Handboek · hoofdstuk 15Zuren, basen en pH
Van citroensap tot ontstopper: een logaritmische schaal, een kleurstof uit rode kool en een druppel die alles verandert
Citroensap en ontstopper hebben iets gemeen: allebei tasten ze je huid aan, het ene als zuur, het andere als base. Hoe zuur of hoe basisch een oplossing is, druk je uit met één getal: de pH. Je leert wat een stof zuur of basisch maakt, waarom de pH-schaal met machten van tien werkt, hoe een zuur en een base elkaar opheffen, en hoe je met een buret tot op een druppel meet hoeveel zuur er in azijn zit. Voor Habitat bewaak je de pH van de voedingsoplossing: met een geijkte pH-meter, en met een proefje op één liter voor je bijstuurt.

- Je kan zuren en basen uit het dagelijks leven herkennen, hun eigenschappen noemen en er veilig mee werken.
- Je kan met de theorie van Arrhenius (en kort Brønsted) uitleggen wat een stof zuur of basisch maakt, en het verschil tussen sterk en geconcentreerd.
- Je kan de pH berekenen uit de concentratie van H3O+ of OH− (sterke zuren en basen) en omgekeerd, en uitleggen waarom de schaal logaritmisch is.
- Je kan voorspellen wat verdunnen met de pH doet, en waarom een zuur door verdunnen nooit basisch wordt.
- Je kan een indicator kiezen bij een omslaggebied en de kleur voorspellen.
- Je kan een neutralisatie als reactievergelijking schrijven en uitrekenen welke stof overblijft na mengen.
- Je kan een titratie uitvoeren, een titratiecurve lezen en er de concentratie van een zuur mee bepalen.
- Je kan een pH-meter ijken met bufferoplossingen en uit een ijking de pH van een monster berekenen.
- Je kan uitleggen waarom de pH belangrijk is in de bodem, in de hydroponie en in de oceaan, en de pH van de voedingsoplossing bewaken en bijsturen.
Wat je al weet, en wat nu komt
Azijn, citroensap en cola smaken zuur; zeep en soda voelen glad aan. Op het etiket van een ontstopper en van ontkalker staan gevarenpictogrammen (F5). In F8 zag je dat azijn stroom geleidt, maar zwak: er zijn ionen in. Nu leer je wat die zure en basische stoffen gemeen hebben, en hoe je hun sterkte meet.
| wat je al weet | waar | wat er nu bij komt |
|---|---|---|
| gevarenpictogrammen: bijtend, irriterend | F5 | waarom zuren en basen bijten, en hoe je veilig verdunt |
| concentratie in g/L; azijn geleidt zwak; cola is zuur | F8 | concentratie in mol/L en de pH |
| de logaritmische schaal: elke stap is een factor 10 | hoofdstuk 5 | de pH-schaal is er een |
| ionen; zouten vallen in water uiteen (Arrhenius) | hoofdstuk 13 | zuren en basen maken ionen: H3O+ en OH− |
| reactievergelijkingen, de mol, | hoofdstuk 14 | neutralisatie en titratie: rekenen met mol per liter |
| de EC van de voedingsoplossing | hoofdstuk 13 | de tweede meting die elke hydroponieteler doet: de pH |
In dit hoofdstuk
- leer je wat een stof zuur of basisch maakt, volgens Arrhenius en Brønsted;
- reken je de pH uit, en zie je waarom de pH-schaal met machten van tien werkt;
- kies je een indicator en maak je er zelf een uit rode kool;
- laat je een zuur en een base elkaar opheffen, en bepaal je met een titratie hoeveel zuur er in azijn zit;
- ijk je een pH-meter met bufferoplossingen;
- bekijk je de pH van de bodem, van de voedingsoplossing en van de oceaan;
- bewaak en stuur je voor Habitat de pH van het voedingsreservoir bij.

Zuren en basen in het dagelijks leven
Zuren smaken zuur (proef het nooit in het labo!), reageren met kalk en met onedele metalen zoals zink en ijzer (er ontstaat waterstofgas), en kleuren blauw lakmoespapier rood. Basen voelen glad of zeepachtig aan, omdat ze de vetten en eiwitten van je huid aantasten, en kleuren rood lakmoes blauw. Een oplossing van een base in water heet ook een loog: natronloog, kaliloog. En het belangrijkste: een zuur en een base heffen elkaars werking op.
| product | zuur of base | werkzame stof | waarvoor |
|---|---|---|---|
| azijn | zuur | azijnzuur CH3COOH | smaak, bewaren, ontkalken |
| citroensap, frisdrank | zuur | citroenzuur, fosforzuur, koolzuur | frisse smaak, bewaren |
| ontkalker | zuur | citroenzuur, amidosulfonzuur of mierenzuur | kalk CaCO3 oplossen |
| maagsap | zuur | zoutzuur (HCl in water) | eiwitten verteren, bacteriën doden |
| accuzuur (autobatterij) | zuur | zwavelzuur H2SO4, ± 35 % | elektrolyt van de loodaccu (hoofdstuk 16) |
| bakpoeder, soda | zwakke base | NaHCO3, Na2CO3 | deeg laten rijzen, reinigen |
| zeep | zwakke base | natrium- en kaliumzouten van vetzuren | vet losmaken |
| allesreiniger | base | ammoniak NH3 of soda | vet en vuil losmaken |
| ontstopper | sterke base | natriumhydroxide NaOH | haar en vet in de afvoer afbreken |
| kalk voor de tuin | base | calciumcarbonaat CaCO3 | zure grond minder zuur maken |
Geconcentreerde zuren (accuzuur, zoutzuur, sommige ontkalkers) en geconcentreerde basen (ontstopper, natronloog) dragen het pictogram bijtend (GHS05): ze vreten huid, ogen en metaal aan. Basen zijn voor de ogen zelfs gevaarlijker dan veel zuren, omdat ze dieper in het weefsel doordringen. Verdunde oplossingen en soda zijn vaak irriterend (GHS07). Draag altijd een bril, en spoel een spat meteen minutenlang af met veel water.
