Handboek · hoofdstuk 9Mengsels scheiden
Van modderwater naar drinkwater: elke scheidingstechniek steunt op één verschil tussen stoffen
Zout uit zeewater, alcohol uit wijn, zand uit water, ijzer uit afval, kleurstoffen uit inkt: telkens haal je een stof uit een mengsel. Elke scheidingstechniek maakt gebruik van één verschil in stofeigenschappen (hoofdstuk 8): grootte, dichtheid, kookpunt, oplosbaarheid, magnetisme. In dit hoofdstuk leer je de technieken en hun opstellingen kennen, lees en ontwerp je scheidingsschema's, volg je water van de rivier tot de kraan, en ontwerp je een regenwaterfilter voor de meetkas.

- Je kan voor elke scheidingstechniek zeggen op welk verschil in stofeigenschap ze steunt.
- Je kan zeven, bezinken, decanteren, centrifugeren, filtreren, indampen, kristalliseren en destilleren beschrijven en de juiste kiezen voor een mengsel.
- Je kan een filtreer- en een destillatieopstelling tekenen en de onderdelen benoemen, en de woorden residu, filtraat en destillaat correct gebruiken.
- Je kan een papierchromatografie uitvoeren en een chromatogram lezen.
- Je kan magnetisch scheiden, extraheren en adsorberen uitleggen met een voorbeeld.
- Je kan een scheidingsschema lezen en zelf een scheidingsschema ontwerpen voor een mengsel van drie of vier stoffen.
- Je kan de stappen van de drinkwaterzuivering in de juiste volgorde uitleggen, met het stofverschil bij elke stap.
- Je kan een eenvoudige regenwaterfilter ontwerpen en uitleggen waarom gefilterd regenwater geen drinkwater is.
De pomp in Broad Street
Eind augustus 1854 brak in Soho, een wijk in Londen, een zware uitbraak van cholera uit, een darmziekte die mensen in enkele dagen kan doden. In tien dagen stierven er meer dan vijfhonderd mensen. Veel artsen dachten toen dat cholera zich verspreidde via 'slechte lucht' uit rottend afval.
De arts John Snow geloofde dat niet. Hij ging langs bij de families van de slachtoffers en zette elk sterfgeval als een streepje op een kaart van de wijk. De streepjes lagen opvallend dicht rond één waterpomp, in Broad Street, waar de buurt haar drinkwater haalde. Hij vond ook uitzonderingen die zijn idee bevestigden: in de brouwerij vlak bij de pomp werd bijna niemand ziek (de arbeiders dronken bier), en in een armenhuis met een eigen waterput evenmin.
Op 8 september 1854 overtuigde Snow het bestuur van de parochie om de hendel van de pomp te verwijderen. De uitbraak was toen al over haar hoogtepunt heen, maar Snows kaart werd beroemd. Later bleek dat de put lekte naar een beerput vlak ernaast. Het water zag er helder uit en smaakte gewoon, maar het zat vol ziekteverwekkers, te klein om te zien. Welke bacterie cholera veroorzaakt, werd pas jaren later algemeen aanvaard.
Helder water is niet hetzelfde als zuiver water. Wat je niet ziet, haal je er ook niet uit met een zeef of een doek. Vandaag zuiveren drinkwaterbedrijven water in een reeks stappen, elk met een eigen scheidingstechniek, en controleert een labo het elke dag. In dit hoofdstuk leer je die technieken, en waarom het regenwater voor de meetkas geen drinkwater is.

Scheiden steunt op een verschil
In een mengsel behoudt elke stof haar eigen eigenschappen (hoofdstuk 8). Daarom kan je stoffen weer uit elkaar halen: je zoekt een eigenschap waarin ze verschillen, en een techniek die van dat verschil gebruikmaakt. Grind en zand verschillen in korrelgrootte: een zeef houdt het grind tegen. IJzervijlsel en zand verschillen in magnetisme: een magneet haalt het ijzer eruit. Zout en water verschillen in kookpunt: verwarm je zout water, dan verdampt het water en blijft het zout achter.
