 124 | 94 | 125 | 125 | 148 |
| rood-blauw (g) | 121 | 125 | 91 | 154 | 83 | 135 | 110 | 101 | 105 | 105 | 122 | 114 |
- 12 massa's per groep, in g, balans
- voorspelling: rood-blauw zwaarder
- vooraf berekend: met 12 planten per groep zie je verschillen vanaf ongeveer 21 g
- gemiddelde en standaardafwijking per groep; een figuur
- een resultatenparagraaf en een discussieparagraaf
- 1Verwerken. Wit: som 1449 g, , . Rood-blauw: som 1366 g, , . Verschil: (rood-blauw lichter).
- 2Figuur: toon elke plant apart, met gemiddelde ± per groep (zie figuur). Zo ziet de lezer de spreiding zelf, niet alleen twee staven.
- 3Resultaten (voorbeeldtekst): 'Na 28 dagen was de verse massa onder wit licht en onder rood-blauw licht (gemiddelde ± standaardafwijking, per groep, figuur 1). De massa's liepen uiteen van 83 tot 154 g: de spreiding binnen elke groep was veel groter dan het verschil tussen de gemiddelden. De temperatuur in de vakken verschilde hoogstens 0,6 °C.'
- 4Discussie (voorbeeldtekst): 'De voorspelling kwam niet uit: de planten onder rood-blauw licht waren gemiddeld niet zwaarder, eerder 7 g lichter. Dat verschil is kleiner dan de ongeveer 21 g die deze proef betrouwbaar kan aantonen; we kunnen dus niet besluiten dat een van beide kleuren beter is. Een mogelijke verklaring is dat wit ledlicht ook veel rood en blauw bevat, en dat planten groen licht toch deels gebruiken. Bij evenveel bruikbaar licht lijkt de kleur hier weinig uit te maken. Om een verschil van 7 g aan te tonen, zijn volgens de vuistregel ongeveer 110 planten per groep nodig.'
Bronnen zoeken en beoordelen
Een inleiding en een discussie steunen op wat anderen al vonden. Maar niet elke bron is even betrouwbaar. Een primaire bron bevat de oorspronkelijke metingen van de auteurs zelf. Een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift is voor publicatie meestal gecontroleerd door onafhankelijke vakgenoten: peer review. Dat is geen garantie (ook gecontroleerde artikels bevatten fouten), maar wel een eerste zeef.
Zoeken. Begin breed in een handboek of encyclopedie om de juiste vaktermen te leren, en zoek daarmee verder in de bibliotheek, in Google Scholar of in databanken van tijdschriften. Zoek ook in het Engels: de meeste onderzoeksliteratuur is Engelstalig. Volg de bronnenlijst van een goede bron naar de oorspronkelijke artikels. Een Wikipedia-pagina is een prima startpunt, maar citeer liever de bronnen waarnaar ze verwijst.
Beoordelen. Stel bij elke bron vijf vragen. Een Amerikaanse universiteitsbibliotheek vatte ze samen als de CRAAP-test; in het Nederlands:
| criterium | vraag die je stelt | alarmsignaal |
|---|---|---|
| Actueel | Van wanneer is het? Is er nieuwer onderzoek? | geen datum; verouderde cijfers bij een snel veranderend onderwerp |
| Relevant | Gaat het over mijn vraag, op mijn niveau? | ander gewas, ander klimaat, andere schaal |
| Auteur | Wie schreef het? Wat is zijn deskundigheid? | geen auteur of organisatie; geen contactgegevens |
| Accuraat | Staan er bronnen, methodes en data bij? Kan je het controleren? | stellige beweringen zonder bewijs; geen bronnen |
| Doel | Wil de bron informeren, overtuigen of verkopen? | de auteur verkoopt wat hij aanprijst |
Een taalmodel formuleert vlot een antwoord, maar kan feiten en zelfs bronnen verzinnen die echt lijken. Gebruik het hoogstens om zoektermen te vinden, en controleer elke bewering in een bron die je zelf gelezen hebt. Vermeld in je verslag als je een AI-hulpmiddel gebruikte en waarvoor.
Bronnen vermelden in APA-stijl
Elke bron die je gebruikt, vermeld je twee keer: kort in de tekst, op de plaats waar je de informatie gebruikt, en volledig in de bronnenlijst achteraan, alfabetisch op de familienaam van de eerste auteur. De meest gebruikte stijl in wetenschap en hoger onderwijs is die van de American Psychological Association (APA, zevende editie). Hieronder de vormen die je het meest nodig hebt, met echte voorbeelden. Titels van boeken en tijdschriften staan cursief.