Verdun je een geconcentreerd zuur: eerst het water, dan het zuur, langzaam en al roerend. Omgekeerd kan de warmte die vrijkomt het water plots doen koken, en spat het zuur eruit.
Sørensen, bier en de p van pH
In 1909 leidde de Deense chemicus Søren Sørensen de chemische afdeling van het Carlsberg Laboratorium in Kopenhagen, het onderzoekslabo van de gelijknamige brouwerij. Hij bestudeerde eiwitten en enzymen, de stoffen die van mout en gist bier maken. Hij merkte dat enzymen heel gevoelig zijn voor de zuurgraad: een beetje zuurder of minder zuur, en ze werkten veel trager.
De zuurgraad zelf was lastig op te schrijven. De concentraties van de waterstofionen in zijn oplossingen waren getallen met veel nullen achter de komma, die bovendien een factor honderd of duizend van elkaar konden verschillen. Sørensen stelde voor om alleen de exponent te noteren, zonder het minteken: 0,000 01 mol/L is mol/L, en dus 'pH 5'. Zo ontstond de pH-schaal. Waar de p precies voor staat, weet niemand zeker; de meest gehoorde uitleg is Potenz, Duits voor macht.
Een kwarteeuw later, in 1934, vroeg een oud-studiegenoot bij de citrusvereniging van Californië aan de chemicus Arnold Beckman om een toestel waarmee je snel en betrouwbaar de zuurgraad van citroensap kon meten. Beckman combineerde een glaselektrode met een versterker met elektronenbuizen, en bouwde zo de eerste handige pH-meter. Vanaf 1935 maakte zijn bedrijf ze in serie. Vandaag meet elke hydroponieteler er dagelijks mee.
De pH is geen natuurconstante maar een slimme schrijfwijze: een logaritme, bedacht om onhandige getallen hanteerbaar te maken. Dat verklaart ook waarom pH 4 niet 'een beetje' zuurder is dan pH 5, maar tien keer.

Wat maakt een stof zuur of basisch?
In hoofdstuk 13 leerde je van Arrhenius dat zouten in water uiteenvallen in ionen. Hij ging nog een stap verder: een zuur is een stof die in water waterstofionen vormt, een base een stof die in water hydroxide-ionen OH− vormt.
Waterstofchloride is een polair gas (hoofdstuk 13). Leid je het in water, dan geeft elke molecule haar H-atoom zonder elektron, dus een proton H+, door aan een watermolecule. Zo'n los proton bestaat in water niet: het hangt meteen vast aan een vrij elektronenpaar van zuurstof, en vormt het oxoniumion H3O+. De oplossing heet zoutzuur.
Natriumhydroxide is een zout; het valt in water uiteen in Na+ en OH−: . Ammoniak bevat geen OH− en is toch een base: het neemt een proton van water over, .
Dat laatste verklaart de ruimere definitie van de Deen Johannes Brønsted en de Engelsman Thomas Lowry (1923): een zuur is een protondonor, een base een protonacceptor. Een zuur-basereactie is dan het doorgeven van een proton. Water kan allebei: bij zoutzuur neemt het een proton op, bij ammoniak geeft het er een af.
Sterk en zwak. Bij zoutzuur en salpeterzuur HNO3 geven (bijna) alle moleculen hun proton af: het zijn sterke zuren. Bij azijnzuur doet maar een kleine fractie dat, zo'n 1 % in een oplossing van 0,1 mol/L: een zwak zuur. De dubbele pijl bij ammoniak betekent dat de reactie in beide richtingen verloopt en maar gedeeltelijk gebeurt. In dit hoofdstuk reken je alleen de pH van sterke zuren en basen uit; zwakke volgen in E26.
Sterk zegt welk deel van de moleculen een proton afgeeft; geconcentreerd zegt hoeveel zuur er per liter is. Zoutzuur van 0,001 mol/L is een sterk zuur in een verdunde oplossing (pH 3); azijn is een zwak zuur in een vrij geconcentreerde oplossing (0,83 mol/L, pH ± 2,4). Bij dezelfde concentratie van 0,1 mol/L heeft zoutzuur pH 1,0 en azijnzuur ongeveer pH 2,9.
Water en de pH-schaal
Ook zuiver water bevat een piepklein beetje ionen: watermoleculen geven elkaar af en toe een proton door, . In zuiver water bij 25 °C zijn er van elk mol per liter: evenveel H3O+ als OH−, dus neutraal. Het product van beide concentraties blijft in elke waterige oplossing gelijk: voeg je zuur toe, dan stijgt en daalt evenveel keer.
Die concentraties lopen van ongeveer 1 mol/L tot mol/L: veertien machten van tien. Daarom gebruik je, zoals Sørensen, de exponent:
De pH-schaal is logaritmisch (hoofdstuk 5): één pH-eenheid lager betekent tien keer meer oxoniumionen, twee eenheden honderd keer. Citroensap (pH 2,2) bevat keer meer H3O+ dan koffie (pH 5,0): het verschil van de pH-waarden is de exponent.
: de logaritme van een macht van tien is de exponent. Voor andere getallen gebruik je de toets log: , dus pH 2,70. Terug gaat met : bij pH 3,40 hoort mol/L. Geef een pH met twee decimalen: zoveel cijfers heeft ook een goede pH-meter.
