Handboek · hoofdstuk 14Gassen en de gaswetten
Wat de lucht in het station doet: van botsende moleculen tot een ventilatie die klopt
Twee bewoners in een woonmodule van 62 m³ ademen elke dag 2 kg CO₂ en 4 kg waterdamp uit en halen er 1,7 kg zuurstof uit. Hoe snel wordt dat een probleem, en hoeveel verse lucht is er nodig? Om dat te beantwoorden leer je de taal van gassen: druk, volume, temperatuur en hoeveelheid, de ideale gaswet, en waar die wet vandaan komt: miljarden botsingen per seconde. Je rekent met partiële drukken en luchtvochtigheid, ziet wanneer een gas niet meer ideaal is (een CO₂-fles), en je legt vast hoe het station zijn lucht bewaakt.

- Je kan druk, volume, temperatuur en hoeveelheid van een gas omrekenen en de ideale gaswet pV = nRT = NkT toepassen, ook op het station.
- Je kan de wet van Boyle met een meting toetsen en een systematische fout (de dode ruimte) uit de gegevens halen.
- Je kan de druk van een gas afleiden uit de botsingen van moleculen en het verband tussen temperatuur en kinetische energie gebruiken.
- Je kan de verdeling van Maxwell en Boltzmann interpreteren en er de meest waarschijnlijke, de gemiddelde en de rms-snelheid mee berekenen.
- Je kan met molfracties, ppm en partiële drukken rekenen (wet van Dalton) en de invloed van hoogte en luchtdruk uitleggen.
- Je kan een massabalans voor CO₂, O₂ en waterdamp opstellen en er een ventilatiedebiet mee ontwerpen.
- Je kan relatieve vochtigheid, absolute vochtigheid en dauwpunt berekenen (Magnus) en condens op een oppervlak voorspellen.
- Je kan uitleggen wanneer een gas niet meer ideaal is (compressibiliteitsfactor, Van der Waals, kritisch punt) en wat dat betekent voor een gasfles.
Van gas sylvestre tot pV = nRT
Het woord gas komt uit Brussel. Rond 1600 onderzocht de Brusselse arts en scheikundige Jan Baptista van Helmont (geboren rond 1580, gestorven in 1644 in Vilvoorde) wat er vrijkomt als je houtskool verbrandt of druiven laat gisten. Het was geen lucht en geen damp, en hij verzon er een nieuw woord voor, naar het Griekse chaos: gas. Wat uit brandende houtskool en gistend sap kwam, noemde hij gas sylvestre, 'wild gas'. Vandaag heet het koolstofdioxide. Zijn werk verscheen pas na zijn dood, in 1648, uitgegeven door zijn zoon.
In 1662 beschreef Robert Boyle in Oxford hoe lucht zich laat samendrukken. Met een luchtpomp die zijn assistent Robert Hooke had gebouwd en een J-vormige buis met kwik toonde hij dat een ingesloten hoeveelheid lucht een half zo groot volume inneemt als je de druk verdubbelt: is constant. Edme Mariotte vond hetzelfde in 1676 in Frankrijk; daarom spreekt men in België vaak van de wet van Boyle-Mariotte.
Een eeuw later vulde Jacques Charles een ballon met waterstof en steeg er op 1 december 1783 zelf mee op, boven Parijs. Rond 1787 mat hij dat gassen bij verwarmen allemaal evenveel uitzetten, maar hij publiceerde het niet. Joseph Louis Gay-Lussac deed het wel, in 1802, en noemde Charles als eerste ontdekker. In 1808 vond Gay-Lussac dat gassen in eenvoudige volumeverhoudingen reageren (twee volumes waterstof en één volume zuurstof geven twee volumes waterdamp), en in 1811 verklaarde Amedeo Avogadro dat: gelijke volumes gas bevatten bij dezelfde druk en temperatuur evenveel deeltjes.
De Franse ingenieur Émile Clapeyron smeedde die wetten in 1834 samen tot één vergelijking, : de 267 was de beste waarde van toen voor wat wij 273,15 noemen. Waarom gassen zo eenvoudig doen, had Daniel Bernoulli al in 1738 geraden: een gas is een zwerm kleine deeltjes die tegen de wanden botsen. Pas in 1860 werkte James Clerk Maxwell dat idee wiskundig uit, met een verdeling van de snelheden die Ludwig Boltzmann daarna verder uitbouwde.
Een station met bewoners is een gesloten doos lucht. Zonder verse lucht zou de CO₂ in minder dan een uur boven 1000 ppm stijgen en na zes uur boven de alarmgrens. Het brein van het station moet dus weten hoeveel moleculen er zijn, hoe snel ze bijkomen en verdwijnen, en wat een sensor eigenlijk meet. Dat is de ideale gaswet, toegepast.

Wat je al weet: druk, temperatuur en deeltjes
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| deeltjesmodel: gasdeeltjes bewegen, botsen en vullen elke ruimte; warmer = sneller (hoofdstuk 6 van F) | de kinetische gastheorie: druk en temperatuur kwantitatief uit die beweging |
| druk , pascal en bar, luchtdruk en overdruk (hoofdstuk 11 van I) | de toestand van een gas: , , en in één vergelijking |
| de mol, molaire massa, molair volume 24,1 L/mol bij 20 °C (hoofdstuk 14 van I) | waarom dat molair volume voor elk gas hetzelfde is, en wanneer niet meer |
| CO₂ en O₂ van planten en bewoners, alarmgrenzen (hoofdstuk 14 van I, hoofdstuk 29 van F) | partiële druk, ppm en het ontwerp van de ventilatie |
| dauwpunt en condens (hoofdstuk 6 van F, hoofdstuk 19 van I); differentiaalvergelijkingen (hoofdstuk 4) | de formule van Magnus, en de luchtbalans van de woonmodule als simulatie |
Vier grootheden beschrijven de toestand van een gas:
- Druk in pascal (; ; ). In gaswetten altijd de absolute druk. Een bandenmeter of de manometer op een fles toont de overdruk tegenover de luchtdruk: '2 bar' in een fietsband is ongeveer 3 bar absoluut.
- Volume in m³ ().
