Handboek · hoofdstuk 6Goniometrie en vectoren
Hoeken en pijlen: van de helling van een oprit tot de hoek van de zon op het zonnepaneel
Hoe steil is 22 %? Met welke kracht glijdt een kist van een helling? Hoe hoog staat de zon in december, en onder welke hoek zet je een zonnepaneel? Allemaal vragen over hoeken en richtingen. In dit hoofdstuk leer je rekenen met sinus, cosinus en tangens in de rechthoekige driehoek, en werk je met vectoren: grootheden met een grootte én een richting, zoals kracht en snelheid. Je telt ze op, je ontbindt ze in stukken, en je kiest met echte zonnedata de beste hellingshoek voor het zonnepaneel van Habitat.

- Je kan in een rechthoekige driehoek de zijden benoemen ten opzichte van een hoek en sinus, cosinus en tangens als verhoudingen schrijven.
- Je kan met sinus, cosinus en tangens een onbekende zijde of hoek berekenen, en de rekenmachine correct gebruiken (graden, inverse functies).
- Je kan een helling omrekenen van procent naar graden en omgekeerd, en uitleggen waarom 100 % geen verticale wand is.
- Je kan vectoren tekenen, optellen met de kop-staartmethode en de parallellogrammethode, en het verschil met gewone getallen uitleggen.
- Je kan een vector ontbinden in componenten en vectoren optellen met componenten, met grootte en richting van de resultante.
- Je kan de zwaartekracht op een helling ontbinden in een component langs en een component loodrecht op de helling.
- Je kan de zonnehoogte op het middaguur berekenen uit de breedtegraad en de declinatie, en er schaduwlengtes en de invalshoek op een zonnepaneel mee bepalen.
- Je kan een hellingshoek voor een zonnepaneel kiezen en verantwoorden met een afweging tussen jaaropbrengst en winteropbrengst.
Wat je al weet, en wat nu komt
Uit de wiskundeles ken je de stelling van Pythagoras: in een rechthoekige driehoek is het kwadraat van de schuine zijde gelijk aan de som van de kwadraten van de twee rechthoekszijden. Je kent gelijkvormige driehoeken: dezelfde hoeken, dus dezelfde verhoudingen tussen de zijden. In hoofdstuk F11 tekende je een kracht als pijl, met een grootte, een richting en een aangrijpingspunt; in hoofdstuk F13 zag je dat een driehoek een stijve vorm is.
Pythagoras verbindt de drie zijden, maar zegt niets over de hoeken. Hoe steil is een oprit van 6,40 m lang die 40 cm stijgt? Onder welke hoek staat een ladder? Hoe hoog staat de zon als een stok van 1 m een schaduw van 1,23 m geeft? Daarvoor heb je de goniometrie nodig ('hoekmeting'): sinus, cosinus en tangens. In dit hoofdstuk
- reken je zijden en hoeken uit in een rechthoekige driehoek;
- zet je een helling om van procent naar graden en terug;
- werk je met vectoren: optellen, en ontbinden in componenten;
- pas je alles toe op de kracht op een helling en op de hoek van de zon.
Eratosthenes meet de aarde met een schaduw
Rond 240 voor onze tijdrekening was Eratosthenes hoofd van de beroemde bibliotheek van Alexandrië, in Egypte. Volgens de overlevering hoorde hij dat de zon in Syene (het huidige Aswan), ver naar het zuiden, op de langste dag van het jaar om 12 uur recht boven stond: een verticale stok gaf er geen schaduw, en de zon scheen tot op de bodem van een diepe put. In Alexandrië gaf een verticale stok op datzelfde moment wel een schaduw.
Eratosthenes redeneerde met twee aannames: de aarde is een bol, en de zon staat zo ver weg dat haar stralen evenwijdig invallen. Dan is de hoek tussen de stok in Alexandrië en de zonnestralen even groot als de hoek tussen de twee steden, gemeten vanuit het middelpunt van de aarde (evenwijdige lijnen, gesneden door dezelfde rechte: overeenkomstige hoeken zijn gelijk). Die hoek mat hij: van een volle cirkel, 7,2°. De afstand tussen de twee steden schatte men op 5000 stadiën. Dan is de omtrek van de aarde stadiën.