De pH van sterke zuren en basen berekenen
(a) Bereken de pH van zoutzuur met 0,020 mol/L. (b) Bereken de pH van natronloog met 0,0050 mol/L. (c) Een oplossing heeft pH 3,40. Hoe groot is de concentratie oxoniumionen, en hoeveel keer zuurder is ze dan een oplossing met pH 5,40?
- (a) , sterk zuur
- (b) , sterke base
- (c) pH 3,40 en pH 5,40
- pH
- en de verhouding
- 1(a) Zoutzuur is een sterk zuur: elke HCl-molecule wordt een H3O+. Dus en .
- 2(b) NaOH valt volledig uiteen: . , dus .
- 3Of via de waterconstante: , en . Zelfde uitkomst.
- 4(c) . Het verschil is 2,00 pH-eenheden: keer meer oxoniumionen.
Verdunnen: tien keer meer water, één pH-eenheid
(a) Je verdunt 10 mL zoutzuur met pH 1,00 met water tot 1,0 L. Welke pH krijg je? (b) Hoeveel water moet je bij 50 mL zoutzuur met pH 2,0 voegen om pH 4,0 te krijgen? (c) Wat gebeurt er als je natronloog met pH 12,0 honderd keer verdunt? En als je daarna blijft verdunnen?
- ; verdunnen met factor deelt de concentratie door
- de pH na verdunnen
- het volume water
- 1(a) Van 10 mL naar 1000 mL is een factor 100. gaat van naar : pH 3,00. Elke factor tien verdunning verhoogt de pH van een sterk zuur met één eenheid.
- 2(b) Van pH 2,0 naar pH 4,0 is twee eenheden: een factor . Het eindvolume is , dus je voegt water toe.
- 3(c) gaat van naar : pOH 4, pH 10,0. Een base daalt bij verdunnen naar 7 toe, een zuur stijgt naar 7 toe.
- 4Blijf je verdunnen, dan nadert de pH 7, maar ze gaat er nooit voorbij: het water brengt zelf H3O+ en OH− mee. De grafiek is berekend met de waterconstante erbij.
Indicatoren: kleurstoffen die de pH verraden
Een indicator is een kleurstof die zelf een zwak zuur is. De vorm met het proton heeft een andere kleur dan de vorm zonder. Welke vorm de overhand heeft, hangt af van de pH: onder het omslaggebied zie je de zure kleur, erboven de basische, en erin een mengkleur. Elke indicator heeft zijn eigen omslaggebied, meestal zo'n anderhalve tot twee pH-eenheden breed.
| indicator | omslaggebied (pH) | zure kant | basische kant |
|---|---|---|---|
| methyloranje | 3,1 – 4,4 | rood | geel |
| methylrood | 4,4 – 6,2 | rood | geel |
| broomthymolblauw | 6,0 – 7,6 | geel | blauw |
| fenolftaleïne | 8,2 – 10,0 | kleurloos | roze tot paarsrood |
| lakmoes | 4,5 – 8,3 | rood | blauw |
| universele indicator (mengsel) | 0 – 14, geleidelijk | rood, oranje, geel, groen, blauw, paars | |
| rodekoolsap (antocyaan) | geleidelijk | rood, roze, paars | blauw, groen, geel |
Eén indicator vertelt je alleen of de pH onder, in of boven zijn omslaggebied ligt. Kleurt broomthymolblauw geel, dan weet je: pH onder 6,0, maar niet of het 5,5 of 1,5 is. Daarom mengt men in universele indicator en pH-papier meerdere kleurstoffen: elke pH geeft dan een eigen kleur, en je vergelijkt met een kleurenkaart tot op ongeveer één pH-eenheid.
Met twee indicatoren kan je een pH insluiten. Is een oplossing geel met broomthymolblauw (pH < 6,0) en geel met methylrood (pH > 6,2)? Dat kan niet tegelijk: dan heb je slecht gekeken. Geel met broomthymolblauw en oranje met methylrood: pH tussen 4,4 en 6,0.
Rodekoolsap als indicator
Kan je met sap van rode kool zure en basische producten uit de keuken herkennen en rangschikken?
- een kwart rode kool, heet water (niet kokend), mes, zeef
- 8 doorzichtige bekertjes, pH-papier
- azijn, citroensap, spuitwater, melk, kraanwater, bakpoeder, soda (natriumcarbonaat), zeepsop
- veiligheidsbril
- 1Snijd de kool in reepjes, overgiet met 500 mL heet water en laat tien minuten trekken. Zeef: je krijgt een paars sap.
- 2Giet in elk bekertje 30 mL sap. Voeg in elk bekertje een theelepel (of 10 mL) van één product toe en roer.
- 3Noteer de kleur. Meet daarna met pH-papier de pH van elk mengsel.
- 4Rangschik de bekertjes van laagste naar hoogste pH. Zet de kleuren naast de pH-waarden.
| product | kleur met rodekoolsap | pH (papier) |
|---|---|---|
| citroensap | rood | 2 |
| azijn | rood | 3 |
| spuitwater | roze | 5 |
| melk | paars | 6-7 |
| kraanwater | blauwpaars | 7-8 |
| bakpoeder | blauw | 8 |
| zeepsop | blauwgroen | 9-10 |
| soda | groen | 11 |
Voorbeeldmeting. De tinten verschillen van kool tot kool.