- Temperatuur in kelvin: . Een temperatuurverschil is in K en °C hetzelfde; een temperatuur zelf niet. 20 °C is geen 'twee keer zo warm' als 10 °C: 293 K tegenover 283 K.
- Hoeveelheid: mol of moleculen, met .
De standaardluchtdruk is . In België schommelt de luchtdruk met het weer tussen ongeveer 970 en 1040 hPa; dat is belangrijk voor sensoren die een partiële druk meten (verderop).
Wie 20 °C en 10 °C in invult, krijgt een gas dat bij 0 °C geen druk meer heeft. Gebruik altijd kelvin. Alleen in een verschil () mag je °C laten staan.
De gaswetten en de ideale gaswet
Drie historische wetten beschrijven een vaste hoeveelheid gas als je telkens één grootheid vasthoudt:
- Boyle-Mariotte ( constant): constant. De isothermen in de figuur zijn hyperbolen.
- Charles en Gay-Lussac ( constant): constant; en bij constant volume constant. Trek je de rechten van een gasthermometer door naar lage temperatuur, dan snijden ze de as allemaal bij −273,15 °C: het absolute nulpunt (tweede figuur). Kelvin koos dat punt in 1848 als nulpunt van zijn schaal.
- Avogadro: bij dezelfde en bevatten gelijke volumes evenveel moleculen: .
Samen: is voor elk gas dezelfde constante .
Een gas is ideaal als de moleculen klein zijn tegenover de afstand tussen hen en elkaar niet aantrekken. Voor lucht bij gewone druk en temperatuur klopt de wet tot op een paar promille; bij 200 bar of dicht bij het vloeibaar worden niet meer (verderop).
De dichtheid verklaart meteen twee dingen in het station. Koude buitenlucht is zwaarder: bij −8 °C tegenover bij 20 °C, en daarom zakt ze door een open deur naar binnen langs de vloer. En CO₂ () is 1,5 keer zo zwaar als lucht (): een lek van een CO₂-fles verzamelt zich eerst laag bij de grond.
De lucht in de woonmodule
De woonmodule is binnen 6,0 × 4,0 × 2,6 m. Bereken bij 20 °C en 1013 hPa hoeveel mol lucht erin zit, hoeveel die weegt en hoeveel zuurstof ze bevat. Hoe lang zou die zuurstof twee bewoners voeden als je ze helemaal kon opgebruiken? En wat zou er gebeuren als de module luchtdicht was en je haar opwarmde van −8 °C tot 20 °C?
- , ,
- lucht , 20,95 % O₂; een bewoner verbruikt 0,84 kg O₂ per dag
- n, massa en zuurstofvoorraad
- hoe lang de zuurstof volstaat
- de druk in een luchtdichte module
- 1. Massa: : de lucht in de module weegt zoveel als een volwassene.
- 2Zuurstof: , of . Twee bewoners verbruiken per dag: genoeg voor dagen, als je alle zuurstof kon opgebruiken.
- 3Maar dat kan niet: bij 19,5 % gaat het alarm al, en lang daarvoor is er een ander probleem (de CO₂, verderop). De voorraad zegt dus weinig; wat telt, is hoe snel de samenstelling verandert.
- 4Luchtdicht opwarmen is isochoor: blijft constant. : overdruk. Op een deur van 0,90 × 2,10 m is dat , het gewicht van ongeveer twee ton.
De wet van Boyle met een spuit en een druksensor
Is constant voor een ingesloten hoeveelheid lucht als je ze langzaam samendrukt of uitrekt?
- spuit van 60 mL (Ø ±27 mm) met een kort slangetje
- absolute druksensor (bv. MPX5700AP, 15-700 kPa) op een Arduino, of een digitale manometer
- rekenblad of Python
- 1Zet de zuiger op 40 mL, sluit het slangetje aan op de sensor en noteer de druk (de luchtdruk van de dag).
- 2Trek de zuiger in stappen tot 60 mL, en duw hem daarna in stappen tot 20 mL. Wacht bij elke stand tien seconden: de lucht moet terug op kamertemperatuur komen.
- 3Noteer telkens het volume op de schaal van de spuit en de druk.
- 4Zet uit tegen en trek een rechte door de punten.
Een voorbeeldmeting:
| op de spuit (mL) | 60 | 55 | 50 | 45 | 40 | 35 | 30 | 25 | 20 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (hPa) | 693 | 753 | 821 | 906 | 1014 | 1146 | 1321 | 1556 | 1894 |
| (hPa·L) | 41,6 | 41,4 | 41,0 | 40,8 | 40,6 | 40,1 | 39,6 | 38,9 | 37,9 |
| (hPa·L) | 43,7 | 43,7 | 43,6 | 43,6 | 43,7 | 43,6 | 43,7 | 43,7 | 43,7 |
Het product is niet constant: het daalt van 41,6 naar 37,9 hPa·L. Toch liggen de punten van tegen mooi op een rechte, maar die gaat niet door de oorsprong.
De spuit is niet het hele volume: ook het slangetje en de sensor bevatten lucht, een dode ruimte die de schaal niet toont. Boyle geldt voor het echte volume: , dus : een rechte met helling die de -as snijdt in . De rechte door de meetpunten (kleinste kwadraten) geeft en . Met die correctie is constant op minder dan een halve procent (laatste rij van de tabel).
Dat is een typische systematische fout (hoofdstuk 6): ze verschuift alle metingen in dezelfde richting en verdwijnt niet door meer te meten, wel door een beter model. Uit volgt ook hoeveel lucht er in het systeem zit: .
Duw je snel, dan warmt de lucht op (hoofdstuk 15) en is de druk even hoger: daarom wacht je tien seconden. Bij 20 mL duw je al met ongeveer 50 N op de zuiger.
Druk uit botsingen: de kinetische gastheorie
Waarom gedraagt elk gas zich hetzelfde? Neem een kubus met ribbe en moleculen met massa . De moleculen zijn punten die niet met elkaar botsen, alleen elastisch met de wanden (de botsingen onderling veranderen de uitkomst niet, alleen wie welke snelheid heeft).
