← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Intermediate · Handboek · 2. Experimenten ontwerpen en rapporteren
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
I2. Experimenten ontwerpen en rapporteren
IIntermediate · deel I1 · Onderzoeken met data

Handboek · hoofdstuk 2Experimenten ontwerpen en rapporteren

Een eerlijke proef ontwerpen, alles noteren en er een verslag over schrijven dat een ander kan controleren

Een goed experiment begint lang voor de eerste meting: bij een scherpe vraag, een toetsbare hypothese en een opzet die toeval, vooroordelen en verstorende factoren buitensluit. En het eindigt pas als iemand anders je werk kan nalezen en overdoen. In dit hoofdstuk leer je proeven ontwerpen met een controlegroep, voldoende herhalingen, loting en blind meten; je houdt een labojournaal bij, schrijft een wetenschappelijk verslag en vermeldt je bronnen correct.

7× uitleg2× uitgewerkt voorbeeld1× proef1× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel14 opdrachten in het werkboek± 7 lestijden
Een eerlijke vergelijking van twee lichtkleuren: elk vak een eigen lamp, elke pot een nummer, elke meting in het journaal.
Een eerlijke vergelijking van twee lichtkleuren: elk vak een eigen lamp, elke pot een nummer, elke meting in het journaal.
Na dit hoofdstuk
Uitleg · 2.1

Wat je al weet, en wat nu komt

1/14

In Fundamental (hoofdstuk F2) leerde je de onderzoekscyclus: een vraag, een hypothese, een proef, waarnemingen en een besluit. Je onderscheidde de onafhankelijke variabele (die jij verandert), de afhankelijke variabele (die je meet) en de gecontroleerde variabelen (die je gelijk houdt), want alleen dan is een proef eerlijk. Je herhaalde metingen en nam het gemiddelde, en je hield waarneming en interpretatie uit elkaar.

Op Intermediate verdiep je elke stap. Je formuleert de vraag zo scherp dat ze meetbaar wordt, je maakt onderscheid tussen een hypothese en een voorspelling, je ontwerpt een proef met een controlegroep, genoeg herhalingen, loting en blind meten, je houdt een labojournaal bij, en je rapporteert in de vorm die onderzoekers wereldwijd gebruiken, met bronnen die een ander kan terugvinden. Uit hoofdstuk 1 neem je mee: elke meting heeft een fout, en een verschil betekent pas iets als het groter is dan de spreiding.

Waarom zoveel moeite?

Omdat je jezelf het makkelijkst voor de gek houdt. Wie een resultaat verwacht, ziet het sneller, meet net iets anders of vergeet de proef die mislukte. Een goed proefontwerp is een reeks afspraken die je tegen je eigen verwachting beschermt.

onderzoeksvraagbronnenzoeken, beoordelenhypothese envoorspellingproefopzetcontrole, n, blinduitvoeren+ labojournaalanalyserenstatistiek, figurenrapporterenverslag, bronnennieuwe vraagde onderzoekscyclus · gekleurd: wat je op Intermediate verdiept
De cyclus uit Fundamental, met de stappen die je nu verdiept. Het verslag leidt vaak tot een nieuwe vraag.
Verhaal · 2.2

Twaalf zieke matrozen

2/14

Op lange zeereizen in de achttiende eeuw stierven meer matrozen aan scheurbuik dan in gevechten: hun tandvlees bloedde, wonden genazen niet meer, ze werden doodmoe. Er deden tientallen 'remedies' de ronde, en iedere scheepsarts zwoer bij de zijne.

In mei 1747 deed de Schotse scheepsarts James Lind op het oorlogsschip HMS Salisbury iets nieuws. Hij koos twaalf matrozen met scheurbuik die zo goed mogelijk op elkaar leken, liet ze in hetzelfde deel van het schip liggen en gaf ze hetzelfde basisvoedsel. Daarna verdeelde hij ze in zes paren. Elk paar kreeg een andere behandeling: cider, verdund zwavelzuur, azijn, zeewater, een kruidenpasta, of elke dag twee sinaasappelen en een citroen.

Het paar met de citrusvruchten herstelde veruit het snelst: na zes dagen was een van beiden weer geschikt voor dienst. Lind publiceerde zijn resultaten in 1753. Toch duurde het tot 1795 voor de Britse marine citroensap standaard meegaf, en pas in de twintigste eeuw werd duidelijk waarom het werkte: scheurbuik is een tekort aan vitamine C.

Wat Lind goed deed, en wat beter kon

Goed: vergelijkbare patiënten, dezelfde omstandigheden, één verschil per groep, en meerdere behandelingen naast elkaar. Beter: twee patiënten per groep is heel weinig; Lind liet het toeval niet beslissen wie welke behandeling kreeg; en iedereen wist wie wat kreeg. Loting, voldoende herhalingen en blind meten zijn precies de onderwerpen van dit hoofdstuk.