Hoe goed was dat? Niemand weet precies welke stadie Eratosthenes gebruikte; met de waarden die historici voorstellen (tussen ongeveer 157 en 185 m) kom je uit tussen 39 000 en 46 000 km. De echte omtrek over de polen is 40 008 km. Zijn methode was juist; de onzekerheid zat in de afstand en in het feit dat Syene niet precies ten zuiden van Alexandrië ligt.
Met een stok, een schaduw en een hoek mat iemand zonder ruimtevaart de omvang van de hele planeet. Hetzelfde idee gebruik je verderop: de lengte van een schaduw geeft de zonnehoogte, en de zonnehoogte geeft de beste hoek voor een zonnepaneel. In opdracht 6.15 doe je de meting van Eratosthenes over met twee scholen.
Sinus, cosinus en tangens
Neem een rechthoekige driehoek en kies een van de scherpe hoeken, . Ten opzichte van die hoek hebben de zijden een naam: de schuine zijde (tegenover de rechte hoek, de langste), de overstaande rechthoekszijde (tegenover ) en de aanliggende rechthoekszijde (die samen met de schuine zijde de hoek vormt).
Alle rechthoekige driehoeken met dezelfde hoek zijn gelijkvormig: groter of kleiner, maar met dezelfde verhoudingen tussen hun zijden. Die verhoudingen hangen dus alleen van af, en krijgen een naam:
Drie handige verbanden volgen er meteen uit:
- (deel teller en noemer door de schuine zijde);
- (dat is Pythagoras, gedeeld door het kwadraat van de schuine zijde);
- de twee scherpe hoeken zijn samen 90°, en : wat voor de ene hoek overstaand is, is voor de andere aanliggend.
Een zijde berekenen. Ken je een hoek en een zijde, dan kies je de verhouding waarin de gekende en de gezochte zijde voorkomen. Een dak van 5,0 m lang staat onder 35°: het hoogteverschil is en de horizontale overspanning .
Een hoek terugrekenen, en exacte waarden
Ken je twee zijden, dan ken je een verhouding, en zoek je de hoek die erbij hoort. Daarvoor heeft je rekenmachine de inverse functies , en (ook boogsinus, boogcosinus en boogtangens genoemd; op een rekenblad en in Python: ASIN, ACOS, ATAN). Een oprit die 40 cm stijgt over 6,40 m horizontaal: , dus .
Een rekenmachine kan hoeken meten in graden (DEG) of in radialen (RAD), een andere eenheid waarbij een volle cirkel is. Staat hij op RAD, dan is gelijk aan in plaats van . Controleer vóór een toets: ? Python en rekenbladen werken altijd in radialen: gebruik math.radians() of RADIANS() (opdracht 6.12).
Voor 30°, 45° en 60° bestaan exacte waarden, die je uit twee eenvoudige driehoeken haalt. Een vierkant met zijde 1, doormidden gesneden langs de diagonaal, geeft een driehoek met twee hoeken van 45° en een schuine zijde . Een gelijkzijdige driehoek met zijde 2, doormidden gesneden, geeft hoeken van 30° en 60°, rechthoekszijden 1 en .
| 0° | 30° | 45° | 60° | 90° | |
|---|---|---|---|---|---|
| 0 | 1 | ||||
| 1 | 0 | ||||
| 0 | 1 | bestaat niet |
Een ladder veilig plaatsen
Een ladder staat veilig als de voet op een kwart van de werkhoogte van de muur staat: 1 m uit de muur per 4 m hoogte (de '1-op-4-regel'). Onder welke hoek met de grond staat de ladder dan? Een ladder van 4,0 m wordt zo tegen een muur gezet. Hoe hoog reikt hij, en hoe ver staat de voet van de muur?
- verhouding hoogte : afstand = 4 : 1
- ladderlengte
- hoek met de grond
- hoogte en afstand tot de muur
- 1Muur, grond en ladder vormen een rechthoekige driehoek. Ten opzichte van de hoek aan de grond is de hoogte de overstaande en de afstand de aanliggende rechthoekszijde.
- 2, dus .
- 3De hoek hangt niet af van de lengte van de ladder: elke ladder volgens de regel staat onder 76°.