Rode kool bevat antocyanen, de kleurstoffen die ook bosbessen en rode druiven kleuren. Het zijn zwakke zuren met meer dan één proton dat ze kunnen afgeven. Bij elke pH overheerst een andere vorm, met een eigen kleur: rood in zuur, paars rond neutraal, blauw en groen in basisch, en geel in sterk basisch. Daarom geeft rodekoolsap een hele kleurenreeks en geen enkele omslag. Voor een nauwkeurige pH is het te vaag: de kleuren lopen in elkaar over en hangen af van hoeveel sap je gebruikt.
Neutralisatie: zuur en base heffen elkaar op
Giet je zoutzuur bij natronloog, dan reageren de oxoniumionen met de hydroxide-ionen tot water. Dat is de neutralisatie:
De natrium- en chloride-ionen blijven gewoon opgelost. Damp je de oplossing in, dan blijft er keukenzout over. Met alle stoffen erbij:
Een zuur plus een base geeft dus water plus een zout. Welk zout, hangt af van het zuur en de base: salpeterzuur met kaliloog geeft kaliumnitraat, een van de zouten uit het recept van de voedingsoplossing (hoofdstuk 12): . Bij zwavelzuur, dat twee protonen kan afgeven, heb je twee keer zoveel base nodig: .
Een neutralisatie is exotherm (hoofdstuk 14): per mol gevormd water komt ongeveer 56 kJ vrij. Meng je 50 mL zoutzuur en 50 mL natronloog van elk 1 mol/L, dan warmt het mengsel ongeveer 6,7 °C op.
Neutraliseren doe je vaker dan je denkt: een maagtablet met calciumcarbonaat neutraliseert een teveel aan maagzuur, een tuinier strooit kalk op zure grond, en een gemorst zuur maak je onschadelijk met bakpoeder (het bruist: er ontstaat CO2).
Alleen als een sterk zuur en een sterke base in precies de juiste hoeveelheid reageren. Blijft er zuur of base over, dan bepaalt die overmaat de pH (volgend voorbeeld). En neutraliseer je een zwak zuur met een sterke base, dan ligt het equivalentiepunt boven 7 (E26).
Zuur en base mengen: wie blijft over?
Je mengt 50,0 mL zoutzuur van 0,100 mol/L met 30,0 mL natronloog van 0,100 mol/L. Welke pH heeft het mengsel?
- zoutzuur: ,
- natronloog: ,
- pH van het mengsel
- 1Tel in mol (of millimol: mL maal mol/L geeft mmol). Zuur: H3O+. Base: OH−.
- 2Molverhouding 1 : 1: de 3,00 mmol OH− neutraliseert 3,00 mmol H3O+. Er blijft H3O+ over.
- 3Die overmaat zit in het totale volume: . .
- 4.
Titratie: tot op een druppel meten
Hoeveel zuur zit er in een fles azijn? Met een titratie meet je dat. Je doet een nauwkeurig gekend volume van de onbekende oplossing in een erlenmeyer, met een paar druppels indicator. Uit een buret laat je er druppel per druppel een oplossing met gekende concentratie bij lopen, tot de indicator net blijvend van kleur verandert.
- Spoel de buret met de natronloog, vul ze en lees de beginstand af, onderaan de meniscus, tot op 0,05 mL.
- Breng met een volumepipet precies 25,00 mL van het zuur in de erlenmeyer. Voeg 2 à 3 druppels indicator toe.
- Laat eerst vlot, en in de buurt van het omslagpunt druppel per druppel natronloog toe, al roerend.
- Stop bij de eerste druppel die de kleur een halve minuut laat blijven (bij fenolftaleïne: licht roze). Lees de eindstand af.
- Herhaal tot drie titraties minder dan 0,10 mL van elkaar verschillen, en neem het gemiddelde (hoofdstuk 1).
Op het equivalentiepunt is er precies evenveel mol base toegevoegd als er mol zuur was. Voor een zuur en een base die 1 : 1 reageren:
Het punt waar de indicator omslaat, heet het eindpunt. Een goede indicator zorgt dat eindpunt en equivalentiepunt samenvallen, tot op een druppel. Dat de berekening ook voor een zwak zuur als azijnzuur werkt, is geen toeval: je telt alleen hoeveel mol base er nodig is, niet hoeveel protonen er op een bepaald moment vrij zijn.

De titratiecurve
Meet je tijdens een titratie na elke toevoeging de pH, dan krijg je een titratiecurve. Deze is niet gemeten maar exact berekend (codeblad verderop): 25,0 mL zoutzuur van 0,100 mol/L met natronloog van 0,100 mol/L. De gekleurde banden zijn de omslaggebieden van drie indicatoren.
- 1Beginpunt
Alleen zoutzuur: pH = −log 0,100 = 1,00.
- 2Het vlakke stuk
Na 12,5 mL is de helft van het zuur weg, en toch is de pH maar gestegen tot 1,48: de concentratie is gehalveerd (en verdund), dat is nog geen factor tien.
- 3Equivalentiepunt
Na 25,00 mL: evenveel mol OH− als er H3O+ was. Er is alleen nog een oplossing van keukenzout: pH 7,00.
- 4Eén druppel ervoor
Bij 24,95 mL (één druppel te weinig) is de pH 4,0: er blijft nog 0,005 mmol zuur over.
- 5Eén druppel erna
Bij 25,05 mL is de pH al 10,0. Eén druppel van 0,05 mL doet de pH zes eenheden stijgen: daarom is een titratie zo nauwkeurig.
- 6Overmaat base
Nu bepaalt de overmaat natronloog de pH. De curve nadert pH 13 (de pH van de natronloog zelf), maar haalt die niet: de base wordt verdund door het zuur.
Hoeveel azijnzuur zit er in azijn?