Zes behandelingen naast elkaar, telkens twee patiënten: een van de eerste vergelijkende proeven in de geneeskunde.
Zes behandelingen naast elkaar, telkens twee patiënten: een van de eerste vergelijkende proeven in de geneeskunde.
Uitleg · 2.3

Van onderwerp naar vraag, hypothese en voorspelling

3/14

Een onderwerp ('licht en planten') is nog geen onderzoek. Je trechtert het in drie stappen.

1. Een onderzoeksvraag is specifiek (één onafhankelijke en één afhankelijke variabele), meetbaar en haalbaar met jouw tijd en materiaal. Handige vormen: 'Wat is het effect van X op Y?' of 'Hoe hangt Y af van X?'. Meetbaar maken heet operationaliseren: 'groei' wordt 'verse massa van het bovengrondse deel na 28 dagen, in gram'.

te vaagonderzoekbaar
Is rood licht goed voor planten?Wat is het effect van de lichtkleur (rood-blauw of wit) op de verse massa van sla na 28 dagen, bij evenveel licht?
Isoleert karton?Hoe hangt de afkoelsnelheid van 200 mL water van 60 °C af van het aantal lagen karton rond de beker?
Werkt onze sensor goed?Hoe groot is de systematische fout van de DHT11 tegenover een referentiethermometer tussen 10 en 30 °C?

2. Een hypothese is een toetsbare verklaring: wat je denkt dat er gebeurt en waarom. Ze steunt op wat je al weet of in bronnen vond. Een goede hypothese kan fout blijken: 'planten groeien zoals ze willen' kan je met geen enkele meting tegenspreken, en is dus geen hypothese.

3. Een voorspelling zegt wat je zal meten als de hypothese klopt, in de vorm 'als ..., dan ...'. De voorspelling maakt de hypothese toetsbaar: komt ze niet uit, dan moet de hypothese bijgesteld worden.

Een proef bewijst een hypothese

Een proef kan een hypothese ondersteunen of tegenspreken, maar niet bewijzen: er kan altijd een andere verklaring zijn voor hetzelfde resultaat. Daarom schrijf je 'de resultaten ondersteunen de hypothese', niet 'de hypothese is bewezen'. Een voorspelling die niet uitkomt, is geen mislukte proef: ze is een resultaat.

onderwerplicht en plantengroei in de klimaatmodulevraagWat is het effect van de lichtkleur (rood-blauw of wit) op deverse massa van sla na 28 dagen, bij evenveel licht?hypotheseBladgroen absorbeert vooral rood en blauw licht; daarom wordtrood-blauw licht beter benut voor fotosynthese.voorspellingAls de hypothese klopt, dan is de gemiddelde verse massa na28 dagen groter onder rood-blauw dan onder wit licht.
Elke stap is smaller en scherper dan de vorige. Pas bij de voorspelling weet je precies wat je moet meten.
Uitleg · 2.4

Eerlijk vergelijken: controlegroep en loting

4/14

Wil je weten wat een behandeling doet, dan heb je iets nodig om mee te vergelijken. De controlegroep krijgt de gewone behandeling (wit licht, gewone voeding) of geen behandeling (0 g/L zout), en is voor de rest identiek aan de proefgroep. Zonder controlegroep weet je niet of een verandering door jouw behandeling komt of door iets anders dat intussen gebeurde: het weer, de seizoenen, de leeftijd van de planten.

Een controlegroep is iets anders dan gecontroleerde variabelen. Gecontroleerde variabelen houd je gelijk in álle groepen (temperatuur, pot, ras). Maar je kan nooit alles gelijk houden: in een kas is het bij het raam lichter en kouder, bij de deur tochtiger. Daarom loot je (randomiseren): het toeval beslist welke pot welke behandeling krijgt en waar hij staat. Zo verdelen onbekende verschillen zich eerlijk over de groepen, in plaats van samen te vallen met je behandeling.

Loten kan met een dobbelsteen, briefjes uit een pot of een rekenblad: zet naast elke pot =ASELECT() (Engels: =RAND()), sorteer op die kolom, en geef de eerste helft behandeling A.

Verstorende variabele

Een verstorende variabele verandert samen met je onafhankelijke variabele en kan het resultaat verklaren. Staan alle planten van groep A bij het raam (linkse figuur), dan kan je een verschil niet meer toeschrijven aan de behandeling: licht en temperatuur verschillen mee. Een ander voorbeeld: rood-blauwe en witte ledlampen hebben een ander rendement en kunnen bij evenveel licht verschillend warm worden. Meet daarom ook de temperatuur in elk vak.

niet zo: groep A bij het raamraamAAABBBAAABBBAAABBBAAABBBwel zo: posities gelootraamBBAABBBAABABBAAABBAAAABB
Links valt de behandeling samen met de afstand tot het raam; rechts beslist het lot, zodat licht, kou en tocht zich over beide groepen verdelen.
Uitgewerkt voorbeeld · 2.5

Een slaproef ontwerpen

5/14

Voor de klimaatmodule wil je weten of het zin heeft om rood-blauwe groeiledlampen te kopen in plaats van witte. Je hebt een rek met zes vakjes, elk met een eigen ledpaneel, en 24 jonge slaplantjes van hetzelfde ras. Ontwerp de proef.