- 4Hoogte: . Afstand: .
Hellingen in procent en in graden
Een helling van 10 % betekent: 10 m stijgen per 100 m horizontaal. Dat is de tangens van de hellingshoek, maal 100:
| helling | hoek | voorbeeld |
|---|---|---|
| 2 % | 1,1° | spoorlijn, riolering (vaak nog minder) |
| 5 % | 2,9° | grens voor een lange oprit voor rolstoelen |
| 10 % | 5,7° | steile weg; zwaar voor een fietser |
| 22 % | 12,4° | steilste stuk van de Koppenberg (Ronde van Vlaanderen) |
| 48 % | 25,6° | Pilatusbahn (Zwitserland), de steilste tandradbaan ter wereld |
| 100 % | 45° | even hoog als lang: een trap is vaak nog steiler |
Gevaarsborden voor een steile helling of een gevaarlijke daling vermelden het hellingspercentage. Spoorwegen en rioleringen rekenen soms in promille (‰, per 1000): een rioolbuis van 5 ‰ daalt 5 mm per meter.
100 % betekent 100 m stijgen per 100 m horizontaal: , dus 45°. Een verticale wand heeft geen horizontale afstand: zijn helling in procent is oneindig groot. En een helling van 20 % is niet 'twee keer zo steil als 10 %' in graden: 11,3° tegenover 5,7°, bijna dubbel, maar bij grote hellingen wijkt het verband duidelijk af van evenredig (100 % is 45°, 200 % is 63,4°).

Habitat: een toegankelijke oprit naar de module
De vloer van de klimaatmodule ligt 40 cm boven het terrein. Iedereen moet binnen kunnen, ook met een rolstoel of een zware kar. In Vlaanderen legt de verordening toegankelijkheid de grootste helling vast volgens het hoogteverschil (tabel). Hoe lang wordt de oprit, onder welke hoek, en is er een tussenbordes nodig?
| te overbruggen hoogteverschil | helling hoogstens |
|---|---|
| tot 10 cm | 10 % |
| 10 tot 25 cm | 8,3 % |
| 25 tot 35 cm | 7 % |
| 35 tot 50 cm | 6,25 % |
| meer dan 50 cm | 5 % |
Per 50 cm hoogteverschil, of na 10 m helling, komt er een vlak tussenbordes van minstens 1,50 m. (Vlaamse stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid, artikel 19.)
- hoogteverschil
- de tabel met de toegelaten hellingen
- toegelaten helling, horizontale lengte, lengte langs de helling, hoek
- 140 cm valt in de klasse 35 tot 50 cm: hoogstens 6,25 %.
- 2Horizontale lengte: , dus .
- 3Hoek: .
- 4Lengte langs de helling: (of met Pythagoras: ).
- 5Tussenbordes: het hoogteverschil is kleiner dan 50 cm en de helling korter dan 10 m: niet nodig. Wel een vlak bordes van minstens 1,50 m bovenaan, voor de deur, om te draaien.
Vectoren: grootte en richting
Een massa van 5 kg, een temperatuur van 20 °C, een energie van 300 J: die grootheden liggen volledig vast met een getal en een eenheid. Het zijn scalairen. Een kracht van 50 N is niet volledig beschreven: omhoog of opzij? Een snelheid van 3 m/s: naar het noorden of naar het oosten? Zulke grootheden hebben een grootte en een richting. Het zijn vectoren.
Je tekent een vector als een pijl: de lengte is de grootte (op een gekozen schaal), de pijl wijst de richting. In tekst schrijf je een vector met een pijltje, , en de grootte zonder pijltje, (of ). Voorbeelden: kracht, snelheid, verplaatsing, versnelling, het elektrisch veld.
- Twee vectoren zijn gelijk als ze dezelfde grootte en dezelfde richting hebben, waar ze ook getekend staan. (Bij krachten telt ook het aangrijpingspunt voor het draaien, hoofdstuk 10.)
- De tegengestelde vector heeft dezelfde grootte en de omgekeerde richting.
- Een vector maal een getal: is twee keer zo lang, zelfde richting; twee keer zo lang, omgekeerde richting.