Op een fles schoonmaakazijn staat '5 % zuurgraad': 5 g azijnzuur per 100 mL. Je pipetteert 10,00 mL azijn in een maatkolf en vult aan tot 100,0 mL met water. Van die verdunde azijn titreer je telkens 25,00 mL met natronloog van 0,100 mol/L en fenolftaleïne. Je hebt 20,85 mL, 20,80 mL en 20,75 mL nodig. Klopt het etiket?
- (1 : 1)
- (gemiddelde),
- de concentratie azijnzuur in de azijn, in mol/L en in g per 100 mL
- 1Mol base tot het equivalentiepunt: .
- 2Molverhouding 1 : 1: in de 25,00 mL verdunde azijn zat mol azijnzuur.
- 3In de hele maatkolf (100,0 mL, vier keer zoveel): . Dat kwam allemaal uit de 10,00 mL azijn.
- 4Concentratie in de azijn: .
- 5In gram: , of 5,00 g per 100 mL.
Python: de titratiecurve berekenen
Hoe bereken je de pH tijdens een titratie? Tel de overmaat zuur (of base) in mol, deel door het totale volume, en neem de waterconstante mee. Dan wordt het één kwadratische vergelijking: de ladingsbalans zegt dat er in de oplossing evenveel positieve als negatieve lading is. Met en de overmaat zuur in mol/L geldt , dus . Rond het equivalentiepunt () geeft dat vanzelf pH 7, en ver ervan gewoon .
# titratiecurve.py - pH tijdens de titratie van een sterk zuur met een sterke baseimport math KW = 1.0e-14 # waterconstante bij 25 graden: [H3O+] * [OH-] def ph_mengsel(c_zuur, v_zuur, c_base, v_base): """pH na het mengen van v_zuur mL sterk zuur (c_zuur mol/L) met v_base mL sterke base (c_base mol/L).""" overmaat = (c_zuur * v_zuur - c_base * v_base) / (v_zuur + v_base) # mol/L zuur (negatief: base) # ladingsbalans: [H3O+] - KW / [H3O+] = overmaat -> kwadratische vergelijking in [H3O+] h = (overmaat + math.sqrt(overmaat ** 2 + 4 * KW)) / 2 return -math.log10(h) C_ZUUR, V_ZUUR = 0.100, 25.0 # 25,0 mL zoutzuur van 0,100 mol/L in de erlenmeyerC_BASE = 0.100 # natronloog van 0,100 mol/L in de buret if __name__ == "__main__": v_eq = C_ZUUR * V_ZUUR / C_BASE print(f"equivalentiepunt bij {v_eq:.2f} mL") for v in [0, 10, 20, 24, 24.9, 24.95, 25, 25.05, 25.1, 26, 30, 50]: print(f"{v:6.2f} mL pH {ph_mengsel(C_ZUUR, V_ZUUR, C_BASE, v):5.2f}")Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):
equivalentiepunt bij 25.00 mL 0.00 mL pH 1.00 10.00 mL pH 1.37 20.00 mL pH 1.95 24.00 mL pH 2.69 24.90 mL pH 3.70 24.95 mL pH 4.00 25.00 mL pH 7.00 25.05 mL pH 10.00 25.10 mL pH 10.30 26.00 mL pH 11.29 30.00 mL pH 11.96 50.00 mL pH 12.52
De titratiecurve en de verdunningsgrafiek van dit hoofdstuk komen uit deze functie. In opdracht 15.11 gebruik je ze om te onderzoeken hoe breed de sprong is bij een tien keer meer verdund zuur.
De pH-meter en zijn ijking
Een pH-meter meet een spanning. Aan het uiteinde van de elektrode zit een heel dunne glasbol. Aan de binnenkant zit een oplossing met een vaste pH, aan de buitenkant de vloeistof die je meet. Hoe groter het verschil in pH, hoe groter de spanning over het glas. Een tweede elektrode, de referentie, maakt via een klein poreus diafragma contact met de vloeistof en sluit de kring. Een ideale elektrode geeft bij 25 °C 0 mV bij pH 7 en 59,16 mV per pH-eenheid: een lineair verband (waarom precies dat getal, zie je in E27).
Een echte elektrode wijkt af: het nulpunt verschuift en de helling wordt kleiner naarmate het glas veroudert. Daarom ijk (kalibreer) je de meter met bufferoplossingen: oplossingen met een nauwkeurig gekende pH die nauwelijks verandert, zelfs als er een beetje zuur of base bij komt.
- Tweepuntsijking: eerst buffer pH 7,00 (het nulpunt), dan pH 4,00 als je in het zure gebied meet (hydroponie) of pH 10,00 in het basische. De meter legt een rechte door de twee punten, zoals je in hoofdstuk 3 een sensor ijkte.
- Driepuntsijking met 4, 7 en 10 als je over het hele gebied meet.
- Tussen twee buffers spoel je de elektrode met gedemineraliseerd water en dep je ze droog. Niet wrijven.
- De meter berekent de helling in procent van 59,16 mV per pH. Veel fabrikanten vragen tussen ongeveer 95 en 105 %, en een nulpunt binnen ongeveer 30 mV. Daarbuiten reinig of vervang je de elektrode.
- De helling hangt af van de temperatuur (bij 20 °C is ze 58,17 mV per pH): goede meters meten de temperatuur mee en compenseren. De pH van een buffer verandert ook een beetje met de temperatuur; de tabel staat op het flesje.
Bewaar een pH-elektrode altijd met het dopje vol bewaarvloeistof (kaliumchloride, 3 mol/L), nooit droog en nooit in gedemineraliseerd water: dan trekken ionen uit het glas en uit de referentie weg, en wordt de meter traag en onbetrouwbaar. Een elektrode gaat een à twee jaar mee.