| techniek | stofverschil | wat scheid je? | voorbeeld |
|---|---|---|---|
| zeven | korrelgrootte | vaste stoffen van elkaar | grind en zand; bloem zeven |
| bezinken en decanteren | dichtheid | vaste stof uit een vloeistof; twee vloeistoffen | modder in water; olie op water |
| centrifugeren | dichtheid (versneld) | heel fijne deeltjes of druppels uit een vloeistof | room uit melk; bloedcellen uit bloed |
| filtreren | deeltjesgrootte (groter of kleiner dan de poriën) | vaste stof uit een vloeistof of gas | koffiefilter; stofzuigerzak; zandfilter |
| indampen | kookpunt (het oplosmiddel verdampt) | opgeloste vaste stof uit een oplossing | zout uit zeewater |
| kristalliseren | oplosbaarheid die met de temperatuur verandert | opgeloste stof uit een oplossing | kandijsuiker; zuiveren van meststoffen |
| destilleren | kookpunt | vloeistof uit een oplossing; vloeistoffen van elkaar | gedestilleerd water; alcohol uit wijn |
| chromatografie | hoe sterk een stof aan het papier hecht en in de loopvloeistof oplost | opgeloste stoffen van elkaar | kleurstoffen in inkt of in bladeren |
| magnetisch scheiden | magnetisme | ijzer, nikkel en kobalt uit een mengsel | blikjes uit afval |
| extraheren | oplosbaarheid in een oplosmiddel | een stof uit een vaste stof halen | thee, koffie |
| adsorberen | hoe sterk een stof aan een oppervlak kleeft | kleine hoeveelheden opgeloste stoffen of gassen | actieve kool in een waterfilter of afzuigkap |
Na het scheiden heeft elk deel een naam. Wat op een filter blijft liggen, is het residu; wat erdoor loopt, het filtraat. Wat na bezinken op de bodem ligt, is het bezinksel. Wat bij het destilleren condenseert en opgevangen wordt, is het destillaat.
Een filter houdt alleen deeltjes tegen die groter zijn dan zijn poriën. Opgeloste stoffen zijn verspreid als afzonderlijke deeltjes (hoofdstuk 8) en lopen gewoon mee door het filter. Gefilterd zeewater is helder, maar nog even zout. Om opgeloste stoffen te scheiden, heb je indampen, destilleren, kristalliseren of chromatografie nodig.
Bezinken, decanteren en centrifugeren
Laat je modderwater een tijd staan, dan zakken de zanddeeltjes naar de bodem: ze zijn dichter dan water (hoofdstuk 7). Dat is bezinken. Daarna giet je de heldere vloeistof er voorzichtig af, langs een roerstaaf zodat ze niet over de rand van het glas loopt: decanteren. Het bezinksel blijft achter.
Twee vloeistoffen die niet mengen, zoals olie en water, scheiden zich ook volgens hun dichtheid: de olie drijft. Met een scheitrechter laat je onderaan eerst het water weglopen en sluit je het kraantje net voor de olie komt.
Heel fijne deeltjes, zoals klei of vetdruppeltjes in melk, bezinken zo traag dat je er dagen op kan wachten. Dan centrifugeer je: het mengsel draait heel snel rond, en de dichtste deeltjes worden veel sterker naar buiten gedreven dan de zwaartekracht ze naar beneden trekt. Zo scheidt een zuivelfabriek room van melk (de room is minder dicht en blijft binnenin), en een ziekenhuislabo de bloedcellen van het bloedplasma. Een slacentrifuge en het centrifugeren van een wasmachine werken iets anders: het water vliegt naar buiten door de gaatjes van de trommel, terwijl de sla of de kleren achterblijven.
Een regenton of een bezinkput werkt zonder energie: geef het vuil de tijd om te zakken, en neem het water bovenaan af. Dat principe gebruik je in de regenwaterfilter van de meetkas.
Filtreren
Bij filtreren giet je een heterogeen mengsel door filtreerpapier. Het papier bestaat uit vezels met heel kleine openingen (poriën) van enkele duizendsten van een millimeter. Vaste deeltjes die groter zijn, blijven achter: het residu. Het water en alles wat erin opgelost is, lopen erdoor: het filtraat. Filters vind je overal: in een koffiezetapparaat, een stofzuiger, een mondmasker, het luchtfilter van een auto en het aanzuigfilter van een pomp.