Eén molecule. Botst ze tegen de rechterwand, dan keert om: haar impuls verandert met , en de wand krijgt . Ze komt terug na een heen-en-weertje van , dus na . De gemiddelde kracht op de wand is impuls per tijd (hoofdstuk 9):
Alle moleculen. Tel op en deel door de oppervlakte : . Geen richting is bijzonder, dus :
Temperatuur. Vergelijk met : dan moet
Dat is de diepere betekenis van temperatuur: een maat voor de gemiddelde bewegingsenergie van de deeltjes. Het absolute nulpunt is waar die beweging (klassiek gezien) stilvalt. Moleculen met meer atomen kunnen ook draaien en trillen; die energie telt mee in de inwendige energie, maar niet in de druk (hoofdstuk 15).
Niet bij dezelfde temperatuur. In een fles van 200 bar bij 20 °C bewegen de zuurstofmoleculen even snel als in de kamer; er zijn er alleen 200 keer zoveel per liter, die dus 200 keer vaker tegen de wand botsen.
Temperatuur is beweging: de verdeling van Maxwell en Boltzmann
Niet alle moleculen zijn even snel: botsingen herverdelen voortdurend de energie. Maxwell (1860) vond de verdeling in evenwicht. Het idee: elke snelheidscomponent is normaal verdeeld (hoofdstuk 6) met gemiddelde 0 en variantie , onafhankelijk van de andere. De kans op een snelheid tussen en is dan de kans om in een bolschil met straal en dikte te zitten, met oppervlakte :
Drie kenmerkende snelheden volgen uit (met hoofdstuk 1 en 3):
- meest waarschijnlijk: geeft ;
- gemiddeld: ;
- rms: , die van de druk.
Voor stikstof bij 20 °C: , en , sneller dan het geluid (343 m/s). Zuurstof is iets zwaarder en iets trager (), CO₂ nog trager (408 m/s), waterstof veel sneller (1904 m/s). Bij −8 °C schuift de hele verdeling naar links: de top ligt op 397 m/s. Ongeveer 0,9 % van de stikstofmoleculen is sneller dan 1000 m/s.
In 1 m³ lucht zitten moleculen, gemiddeld 3,4 nm uit elkaar. Met een doorsnede van ongeveer 0,37 nm legt een stikstofmolecule tussen twee botsingen gemiddeld af, de gemiddelde vrije weglengte, en botst ze miljard keer per seconde. Een geurmolecule zigzagt dus in een willekeurige wandeling (diffusie); wat een geur echt verspreidt, is stroming van de lucht.
Moleculen in een doos
Klopt de afleiding? Laat de computer het tellen. Het programma trekt eerst 100 000 snelheden zoals Maxwell ze veronderstelt (elke component normaal verdeeld) en vergelijkt het gemiddelde met de formules. Daarna zet het 10 000 stikstofmoleculen in een kubus van 10 cm en laat ze 2 ms lang heen en weer vliegen in stapjes van 1 µs. Elke keer dat een molecule de rechterwand raakt, telt het programma de impuls . Impuls per tijd per oppervlakte is druk.
# doos.py - moleculen stikstof in een doos: snelheden en druk uit botsingen tegen de wandimport numpy as np k = 1.380649e-23 # constante van Boltzmann (J/K)NA = 6.02214076e23 # getal van Avogadro (1/mol)m = 28.014e-3 / NA # massa van één N2-molecule (kg)T = 293.15 # 20 °Crng = np.random.default_rng(1) # 1. snelheden: elke component normaal verdeeld met standaardafwijking sqrt(kT/m)N = 100_000v = rng.normal(0.0, np.sqrt(k * T / m), size=(N, 3))s = np.linalg.norm(v, axis=1) # grootte van de snelheidprint(f"gemiddeld {s.mean():.1f} m/s, rms {np.sqrt((s**2).mean()):.1f} m/s, " f"sneller dan 1000 m/s: {100 * (s > 1000).mean():.2f} %")print(f"theorie: {np.sqrt(8 * k * T / (np.pi * m)):.1f} m/s, rms {np.sqrt(3 * k * T / m):.1f} m/s") # 2. druk: 10 000 moleculen in een kubus van 10 cm, 2 ms lang, stapjes van 1 µsn, L, dt, stappen = 10_000, 0.10, 1e-6, 2000x = rng.uniform(0.0, L, n)vx = v[:n, 0].copy()impuls = 0.0for _ in range(stappen): x += vx * dt rechts = x > L # botsing met de rechterwand impuls += 2 * m * np.abs(vx[rechts]).sum() x[rechts] = 2 * L - x[rechts] vx[rechts] *= -1 links = x < 0 # de linkerwand: gewoon terugkaatsen x[links] = -x[links] vx[links] *= -1p_sim = impuls / (stappen * dt) / L**2p_gas = n * k * T / L**3print(f"druk uit botsingen {p_sim:.4e} Pa, uit pV = NkT {p_gas:.4e} Pa, verhouding {p_sim / p_gas:.3f}")Uitvoer:
gemiddeld 470.0 m/s, rms 510.2 m/s, sneller dan 1000 m/s: 0.96 % theorie: 470.7 m/s, rms 510.9 m/s druk uit botsingen 4.0400e-14 Pa, uit pV = NkT 4.0474e-14 Pa, verhouding 0.998
De gesimuleerde druk van een handvol moleculen is piepklein (ongeveer ), maar hij klopt met op een procent: de kinetische gastheorie werkt, ook met moleculen die niet onderling botsen. Met meer moleculen of een langere tijd wordt het verschil kleiner (het is ruis: hoofdstuk 6). Het histogram van de 100 000 snelheden ligt precies onder de kromme van Maxwell en Boltzmann.
Gasmengsels: de wet van Dalton en de partiële druk
In een mengsel van ideale gassen botst elk soort molecule tegen de wanden alsof de andere er niet waren. De totale druk is dus de som van de partiële drukken, en elke partiële druk is evenredig met het aantal moleculen van dat gas (John Dalton, 1801):
| gas | volume- = molfractie | partiële druk bij 1013 hPa | massa per m³ bij 20 °C |
|---|---|---|---|
| stikstof N₂ | 78,08 % | 791 hPa | 909 g |
| zuurstof O₂ | 20,95 % | 212 hPa | 279 g |
| argon Ar | 0,930 % | 9,42 hPa | 15,4 g |
| koolstofdioxide CO₂ | 0,042 % | 0,43 hPa | 0,8 g |
| waterdamp (20 °C, 50 %) | 1,15 % | 11,7 hPa | 8,6 g |
Omrekenen naar massa per volume doe je met de ideale gaswet: . Zo is 1000 ppm CO₂ bij 20 °C . Grenswaarden voor de werkplek staan vaak in beide eenheden.