Een pH-sensor ijken met twee buffers
De klimaatmodule krijgt een goedkope pH-module die een spanning tussen 0 en 5 V naar de microcontroller stuurt. In buffer pH 7,00 meet je 2,50 V, in buffer pH 4,00 3,04 V. (a) Stel de ijklijn op. (b) In het reservoir meet je 2,62 V. Welke pH is dat? (c) Ter controle hang je de sensor in buffer pH 10,00: 1,98 V. Hoe groot is de afwijking?
- en
- monster: ; controle: in pH 10,00
- ijklijn
- pH van het monster
- afwijking bij pH 10
- 1(a) Helling: per pH-eenheid. De spanning daalt als de pH stijgt. Ijklijn: .
- 2Omgevormd naar wat de microcontroller nodig heeft: .
- 3(b) .
- 4(c) : 0,11 onder 10,00.
pH in de bodem en in de hydroponie
Een plant neemt haar voeding op als opgeloste ionen (hoofdstuk 12). Of een ion opgelost blijft, hangt sterk af van de pH. In de bodem doen de meeste groenten het best tussen pH 6 en 7; op zure zandgrond, zoals in de Kempen, strooit men kalk CaCO3 om de pH op te trekken (bekalken): het carbonaat neutraliseert het zuur. Sommige planten houden net van zuur.
| gewas of plant | gunstige bodem-pH |
|---|---|
| de meeste groenten (sla, kool, bonen), gazon | 6,0 – 7,0 |
| aardappel | 5,0 – 6,0 |
| blauwe bes, rododendron, heide | 4,5 – 5,5 |
In de hydroponie is er geen bodem die schommelingen opvangt: de pH van de voedingsoplossing verandert soms met een halve eenheid in twee dagen. Voor de meeste gewassen ligt het werkgebied tussen 5,5 en 6,5; sla doet het goed rond 5,8.
| pH van de voedingsoplossing | wat er gebeurt |
|---|---|
| onder 5,0 | de wortels raken beschadigd; calcium en magnesium worden slechter opgenomen; zwaar zure oplossing tast ook metalen onderdelen aan |
| 5,5 – 6,5 | alle voedingselementen blijven opgelost en opneembaar: het werkgebied van de meeste gewassen (sla, kruiden, tomaat) |
| boven 6,5 | ijzer en mangaan slaan neer of worden slecht opneembaar: jonge bladeren worden geel tussen de nerven (ijzergebrek); fosfaat vormt met calcium een neerslag |
| boven 7,5 | kalkaanslag (calciumcarbonaat en -fosfaat) in leidingen en druppelaars |
Waarom stijgt de pH vanzelf? Het recept van Habitat levert de stikstof als nitraat NO3−. Een plant die meer negatieve ionen opneemt dan positieve, moet haar lading in evenwicht houden: haar wortels geven OH−- of HCO3−-ionen af. De oplossing wordt langzaam basischer, zeker als de planten snel groeien. Met ammonium NH4+ als stikstofbron gebeurt het omgekeerde. Daarom heb je in de hydroponie vooral pH-min nodig: een verdund zuur, meestal salpeterzuur of fosforzuur, dat meteen ook stikstof of fosfor aanvult.
Zuur toevoegen brengt ook ionen mee: de EC stijgt een beetje. Meet daarom altijd eerst de pH, dan de EC, en stuur de pH bij voor je de EC bijstuurt. Laat een pH- en een EC-sonde niet tegelijk meten in hetzelfde reservoir zonder elektrische scheiding: ze kunnen elkaars meting storen.

Oceaanverzuring: een logaritme met gevolgen
Sinds het begin van de industriële revolutie steeg de koolstofdioxide in de lucht van ongeveer 280 naar 425 ppm (hoofdstuk 14). Ongeveer een kwart van de CO2 die we uitstoten, lost op in de oceaan. Daar vormt het koolzuur, een zwak zuur:
Zeewater is licht basisch. Rond 1850 had het oppervlaktewater gemiddeld een pH van ongeveer 8,2; vandaag is dat 8,1. Een daling van 0,1 lijkt niets, maar de schaal is logaritmisch: , dus ongeveer een kwart meer oxoniumionen. Met nauwkeuriger waarden (van 8,21 naar 8,10) is het bijna 30 %. Bij een hoge uitstoot daalt de pH tegen 2100 nog eens ruim 0,3, tot ongeveer 7,8: dan zijn er keer zoveel oxoniumionen als in 1850.
Basisch blijft de oceaan, 'verzuren' betekent hier: de pH daalt. Het probleem zit bij de dieren die een skelet of schelp bouwen uit calciumcarbonaat: koralen, oesters, mosselen, zeeslakjes en veel plankton. De extra oxoniumionen pakken carbonaationen weg (), precies de bouwstenen die ze nodig hebben. Hun kalk bouwen kost meer energie, en in koud water, waar CO2 goed oplost, begint dunne kalk al op te lossen.
Sinds 1988 meet een onderzoeksprogramma ten noorden van Hawaï maandelijks de pH van het oppervlaktewater. De meetreeks daalt gestaag, in het ritme van de stijgende CO2 in de lucht: ongeveer 0,02 pH-eenheid per tien jaar. Zulke kleine veranderingen zie je alleen met zorgvuldig geijkte meters en een lange meetreeks.