Twee krachten van 30 N en 40 N geven samen niet altijd 70 N. In dezelfde richting wel; tegengesteld 10 N; loodrecht op elkaar 50 N (Pythagoras). De som van twee vectoren hangt af van hun richtingen, en ligt altijd tussen het verschil en de som van hun groottes.
Vectoren optellen: kop-staart en parallellogram
Loop 4 stappen naar rechts en 1 omhoog, en daarna 1 naar rechts en 3 omhoog. Waar kom je uit? De verplaatsingen tel je op door ze achter elkaar te zetten. Dat is de kop-staartmethode: zet de staart van aan de kop van . De resultante loopt van de staart van naar de kop van .
Bij krachten die in hetzelfde punt aangrijpen, is de parallellogrammethode natuurlijker: teken beide pijlen vanuit hetzelfde punt, vul aan tot een parallellogram, en de diagonaal vanuit dat punt is de som. Het is dezelfde constructie: de overstaande zijden van een parallellogram zijn gelijke vectoren.
- De volgorde maakt niet uit: (de twee helften van het parallellogram).
- Meer dan twee vectoren: blijf kop aan staart zetten. Komt de laatste kop terug bij de eerste staart, dan is de som nul: de krachten zijn in evenwicht (hoofdstuk 8).
- Aftrekken is de tegengestelde optellen: .
Op ruitjespapier met een goede schaal kan je de resultante meten (lengte met een lat, richting met een gradenboog). Nauwkeuriger is rekenen: staan de twee vectoren loodrecht op elkaar, dan geeft Pythagoras de grootte en de tangens de richting. Anders ontbind je ze eerst (twee bladen verder).
Een boot steekt een rivier over
Een motorboot vaart ten opzichte van het water aan 3,0 m/s, met de neus loodrecht op de oever. De rivier is 60 m breed en stroomt aan 1,5 m/s. Wat is de snelheid van de boot ten opzichte van de oever, onder welke hoek beweegt hij, hoe lang duurt de oversteek, en hoe ver drijft hij af?
- loodrecht op de oever
- langs de oever
- breedte 60 m
- ten opzichte van de oever (grootte, hoek)
- tijd en afdrijven
- 1De snelheid ten opzichte van de oever is de som van de twee vectoren: . Kop aan staart vormen ze een rechthoekige driehoek.
- 2Grootte (Pythagoras): .
- 3Hoek met de loodlijn op de oever: , dus stroomafwaarts.
- 4Tijd: de stroming draagt niets bij in de richting dwars op de oever. De boot overbrugt de 60 m aan 3,0 m/s: .
- 5Afdrijven: in die 20 s neemt de stroming de boot mee over .
Ontbinden in componenten
Elke vector kan je schrijven als de som van twee loodrechte vectoren langs gekozen assen, meestal horizontaal en verticaal: zijn componenten. Maakt een hoek met de -as, dan vormen en zijn componenten een rechthoekige driehoek:
Het grote voordeel: vectoren optellen wordt getallen optellen. De -component van de som is de som van de -componenten, en zo ook voor . Daarna geeft Pythagoras de grootte van de resultante en de tangens haar richting. Zo tel je drie, vier of tien krachten op zonder te tekenen, en zo doen computers het ook.
Welke assen? Je mag ze vrij kiezen, zolang ze loodrecht staan. Kies ze slim: langs de beweging en loodrecht erop. Bij een voorwerp op een helling leg je de ene as langs de helling (volgende bladen).
Twee sleepboten trekken aan een schip
Twee sleepboten trekken een schip de haven in. Sleepboot 1 trekt met 20 kN onder 30° boven de vaarrichting, sleepboot 2 met 15 kN onder 20° eronder. Bereken de resultante kracht: hoe groot, en in welke richting?
- onder
- onder (ten opzichte van de vaarrichting, de -as)
- grootte en richting van
- 1Componenten van : ; .
- 2Componenten van : ; .
- 3Optellen per component: ; .
- 4Grootte: . Richting: , dus boven de vaarrichting.
De zwaartekracht op een helling
Op een blok op een helling werkt de zwaartekracht , recht naar beneden. Voor de beweging langs de helling is het handig die kracht te ontbinden langs twee assen: langs de helling en loodrecht erop.