- 1Roerstaaf
Het mengsel loopt langs de staaf in de trechter, zonder te spatten of over de rand van het papier te lopen.
- 2Trechter
Houdt het filtreerpapier. Het uiteinde raakt de wand van de erlenmeyer, zodat het filtraat rustig langs de wand loopt.
- 3Filtreerpapier
Rond papier, twee keer gevouwen tot een kegel en licht bevochtigd zodat het tegen de trechter plakt. Vul het nooit tot de rand.
- 4Residu
De vaste deeltjes die groter zijn dan de poriën: hier zand of modder.
- 5Filtraat
Wat door het filter loopt: helder, maar met alle opgeloste stoffen er nog in.
- 6Erlenmeyer
Vangt het filtraat op. De smalle hals houdt de trechter recht.
- 7Statief met ring
Houdt de trechter stevig vast, zodat je je handen vrij hebt om te gieten.
Indampen en kristalliseren
Een opgeloste vaste stof haal je terug door het oplosmiddel te laten verdampen. Bij indampen verwarm je de oplossing in een indampschaal tot al het water weg is; het zout blijft achter als een witte korst. Het water gaat als damp de lucht in: wil je het ook terug, dan moet je destilleren (volgend blad).
In zoutpannen aan de kust gebeurt dat zonder brander. Zeewater (± 35 g zout per liter, hoofdstuk 8) stroomt in ondiepe bekkens, zon en wind laten het water verdampen, en na enkele weken kristalliseert het zout. Omdat zeewater ook andere zouten bevat, is zeezout een mengsel.
Kristalliseren door afkoelen gebruikt de oplosbaarheidscurve: een warme, verzadigde oplossing die afkoelt, kan minder opgelost houden, en het teveel komt als kristallen terug. Omdat andere stoffen (in kleine hoeveelheden) opgelost blijven, zijn de kristallen zuiverder dan de stof waarmee je begon. Zo zuivert men meststoffen zoals kaliumnitraat. Bij keukenzout werkt het slecht, omdat de oplosbaarheid bijna niet verandert met de temperatuur.
Draag een veiligheidsbril: op het einde springen er hete zoutkristallen uit de schaal. Zet de vlam kleiner als het meeste water weg is, en laat de schaal afkoelen op het gaasje; een hete schaal ziet er net zo uit als een koude (hoofdstuk 5).

Destilleren: scheiden op kookpunt
Bij destilleren gebruik je twee faseovergangen uit hoofdstuk 6 na elkaar: je laat een vloeistof verdampen en je laat de damp weer condenseren in een koeler. Het opgevangen condensaat is het destillaat. Wat niet verdampt, blijft achter in de kolf.
Destilleer je zout water, dan verdampt alleen het water: het destillaat is zuiver water, het zout blijft in de kolf. Zo maakten schepen vroeger drinkwater uit zeewater. Vandaag halen de meeste ontziltingsinstallaties het zout eruit met een heel fijn membraan onder hoge druk (omgekeerde osmose), omdat dat minder energie kost.
Twee vloeistoffen scheiden kan ook, als hun kookpunten verschillen. Ethanol kookt bij 78 °C, water bij 100 °C. Verwarm je wijn, dan bevat de damp verhoudingsgewijs veel meer ethanol dan de wijn zelf: het destillaat is veel sterker dan de wijn. Helemaal zuivere ethanol krijg je zo nooit: meer dan ongeveer 96 % haal je met gewoon destilleren niet. In een raffinaderij, zoals in de haven van Antwerpen, scheidt men aardolie op dezelfde manier in delen met een verschillend kookpunt: gas, benzine, kerosine, diesel en stookolie.
De opstelling mag nooit gesloten zijn: de damp moet ergens heen, anders bouwt de druk op tot het glas springt. Gebruik kookstenen, zodat de vloeistof niet plots opspat. Ethanoldamp is licht ontvlambaar (pictogram GHS02, hoofdstuk 5): verwarm met een elektrische verwarmingsplaat, nooit met een open vlam. Alcohol stoken buiten een schoollabo is bovendien wettelijk streng geregeld.