Gegeven
  • zes vakjes met elk een ledpaneel (drie rood-blauw, drie wit)
  • 24 slaplantjes, hetzelfde ras en dezelfde leeftijd
  • balans (), PAR-meter (meet de hoeveelheid bruikbaar licht)
Gevraagd
  • onderzoeksvraag, hypothese, voorspelling
  • variabelen, controlegroep, loting, meting
Oplossing
  1. 1
    Vraag: Wat is het effect van de lichtkleur (rood-blauw of wit) op de verse massa van sla na 28 dagen, bij evenveel bruikbaar licht?
  2. 2
    Hypothese: bladgroen absorbeert vooral rood en blauw licht, dus rood-blauw licht wordt beter benut. Voorspelling: als dat klopt, dan is de gemiddelde verse massa na 28 dagen onder rood-blauw groter dan onder wit.
  3. 3
    Onafhankelijke variabele: de lichtkleur. Afhankelijke: de verse massa van het bovengrondse deel na 28 dagen (g). Gecontroleerd: de hoeveelheid bruikbaar licht (elk paneel afgesteld op met de PAR-meter), 16 uur licht per dag, ras, potgrond, potmaat, water, voeding. Bewaken: de temperatuur in elk vak.
  4. 4
    Eerlijk licht. Niet 'lampen van hetzelfde vermogen', maar 'evenveel licht op de planten': een lamp met een beter rendement geeft bij hetzelfde vermogen meer licht, en dan vergelijk je de hoeveelheid, niet de kleur.
  5. 5
    Controlegroep: wit licht, de gewone keuze. Loting: welke drie vakjes rood-blauw krijgen en welke plant in welk vakje komt (vier per vakje), met een rekenblad. Herhalingen: drie lampen per kleur, twaalf planten per kleur.
  6. 6
    Meten: na 28 dagen afknippen op het grondoppervlak en wegen. De planten krijgen een code; wie weegt, weet niet welke code bij welke kleur hoort.
Antwoord
Een proef met twee groepen van twaalf planten onder elk drie lampen, evenveel bruikbaar licht, geloot, blind gewogen, met wit licht als controle en de temperatuur als bewaakte verstorende variabele.
Klopt dit? Test je ontwerp met de vraag: 'Als ik een verschil vind, kan ik dan nog een andere oorzaak bedenken dan de lichtkleur?' Elke oorzaak die je kan bedenken, moet het ontwerp uitsluiten of meten.
Uitleg · 2.6

Hoeveel herhalingen?

6/14

Geen twee planten, schaaltjes of proefpersonen zijn gelijk. Die natuurlijke spreiding, samen met je meetfout (hoofdstuk 1), maakt dat één plant per groep niets zegt. De grafiek toont een gesimuleerde proef waarin voeding B de planten echt 13 g zwaarder maakt. Met één plant per groep zou je het omgekeerde besluiten; pas vanaf een tiental planten liggen de gemiddelden stabiel in de juiste volgorde.

Hoeveel herhalingen je nodig hebt, hangt af van twee getallen: de spreiding binnen een groep (uit een vooronderzoek of uit eerdere proeven) en het kleinste verschil dat je wil kunnen aantonen. Een bruikbare vuistregel:

vuistregel voor de steekproefgrootte
Met zoveel herhalingen vind je een echt verschil in ongeveer 8 op de 10 proeven terug. Een half zo groot verschil vraagt vier keer zoveel herhalingen. In Expert (hoofdstuk E6) leer je waar die 16 vandaan komt.

Voor de sla: een vooronderzoek gaf . Wil je een verschil van 15 g kunnen zien, dan is planten per groep nodig. Met twaalf planten per groep zie je betrouwbaar alleen verschillen vanaf ongeveer .

Pseudoreplicatie: tellen wat niet onafhankelijk is

Twaalf planten onder één lamp zijn twaalf metingen, maar maar één herhaling van 'die lamp': een lamp die toevallig iets feller brandt, geeft alle twaalf hetzelfde voordeel. Hetzelfde geldt voor tien metingen aan dezelfde plant. Tel als herhaling alleen wat de behandeling onafhankelijk kreeg: daarom gebruikt de slaproef drie lampen per kleur.