Waarom staat hier ? De zwaartekracht staat loodrecht op de grond, en staat loodrecht op de helling. Twee hoeken waarvan de benen twee aan twee loodrecht op elkaar staan, zijn gelijk: de hoek tussen en is dus de hellingshoek . Tegenover die hoek ligt : .
Controleer met de uitersten. Bij (vlak) is en drukt het hele gewicht op de grond. Bij (verticale wand) is : vrije val langs de wand. Bij 45° zijn de twee even groot. Wie een formule met sin en cos niet vertrouwt, test haar zo op 0° en 90°.
wordt gecompenseerd door de normaalkracht van de helling op het blok, en door wrijving, zolang het blok niet glijdt. Hoe groot de wrijving kan worden, en wat er gebeurt als wint, is het onderwerp van hoofdstuk 8 (de wetten van Newton). Hoeveel arbeid je levert om iets langs een helling omhoog te duwen, zie je in hoofdstuk 9.
Habitat: de batterijkar op de oprit
De batterijen van de klimaatmodule worden met een kar naar binnen gereden: kar en batterijen samen 80 kg. Met welke kracht (evenwijdig aan de helling) moet je minstens duwen om de kar met constante snelheid over de oprit van 6,25 % te krijgen, als je wrijving verwaarloost? Vergelijk met een oprit van 20 % en met recht omhoog tillen.
- ,
- hellingen 6,25 % en 20 %
- bij beide hellingen
- vergelijking met tillen
- 1Gewicht: .
- 26,25 %: . . : bijna het hele gewicht drukt op de oprit.
- 320 %: . .
- 4Met constante snelheid en zonder wrijving moet je duwkracht de component precies compenseren (hoofdstuk 8). Recht omhoog tillen vraagt 785 N.
De zon en het zonnepaneel
Hoeveel zonlicht een paneel vangt, hangt af van de hoek waaronder de stralen invallen. De figuur toont de situatie op het middaguur rond 21 maart of 21 september in België: de zon staat 39° hoog in het zuiden, het paneel helt 39°. Wijs de nummers aan.
- 1Evenwijdige stralen
De zon staat zo ver weg (150 miljoen km) dat haar stralen op een paneel, een stok of een gebouw evenwijdig invallen, zoals Eratosthenes aannam.
- 2Zonnehoogte h
De hoek tussen de zonnestraal en de horizontale grond. Op het middaguur staat de zon in België in het zuiden, op zijn hoogst van die dag.
- 3Hellingshoek β
De hoek tussen het paneel en de horizontale. Het paneel kijkt naar het zuiden; zijn lage rand ligt aan de zuidkant.
- 4De normaal
De lijn loodrecht op het paneel. Ze maakt een hoek β met de verticale, dus een hoek 90° − β met de horizontale: hier 51°.
- 5Invalshoek θ
De hoek tussen de zonnestraal en de normaal: . Het paneel vangt een fractie van wat een paneel loodrecht op de stralen zou vangen. Bij vangt het alles.
- 6Schaduw
Achter het paneel ligt een schaduw. Een punt op hoogte werpt een schaduw tot op verder: hoe lager de zon, hoe langer de schaduw. Belangrijk als je rijen panelen achter elkaar zet.
Hoe hoog staat de zon?
De aardas staat 23,44° schuin ten opzichte van de baan van de aarde rond de zon. Daardoor verschuift het punt waar de zon op het middaguur loodrecht boven staat in de loop van het jaar: rond 21 juni ligt het op 23,44° noorderbreedte (de Kreeftskeerkring), rond 21 december op 23,44° zuiderbreedte (de Steenbokskeerkring), en rond 21 maart en 23 september op de evenaar. Die breedtegraad heet de declinatie van de zon. Ze ligt altijd tussen −23,44° en +23,44°.
Voor België ():
| datum (ongeveer) | declinatie | zonnehoogte | schaduw van een stok van 1 m |
|---|---|---|---|
| 21 juni | +23,44° | 62,4° | 0,52 m |
| 21 maart, 23 september | 0° | 39,0° | 1,23 m |
| 21 december | −23,44° | 15,6° | 3,59 m |
De schaduw van een stok met hoogte is . Omgekeerd meet je de zonnehoogte met een stok en een rolmeter: (volgende blad).