De destillatieopstelling met een Liebigkoeler
Zo ziet een destillatie in het labo eruit. De koeler is genoemd naar de Duitse scheikundige Justus von Liebig, die hem in de negentiende eeuw bekend maakte: een binnenbuis voor de damp, met daarrond een mantel waardoor koud water stroomt.
- 1Verwarmingsplaat
Verwarmt de vloeistof zonder open vlam. Regel ze zo dat de vloeistof rustig kookt.
- 2Destilleerkolf
Ronde kolf, hoogstens voor twee derde gevuld met het mengsel. Wat niet verdampt (het residu), blijft hier achter.
- 3Kookstenen
Kleine poreuze steentjes waaraan zich dampbelletjes vormen, zodat de vloeistof rustig kookt en niet plots opspat.
- 4Thermometer
Het reservoir zit ter hoogte van de zijbuis: je meet de temperatuur van de damp die naar de koeler gaat, niet die van de vloeistof. Zo zie je welke stof er op dat moment overkomt.
- 5Liebigkoeler
De damp in de binnenbuis geeft warmte af aan het koelwater en condenseert tot druppels.
- 6Koelwater in, onderaan
Koud water gaat onderaan in. Zo staat de mantel altijd helemaal vol, en ontmoet het koudste water de damp op het laatste stuk.
- 7Koelwater uit, bovenaan
Het opgewarmde water verlaat de koeler aan de hoge kant (tegenstroom).
- 8Destillaat
Het gecondenseerde, opgevangen deel. Bij zout water: zuiver water.
Uit welke kleuren bestaat zwarte inkt?
Is de inkt van een zwarte viltstift één stof, of een mengsel van kleurstoffen?
- strook filtreerpapier (of koffiefilter) van 2 × 12 cm
- zwarte viltstift op waterbasis (niet watervast)
- potlood en lat
- hoog glas met een bodempje water (1 cm)
- wasknijper of plakband om de strook op te hangen
- 1Trek met potlood een startlijn op 2 cm van de onderkant van de strook.
- 2Zet op het midden van de lijn een kleine, stevige stip met de viltstift. Laat drogen en zet er nog een stip op.
- 3Hang de strook in het glas: de onderkant in het water, maar de startlijn boven het water.
- 4Wacht tot het water bijna bovenaan is (10 à 20 minuten). Haal de strook eruit, markeer met potlood tot waar het water kwam (het loopfront) en laat drogen.
Het water kruipt omhoog in het papier. Als het de stip bereikt, neemt het de inkt mee en splitst die zich in gekleurde vlekken: onderaan blauw, in het midden rood tot roze, bovenaan geel. Voorbeeld van een meting: het loopfront ligt op 8,0 cm van de startlijn, de vlekken op 2,0 cm (blauw), 4,4 cm (rood) en 6,8 cm (geel).
Zwarte inkt is een mengsel van kleurstoffen. Het water (de loopvloeistof) lost ze op en neemt ze mee omhoog. Elke kleurstof kleeft anders aan de papiervezels en lost anders op in water: een stof die sterk aan het papier kleeft, blijft achter (blauw), een stof die goed oplost en zwak kleeft, gaat bijna mee tot het loopfront (geel). Zo scheiden de stoffen zich over het papier: dat is chromatografie, en de strook met vlekken is een chromatogram. De startlijn staat in potlood, omdat grafiet niet oplost; een balpenlijn zou zelf mee opschuiven.
Deel de afstand van de vlek door de afstand van het loopfront, allebei gemeten vanaf de startlijn: rood . Die verhouding (de Rf-waarde) is voor een kleurstof altijd ongeveer gelijk, als je hetzelfde papier en dezelfde loopvloeistof gebruikt. Zo kan je inkten vergelijken, zoals in opdracht 9.5.
De naam komt van de Russische plantkundige Michail Tsvet, die rond 1900 zo de kleurstoffen uit bladeren scheidde: chroma betekent kleur, grafein schrijven.