051015202530100110120130140150160170aantal planten per groepgemiddelde tot dan toe (g)echt gemiddelde Becht gemiddelde Avoeding Avoeding B
Gesimuleerd: 30 planten per groep, echt verschil 13 g. Bij kleine aantallen springen de gemiddelden alle kanten op, zelfs in de verkeerde volgorde.
Uitleg · 2.7

Blind meten en verwachtingen

7/14

Rond 1900 werd in Berlijn een paard beroemd: 'Kluge Hans', de slimme Hans, die rekensommen oploste door met zijn hoef te tikken. Zijn eigenaar geloofde er zelf in. In 1907 onderzocht de psycholoog Oskar Pfungst het paard. Wist de vraagsteller het antwoord niet, of kon Hans hem niet zien, dan faalde het paard. Hans rekende niet: hij las onbewuste signalen in de houding en het gezicht van de vraagsteller, die ontspande zodra het juiste aantal tikken bereikt was.

Onderzoekers zijn niet anders. Wie weet welke plant de 'goede' behandeling kreeg, knipt die net iets lager af, telt een twijfelachtig kiemworteltje net wel mee, of beoordeelt een blad net iets groener. Niet uit oneerlijkheid, maar omdat verwachtingen onze waarneming kleuren. De remedie:

techniekhoebeschermt tegen
codeselke proefeenheid krijgt een nummer; de sleutel ligt bij iemand andersverwachting van wie meet
blind (enkelblind)wie meet of beoordeelt, weet niet welke behandeling er bij hoortverwachting van wie meet
dubbelblindook de proefpersoon weet het niet (bv. met een placebo, een nepbehandeling)ook het placebo-effect bij mensen
operationele definitie vooraf'gekiemd = worteltje van minstens 2 mm', vastgelegd vóór de proefgrenzen verschuiven tijdens het meten
Ook als het meettoestel objectief is

Een balans heeft geen verwachtingen, maar de hand die de plant afknipt, de aarde eraf klopt en beslist of een geel blad nog meetelt, wel. Blind meten kost weinig: een rol plakband en een klasgenoot die de sleutel bewaart.

Wegen op code: wie de balans afleest, weet niet welke plant onder welke lamp stond.
Wegen op code: wie de balans afleest, weet niet welke plant onder welke lamp stond.
Proef · 2.8

Kiemt tuinkers minder in zout water?

8/14
Onderzoeksvraag

Wat is het effect van de keukenzoutconcentratie van het gietwater (0, 2, 4 en 8 g/L) op het percentage gekiemde tuinkerszaadjes na 72 uur?

Materiaal
  • 20 petrischalen met filtreerpapier
  • 400 tuinkerszaadjes uit één zakje
  • keukenzout, balans, maatcilinder, 4 flessen
  • pipet of spuitje van 5 mL
  • plakband en stift voor codes
  • loep en lat
VeiligheidKeukenzout is onschadelijk; was je handen na het werken met zaden die met schimmelwerend middel behandeld kunnen zijn.
01234567890102030405060708090100zoutconcentratie (g/L)gekiemd na 72 h (%)gemiddelde van 5 schaaltjes ± s
Elk punt is het gemiddelde van vijf schaaltjes; de balkjes tonen één standaardafwijking.
Werkwijze
  1. 1Maak vier oplossingen: 0, 2, 4 en 8 g keukenzout per liter kraantjeswater. De fles met 0 g/L is de controle.
  2. 2Laat een klasgenoot de 20 schalen loten over de vier concentraties (vijf schalen per concentratie) en er een code K1 tot K20 op kleven. Hij bewaart de sleutel.
  3. 3Leg in elke schaal filtreerpapier, bevochtig met 4 mL van de juiste oplossing en leg er 20 zaadjes op.
  4. 4Zet de schalen in een geloot patroon op dezelfde vensterbank, uit de volle zon. Noteer alles in je labojournaal.
  5. 5Tel na 72 uur, zonder de sleutel te kennen, de gekiemde zaadjes. Leg vooraf vast: gekiemd = worteltje van minstens 2 mm.
  6. 6Open de sleutel pas na het tellen en bereken per concentratie het gemiddelde percentage en de standaardafwijking.
Waarneming
NaCl (g/L)gekiemd per schaaltje (van 20)gemiddeld (%)s (%)
020 · 19 · 19 · 20 · 20982,7
216 · 20 · 20 · 16 · 189010,0
417 · 17 · 16 · 18 · 18864,2
811 · 11 · 12 · 10 · 12564,2

Tussen 0 en 4 g/L daalt de kieming weinig; bij 8 g/L kiemt nog iets meer dan de helft. De spreiding tussen schaaltjes van dezelfde concentratie is 3 tot 10 procentpunten.