Habitat: de pH van het reservoir bijsturen
De voedingsoplossing van de klimaatmodule start op pH 5,8. Een week lang meet je elke ochtend de pH (grafiek). Op dag 6 staat ze op 6,6 en zit er nog 56 L in het reservoir. De pH-min is een werkoplossing salpeterzuur van 0,50 mol/L. Je giet 1,00 L oplossing uit het reservoir in een maatbeker en druppelt er met een spuitje pH-min bij, al roerend: na 1,6 mL staat de pH op 5,8. (a) Hoeveel pH-min heeft het reservoir nodig? (b) Hoe voeg je het toe? (c) Hoeveel mmol zuur zou zuiver water van 56 L nodig hebben om van 6,6 naar 5,8 te gaan? Wat besluit je?
- 56 L op pH 6,6; streefwaarde 5,8
- proefje: 1,6 mL pH-min (0,50 mol/L) per 1,00 L
- de pomp zet het reservoir in 12,5 min één keer rond (hoofdstuk 11)
- volume pH-min
- werkwijze
- vergelijking met zuiver water
- 1(a) Evenredig opschalen: pH-min.
- 2(b) Voeg niet alles in één keer toe: giet 45 mL in de stroming bij de pomp, laat de pomp 15 minuten rondpompen (iets meer dan één keer het hele reservoir), meet opnieuw, en voeg de rest toe als de pH nog boven 6,0 staat. Een te grote dosis zet de wortels in één keer in zuur water. Bril en handschoenen: ook verdund salpeterzuur irriteert ogen en huid.
- 3(c) Zuiver water: moet van naar , een toename van . Voor 56 L: , dat is 0,15 mL pH-min.
- 4Het reservoir had nodig: ongeveer 600 keer meer. De voedingsoplossing vangt het zuur op: de fosfaat- en waterstofcarbonaationen erin nemen de meeste protonen over. Zo'n oplossing heet een buffer (E26). Daarom kan je de dosis niet uitrekenen met , maar bepaal je ze met een proefje: een kleine titratie.
C++: de pH bewaken op de microcontroller
De microcontroller van de klimaatmodule meet elke minuut. Drie keuzes uit dit hoofdstuk zitten in de code: de ijklijn uit het voorbeeld (twee constanten die je na elke ijking aanpast), een mediaan van negen metingen tegen uitschieters (hoofdstuk 1), en de grenzen van het werkgebied 5,5 tot 6,5. De code doseert zelf niets: bijsturen doe je na een proefje op 1 L.
// pH-bewaking van het voedingsreservoir (Arduino Mega 2560 van de klimaatmodule)// pH-module op A2 (Arduino Mega van de module): de spanning daalt als de pH stijgt. Tweepuntsijking met buffers pH 7,00 en pH 4,00.const float U_PH7 = 2.50; // gemeten spanning in buffer pH 7,00 (V)const float U_PH4 = 3.04; // gemeten spanning in buffer pH 4,00 (V)const float HELLING = (U_PH4 - U_PH7) / (4.00 - 7.00); // V per pH-eenheid (negatief)const float PH_ONDER = 5.5; // grenzen van het werkgebiedconst float PH_BOVEN = 6.5;const unsigned long INTERVAL_MS = 60000UL; // elke minuut meten unsigned long vorigeMeting = 0; float leesSpanning() { // mediaan van 9 metingen: een uitschieter verandert het resultaat niet int w[9]; for (int i = 0; i < 9; i++) { w[i] = analogRead(A2); delay(10); } for (int i = 1; i < 9; i++) { // sorteren (insertion sort) int x = w[i]; int j = i - 1; while (j >= 0 && w[j] > x) { w[j + 1] = w[j]; j--; } w[j + 1] = x; } return w[4] * 5.0 / 1023.0; // de middelste van de negen} float naarPH(float u) { return 7.00 + (u - U_PH7) / HELLING;} void setup() { Serial.begin(9600);} void loop() { if (millis() - vorigeMeting >= INTERVAL_MS) { vorigeMeting += INTERVAL_MS; float u = leesSpanning(); float ph = naarPH(u); Serial.print("U = "); Serial.print(u, 3); Serial.print(" V pH = "); Serial.println(ph, 2); if (ph > PH_BOVEN) { Serial.println("pH te hoog: proefje op 1 L en pH-min doseren"); } else if (ph < PH_ONDER) { Serial.println("pH te laag: dosering nakijken, eventueel pH-plus"); } }}De helling staat in de code voor 25 °C. Wordt het reservoir 's winters 18 °C, dan is de helling van de elektrode ruim 2 % kleiner; bij pH 6 (één eenheid van het nulpunt) scheelt dat maar 0,02. Wie nauwkeuriger wil zijn, meet de temperatuur mee (de sensor van hoofdstuk 13 zit al in het reservoir) en schaalt de helling met de absolute temperatuur. In opdracht 15.16 ontwerp je een automatische dosering, met de veiligheden die daarbij horen.