Magneet, oplosmiddel en actieve kool
Drie technieken die je elke dag tegenkomt:
- Magnetisch scheiden. IJzer (en staal), nikkel en kobalt worden door een magneet aangetrokken, de meeste andere stoffen niet. In een afvalsorteercentrum haalt een grote magneet de stalen blikjes uit het PMD-afval. In het labo stop je de magneet in een plastic zakje, zodat je het ijzervijlsel er makkelijk weer af krijgt.
- Extraheren. Je haalt een stof uit een vaste stof met een oplosmiddel waarin alleen die stof goed oplost. Thee zetten is extraheren: heet water haalt kleur-, smaak- en geurstoffen (en cafeïne) uit de blaadjes, de bladresten blijven over. Een koffiezetapparaat extraheert en filtreert in één keer.
- Adsorberen. Sommige stoffen kleven aan het oppervlak van een vaste stof. Actieve kool is kool vol piepkleine gaatjes: één gram heeft een inwendig oppervlak van enkele honderden tot meer dan duizend vierkante meter, meer dan een basketbalveld. Geur-, smaak- en kleurstoffen blijven eraan kleven. Je vindt actieve kool in waterfilters, in de afzuigkap, in een aquariumfilter en in een gasmasker.
Soms combineer je technieken met een slimme truc. In de zink-drijfbak van een recyclagebedrijf drijven snippers polypropeen en polyetheen op water, terwijl PET zinkt (hoofdstuk 7): scheiden op dichtheid.
Een scheidingsschema lezen
Een mengsel bevat zand, keukenzout en ijzervijlsel. Het scheidingsschema toont hoe je het in drie stoffen scheidt. (a) Op welk stofverschil steunt elke stap? (b) Waarom voeg je water toe? (c) Waarom filtreer je en dampt je daarna in, en niet omgekeerd? (d) Wat zou er misgaan als je de magneet pas op het einde gebruikt?
- het scheidingsschema
- stofverschil per stap
- de reden voor elke stap en voor de volgorde
- 1(a) Magneet: magnetisme (alleen het ijzer wordt aangetrokken). Water toevoegen: oplosbaarheid (zout lost op, zand niet). Filtreren: deeltjesgrootte (zandkorrels blijven op het filter, het opgeloste zout gaat erdoor). Indampen: kookpunt (water verdampt, zout niet).
- 2(b) Zand en zout zijn allebei witte korrels: je kan ze niet met een zeef of een magneet scheiden. In water lost het zout op en het zand niet. Zo maak je van het verschil in oplosbaarheid een verschil in grootte.
- 3(c) Na het filtreren zit het zout opgelost in het filtraat; het zand ligt op het filter. Dampte je eerst in, dan kreeg je weer zand en zout door elkaar.
- 4(d) Na het oplossen en filtreren zou het ijzer samen met het zand als residu op het filter liggen, nat. Je kan het er dan nog uit halen, maar het ijzer begint te roesten en het nat zand kleeft aan de magneet. Een droge magneetstap eerst is eenvoudiger en zuiverder.
Een scheidingsschema ontwerpen
Na een storm raap je op het strand een fles op met zeewater, zand en een laagje olie. Ontwerp een scheidingsschema waarmee je vier dingen apart krijgt: zand, olie, zuiver water en de zouten.
- mengsel: zeewater (water met opgeloste zouten), zand, olie
- een scheidingsschema met technieken en stofverschillen
- 1Stap 1: bekijk de stoffen en hun verschillen. Zand: vast, niet oplosbaar, dichter dan water. Olie: vloeibaar, lost niet op in water, minder dicht dan water. Zouten: opgelost, hoog kookpunt. Water: kookt bij 100 °C.
- 2Stap 2: begin met wat het makkelijkst te scheiden is. Laat de fles staan: het zand bezinkt. Decanteer de vloeistoffen voorzichtig in een scheitrechter (of filtreer, dan blijft het zand op het filter).
- 3Stap 3: in de scheitrechter drijft de olie op het zeewater (dichtheid). Laat het zeewater onderaan weglopen en sluit het kraantje voor de olie komt.