Verklaring

Zout water trekt water uit het zaadje: water verplaatst zich door osmose naar de kant met de hoogste zoutconcentratie. Hoe zouter het gietwater, hoe moeilijker het zaadje genoeg water opneemt om te kiemen. In deze proef is het verschil tussen 0 en 8 g/L (ongeveer 40 procentpunten) veel groter dan de spreiding: dat is een duidelijk effect. Het verschil tussen 2 en 4 g/L (4 procentpunten) is kleiner dan de spreiding: daarover kan deze proef niets besluiten.

Kijk naar het ontwerp: een controle (0 g/L), vijf onafhankelijke schalen per concentratie, loting van posities, codes en blind tellen met een vooraf vastgelegde definitie. Ter vergelijking: zeewater bevat ongeveer 35 g zout per liter.

Ontleed · 2.9

Een bladzijde uit een labojournaal

9/14

Het labojournaal is het geheugen van je onderzoek: alles wat je deed, mat en zag, op het moment zelf. In een onderzoekslabo is het een officieel document: wie een resultaat publiceert, moet het kunnen tonen. De regels zijn eenvoudig. Een gebonden schrift met genummerde bladzijden (of een digitaal journaal dat elke wijziging bewaart). Schrijf in pen, meteen, met datum en uur. Noteer ruwe gegevens met eenheden, niet alleen berekende. Gom of verwijder nooit: haal door met één lijn, zodat het leesbaar blijft, en schrijf de correctie en de reden erbij. En noteer ook wat misloopt: juist daar zitten vaak de verklaringen.

di 13 oktober 2026 · 9.10 u · dag 0: inzaaienp. 23Doel: effect van NaCl (0-8 g/L) op kieming na 72 h20 schalen × 20 zaadjes tuinkers, zakje lot 2291Codes K1-K20 geloot; sleutel bij mevr. V.schets: vensterbank, 22 °Cdo 15 oktober · 12.40 u · dag 2K7 uitgedroogd: 1 mL extra oplossing gegevenvr 16 oktober · 9.15 u · dag 3: tellen, blindgekiemd = worteltje van minstens 2 mmcodezaadjesgekiemdK12019K220K32012K420201716 dubbel geteld (LV)K12: witte schimmelpluis op het papier, foto 23-1Volgende stap: code-sleutel openen, % per concentratieL. Vermeulen · M. Aydin
Drie dagen kiemproef op één bladzijde: elke notitie heeft een datum, elke meting een eenheid, elke correctie een reden.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Datum, uur en fase

    Elke notitie begint met datum en uur. Zo kan je later reconstrueren wat wanneer gebeurde, bijvoorbeeld hoeveel uur de zaadjes echt kiemden.

  2. 2
    Genummerde bladzijde

    Genummerde bladzijden tonen dat er niets uitgescheurd is. Verwijs ernaar vanuit je verslag.

  3. 3
    Doel en materiaal

    Kort: wat wil je weten, met welk materiaal. Het lotnummer van de zaadjes lijkt overbodig, tot een volgende proef met een ander zakje andere resultaten geeft.

  4. 4
    Codes en sleutel

    De codes staan in het journaal; de sleutel bewaart iemand anders. Zo is blind tellen mogelijk en toch alles terug te vinden.

  5. 5
    Schets

    Een snelle schets van de opstelling zegt meer dan een alinea: waar stond wat, bij welke temperatuur.

  6. 6
    Afwijking van het plan

    Iets liep anders dan gepland: noteer wat, wanneer en wat je deed. In het verslag vermeld je het in de methode of de discussie.

  7. 7
    Operationele definitie

    Wat telt als gekiemd, vastgelegd vóór het tellen. Een volgende onderzoeker kan zo exact hetzelfde meten.

  8. 8
    Correctie, leesbaar

    Doorgehaald met één lijn, de nieuwe waarde ernaast, met de reden en de initialen. Nooit gommen of overschrijven: de oorspronkelijke notitie blijft zichtbaar.

  9. 9
    Onverwachte waarneming

    Schimmel in schaal K12: misschien verklaart die later een afwijkend resultaat. Een foto krijgt een nummer dat naar deze bladzijde verwijst.

  10. 10
    Volgende stap en namen

    Wat moet er nu gebeuren, en wie werkte mee? Bij een vraag over de metingen weet iedereen wie hij moet aanspreken.