Het middaguur is het moment waarop de zon precies in het zuiden staat, op haar hoogst. In België valt dat niet om 12 uur op de klok: in de winter ongeveer tussen 12.25 en 13.00 uur, in de zomer (zomertijd) rond 13.30 à 13.50 uur. De verschuiving komt door de tijdzone, de zomertijd en de ellipsvormige baan van de aarde.
Wie de declinatie op elke dag wil, kan een benadering gebruiken: , met het dagnummer (1 januari = 1). Ze zit hoogstens ongeveer 1,3° naast de echte waarde. Hoe je een cosinus van een hoek groter dan 90° uitrekent, leer je later; de rekenmachine en Python doen het al.
De zonnehoogte meten met een schaduwstok
Hoe hoog staat de zon op het middaguur, en kan je uit je meting de breedtegraad van je school afleiden?
- rechte stok of bezemsteel, precies 1,000 m boven de grond
- schietlood of waterpas
- rolmeter
- krijt of piketten
- een vlakke, horizontale ondergrond en een zonnige dag
- klok
- 1Zet de stok verticaal op een vlakke ondergrond (controleer met het schietlood of de waterpas).
- 2Markeer vanaf ongeveer een half uur vóór het middaguur om de 5 minuten het uiteinde van de schaduw met krijt.
- 3De kortste schaduw hoort bij het middaguur (dan wijst de schaduw ook precies naar het noorden). Meet haar lengte.
- 4Bereken de zonnehoogte: .
- 5Zoek de declinatie van die dag op (of bereken ze met de benadering) en bereken de breedtegraad: .
Meting op 21 maart (declinatie ongeveer 0°): de kortste schaduw is 1,23 m, om 12.50 uur. .
: de breedtegraad van Brussel (50,85°) tot op 0,1°. Een schaduwfout van 1 cm verandert met ongeveer 0,2°: nauwkeurig meten loont.
Foutenbronnen: een stok die niet verticaal staat, een grond die niet horizontaal ligt, de vage rand van de schaduw (de zon is geen punt, maar een schijf van een halve graad), en het moment van meten. Rond het middaguur verandert de schaduwlengte heel traag, dus een paar minuten ernaast geeft weinig fout.

Hoe ver moeten twee rijen zonnepanelen uit elkaar?
Op een plat dak komen twee rijen zonnepanelen achter elkaar, op het zuiden, met een hellingshoek van 60°. Elk paneel is 1,00 m lang in de hellingsrichting. Hoe ver moeten de rijen uit elkaar staan, zodat de voorste rij de achterste op 21 december om 12 uur zonnetijd niet beschaduwt?
- paneellengte ,
- zonnehoogte op 21 december
- de rijafstand (van onderrand tot onderrand)
- 1Hoogte van de bovenrand: .
- 2Horizontale diepte van het paneel: .
- 3Schaduw van de bovenrand, voorbij de bovenrand: .
- 4Rijafstand: .
Habitat: de beste hellingshoek van het zonnepaneel
De klimaatmodule draait op eigen zonnestroom, met een batterij. Welke hellingshoek geef je het paneel (op het zuiden)? Werk in twee stappen: eerst met de zonnehoogte op het middaguur, daarna met echte jaardata uit PVGIS, het rekenprogramma van het Joint Research Centre van de Europese Commissie (Brussel, per kWp geïnstalleerd vermogen).
| hellingshoek | jaar (kWh/kWp) | december | januari | juni |
|---|---|---|---|---|
| 0° | 869 | 14,3 | 18,2 | 127,8 |
| 20° | 998 | 26,4 | 30,9 | 129,1 |
| 39° | 1041 | 34,9 | 39,6 | 122,1 |
| 60° | 990 | 40,0 | 44,4 | 104,3 |
| 75° | 891 | 40,7 | 44,7 | 85,6 |
| 90° | 746 | 39,0 | 42,4 | 63,6 |
- ; tussen 15,6° en 62,4°
- maand- en jaaropbrengsten per hellingshoek (tabel)
- de hellingshoek voor de grootste jaaropbrengst
- de hellingshoek voor de klimaatmodule, met verantwoording
- 1Loodrecht op de middagzon staat een paneel als de normaal naar de zon wijst: , dus . In juni is dat , bij de equinoxen , in december .