- 4Stap 4: het zeewater is een oplossing: filtreren helpt niet. Destilleer: het water verdampt en condenseert in de koeler (destillaat: zuiver water), de zouten blijven in de kolf (residu). Wil je alleen de zouten, dan volstaat indampen.
Van ruw water naar drinkwater
Drinkwater komt uit grondwater of uit oppervlaktewater (rivieren, kanalen, meren). Oppervlaktewater bevat zand, slib, bladeren, opgeloste stoffen en micro-organismen. Een drinkwaterbedrijf zuivert het in een reeks stappen, telkens met een andere scheidingstechniek:
- Roosters en zeven houden takken, bladeren en vissen tegen (grootte).
- Vlokken en bezinken. Een vlokmiddel laat heel fijne slibdeeltjes samenklonteren tot vlokken die groot en zwaar genoeg zijn om te bezinken (dichtheid).
- Zandfilters houden de laatste zwevende deeltjes tegen (grootte). In een traag zandfilter leeft in de bovenste laag ook een laagje bacteriën dat stoffen afbreekt.
- Actieve kool houdt geur-, smaak- en kleurstoffen en resten van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen vast (adsorptie).
- Ontsmetten met uv-licht of een klein beetje chloor doodt bacteriën en virussen die nog overblijven. Dat is geen scheiding, maar wel de stap die cholera tegenhoudt.
- Controle. Een labo meet elke dag tientallen stoffen en bacteriën, en toetst ze aan wettelijke normen (bijvoorbeeld hoogstens 50 mg nitraat per liter).
De volgorde is belangrijk: eerst het grove, dan het fijne. Een zandfilter raakt verstopt als het grove vuil niet eerst weg is, en actieve kool raakt 'vol' als ze ook het slib moet tegenhouden. Ontsmetten werkt het best in helder water, dus komt het bijna aan het einde.
Habitat: de regenwaterfilter van de meetkas
Het dak van de meetkas (0,72 m²) vangt regen op. Met een goot en een eenvoudige filter vult dat water het reservoir onder de plantentafel aan. Het ontwerp gebruikt drie technieken uit dit hoofdstuk: zeven (bladvanger), bezinken en afscheiden (first flush) en filtreren (grind en zand of filterdoek).
Regenwater dat van een dak loopt, bevat stof, vogelpoep met bacteriën, stuifmeel en soms metalen uit de goot. De filter maakt het helder genoeg voor de planten en de pomp, maar niet veilig om te drinken: er is geen ontsmetting en geen controle. Kleef een etiket 'geen drinkwater' op het reservoir, en was je handen na onderhoud.
- 1Dak (0,72 m²)
Licht hellend naar de goot. Elke millimeter regen levert 0,72 L water op.
- 2Goot met bladvanger
Een roostertje of zeef over de ingang van de regenpijp houdt bladeren, zaden en insecten tegen (zeven).
- 3First flush
Doodlopende buis die de eerste, vuilste liter van elke bui opvangt (stof en poep van het dak). Is ze vol, dan sluit het drijvende balletje af en stroomt het water verder naar de filter. Na de bui laat je ze leeglopen.
- 4Filter
Een laag grind en daaronder fijn zand of filterdoek houdt de deeltjes tegen die de pomp en de druppelslang zouden verstoppen (filtreren).
- 5Inlaat
Het gefilterde water loopt onder de deksel het reservoir in.
- 6Reservoir, afgedekt en donker
Een ondoorzichtige bak met deksel: zonder licht groeien er geen algen, en muggen kunnen er geen eitjes leggen. Wat nog bezinkt, blijft op de bodem.
- 7Overloop
Is het reservoir vol, dan loopt het teveel via deze buis naar buiten, niet over de vloer van de kas.
- 8Aanzuigfilter van de pomp
Een laatste zeefje voor de pomp. Het pompje zit iets boven de bodem, zodat het geen bezinksel aanzuigt.
- 9Druppelslang
Geeft het water druppel per druppel aan de bakjes. De gaatjes zijn heel klein: daarom moet het water zo proper zijn.