Uitleg · 2.10

Het wetenschappelijk verslag

10/14

Onderzoekers over de hele wereld rapporteren in dezelfde volgorde, vaak afgekort als IMRaD: Introduction, Methods, Results and Discussion. Wie die vorm kent, vindt in elk artikel meteen wat hij zoekt. Het verslag heeft de vorm van een zandloper: breed beginnen, smal worden bij je eigen proef, en weer breed eindigen.

deelwat staat erintijd en toon
titelhet onderwerp in één zin, met de variabelenconcreet, geen vraag of slogan
samenvattingvraag, methode, belangrijkste resultaat en besluit, in 100 à 200 woordenals laatste geschreven
inleidingachtergrond met bronnen, waarom het ertoe doet, onderzoeksvraag, hypothese, voorspellingtegenwoordige tijd voor wat bekend is
methodemateriaal (met meetfouten), opstelling, werkwijze, variabelen, aantal herhalingen, hoe je loot en blind meetverleden tijd; zo volledig dat een ander het kan overdoen
resultatenverwerkte gegevens in tabellen en figuren, met gemiddelde ± s; wat opvalt, zonder uitlegverleden tijd; feiten, geen meningen
discussieklopt de voorspelling? verklaring, vergelijking met bronnen, fouten en grenzen, vervolgonderzoekvoorzichtig: 'wijst op', 'past bij'
besluithet antwoord op de onderzoeksvraag, in enkele zinnenkort en precies
bronnenelke gebruikte bron, in één vaste stijl (bv. APA)alfabetisch op eerste auteur

Figuren en tabellen krijgen een nummer en een titel, zodat je ernaar kan verwijzen ('figuur 2 toont ...'). In de natuurwetenschappen staat de titel meestal boven een tabel en onder een figuur; in de APA-stijl staan nummer en titel bij beide erboven. Volg de afspraak van je school. Elke as en elke kolom heeft een grootheid en een eenheid, elk resultaat een fout.

Wetenschappelijke integriteit

Drie dingen zijn in onderzoek nooit toegestaan: gegevens verzinnen, gegevens vervalsen (weglaten wat niet past, waarden bijsturen) en plagiaat (andermans werk als het jouwe voorstellen). Een eerlijk verslag met een tegenvallend resultaat is meer waard dan een mooi verslag dat niet klopt.

titel en samenvattinginleidingmethoderesultatendiscussie en besluitbronnen (en bijlagen)waar gaat het over? wat vond je?van breed naar jouw vraag,met hypothese en voorspellingwat deed je? herhaalbaarwat mat je? tabellen, figurenwat betekent het? fouten,grenzen, terug naar het geheelalle bronnen, volledig
De zandloper: de inleiding vernauwt van het onderwerp naar jouw vraag, de discussie verbreedt van jouw resultaat naar wat het betekent.
Uitgewerkt voorbeeld · 2.11

Van ruwe gegevens naar resultaten en discussie

11/14

De slaproef is afgelopen. Na 28 dagen woog je (blind) de verse massa van elke plant. Verwerk de gegevens en schrijf de paragrafen Resultaten en Discussie.

plant123456789101112
wit (g)1101181491329312111012494125125148
rood-blauw (g)1211259115483135110101105105122114
708090100110120130140150160170verse massa (g)121 gwit114 grood-blauwcirkels: elke plant · streep en balk: gemiddelde ± s
Figuur 1 van het verslag: de planten van beide groepen overlappen sterk; het verschil tussen de gemiddelden is klein tegenover de spreiding.
Gegeven
  • 12 massa's per groep, in g, balans
  • voorspelling: rood-blauw zwaarder
  • vooraf berekend: met 12 planten per groep zie je verschillen vanaf ongeveer 21 g
Gevraagd
  • gemiddelde en standaardafwijking per groep; een figuur
  • een resultatenparagraaf en een discussieparagraaf
Oplossing
  1. 1
    Verwerken. Wit: som 1449 g, , . Rood-blauw: som 1366 g, , . Verschil: (rood-blauw lichter).
  2. 2
    Figuur: toon elke plant apart, met gemiddelde ± per groep (zie figuur). Zo ziet de lezer de spreiding zelf, niet alleen twee staven.
  3. 3
    Resultaten (voorbeeldtekst): 'Na 28 dagen was de verse massa onder wit licht en onder rood-blauw licht (gemiddelde ± standaardafwijking, per groep, figuur 1). De massa's liepen uiteen van 83 tot 154 g: de spreiding binnen elke groep was veel groter dan het verschil tussen de gemiddelden. De temperatuur in de vakken verschilde hoogstens 0,6 °C.'
  4. 4
    Discussie (voorbeeldtekst): 'De voorspelling kwam niet uit: de planten onder rood-blauw licht waren gemiddeld niet zwaarder, eerder 7 g lichter. Dat verschil is kleiner dan de ongeveer 21 g die deze proef betrouwbaar kan aantonen; we kunnen dus niet besluiten dat een van beide kleuren beter is. Een mogelijke verklaring is dat wit ledlicht ook veel rood en blauw bevat, en dat planten groen licht toch deels gebruiken. Bij evenveel bruikbaar licht lijkt de kleur hier weinig uit te maken. Om een verschil van 7 g aan te tonen, zijn volgens de vuistregel ongeveer 110 planten per groep nodig.'
Antwoord
De proef ondersteunt de hypothese niet. Het besluit is niet 'mislukt', maar: bij gelijke hoeveelheid licht is geen verschil aantoonbaar, en voor de klimaatmodule zijn duurdere rood-blauwe lampen op basis van deze proef niet te verantwoorden.
Klopt dit? Klopt de vuistregel? planten per groep, met als gemiddelde spreiding van beide groepen. En de afronding: de fout op één of twee beduidende cijfers (18 en 19 g), de gemiddelden op dezelfde positie (121 en 114 g).
Uitleg · 2.12