Wat je lichaam 'meet', is de partiële druk. Zuurstof gaat in je longen van de lucht naar het bloed omdat de partiële druk er hoger is dan in het bloed. Hoger in de bergen is er nog altijd 20,95 % zuurstof, maar minder druk, dus minder zuurstof per ademteug. Omgekeerd: het alarm van 19,5 % op zeeniveau komt overeen met de zuurstof die je inademt op 601 m hoogte. Dat is niet gevaarlijk; het alarm bestaat omdat een dalend percentage betekent dat een ander gas de lucht verdringt, en dat gas (CO₂, stikstof uit een lek, rook) kan zelf wel gevaarlijk zijn.
Een elektrochemische zuurstofcel geeft een stroom die evenredig is met de partiële druk van O₂, niet met het percentage. Daalt de luchtdruk bij een storm van 1013 naar 973 hPa, dan toont een cel die bij 1013 hPa geijkt is %: bijna een vol procentpunt te weinig. Daarom hoort bij de zuurstofsensor van het station een barometer (opdracht 14.15).
Wat je inademt en wat je uitademt
Een bewoner verbruikt per dag 0,84 kg zuurstof en ademt 1,0 kg CO₂ uit (hoofdstuk 14 van I). Bereken het ademhalingsquotiënt. Uitgeademde lucht bevat nog ongeveer 16 % zuurstof. Hoeveel liter lucht adem je dan per minuut in? Welke partiële druk heeft de zuurstof als de ingeademde lucht in je luchtwegen verzadigd raakt met waterdamp van 37 °C?
| ingeademd (buitenlucht) | uitgeademd (orde van grootte) | |
|---|---|---|
| O₂ | 20,95 % | ±16 % |
| CO₂ | 0,04 % | ±4 % |
| N₂ + Ar | 79,0 % | ±79 % |
| waterdamp | wisselend (±1 %) | verzadigd bij 37 °C: 6,3 kPa (±6 %) |
| temperatuur | de kamer | ±34 °C aan de mond |
- ,
- in 20,95 % O₂, uit ±16 % O₂
- (Magnus)
- het ademhalingsquotiënt
- het ademvolume per minuut
- de partiële druk van O₂ in de luchtwegen
- 1Mol per dag: O₂ , CO₂ . Ademhalingsquotiënt . Bij het verbranden van alleen suiker is dat 1 (), van alleen vet ongeveer 0,7: dit is een gemengd dieet.
- 2Volume zuurstof per dag bij 20 °C: . Elke liter ingeademde lucht staat zuurstof af (het volume van in- en uitgeademde lucht is bijna gelijk). Dus per dag, of .
- 3In de luchtwegen neemt de waterdamp 6,3 kPa van de totale druk in; de rest wordt verdeeld volgens de droge samenstelling: .
Habitat: de woonmodule zonder verluchting
Stel dat de ventilatie van de woonmodule uitvalt en alle kieren dicht zijn. Twee bewoners zijn binnen. Hoe snel stijgt de CO₂, hoe snel daalt de zuurstof, en wat gebeurt er met de luchtvochtigheid? Welke grens wordt het eerst bereikt?
- lucht (vorig voorbeeld)
- per bewoner per dag: 1,0 kg CO₂, 0,84 kg O₂, 2,0 kg waterdamp
- begin: 420 ppm CO₂, 20,95 % O₂, 20 °C en RV 50 %
- stijging CO₂ en daling O₂ per uur
- de volgorde van de grenzen
- 1CO₂: . Als molfractie: per uur (hoofdstuk 4 kwam met de dichtheid van CO₂ op hetzelfde uit).
- 2O₂: , dus of procentpunt per uur. Van 20,95 naar 19,5 %: .
- 3Waterdamp: , verdeeld over 62,4 m³: per uur. Bij 20 °C is verzadigde lucht , en RV 50 % is : na is de lucht verzadigd (als er niets condenseert).
- 4Volgorde:
grens (vertrek: 420 ppm, 20,95 %, RV 50 % bij 20 °C) bereikt na CO₂ 1000 ppm (waarschuwing, lucht voelt bedompt) 48 min RV 70 % (schimmelrisico op koude plekken) 1,3 h dauwpunt 15 °C (condens op elk oppervlak onder 15 °C) 1,6 h RV 100 % (condens overal) 3,2 h CO₂ 5000 ppm (alarm, grenswaarde werkplek over 8 uur) 6,3 h O₂ 19,5 % (alarm) 17,2 h
Habitat: hoeveel ventilatie?
Hoeveel buitenlucht per uur is nodig om de CO₂ in de woonmodule onder 1000 ppm te houden? Kies een debiet met marge en controleer de zuurstof, de warmte die de ventilatie kost (met warmteterugwinning, WTW) en de luchtvochtigheid op een winterdag (buiten −8 °C en 90 % RV).
- CO₂-productie (twee bewoners, 20 °C); buiten 420 ppm
- lucht: ; WTW-rendement 85 % (rekenwaarde)
- waterdamp 167 g/h
- en een gekozen
- zuurstof, warmteverlies en RV bij het gekozen debiet
- 1Balans voor de CO₂ in evenwicht (hoofdstuk 4): wat erbij komt = wat de ventilatie afvoert: . Dus , en vraagt .
- 2Marge: de productie schommelt met de activiteit, de sensor meet tot ±(50 ppm + 5 %) naast de echte waarde, en een evenwicht op precies 1000 ppm geeft voortdurend waarschuwingen. We kiezen (1,6 keer het volume per uur): evenwicht , bereikt met een tijdconstante .
- 3Zuurstof: het tekort is procentpunt: binnen 20,90 %. Met genoeg ventilatie voor de CO₂ is er altijd genoeg zuurstof.
- 4Warmte: zonder WTW kost lucht , meer dan de hele gebouwschil van de woonmodule. Met 85 % terugwinning blijft over.