Habitat: hoeveel regenwater vangt het dak op?
Het dak van de meetkas is 1,20 m × 0,60 m. In Ukkel valt gemiddeld 837 mm neerslag per jaar. De planten verbruiken 1,8 L water per dag. (a) Hoeveel liter water levert 1 mm regen op het dak? (b) Hoeveel liter per jaar? Is dat genoeg? (c) De first flush vangt per bui 1 L per m² dak op. Hoeveel water komt er in het reservoir na een bui van 12 mm?

- dak
- per jaar
- verbruik per dag
- first flush: per m² per bui
- water per mm
- water per jaar en vergelijking met het verbruik
- water na één bui van 12 mm
- 1(a) 1 mm regen is een laagje water van 1 mm hoog. Op 1 m² is dat . Dus 1 mm regen = 1 L per m². Het dak: , dus per mm.
- 2(b) per jaar. Verbruik: . Het dak levert ongeveer 92 % van wat de planten nodig hebben, en dan nog zonder de first flush en zonder het water dat verdampt of overloopt als het reservoir vol is.
- 3(c) Regen: . First flush: . In het reservoir: ongeveer , genoeg voor vier dagen.
Overzicht: scheidingstechnieken
Welke techniek, op welk verschil, en hoe heten de delen die je overhoudt?
| techniek | stofverschil | wat scheid je? | voorbeeld |
|---|---|---|---|
| zeven | korrelgrootte | vaste stoffen van elkaar | grind en zand; bloem zeven |
| bezinken en decanteren | dichtheid | vaste stof uit een vloeistof; twee vloeistoffen | modder in water; olie op water |
| centrifugeren | dichtheid (versneld) | heel fijne deeltjes of druppels uit een vloeistof | room uit melk; bloedcellen uit bloed |
| filtreren | deeltjesgrootte (groter of kleiner dan de poriën) | vaste stof uit een vloeistof of gas | koffiefilter; stofzuigerzak; zandfilter |
| indampen | kookpunt (het oplosmiddel verdampt) | opgeloste vaste stof uit een oplossing | zout uit zeewater |
| kristalliseren | oplosbaarheid die met de temperatuur verandert | opgeloste stof uit een oplossing | kandijsuiker; zuiveren van meststoffen |
| destilleren | kookpunt | vloeistof uit een oplossing; vloeistoffen van elkaar | gedestilleerd water; alcohol uit wijn |
| chromatografie | hoe sterk een stof aan het papier hecht en in de loopvloeistof oplost | opgeloste stoffen van elkaar | kleurstoffen in inkt of in bladeren |
| magnetisch scheiden | magnetisme | ijzer, nikkel en kobalt uit een mengsel | blikjes uit afval |
| extraheren | oplosbaarheid in een oplosmiddel | een stof uit een vaste stof halen | thee, koffie |
| adsorberen | hoe sterk een stof aan een oppervlak kleeft | kleine hoeveelheden opgeloste stoffen of gassen | actieve kool in een waterfilter of afzuigkap |
| woord | betekenis |
|---|---|
| residu | wat achterblijft: op het filter, of in de kolf na destilleren |
| filtraat | wat door het filter loopt |
| bezinksel | wat na bezinken op de bodem ligt |
| destillaat | het gecondenseerde deel dat je bij destilleren opvangt |
| loopvloeistof en loopfront | bij chromatografie: de vloeistof die over het papier kruipt, en tot waar ze kwam |
| mengsel | eerste keuze |
|---|---|
| vaste stof + vaste stof | zeven, magneet, of oplossen en filtreren |
| vaste stof in een vloeistof (niet opgelost) | bezinken en decanteren, filtreren, centrifugeren |
| vaste stof opgelost in een vloeistof | indampen, kristalliseren, destilleren (om ook de vloeistof te houden) |
| twee vloeistoffen die niet mengen | scheitrechter |
| twee vloeistoffen die mengen | destilleren |
| kleurstoffen of andere opgeloste stoffen van elkaar | chromatografie |
Waar scheiden naartoe leidt
Scheidingstechnieken brengen de leerlijn materie en chemie samen met ontwerpen en maken: een scheidingsschema is een ontwerp, met eisen, keuzes en een volgorde. Je gebruikt de stofeigenschappen uit hoofdstuk 8 en de dichtheid uit hoofdstuk 7, en de faseovergangen uit hoofdstuk 6 bij indampen en destilleren. Verder in de opleiding worden scheidingen kwantitatief en industrieel: recyclage van materialen, zuivering van water in een gesloten kringloop, en in Expert de bioreactor en de levenscyclus van producten.
