Handboek · hoofdstuk 14Beweging en snelheid
Hoe ver, hoe lang, hoe snel: een beweging beschrijven met getallen en een grafiek
Alles beweegt: een fietser, een trein, het water in een slang, de wijzers van een klok. Om een beweging precies te beschrijven, heb je maar een paar begrippen nodig: plaats, verplaatsing, afgelegde weg, tijd en snelheid. In dit hoofdstuk reken je met de gemiddelde snelheid , zet je om tussen km/h en m/s, en leer je een (s,t)-grafiek lezen en tekenen: hoe steiler de lijn, hoe sneller. Je meet zelf snelheden, met een meetlint en een stopwatch en met sensoren. Voor de meetkas bereken je hoe snel het water door de druppelslang stroomt.

- Je kan plaats, verplaatsing en afgelegde weg van elkaar onderscheiden.
- Je kan de gemiddelde snelheid berekenen met , en de formule omvormen om de afstand of de tijd te vinden.
- Je kan snelheden omzetten tussen m/s en km/h met de factor 3,6, en uitleggen waar die factor vandaan komt.
- Je kan een (s,t)-grafiek lezen: stilstaan, sneller, trager, terugkeren, en de snelheid bepalen uit de steilheid.
- Je kan een (s,t)-grafiek tekenen uit een tabel met metingen.
- Je kan een eenparige beweging herkennen in een tabel, een figuur en een grafiek.
- Je kan een snelheid meten met een meetlint en een stopwatch, en uitleggen hoe sensoren snelheid meten.
- Je kan berekenen hoe snel het water door de druppelslang van de meetkas stroomt.
9,58 seconden
Op 16 augustus 2009, op het wereldkampioenschap atletiek in Berlijn, liep de Jamaicaan Usain Bolt de 100 meter in 9,58 seconden, een wereldrecord waar jarenlang niemand in de buurt kwam. Gemiddeld legde hij meter per seconde af, bijna 38 kilometer per uur.
Maar zo snel liep hij niet de hele tijd. Wetenschappers filmden de race met snelle camera's en maten wanneer hij elke 20 meter passeerde. De klok start bij het startschot; Bolt reageerde na 0,15 s en moest dan nog op gang komen.
| afstand (m) | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| tijd (s) | 0 | 2,89 | 4,64 | 6,31 | 7,92 | 9,58 |
Over de eerste 20 m had hij 2,89 s nodig, over de 20 m tussen 60 en 80 m maar 1,61 s: daar liep hij , bijna 45 km/h. In de grafiek zie je het: in het begin buigt de lijn, want elke seconde gaat hij sneller; daarna is ze bijna recht, want zijn snelheid blijft ongeveer gelijk.
Eén getal (9,58 s) vertelt weinig over hoe een beweging verloopt. Een tabel met tussentijden en een grafiek vertellen het hele verhaal: waar iemand sneller ging, waar trager, waar hij stilstond. (De tussentijden komen uit een van de officiële analyses; een tweede analyse wijkt tot 0,02 s af. Ook gemeten tijden hebben een meetfout, hoofdstuk I1.)
Plaats, verplaatsing en afgelegde weg
Om een beweging te beschrijven, kies je eerst een vertrekpunt (een referentiepunt): je huis, de startlijn, het begin van de slang. Dan heb je drie verschillende begrippen:
- De plaats: waar het voorwerp op een bepaald moment is. 'Op 360 m van huis', 'bij kilometerpaal 23'.
- De verplaatsing: de rechte pijl van de beginplaats naar de eindplaats. Ze heeft een grootte en een richting, en ze trekt zich niets aan van de omwegen onderweg.
- De afgelegde weg : de lengte van de hele route, met alle bochten, heen en terug.
Loop je één ronde op een atletiekpiste van 400 m, dan is de afgelegde weg 400 m, maar de verplaatsing nul: je staat weer waar je begon. Rijd je met de lift naar de vijfde verdieping en terug, dan idem. De afgelegde weg is dus nooit kleiner dan de grootte van de verplaatsing.
En de tijd? Ook daar zijn er twee dingen: een tijdstip (een aflezing van de klok: 'om 8:05') en een tijdsduur (hoe lang iets duurt: '15 minuten'). In formules staat meestal voor een tijdsduur.
Zit je in een rijdende trein, dan sta je stil ten opzichte van je stoel, maar beweeg je aan 300 km/h ten opzichte van het perron. Of iets beweegt en hoe snel, hangt af van het vertrekpunt dat je kiest. Zeg daarom altijd ten opzichte van wat je meet.