- 5Vocht: de bewoners verhogen de waterdampdruk binnen met . Buitenlucht van −8 °C en 90 % heeft . Binnen bij 20 °C: .
Waterdamp: luchtvochtigheid en dauwpunt
Waterdamp is een gas in het mengsel zoals de andere, met één verschil: bij gewone temperaturen kan het condenseren. Boven een vlak water verdampen en condenseren moleculen tot een evenwicht bereikt is: de verzadigingsdruk , die snel stijgt met de temperatuur (de snelste moleculen uit de staart van Maxwell-Boltzmann ontsnappen). Een goede benadering tussen −45 en 60 °C is de formule van Magnus:
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij de waterdamp die er is, precies verzadigend is: . Magnus omkeren (neem de logaritme, los op naar ):
De relatieve vochtigheid zegt dus niets zonder temperatuur. Buitenlucht van 0 °C en 90 % bevat maar . Opgewarmd tot 20 °C houdt ze dezelfde waterdampdruk (), maar de verzadigingsdruk is nu : de RV zakt tot 24 %. Omgekeerd krijgt lucht die afkoelt tegen een koud oppervlak een hogere RV, tot 100 %: condens.
De SHT31 van de module (hoofdstuk 30 van I) meet de RV met een condensator waarvan het diëlektricum water opneemt, en de temperatuur van diezelfde chip. Warmt de chip op (door de elektronica ernaast of de zon), dan meet hij een te lage RV: de waterdamp is dezelfde, maar is groter. Het dauwpunt dat je uit beide berekent, is veel minder gevoelig voor die fout (opdracht 14.5).
Condens op een koude ruit
Binnen is het 20 °C, buiten −8 °C. Welke temperatuur heeft de binnenkant van een ruit met enkel, dubbel, hoogrendements- en driedubbel glas? Wanneer beslaat het glas als de lucht binnen 50 % RV heeft, en wanneer bij 60 % (koken)? Wat betekent de droge winterlucht van het vorige voorbeeld?
- = 5,8 / 2,8 / 1,1 / 0,6 W/(m²·K) (hoofdstuk 19 van I)
- de binnentemperatuur van elk glas
- condens of niet
- 1De warmtestroom door het glas is per m². Dezelfde stroom gaat door de overgangsweerstand aan de binnenkant: . Dus .
- 2Bij −8 °C:
glas (W/(m²·K)) binnenkant bij −8 °C enkel glas 5,8 −1,1 °C dubbel glas (luchtspouw) 2,8 9,8 °C hoogrendementsglas 1,1 16,0 °C driedubbel glas 0,6 17,8 °C - 3Dauwpunt bij 20 °C: 50 % → °C, 60 % → °C, 70 % → °C. Enkel glas beslaat altijd (en bevriest). Dubbel glas zit bij 50 % net boven het dauwpunt, bij 60 % al eronder: het beslaat vanaf °C buiten. Hoogrendements- en driedubbel glas blijven droog tot ver boven 70 %.
- 4In de woonmodule is de winterlucht droog (RV ±23 %, dauwpunt °C): daar beslaat zelfs dubbel glas niet. Het risico zit bij tijdelijk vochtige lucht (koken, douchen) en aan de rand van het glas, waar de afstandhouder een koudebrug is en het glas enkele graden kouder is dan in het midden.
Het dauwpunt met een glas ijswater
Klopt het dauwpunt dat je met de formule van Magnus uit de temperatuur en de RV van de lucht berekent?
- een blikken beker (of een dun glas), water op kamertemperatuur, ijsblokjes, een roerstaafje
- thermometer of temperatuursensor in het water (±0,5 °C)
- hygrometer of SHT31 voor de lucht in het lokaal

- 1Meet de temperatuur en de RV van de lucht, niet te dicht bij jezelf (je adem is vochtig). Bereken het dauwpunt.
- 2Vul de beker half met water, voeg telkens één ijsblokje toe en roer goed. Houd de thermometer in het water.
- 3Kijk van opzij met een lamp erachter naar de buitenkant: noteer de watertemperatuur als het blik net dof wordt.
- 4Laat opwarmen en noteer de temperatuur waarbij de waas weer verdwijnt. Het gemiddelde is je dauwpunt.
- 5Herhaal drie keer en vergelijk met de berekening.
Een voorbeeld: in het lokaal 21,5 °C en 48 % (berekend dauwpunt °C). De waas verschijnt bij 9,1 °C en verdwijnt bij 10,3 °C; gemiddeld 9,7 °C. Drie keer herhaald: 9,7; 9,5; 9,8 °C.
De dunne luchtlaag tegen het blik neemt de temperatuur van het blik aan. Is die lager dan het dauwpunt, dan is de laag oververzadigd en condenseert water op het metaal. Het gemeten dauwpunt ligt hier een paar tienden graad onder de berekening. Oorzaken: de buitenkant van het blik is iets warmer dan het water (de warmte moet door de wand), je ziet de waas pas als er al een laagje ligt, en de hygrometer heeft zelf een onzekerheid van ±2 à 3 % RV, wat ±0,5 °C op het dauwpunt geeft. Het gemiddelde van verschijnen en verdwijnen verkleint de eerste fout.
Zo werkte de klassieke dauwpunthygrometer van John Frederic Daniell (1820): een gepolijst oppervlak afkoelen tot het beslaat. Moderne 'spiegelhygrometers' doen het met een Peltier-element en een lichtsensor, en zijn nog altijd de referentie om andere vochtsensoren te ijken.
Echte gassen: wanneer pV = nRT niet meer klopt
De ideale gaswet vergeet twee dingen: moleculen hebben een eigen volume, en ze trekken elkaar een beetje aan. Hoe groot die afwijking is, meet de compressibiliteitsfactor : 1 voor een ideaal gas.
- Bij gewone druk is voor lucht : de ideale gaswet is uitstekend.
- Bij 100 à 200 bar trekt de aantrekking de druk wat omlaag: zuurstof heeft bij 200 bar en 20 °C , er gaat dus zo'n 9 % meer in een fles dan de ideale gaswet zegt.