Bronnen zoeken en beoordelen

12/14

Een inleiding en een discussie steunen op wat anderen al vonden. Maar niet elke bron is even betrouwbaar. Een primaire bron bevat de oorspronkelijke metingen van de auteurs zelf. Een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift is voor publicatie meestal gecontroleerd door onafhankelijke vakgenoten: peer review. Dat is geen garantie (ook gecontroleerde artikels bevatten fouten), maar wel een eerste zeef.

Zoeken. Begin breed in een handboek of encyclopedie om de juiste vaktermen te leren, en zoek daarmee verder in de bibliotheek, in Google Scholar of in databanken van tijdschriften. Zoek ook in het Engels: de meeste onderzoeksliteratuur is Engelstalig. Volg de bronnenlijst van een goede bron naar de oorspronkelijke artikels. Een Wikipedia-pagina is een prima startpunt, maar citeer liever de bronnen waarnaar ze verwijst.

Beoordelen. Stel bij elke bron vijf vragen. Een Amerikaanse universiteitsbibliotheek vatte ze samen als de CRAAP-test; in het Nederlands:

criteriumvraag die je steltalarmsignaal
ActueelVan wanneer is het? Is er nieuwer onderzoek?geen datum; verouderde cijfers bij een snel veranderend onderwerp
RelevantGaat het over mijn vraag, op mijn niveau?ander gewas, ander klimaat, andere schaal
AuteurWie schreef het? Wat is zijn deskundigheid?geen auteur of organisatie; geen contactgegevens
AccuraatStaan er bronnen, methodes en data bij? Kan je het controleren?stellige beweringen zonder bewijs; geen bronnen
DoelWil de bron informeren, overtuigen of verkopen?de auteur verkoopt wat hij aanprijst
AI-chatbots zijn geen bron

Een taalmodel formuleert vlot een antwoord, maar kan feiten en zelfs bronnen verzinnen die echt lijken. Gebruik het hoogstens om zoektermen te vinden, en controleer elke bewering in een bron die je zelf gelezen hebt. Vermeld in je verslag als je een AI-hulpmiddel gebruikte en waarvoor.

primaire bronsecundaire brontertiaire broneigen metingen van deauteurs: onderzoeksartikel,datasets, labojournaalbespreekt en vergelijktprimaire bronnen:overzichtsartikel, vakboekvat samen voor eenbreed publiek: encyclopedie,handboek, Wikipediahoe verder naar rechts, hoe toegankelijker, maar hoe verder van de metingen zelf
Hoe dichter bij de metingen, hoe beter je kan controleren wat er echt gevonden werd.
Naslag · 2.13

Bronnen vermelden in APA-stijl

13/14

Elke bron die je gebruikt, vermeld je twee keer: kort in de tekst, op de plaats waar je de informatie gebruikt, en volledig in de bronnenlijst achteraan, alfabetisch op de familienaam van de eerste auteur. De meest gebruikte stijl in wetenschap en hoger onderwijs is die van de American Psychological Association (APA, zevende editie). Hieronder de vormen die je het meest nodig hebt, met echte voorbeelden. Titels van boeken en tijdschriften staan cursief.