| in de tekst | tussen haakjes | in de zin |
|---|---|---|
| één auteur | (Ohm, 1827) | Ohm (1827) toonde aan dat ... |
| twee auteurs | (Watson & Crick, 1953) | Watson en Crick (1953) stelden voor dat ... |
| drie of meer | (Feynman et al., 1963) | Feynman et al. (1963) leggen uit dat ... |
| organisatie | (Bureau International des Poids et Mesures [BIPM], 2019), daarna (BIPM, 2019) | Het BIPM (2019) definieert ... |
| letterlijk citaat | met aanhalingstekens en bladzijde: (Watson & Crick, 1953, p. 737) |
| soort bron | vorm en voorbeeld in de bronnenlijst |
|---|---|
| artikel in een tijdschrift | Auteur, A. A., & Auteur, B. B. (jaar). Titel van het artikel. Naam van het Tijdschrift, volume(nummer), bladzijden. https://doi.org/... Watson, J. D., & Crick, F. H. C. (1953). Molecular structure of nucleic acids: A structure for deoxyribose nucleic acid. Nature, 171(4356), 737–738. https://doi.org/10.1038/171737a0 |
| boek | Auteur, A. A. (jaar). Titel van het boek (editie of deel). Uitgever. Feynman, R. P., Leighton, R. B., & Sands, M. (1963). The Feynman lectures on physics (Vol. 1). Addison-Wesley. |
| rapport van een organisatie | Organisatie. (jaar). Titel (editie). Uitgever, als die anders is dan de auteur. Bureau International des Poids et Mesures. (2019). The International System of Units (SI) (9th ed.). |
| webpagina | Auteur of organisatie. (jaar, dag maand). Titel van de pagina. Naam van de website. URL Geen datum: (z.d.). Verandert de pagina voortdurend, voeg dan toe: Geraadpleegd op dag maand jaar, van URL. |
| AI-hulpmiddel | Maker. (jaar). Naam van het model (versie) [Groot taalmodel]. URL Alleen als je beschrijft hoe je het gebruikte; feiten haal je uit een gecontroleerde bron. |
| controlelijst voor je verslag |
|---|
| Staat elke bron uit de tekst in de lijst, en elke bron uit de lijst in de tekst? |
| Zijn parafrases in je eigen woorden, en staan letterlijke citaten tussen aanhalingstekens met bladzijde? |
| Heeft elke figuur en tabel een nummer, een titel en een verwijzing in de tekst? |
| Heeft elke as en kolom een grootheid en een eenheid, elk resultaat een fout (hoofdstuk 1)? |
| Kan een klasgenoot je proef overdoen met alleen je methode? |
Waar proefontwerp terugkomt
Elk onderzoek in de rest van StemExpert gebruikt wat je hier leerde: de vraag scherp stellen, eerlijk vergelijken, genoeg herhalen, alles noteren en rapporteren. In Expert krijgt het een statistische onderbouwing: dan reken je uit hoe zeker een verschil is, in plaats van het te schatten met een vuistregel.
De onderzoekscyclus en de eerlijke proef: hier aangevuld met controlegroep, loting en blind meten.
Gemiddelde en standaardafwijking: de spreiding bepaalt hoeveel herhalingen je nodig hebt.
Na het meten volgt het zoeken naar een verband: een rechte, een omgekeerd evenredig verband.
Een enzymproef opzetten is een schoolvoorbeeld van één variabele veranderen met een controle.
Correlatie is geen oorzakelijk verband: waarom alleen een gecontroleerde proef oorzaak en gevolg aantoont.
Het technisch rapport en de verdediging van het integratieproject volgen de opbouw van dit hoofdstuk.
De t-toets en de p-waarde: hoe zeker is een verschil tussen twee groepen, en waar komt de 16 in de vuistregel vandaan?
Het technisch rapport, planning en teamwerk op het niveau van ingenieurs.
In het kort
- Een onderzoeksvraag is specifiek, meetbaar en haalbaar; operationaliseren maakt een vaag begrip meetbaar.
- Een hypothese is een toetsbare verklaring; een voorspelling zegt wat je zal meten als ze klopt ('als ..., dan ...'). Een proef ondersteunt of weerlegt, maar bewijst niet.
- Een controlegroep geeft een vergelijkingspunt; loten verdeelt onbekende verschillen eerlijk; een verstorende variabele die samenvalt met je behandeling maakt een besluit onmogelijk.
- Het aantal herhalingen volgt uit spreiding en gezocht verschil: per groep. Tel alleen onafhankelijke herhalingen (geen pseudoreplicatie).
- Blind meten met codes en vooraf vastgelegde definities beschermt tegen je eigen verwachtingen.
- Het labojournaal: gedateerd, in pen, ruwe gegevens met eenheden, correcties doorhalen met reden, afwijkingen noteren.
- Het verslag volgt inleiding, methode, resultaten en discussie; bronnen vermeld je in de tekst en in een lijst (APA), na ze beoordeeld te hebben.
Wat je nu kent
- hypothese
- Een toetsbare verklaring voor een verschijnsel: wat je denkt dat er gebeurt, en waarom.
- voorspelling
- Wat je concreet zal meten als de hypothese klopt, geformuleerd als 'als ..., dan ...'.
- operationele definitie
- Een precieze afspraak over hoe je een grootheid meet, zodat iedereen hetzelfde meet (bv. 'gekiemd = worteltje van minstens 2 mm').
- controlegroep
- De groep die de gewone behandeling of geen behandeling krijgt, als vergelijkingspunt voor de proefgroep.
- verstorende variabele
- Een variabele die samen met de onafhankelijke variabele verandert en zo het resultaat kan verklaren.
- loten (randomiseren)
- Het toeval laten beslissen welke proefeenheid welke behandeling krijgt, zodat onbekende verschillen zich eerlijk verdelen.
- blind meten
- Meten zonder te weten welke behandeling een proefeenheid kreeg; dubbelblind als ook de proefpersoon het niet weet.
- steekproefgrootte
- Het aantal onafhankelijke herhalingen per groep; hoe kleiner het verschil dat je zoekt tegenover de spreiding, hoe meer je er nodig hebt.
- pseudoreplicatie
- Herhalingen tellen die niet onafhankelijk zijn, zoals twaalf planten onder één lamp als twaalf herhalingen van 'die lamp'.
- labojournaal
- Het doorlopende, gedateerde verslag van alles wat je in een onderzoek deed, mat en vaststelde.
- peer review
- Controle van een wetenschappelijk artikel door onafhankelijke vakgenoten voor het gepubliceerd wordt.
- primaire bron
- Een bron met de oorspronkelijke metingen of waarnemingen van de auteurs zelf.
- plagiaat
- Tekst, ideeën, figuren of data van iemand anders gebruiken zonder de bron te vermelden.