- Bij nog hogere druk wint het eigen volume: wordt groter dan 1 (stikstof vanaf ongeveer 150 bar, waterstof altijd; hoofdstuk 27).
Johannes Diderik van der Waals (Leiden, proefschrift 1873) voegde beide effecten toe met twee constanten per gas:
Het fasediagram van CO₂. Onder 31,0 °C wordt CO₂ vloeibaar als je de druk opdrijft tot de dampspanning: 57,3 bar bij 20 °C. Boven 31,0 °C (het kritisch punt, 73,8 bar) lukt dat niet meer: het is dan 'superkritisch', niet echt gas en niet echt vloeistof. Onder 5,2 bar bestaat vloeibaar CO₂ helemaal niet: droog ijs sublimeert bij 1 atm bij −78,5 °C. De dampspanningskromme volgt goed de vergelijking van Clausius-Clapeyron, (ze volgt uit de hoofdwetten van de thermodynamica; hoofdstuk 16 berekent de dampspanning van een koudemiddel nauwkeuriger). De rechte door de tabelwaarden geeft ; ze wijkt pas dicht bij het kritisch punt zichtbaar af.
Zuurstof ( °C) en stikstof ( °C) zijn bij kamertemperatuur ver boven hun kritische temperatuur: in een fles van 200 bar blijven ze gas. CO₂ ( °C) en propaan ( °C) hebben een kritische temperatuur boven de kamertemperatuur: in hun fles zijn ze vloeibaar. Dat verschil bepaalt hoe je de inhoud meet (volgend blad) en hoe een koelkast werkt (hoofdstuk 16).
Habitat: een CO₂-fles voor de kweekruimte
De kweekruimte krijgt CO₂ uit een fles met 2,0 kg CO₂ (hoofdstuk 14 van I), met een waterinhoud van 3,0 L (rekenwaarde). Welke druk voorspelt de ideale gaswet bij 20 °C, en welke druk staat er echt op de fles? Hoe weet je hoeveel er nog in zit? Hoe lang gaat een fles mee, en wat gebeurt er als ze helemaal leegloopt in de kweekruimte (11,5 m³)? Waar zet je haar?
- 2,0 kg CO₂, 3,0 L; verbruik met lekverlies 29 g per dag (hoofdstuk 14 van I)
- CO₂ bij 20 °C: dampspanning 57,3 bar, vloeistof 773 kg/m³, damp 194 kg/m³ (NIST)
- ideale en echte druk
- hoe je de inhoud meet
- gebruiksduur en risico van een lek
- plaats en regels
- 1Ideaal: , .
- 2Echt: 20 °C ligt onder de kritische temperatuur, en de ideale druk ligt ver boven de dampspanning, dus het meeste CO₂ is vloeibaar. Zolang er vloeistof is, staat er de dampspanning op: 57,3 bar, ruim zes keer minder dan ideaal. De gemiddelde dichtheid is , dus het volume is voor gevuld met vloeistof.
- 3Inhoud: de manometer blijft op 57 bar staan tot de vloeistof op is. Dan zit er nog damp van 194 kg/m³ in: , 29 % van de vulling. Pas dan daalt de druk. De manometer zegt dus bijna niets over de inhoud, alleen over de temperatuur. Weeg de fles: een weegcel onder de fles meldt aan het brein hoeveel gram er nog in zit.
- 4Gebruiksduur: dagen. Met bevoorrading om de 30 dagen volstaan twee flessen: één aangesloten, één vol als reserve.
- 5Lek: 2,0 kg is gas. In de kweekruimte wordt dat CO₂ (95 000 ppm): levensgevaarlijk, terwijl de zuurstof maar tot zakt. Het zuurstofalarm gaat dan net af, maar bij een half zo groot lek (4,8 % CO₂, al gevaarlijk) blijft de zuurstof op 20,0 % en zwijgt het. Tegen een CO₂-lek beschermt alleen een CO₂-sensor.
- 6Plaats: buiten, rechtop vastgeketend in een verluchte kast aan de noordgevel van de klimaatmodule (niet in de zon), met een drukregelaar en de magneetklep (D10, hoofdstuk 23 van I) aan de binnenkant van de leiding. Bij −8 °C zakt de druk tot ongeveer 28 bar: ruim genoeg om te doseren.

Habitat: de lucht van de woonmodule simuleren
Het brein van het station moet vooraf weten hoe de ventilatie zich zal gedragen. Het programma simuleert twee winterdagen (buiten −3 °C, 90 %) met de methode van Euler (hoofdstuk 4) in stappen van een minuut. Drie balansen, elk van de vorm verandering = productie − ventilatie · (binnen − buiten):
en zo ook voor de zuurstof. De bewoners zijn 's nachts rustiger (72 % van het gemiddelde) en overdag actiever (114 %). De ventilatie heeft drie standen: 100 m³/h gewoon, 150 m³/h boven 900 ppm, en 's nachts 70 m³/h zolang de CO₂ onder 850 ppm blijft (stiller, en minder droog). De eerste dag dient om in te schommelen; de tweede telt.