Verdampen en condenseren: de basis van indampen en destilleren.
Bezinken, decanteren, centrifugeren en de zink-drijfbak steunen op dichtheid.
Stofeigenschappen, oplosbaarheid en kristalliseren: waarop elke scheiding steunt.
Grondstoffen winnen en materialen recycleren: sorteren met magneet, luchtstroom en zink-drijfbak.
De waterkringloop: de natuur destilleert zeewater tot regen.
Een programma van eisen voor de regenwaterfilter, en testen en verbeteren.
De pH van regenwater en van de voedingsoplossing meten en bijsturen.
Kunststoffen sorteren en recycleren.
Water in een gesloten kringloop filteren en hergebruiken.
Gelelektroforese: DNA-stukken scheiden op grootte, een verre verwant van chromatografie.
Een bioreactor en het zuiveren van wat eruit komt, op industriële schaal.
In het kort
- Elke scheidingstechniek steunt op een verschil in stofeigenschap: grootte, dichtheid, kookpunt, oplosbaarheid, magnetisme, hechting.
- Zeven en filtreren scheiden op grootte; opgeloste stoffen lopen door elk filter mee (filtraat), grotere deeltjes blijven achter (residu).
- Bezinken, decanteren, de scheitrechter en centrifugeren scheiden op dichtheid.
- Indampen haalt een opgeloste vaste stof uit een oplossing; kristalliseren gebruikt de oplosbaarheidscurve; destilleren (verdampen en condenseren) scheidt op kookpunt en levert een destillaat.
- In een destillatieopstelling zit de thermometer ter hoogte van de zijbuis en gaat het koelwater onderaan in de Liebigkoeler.
- Chromatografie scheidt opgeloste stoffen doordat een loopvloeistof ze verschillend ver meeneemt; de startlijn trek je in potlood.
- Een scheidingsschema toont de volgorde van de technieken; begin met het eenvoudigste en grofste.
- Drinkwater ontstaat in stappen: zeven, vlokken en bezinken, zandfilter, actieve kool, ontsmetten, controle. Gefilterd regenwater is geen drinkwater.
Wat je nu kent
- scheidingstechniek
- Methode om een mengsel te scheiden, die steunt op een verschil in stofeigenschap tussen de stoffen.
- bezinken
- Vaste deeltjes (of druppels) met een grotere dichtheid zakken naar de bodem van een vloeistof.
- decanteren
- Na het bezinken de heldere vloeistof voorzichtig afgieten, zodat het bezinksel achterblijft.
- centrifugeren
- Een mengsel heel snel laten ronddraaien, zodat de deeltjes met de grootste dichtheid veel sneller naar buiten gaan dan bij gewoon bezinken.
- filtreren
- Een mengsel door een filter met kleine poriën gieten: grote deeltjes blijven achter (residu), de vloeistof met alles wat opgelost is gaat erdoor (filtraat).
- indampen
- Een oplossing verwarmen tot het oplosmiddel verdampt is, zodat de opgeloste vaste stof achterblijft.
- destilleren
- Een vloeistof laten verdampen en de damp weer laten condenseren; stoffen met een verschillend kookpunt worden zo gescheiden. Het opgevangen condensaat heet het destillaat.
- chromatografie
- Scheiding van opgeloste stoffen doordat een loopvloeistof ze verschillend ver meeneemt over papier.
- adsorberen
- Stoffen laten vastkleven aan het oppervlak van een vaste stof, zoals actieve kool.
- scheidingsschema
- Stroomschema dat toont in welke volgorde je welke technieken gebruikt en wat er bij elke stap overblijft.