Overzicht: zuren, basen en pH
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| concentratie oxoniumionen | mol/L |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| concentratie hydroxide-ionen | mol/L |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| concentratie | mol/L | |
| volume | mL of L |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| spanning in buffer pH 7,00 | V | |
| helling (U_4 − U_7) / (4,00 − 7,00) | V |
| indicator | omslaggebied (pH) | zure kant | basische kant |
|---|---|---|---|
| methyloranje | 3,1 – 4,4 | rood | geel |
| methylrood | 4,4 – 6,2 | rood | geel |
| broomthymolblauw | 6,0 – 7,6 | geel | blauw |
| fenolftaleïne | 8,2 – 10,0 | kleurloos | roze tot paarsrood |
| lakmoes | 4,5 – 8,3 | rood | blauw |
| universele indicator (mengsel) | 0 – 14, geleidelijk | rood, oranje, geel, groen, blauw, paars | |
| rodekoolsap (antocyaan) | geleidelijk | rood, roze, paars | blauw, groen, geel |
| sterke zuren | zwakke zuren | sterke basen | zwakke basen |
|---|---|---|---|
| zoutzuur HCl, salpeterzuur HNO3, zwavelzuur H2SO4 (eerste proton) | azijnzuur, citroenzuur, koolzuur, fosforzuur | NaOH, KOH, Ca(OH)2 | ammoniak, waterstofcarbonaat, carbonaat |
| Habitat: rekenwaarden uit dit hoofdstuk | |
|---|---|
| pH voedingsoplossing | streefwaarde 5,8; bijsturen onder 5,5 of boven 6,5 |
| drift | ± 0,1 à 0,15 per dag omhoog (nitraatopname) |
| pH-min | werkoplossing salpeterzuur 0,50 mol/L; dosis via een proefje op 1,0 L (voorbeeld: 1,6 mL/L, 90 mL voor 56 L) |
| pH-module | 2,50 V bij pH 7,00; 3,04 V bij pH 4,00; helling −0,18 V per pH |
| onderhoud | ijken om de twee weken (buffers 7 en 4); sonde in KCl-bewaarvloeistof |
Waar zuren en basen terugkomen
De pH verbindt de chemie met het leven: enzymen werken maar in een smal pH-gebied, je bloed houdt zich tussen 7,35 en 7,45, en een plant kan haar voeding maar opnemen als de pH klopt. Wiskundig is de pH een toepassing van de logaritme; technisch is de pH-meter een sensor die je ijkt met een rechte.
Gevarenpictogrammen; eerst water, dan zuur.
Oplossingen en concentratie in g/L; hier in mol/L.
Een sensor ijken met een rechte: de tweepuntsijking van de pH-meter.
De logaritmische schaal: elke pH-eenheid is een factor tien.
Ionen en polaire moleculen; de EC naast de pH.
De mol en de molverhouding: rekenen aan neutralisatie en titratie.
Accuzuur, en metalen die in zuur oplossen: redox.
Het pH-optimum van een enzym.
EC en pH samen bewaken in het hydroponiesysteem.
Zwakke zuren, Ka en pKa, en buffers: waarom de voedingsoplossing het zuur opvangt.
Waarom een glaselektrode 59 mV per pH-eenheid geeft.
De pH van het bloed als geregelde grootheid.
In het kort
- Zuren vormen in water H3O+, basen OH− (Arrhenius). Ruimer: een zuur geeft een proton af, een base neemt er een op (Brønsted).
- Sterk betekent: (bijna) alle moleculen geven hun proton af. Dat is iets anders dan geconcentreerd.
- In elke waterige oplossing bij 25 °C is . ; pH + pOH = 14.
- De pH-schaal is logaritmisch: één eenheid is een factor tien. Tien keer verdunnen verhoogt de pH van een sterk zuur met één eenheid, maar verdunnen brengt de pH nooit voorbij 7.
- Een indicator verandert van kleur in zijn omslaggebied: methyloranje 3,1-4,4, broomthymolblauw 6,0-7,6, fenolftaleïne 8,2-10,0.
- Neutralisatie: H3O+ + OH− → 2 H2O; zuur + base geeft water + een zout. Blijft er iets over, dan bepaalt die overmaat de pH.
- Bij een titratie voeg je base met gekende concentratie toe tot het equivalentiepunt. Rond dat punt springt de pH: één druppel verandert ze met vele eenheden.
- Een pH-meter meet een spanning; je ijkt hem met buffers (pH 7 en 4, of 7 en 10) en bewaart de elektrode nat.
- De meeste gewassen in de hydroponie willen pH 5,5 tot 6,5. Door de opname van nitraat stijgt de pH; je stuurt bij met pH-min, na een proefje. De oceaan daalde van pH 8,2 naar 8,1: ongeveer 30 % meer H3O+.
Wat je nu kent
- zuur (Arrhenius)
- Stof die in water H3O+-ionen vormt (kortweg H+). Volgens Brønsted: een stof die een proton afgeeft.
- base (Arrhenius)
- Stof die in water OH−-ionen vormt. Volgens Brønsted: een stof die een proton opneemt.
- oxoniumion
- Het ion H3O+: een watermolecule met een extra proton. Het maakt een oplossing zuur.
- sterk zuur
- Zuur waarvan (bijna) alle moleculen in water een proton afgeven, zoals zoutzuur en salpeterzuur.
- zwak zuur
- Zuur waarvan maar een klein deel van de moleculen een proton afgeeft, zoals azijnzuur en citroenzuur.
- pH
- Maat voor de zuurgraad: , met de concentratie in mol/L. Onder 7 zuur, 7 neutraal, boven 7 basisch (bij 25 °C).
- waterconstante
- In water en elke waterige oplossing bij 25 °C geldt , dus pH + pOH = 14.
- indicator
- Kleurstof die van kleur verandert binnen een bepaald pH-gebied, het omslaggebied.
- neutralisatie
- Reactie van een zuur met een base: H3O+ en OH− vormen water, en er blijft een zout over.
- titratie
- Methode om een concentratie te bepalen door een oplossing met gekende concentratie toe te voegen tot de reactie precies af is.
- equivalentiepunt
- Het punt in een titratie waar er precies evenveel mol base is toegevoegd als er mol zuur was.
- bufferoplossing
- Oplossing waarvan de pH nauwelijks verandert als je er wat zuur of base bij doet; gebruikt om pH-meters te ijken.
- oceaanverzuring
- De daling van de pH van het zeewater doordat de oceaan koolstofdioxide uit de lucht opneemt.