# lucht.py - CO2, O2 en waterdamp in de woonmodule op een winterdag, met vraaggestuurde ventilatieimport math R, T = 8.314, 293.15 # J/(mol K), binnen 20 °CV = 6.0 * 4.0 * 2.6 # woonmodule (m³)n_lucht = 101325 * V / (R * T) # mol lucht in de moduleps = lambda t: 611.2 * math.exp(17.62 * t / (243.12 + t)) # verzadigingsdruk water (Pa) def activiteit(uur): # twee bewoners: slapen van 23 tot 7 uur, overdag actief return 0.72 if (uur >= 23 or uur < 7) else 1.14 # gemiddeld precies 1 co2, o2, pw = 420e-6, 0.2095, 0.40 * ps(20.0) # molfracties en dampdruk (Pa)co2_b, o2_b, pw_b = 420e-6, 0.2095, 0.90 * ps(-3.0) # buitenlucht: -3 °C, 90 %Q, dt = 100.0, 1 / 60 # m³/h en een stap van 1 minuut (h)log = []for stap in range(48 * 60): # twee dagen uur = (stap * dt) % 24 a = activiteit(uur) # ventilatie in drie trappen met hysterese, gestuurd door de CO2-sensor if co2 > 900e-6: Q = 150.0 elif co2 < 750e-6 and Q == 150.0: Q = 100.0 if (uur >= 23 or uur < 7) and co2 < 850e-6: Q = 70.0 # 's nachts stiller, zolang het kan elif Q == 70.0 and not (uur >= 23 or uur < 7): Q = 100.0 ververs = Q / V # per uur ververste fractie co2 += dt * (2 * a * 1.0 / 44.009e-3 / 24 / n_lucht - ververs * (co2 - co2_b)) o2 += dt * (-2 * a * 0.84 / 31.998e-3 / 24 / n_lucht - ververs * (o2 - o2_b)) pw += dt * (2 * a * 2000 / 18.015 / 24 * R * T / V - ververs * (pw - pw_b)) log.append((stap * dt, co2 * 1e6, o2 * 100, 100 * pw / ps(20.0), Q)) dag2 = log[24 * 60:]print(f"CO2 {min(r[1] for r in dag2):.0f} tot {max(r[1] for r in dag2):.0f} ppm, " f"O2 hoogstens {20.95 - min(r[2] for r in dag2):.3f} procentpunt onder buiten")print(f"RV {min(r[3] for r in dag2):.0f} tot {max(r[3] for r in dag2):.0f} %, " f"gemiddeld debiet {sum(r[4] for r in dag2) / len(dag2):.0f} m³/h")print(f"minuten boven 1000 ppm: {sum(1 for r in dag2 if r[1] > 1000)}")Uitvoer:
CO2 766 tot 901 ppm, O2 hoogstens 0.056 procentpunt onder buiten RV 26 tot 29 %, gemiddeld debiet 123 m³/h minuten boven 1000 ppm: 0
De CO₂ blijft tussen 766 en 901 ppm: nooit boven de waarschuwing. De zuurstof verandert nauwelijks. De luchtvochtigheid blijft tussen 26 en 29 %: droog, zoals voorspeld. Het gemiddelde debiet is 123 m³/h: overdag staat de ventilatie bijna voortdurend op 150 m³/h, omdat het evenwicht bij 100 m³/h en actieve bewoners net boven 900 ppm ligt; 100 m³/h is de stand voor gemiddelde activiteit. Een WTW met vochtterugwinning (die ongeveer de helft van het vocht in de afgevoerde lucht teruggeeft) brengt de RV bij −8 °C van ±23 naar ±32 % (opdracht 14.16).
Dezelfde drempels (900/750 ppm, nacht 850 ppm) gaan naar de regeling van de WTW-unit. In de simulatie kan je veilig uitproberen wat een andere drempel of een sensor met ruis doet (hoofdstuk 6: beslissen op een minuutgemiddelde), voor het in het echte station draait.
Habitat: de luchtbewaking van het station
Wat het station meet, waar, en wat het ermee doet. De plattegrond is schematisch (de indeling van de woonmodule ligt nog niet vast); de sensoren en grenzen zijn de afspraken van dit hoofdstuk.
| grootheid | sensor | grens en actie |
|---|---|---|
| CO₂ | NDIR (MH-Z19B, zoals in de module; bereik op 10 000 ppm), S1 leefruimte en S2 slaapruimte, op 1,2 m, niet naast bed, kookplaat of rooster | boven 900 ppm ventilatie 150 m³/h; waarschuwing 1000 ppm (minuutgemiddelde); alarm 5000 ppm (losse meting) |
| O₂ | elektrochemische cel 0-25 % via ADS1115 (0x48), in S1 | alarm onder 19,5 % (na drukcorrectie); jaarlijks ijken in buitenlucht; cel vervangen om de twee jaar |
| luchtdruk | BME280 (0x76), in S1 | correctie van de O₂-cel; controle van de SHT31 |
| temperatuur, RV | SHT31 (0x44), in S1 | streefzone 40-60 %; melding onder 25 % of boven 70 %; dauwpunt minstens 3 °C onder de koudste binnenoppervlakte |
| CO₂ bij de fles | MH-Z19B laag in de kweekruimte (bestaat al, hoofdstuk 14 van I) | dosering stopt boven 1500 ppm; alarm 5000 ppm; inhoud van de fles via een weegcel |
- 1S1: leefruimte
CO₂ (NDIR), O₂ (elektrochemische cel), luchtdruk (BME280) en temperatuur en RV (SHT31) in één kastje op 1,2 m, aan een binnenwand, weg van de kookplaat en de roosters. Meet om de 2 s; het brein beslist op minuutgemiddelden, behalve bij de alarmgrenzen.
- 2S2: slaapruimte
Een tweede CO₂-sensor: 's nachts met de deur dicht stijgt de CO₂ hier het snelst. Hij stuurt de nachtstand van de ventilatie.
- 3WTW-unit
Ventilatie met warmteterugwinning (85 %): 70 m³/h 's nachts, 100 m³/h gewoon, 150 m³/h boven 900 ppm. Blaast verse lucht in de slaap- en leefruimte en zuigt af in de keuken, het sanitair en de technische ruimte.
- 4Afzuiging keuken
Waar de meeste waterdamp (en geur) ontstaat, wordt afgezogen: zo verspreidt het vocht zich niet over de module.
- 5CO₂-fles
Buiten, in een verluchte kast aan de noordgevel van de klimaatmodule, op een weegcel. Een lek komt dus buiten terecht; in de kweekruimte meet een CO₂-sensor laag bij de grond (alarm 5000 ppm).
- 6Technische ruimte
Batterijen, omvormer en waterzuivering; hier wordt ook afgezogen. Hier staan geen gasflessen.