Snelheid
De snelheid zegt hoe snel de plaats verandert: hoeveel meter per seconde, of hoeveel kilometer per uur. Over een hele rit bereken je de gemiddelde snelheid:
Gemiddeld betekent: alsof je de hele tijd even snel ging. Wie in 15 minuten 4,2 km fietst, rijdt gemiddeld 16,8 km/h, ook al stond hij even stil aan een verkeerslicht en reed hij bergaf 30 km/h. De snelheid op één moment heet de ogenblikkelijke snelheid: dat is wat de snelheidsmeter van een auto of een fietscomputer toont.
| wat beweegt? | snelheid (ongeveer) | in km/h |
|---|---|---|
| tuinslak | enkele mm/s | 0,01 |
| water in de druppelslang van de meetkas | 0,16 m/s | 0,6 |
| wandelaar | 1,4 m/s | 5 |
| fietser | 5 m/s | 18 |
| snelste sprinter ooit, gemiddeld over 100 m | 10,4 m/s | 37,6 |
| auto in de bebouwde kom | 14 m/s | 50 |
| auto op de snelweg | 33 m/s | 120 |
| hogesnelheidstrein | 83 m/s | 300 |
| passagiersvliegtuig op kruishoogte | 250 m/s | 900 |
| geluid in lucht van 20 °C | 343 m/s | 1235 |
| licht | 300 000 km/s | ongeveer 1 miljard |
In Intermediate (hoofdstuk I7) krijgt een beweging langs een rechte een as met een plus- en een minkant. Dan gebruik je de verplaatsing in plaats van de afgelegde weg, en kan een snelheid negatief zijn: je beweegt terug. Wat hier 'gemiddelde snelheid' heet, noem je daar de gemiddelde baansnelheid.
De fietstocht naar school
Lina fietst 4,2 km naar school en doet er 15 minuten over. Bereken haar gemiddelde snelheid in km/h en in m/s.
- in km/h en in m/s
- 1In km/h: zet de tijd om naar uur. 15 min is een kwart uur: .
- 2.
- 3In m/s: zet alles om naar meter en seconde. , .
- 4.
km/h en m/s omzetten
In het verkeer gebruik je kilometer per uur, in de wetenschap meter per seconde. Waarom is de factor tussen de twee precies 3,6?
Wie 1 m/s gaat, legt in één uur (3600 s) af. Dus .
- Van m/s naar km/h: vermenigvuldigen met 3,6. .
- Van km/h naar m/s: delen door 3,6. .
Controle met gezond verstand: het getal in km/h is altijd groter dan hetzelfde tempo in m/s, want een kilometer is duizend meter, maar een uur is zelfs 3600 seconden.
Welke is sneller: een fietser aan 30 km/h of een sprinter aan 10 m/s? De sprinter: . Vergelijk snelheden altijd in dezelfde eenheid.
Rekenen in drie richtingen
Een hogesnelheidstrein rijdt 300 km/h. (a) Hoeveel meter legt hij af per seconde? (b) Hoe lang doet hij, aan die snelheid, over 120 km? (c) Hoe ver komt hij in de 5,0 s dat een passagier met zijn ogen knippert en een foto neemt?
- in m/s
- voor 120 km
- in 5,0 s
- 1(a) .
- 2(b) Omvormen naar de tijd: . In minuten: .
- 3(c) Omvormen naar de afstand, met de snelheid in m/s: .
De (s,t)-grafiek
Een beweging teken je in een (s,t)-grafiek: de tijd horizontaal, de afgelegde weg (of de plaats) verticaal. Uit de vorm van de lijn lees je meteen hoe het voorwerp beweegt:
- Horizontale lijn: de afstand verandert niet, het voorwerp staat stil.
- Rechte, schuin omhoog: elke seconde evenveel meter erbij: een constante snelheid.
- Steiler: meer meter per seconde, dus sneller. Hoe steiler, hoe sneller.
- Gebogen lijn: de snelheid verandert (steiler worden: sneller gaan; vlakker worden: trager gaan).
- Staat verticaal de afstand tot het vertrekpunt, dan daalt de lijn als het voorwerp terugkeert.
De snelheid aflezen. Kies op een rechte twee punten ver uit elkaar en teken een hellingsdriehoek: hoeveel tijd () verstrijkt er, en hoeveel meter () komt er bij? De snelheid is : de helling van de lijn. Voor de jogger in de figuur: . (Het teken , delta, betekent 'verschil'.)
Een (s,t)-grafiek is geen tekening van de weg. Een lijn die steil omhoog gaat, is geen helling die je oploopt, maar een snelle beweging. En een fietser die een bocht neemt, geeft geen bocht in de grafiek als hij even snel blijft rijden.