in de teksttussen haakjesin de zin
één auteur(Ohm, 1827)Ohm (1827) toonde aan dat ...
twee auteurs(Watson & Crick, 1953)Watson en Crick (1953) stelden voor dat ...
drie of meer(Feynman et al., 1963)Feynman et al. (1963) leggen uit dat ...
organisatie(Bureau International des Poids et Mesures [BIPM], 2019), daarna (BIPM, 2019)Het BIPM (2019) definieert ...
letterlijk citaatmet aanhalingstekens en bladzijde: (Watson & Crick, 1953, p. 737)
soort bronvorm en voorbeeld in de bronnenlijst
artikel in een tijdschriftAuteur, A. A., & Auteur, B. B. (jaar). Titel van het artikel. Naam van het Tijdschrift, volume(nummer), bladzijden. https://doi.org/...
Watson, J. D., & Crick, F. H. C. (1953). Molecular structure of nucleic acids: A structure for deoxyribose nucleic acid. Nature, 171(4356), 737–738. https://doi.org/10.1038/171737a0
boekAuteur, A. A. (jaar). Titel van het boek (editie of deel). Uitgever.
Feynman, R. P., Leighton, R. B., & Sands, M. (1963). The Feynman lectures on physics (Vol. 1). Addison-Wesley.
rapport van een organisatieOrganisatie. (jaar). Titel (editie). Uitgever, als die anders is dan de auteur.
Bureau International des Poids et Mesures. (2019). The International System of Units (SI) (9th ed.).
webpaginaAuteur of organisatie. (jaar, dag maand). Titel van de pagina. Naam van de website. URL
Geen datum: (z.d.). Verandert de pagina voortdurend, voeg dan toe: Geraadpleegd op dag maand jaar, van URL.
AI-hulpmiddelMaker. (jaar). Naam van het model (versie) [Groot taalmodel]. URL
Alleen als je beschrijft hoe je het gebruikte; feiten haal je uit een gecontroleerde bron.
controlelijst voor je verslag
Staat elke bron uit de tekst in de lijst, en elke bron uit de lijst in de tekst?
Zijn parafrases in je eigen woorden, en staan letterlijke citaten tussen aanhalingstekens met bladzijde?
Heeft elke figuur en tabel een nummer, een titel en een verwijzing in de tekst?
Heeft elke as en kolom een grootheid en een eenheid, elk resultaat een fout (hoofdstuk 1)?
Kan een klasgenoot je proef overdoen met alleen je methode?
Het geheel · 2.14

Waar proefontwerp terugkomt

14/14

Elk onderzoek in de rest van StemExpert gebruikt wat je hier leerde: de vraag scherp stellen, eerlijk vergelijken, genoeg herhalen, alles noteren en rapporteren. In Expert krijgt het een statistische onderbouwing: dan reken je uit hoe zeker een verschil is, in plaats van het te schatten met een vuistregel.

De onderzoekscyclus en de eerlijke proef: hier aangevuld met controlegroep, loting en blind meten.

Gemiddelde en standaardafwijking: de spreiding bepaalt hoeveel herhalingen je nodig hebt.

Na het meten volgt het zoeken naar een verband: een rechte, een omgekeerd evenredig verband.

Een enzymproef opzetten is een schoolvoorbeeld van één variabele veranderen met een controle.

Correlatie is geen oorzakelijk verband: waarom alleen een gecontroleerde proef oorzaak en gevolg aantoont.

Het technisch rapport en de verdediging van het integratieproject volgen de opbouw van dit hoofdstuk.

De t-toets en de p-waarde: hoe zeker is een verschil tussen twee groepen, en waar komt de 16 in de vuistregel vandaan?

Het technisch rapport, planning en teamwerk op het niveau van ingenieurs.

HabitatDe klimaatmodule wordt een systeem van tientallen keuzes: lampkleur, voeding, ventilatie, isolatie. Elke keuze die je met een proef onderbouwt, moet een eerlijke proef zijn. In opdracht 2.14 schrijf je het onderzoeksplan voor één zo'n keuze, met vraag, hypothese, controlegroep, herhalingen, loting, blind meten en bronnen.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

hypothese
Een toetsbare verklaring voor een verschijnsel: wat je denkt dat er gebeurt, en waarom.
voorspelling
Wat je concreet zal meten als de hypothese klopt, geformuleerd als 'als ..., dan ...'.
operationele definitie
Een precieze afspraak over hoe je een grootheid meet, zodat iedereen hetzelfde meet (bv. 'gekiemd = worteltje van minstens 2 mm').
controlegroep
De groep die de gewone behandeling of geen behandeling krijgt, als vergelijkingspunt voor de proefgroep.
verstorende variabele
Een variabele die samen met de onafhankelijke variabele verandert en zo het resultaat kan verklaren.
loten (randomiseren)
Het toeval laten beslissen welke proefeenheid welke behandeling krijgt, zodat onbekende verschillen zich eerlijk verdelen.
blind meten
Meten zonder te weten welke behandeling een proefeenheid kreeg; dubbelblind als ook de proefpersoon het niet weet.
steekproefgrootte
Het aantal onafhankelijke herhalingen per groep; hoe kleiner het verschil dat je zoekt tegenover de spreiding, hoe meer je er nodig hebt.
pseudoreplicatie
Herhalingen tellen die niet onafhankelijk zijn, zoals twaalf planten onder één lamp als twaalf herhalingen van 'die lamp'.
labojournaal
Het doorlopende, gedateerde verslag van alles wat je in een onderzoek deed, mat en vaststelde.
peer review
Controle van een wetenschappelijk artikel door onafhankelijke vakgenoten voor het gepubliceerd wordt.
primaire bron
Een bron met de oorspronkelijke metingen of waarnemingen van de auteurs zelf.
plagiaat
Tekst, ideeën, figuren of data van iemand anders gebruiken zonder de bron te vermelden.
Aan de slag in het werkboek14 opdrachten, van oefenen tot uitdagen