- 2Een vast paneel moet dus een compromis kiezen. Omdat de dagen in de zomer lang en zonnig zijn, weegt de zomer zwaarder door: PVGIS geeft de grootste jaaropbrengst bij (1041 kWh per kWp), iets minder dan de breedtegraad. Een vuistregel voor België: breedtegraad min ongeveer 12°.
- 3De klimaatmodule heeft een batterij die ook in de winter elke nacht moet volstaan. Vergelijk 60° met 39°: jaar (−5 %), december (+15 %), januari (+12 %).
- 4Steiler dan 60° levert in de winter nauwelijks nog iets op (75°: december 40,7, +2 %), maar kost veel in de zomer (jaar −10 %). Een steil paneel heeft nog een voordeel: sneeuw glijdt er sneller af.
De zonnestand in Python
Het programma berekent voor vier dagen de declinatie (met de benadering van het vorige blad), de zonnehoogte op het middaguur, en voor een paneel op 39° en op 60° de factor : het deel van de rechtstreekse middagzon dat het paneel vangt. Let op math.radians(): Python rekent met radialen.
# zonnestand.py - zonnehoogte op het middaguur en de invalshoek op een schuin zonnepaneelimport math BREEDTE = 51.0 # breedtegraad van België (graden noorderbreedte)DAGEN = {"21 maart": 80, "21 juni": 172, "21 september": 264, "21 december": 355} def declinatie(dag): """Benadering van de declinatie van de zon (in graden) op dag 1 tot 365 van het jaar.""" return -23.44 * math.cos(math.radians(360 / 365 * (dag + 10))) for naam, dag in DAGEN.items(): delta = declinatie(dag) hoogte = 90 - BREEDTE + delta # zonnehoogte op het middaguur (graden) regel = f"{naam:13s} declinatie {delta:6.1f} zonnehoogte {hoogte:5.1f}" for kanteling in (39, 60): invalshoek = abs(90 - kanteling - hoogte) # hoek tussen zonnestraal en normaal van het paneel factor = math.cos(math.radians(invalshoek)) # deel van de straling dat 'recht' invalt regel += f" paneel {kanteling}: {factor:.2f}" print(regel)Uitvoer (gecontroleerd door het programma te draaien):
21 maart declinatie -0.5 zonnehoogte 38.5 paneel 39: 0.98 paneel 60: 0.99 21 juni declinatie 23.4 zonnehoogte 62.4 paneel 39: 0.98 paneel 60: 0.84 21 september declinatie -0.1 zonnehoogte 38.9 paneel 39: 0.98 paneel 60: 0.99 21 december declinatie -23.4 zonnehoogte 15.6 paneel 39: 0.81 paneel 60: 0.97
In december vangt het paneel op 60° 97 % van de middagzon, het paneel op 39° maar 81 %; in juni is het omgekeerd (84 % tegenover 98 %). Rond de equinoxen doen ze allebei bijna alles. De benadering geeft voor 21 maart een declinatie van −0,5° in plaats van ongeveer 0°: de fout van ongeveer een halve graad zie je in de zonnehoogte terug (38,5° in plaats van 39,0°).
Overzicht: goniometrie en vectoren
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| overstaande rechthoekszijde | m | |
| aanliggende rechthoekszijde | m | |
| schuine zijde | m |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| breedtegraad | ° | |
| declinatie van de zon | ° |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| hoogte van het voorwerp | m | |
| hellingshoek van het paneel | ° | |
| invalshoek | ° |
| 0° | 30° | 45° | 60° | 90° | |
|---|---|---|---|---|---|
| 0 | 1 | ||||
| 1 | 0 | ||||
| 0 | 1 | bestaat niet |
| helling | hoek | voorbeeld |
|---|---|---|
| 2 % | 1,1° | spoorlijn, riolering (vaak nog minder) |
| 5 % | 2,9° | grens voor een lange oprit voor rolstoelen |
| 10 % | 5,7° | steile weg; zwaar voor een fietser |
| 22 % | 12,4° | steilste stuk van de Koppenberg (Ronde van Vlaanderen) |
| 48 % | 25,6° | Pilatusbahn (Zwitserland), de steilste tandradbaan ter wereld |
| 100 % | 45° | even hoog als lang: een trap is vaak nog steiler |
| controlelijst |
|---|
| rekenmachine op DEG; in Python en rekenbladen graden omzetten naar radialen |
| schets met de hoek en de namen van de zijden ten opzichte van díe hoek |
| test op 0° en 90°: geeft de formule het verwachte uiterste? |
| vectoren: grootte én richting in het antwoord, met eenheid |
| bij tan⁻¹ het kwadrant controleren met een schets |
Waar hoeken en vectoren terugkomen
Goniometrie en vectoren zijn het gereedschap van de hele mechanica: zodra krachten en snelheden niet op één lijn liggen, ontbind je ze. Ze zijn ook het gereedschap van de zonne-energie: de hoek van de zon bepaalt hoeveel energie een paneel oogst. En de sinus komt terug als functie van de tijd, in trillingen en wisselstroom.