Naar de bakker en terug
Jonas wandelt naar de bakker en terug. De grafiek toont zijn afstand tot huis. (a) Wanneer staat hij stil? (b) Bereken zijn snelheid in elk deel waarin hij beweegt, in m/s. (c) Bereken zijn gemiddelde snelheid over de hele tocht van 22 minuten. (d) En zijn gemiddelde snelheid als je alleen de tijd telt waarin hij wandelt?
- de (s,t)-grafiek: 0 tot 4 min van 0 naar 360 m; 4 tot 6 min stil; 6 tot 9 min van 360 naar 720 m; 9 tot 14 min stil; 14 tot 22 min van 720 m terug naar 0
- waar hij stilstaat
- snelheid per deel
- gemiddelde snelheid over alles
- gemiddelde snelheid tijdens het wandelen
- 1(a) Waar de lijn horizontaal is: van 4 tot 6 min (hij wacht aan een rood licht) en van 9 tot 14 min (in de bakkerij).
- 2(b) Deel 1: in : . Deel 2: in : (de steilste lijn). Terug: in : (de lijn daalt, want hij komt dichter bij huis).
- 3(c) Afgelegde weg: heen en terug, samen . Tijd: . .
- 4(d) Hij wandelt : .
De eenparige beweging
Een beweging langs een rechte lijn is eenparig als het voorwerp in gelijke tijden gelijke afstanden aflegt: elke seconde evenveel meter. De snelheid is dan constant, en de gemiddelde snelheid is op elk moment ook de snelheid op dat moment.
Je herkent een eenparige beweging op drie manieren:
- in een tabel: de afstand neemt telkens met hetzelfde getal toe als de tijd met een vaste stap toeneemt;
- op een stroboscoopfoto (een foto waarop een voorwerp om de zoveel tijd opnieuw belicht wordt): de posities liggen op gelijke afstanden;
- in een (s,t)-grafiek: een rechte. Vertrekt het voorwerp op vanaf het vertrekpunt, dan gaat de rechte door de oorsprong: is recht evenredig met (hoofdstuk 4), met de snelheid als evenredigheidsconstante: .
Een volkomen eenparige beweging is zeldzaam: bij het vertrekken moet alles op gang komen, en wrijving remt af (hoofdstuk 11). Een trein op kruissnelheid, een roltrap, het water in een slang of een transportband komen er wel dicht bij. Een beweging waarbij de afstand per seconde groter wordt, heet versnellend; wordt ze kleiner, dan is ze vertragend. Hoe je daarmee rekent, leer je in hoofdstuk I7.
Snelheid meten met meetlint en stopwatch
Rijdt een speelgoedauto op batterijen eenparig? Hoe snel?
- speelgoedauto op batterijen (of een loopwagentje)
- meetlint, plakband om de meter te markeren
- vijf stopwatches (of smartphones), vijf tijdopnemers en een starter
- 1Markeer op de vloer een startlijn en om de meter een streep, tot 5 m. Aan elke streep staat een tijdopnemer.
- 2Laat de auto al een halve meter vóór de startlijn vertrekken, zodat hij op snelheid is als hij de startlijn passeert.
- 3Bij het passeren van de startlijn roept de starter 'nu': alle tijdopnemers starten tegelijk. Elke tijdopnemer stopt zijn stopwatch als de auto zijn streep passeert.
- 4Noteer de tijden in een tabel en zet ze in een (s,t)-grafiek. Herhaal de proef twee keer en neem het gemiddelde per streep.
| (m) | 0 | 1,0 | 2,0 | 3,0 | 4,0 | 5,0 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| (s) | 0 | 2,1 | 4,0 | 6,1 | 7,9 | 10,0 |
| tijd per meter (s) | – | 2,1 | 1,9 | 2,1 | 1,8 | 2,1 |
De punten liggen bijna op een rechte door de oorsprong.
De auto doet telkens ongeveer 2 s over een meter: de beweging is (bijna) eenparig. De snelheid lees je af als de helling van de trendlijn: ().
De kleine verschillen (1,8 tot 2,1 s per meter) komen vooral van de reactietijd van de tijdopnemers, ongeveer 0,2 s (hoofdstuk 3). Daarom neem je de helling over de hele afstand, en niet de snelheid tussen twee strepen die dicht bij elkaar liggen: over 5 m weegt een fout van 0,2 s veel minder zwaar dan over 1 m.