Gassen: formules, constanten en grenswaarden
Werkwijze bij een gasprobleem: (1) alles in SI en de temperatuur in kelvin, de druk absoluut; (2) welke grootheden blijven constant? (3) ideaal of niet: druk hoog, temperatuur laag, dicht bij condensatie? (4) bij mengsels met molfracties rekenen; (5) bij een ruimte met bronnen en ventilatie een balans opstellen.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| absolute druk | Pa | |
| volume | m³ | |
| hoeveelheid | mol | |
| temperatuur | K | |
| gasconstante 8,314 | J/(mol·K) | |
| constante van Boltzmann 1,381 · 10⁻²³ | J/K |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| molaire massa | kg/mol |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| doorsnede van een molecule | m |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| molfractie (1 ppm = 10⁻⁶) | - |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| productie | m³/h | |
| ventilatiedebiet | m³/h |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| temperatuur | °C |
| grootheid | normaal | grens | waarom |
|---|---|---|---|
| O₂ | 20,95 % | < 19,5 %: alarm | iets verdringt de lucht (lek, brand) |
| CO₂ | 420 ppm buiten, 600-900 binnen | 1000 ppm waarschuwing, 5000 ppm alarm | bedompt, concentratie; 5000 ppm = grenswaarde werkplek (8 h) |
| RV bij 20 °C | 40-60 % | < 25 % of > 70 % | droge slijmvliezen; schimmel en condens |
| dauwpunt | 5-12 °C | hoger dan een oppervlak | condens |
| gas | M (g/mol) | kritisch punt | in een fles bij 20 °C |
|---|---|---|---|
| stikstof N₂ | 28,01 | −147 °C, 34 bar | gas (200-300 bar) |
| zuurstof O₂ | 32,00 | −118 °C, 50 bar | gas (200 bar) |
| CO₂ | 44,01 | 31,0 °C, 73,8 bar | vloeistof + damp (57 bar) |
| propaan C₃H₈ | 44,10 | 96,7 °C, 42,5 bar | vloeistof + damp (8,4 bar) |
| waterstof H₂ | 2,016 | −240 °C, 13 bar | gas (200-700 bar) |
Waar de gaswetten vandaan komen en waar ze heen gaan
De ideale gaswet verbindt het deeltjesmodel (M) met energie (E): temperatuur is bewegingsenergie van moleculen. Balansen voor CO₂, O₂ en waterdamp zijn differentiaalvergelijkingen (W), en ze gaan over mensen en planten (B). De luchtbewaking is een meetsysteem (O) dat een regeling (R) voedt.
Deeltjes die bewegen en botsen, condens en dauwpunt: hier kwantitatief.
Druk, pascal en bar, absolute druk en overdruk.
Mol, molair volume, de CO₂ van planten en bewoners, de CO₂-fles van 2 kg.
U-waarden, oppervlaktetemperatuur en condens in een wand.
De ventilatiebalans V dc/dt = G − Q(c − cb) en de simulatie met Euler.
Normaal verdeelde snelheidscomponenten; beslissen op een minuutgemiddelde; systematische fouten.
Inwendige energie van een gas, arbeid bij samendrukken, adiabatische processen.
Een koudemiddel dat verdampt en condenseert: dampspanning in actie.
Ventilatiekanalen en drukverlies: hoe de 100 m³/h door de module stroomt.
Waterstof uit elektrolyse onder druk opslaan: Z > 1, en veiligheid.
Ademhaling en zuurstofsaturatie: de partiële druk in het lichaam.
De sensoren van de luchtbewaking in het netwerk van het station.
In het kort
- De toestand van een gas: absolute druk , volume , temperatuur in kelvin en hoeveelheid ; samen .
- De wetten van Boyle-Mariotte, Charles en Gay-Lussac en Avogadro zijn speciale gevallen; een meting toont ook systematische fouten zoals een dode ruimte.
- Druk komt van botsingen: , en temperatuur is gemiddelde kinetische energie: .
- De snelheden volgen de verdeling van Maxwell en Boltzmann; stikstof bij 20 °C heeft ; zwaardere moleculen zijn trager.
- In een mengsel is de partiële druk (Dalton); ppm is een molfractie. Lichaam en zuurstofsensor reageren op de partiële druk.
- In een gesloten woonmodule komt het CO₂-alarm (6 h) lang voor het zuurstofalarm (17 h); 100 m³/h ventilatie met WTW houdt de CO₂ onder 1000 ppm.
- Relatieve vochtigheid, absolute vochtigheid en dauwpunt volgen uit Magnus; een oppervlak onder het dauwpunt wordt nat. Winterlucht die opgewarmd wordt, is droog.
- Bij hoge druk of dicht bij condensatie is een gas niet ideaal (); een CO₂-fles staat op haar dampspanning (57 bar bij 20 °C) en je weegt haar om de inhoud te kennen.
Wat je nu kent
- ideale gaswet
- : het verband tussen druk, volume, temperatuur (in kelvin) en hoeveelheid van een gas waarvan de moleculen klein zijn tegenover hun onderlinge afstand en elkaar niet aantrekken.
- absolute druk
- De echte druk, gemeten tegenover vacuüm. Een manometer toont meestal de overdruk: absolute druk min de luchtdruk.
- molair volume
- Het volume van één mol gas: , voor elk ideaal gas 24,06 L bij 20 °C en 1013,25 hPa (22,41 L bij 0 °C).
- kinetische gastheorie
- Model dat druk en temperatuur verklaart uit bewegende en botsende moleculen: en .
- verdeling van Maxwell en Boltzmann
- De kansverdeling van de snelheden van de moleculen van een gas in evenwicht; hangt alleen af van de temperatuur en de massa van de moleculen.
- partiële druk
- De druk die één gas uit een mengsel zou uitoefenen als het alleen het hele volume vulde: (wet van Dalton).
- ppm
- Parts per million: een miljoenste. Voor gassen een volumefractie, gelijk aan de molfractie: 1000 ppm CO₂ = 0,1 % van de moleculen.
- relatieve vochtigheid
- De waterdampdruk gedeeld door de verzadigingsdruk bij dezelfde temperatuur: .
- dauwpunt
- De temperatuur waartot je lucht moet afkoelen (bij dezelfde hoeveelheid waterdamp) voor ze verzadigd is; een koeler oppervlak wordt nat.
- compressibiliteitsfactor
- : 1 voor een ideaal gas; kleiner als de moleculen elkaar aantrekken, groter als hun eigen volume telt.
- kritisch punt
- Boven deze temperatuur (voor CO₂ 31,0 °C) kan je een gas niet meer vloeibaar maken, hoe hoog je de druk ook maakt.
- ademhalingsquotiënt
- Het aantal mol CO₂ dat je uitademt per mol O₂ die je verbruikt; hangt af van wat je verbrandt, gemiddeld ±0,85.