Kracht als pijl met grootte, richting en aangrijpingspunt: de eerste vector.
De driehoek als stijf element; in een vakwerk ontbind je de staafkrachten met sinus en cosinus.
Verplaatsing, snelheid en versnelling zijn vectoren; vallen en rijden langs een lijn is het eendimensionale geval.
Het vrijlichaamsdiagram en het voorwerp op een helling, met normaalkracht en wrijving.
Arbeid is kracht maal weg langs de kracht: een flauwe helling vraagt minder kracht over een langere weg.
Evenwicht: de som van alle krachtvectoren is nul, en ook de som van de momenten.
De invalshoek bepaalt de instraling op het paneel; daar kies je wattpiek en batterij.
Vectoren in drie dimensies, het scalair product (arbeid) en het vectorproduct (moment).
Sinus en cosinus als functies van een draaiende hoek, en fasoren om sinussen op te tellen als vectoren.
De schuine worp: de beginsnelheid ontbonden in een horizontale en een verticale component.
In het kort
- In een rechthoekige driehoek: , , . De verhoudingen hangen alleen van de hoek af (gelijkvormigheid).
- Een hoek terugrekenen doe je met , of , met de rekenmachine op graden. Exacte waarden bij 30°, 45° en 60° komen uit een half vierkant en een halve gelijkzijdige driehoek.
- Een helling in procent is : 10 % is 5,7°, 100 % is 45°, en een verticale wand heeft geen eindig percentage.
- Vectoren hebben een grootte en een richting. Je telt ze op met kop-staart of met een parallellogram; de som hangt af van de richtingen.
- Ontbinden: , . Met componenten tel je vectoren op als getallen, en Pythagoras en de tangens geven grootte en richting van de resultante.
- Op een helling ontbind je de zwaartekracht in langs en loodrecht op de helling.
- De middagzon staat op ; in België tussen 15,6° en 62,4°. Een schaduw is lang.
- Een paneel vangt een fractie van de rechtstreekse straling. De beste vaste hoek hangt af van wat je wil: 39° voor het jaar, 60° voor de winter.
Wat je nu kent
- sinus
- In een rechthoekige driehoek: overstaande rechthoekszijde gedeeld door de schuine zijde, .
- cosinus
- In een rechthoekige driehoek: aanliggende rechthoekszijde gedeeld door de schuine zijde, .
- tangens
- In een rechthoekige driehoek: overstaande gedeeld door aanliggende rechthoekszijde, .
- helling in procent
- Hoogteverschil per 100 horizontale afstand: . 100 % is 45°.
- vector
- Grootheid met een grootte en een richting (kracht, snelheid, verplaatsing), getekend als pijl.
- scalar
- Grootheid die volledig bepaald is door een getal met eenheid (massa, temperatuur, energie).
- resultante
- De som van twee of meer vectoren: de ene vector die hetzelfde effect heeft.
- componenten van een vector
- De delen van een vector langs twee loodrechte richtingen: , .
- zonnehoogte
- De hoek tussen de richting van de zon en de horizon; op het middaguur .
- declinatie
- De breedtegraad waar de zon op het middaguur loodrecht staat; ze schommelt tussen −23,44° en +23,44°.
- invalshoek
- De hoek tussen een zonnestraal en de normaal op een vlak; het vlak vangt een fractie van de rechtstreekse straling.