Snelheid meten met een sensor
Een stopwatch in je hand is niet nauwkeuriger dan je reactietijd. Voor snelle of korte bewegingen gebruik je een sensor, die zelf de tijd of de plaats registreert.
| methode | wat meet je? | wat krijg je? |
|---|---|---|
| meetlint en stopwatch | een afstand en een tijd | de gemiddelde snelheid |
| twee lichtsluizen | de tijd tussen twee onderbrekingen van een lichtstraal, op gekende afstand | de gemiddelde snelheid over een kort stuk: bijna de snelheid op dat ogenblik |
| fietscomputer | hoe vaak een magneetje aan de spaken een sensor passeert | afstand = aantal omwentelingen × omtrek; snelheid |
| ultrasone afstandssensor | de tijd tot een geluidsecho terugkomt | de afstand, telkens opnieuw: een (s,t)-grafiek |
| GPS in een smartphone | de plaats, om de seconde | afgelegde weg en snelheid |
| video | de plaats in elk beeldje (bv. 30 per seconde) | een (s,t)-grafiek |
| trajectcontrole | de tijd tussen twee camera's, kilometers uit elkaar | de gemiddelde snelheid over het traject |
Bij twee lichtsluizen onderbreekt het voorwerp eerst de ene lichtstraal (de teller start) en dan de andere (de teller stopt). Staan ze 0,50 m uit elkaar en meet de teller 0,40 s, dan is de snelheid . Hoe dichter de sluizen bij elkaar, hoe meer die gemiddelde snelheid op de snelheid op dat ogenblik lijkt, maar hoe nauwkeuriger de tijd gemeten moet worden.
Met een microcontroller (hoofdstuk 24) en twee lichtsensoren maak je zelf een snelheidsmeter. De microcontroller telt in duizendsten van een seconde, veel nauwkeuriger dan jij met een stopwatch. In opdracht 14.15 schrijf je het programma.

Trajectcontrole
Op een gewestweg geldt 70 km/h. Een trajectcontrole meet over 3,5 km. Een auto passeert de eerste camera om 14:02:10 en de tweede om 14:04:55. Reed de auto te snel?

- tijdstippen: 14:02:10 en 14:04:55
- maximum 70 km/h
- de gemiddelde snelheid in km/h
- 1Tijdsduur = verschil van de twee tijdstippen: van 14:02:10 tot 14:04:55 is 2 min 45 s = .
- 2.
- 3Omzetten: .
Habitat: hoe snel stroomt het water door de slang?
Het pompje van de meetkas pompt 8,0 mL per seconde (hoofdstuk 4). Het water gaat door een doorzichtige slang met een binnendiameter van 8,0 mm: eerst 0,60 m van de pomp in het reservoir naar de tafel, dan verder als druppelslang langs de bakjes. (a) Hoe snel stroomt het water in de aanvoerslang? (b) Hoe lang doet vers water over die 0,60 m? (c) Hoe zou je die snelheid meten?
- debiet:
- binnendiameter : doorsnede (hoofdstuk 3)
- lengte aanvoerslang
- snelheid van het water
- tijd voor 0,60 m
- een meetmethode
- 1(a) Denk aan een zuil water in de slang. Per seconde schuift er voorbij. Die zuil heeft een doorsnede van , dus een lengte van .
- 2Elke seconde schuift het water dus 16 cm op: . In km/h: , trager dan wandelen.
- 3(b) .
- 4(c) Met een spuitje een druppel voedingskleurstof (of een luchtbelletje) in de doorzichtige slang brengen en met een stopwatch meten hoe lang het kleurfront over 1,00 m doet. Verwacht: .
Overzicht: beweging en snelheid
De formule, de omzetting en de grafiekregels op één blad.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| gemiddelde snelheid | m/s of km/h | |
| afgelegde weg | m of km | |
| tijdsduur | s of h |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| van m/s naar km/h | ||
| van km/h naar m/s |
| begrip | betekenis | voorbeeld: één ronde van 400 m |
|---|---|---|
| plaats | waar je bent, ten opzichte van een vertrekpunt | aan de startlijn |
| verplaatsing | rechte pijl van begin naar eind | 0 m |
| afgelegde weg | lengte van de hele route | 400 m |
| tijdstip / tijdsduur | aflezing van de klok / hoe lang iets duurt | start om 10:00 / 80 s |
| in de (s,t)-grafiek | betekent |
|---|---|
| horizontale lijn | stilstaan |
| schuine rechte | eenparige beweging (constante snelheid) |
| steilere rechte | grotere snelheid |
| lijn die steiler wordt / vlakker wordt | sneller gaan / trager gaan |
| dalende lijn (afstand tot vertrekpunt) | terugkeren |
| helling | de snelheid |
| wat beweegt? | snelheid (ongeveer) | in km/h |
|---|---|---|
| tuinslak | enkele mm/s | 0,01 |
| water in de druppelslang van de meetkas | 0,16 m/s | 0,6 |
| wandelaar | 1,4 m/s | 5 |
| fietser | 5 m/s | 18 |
| snelste sprinter ooit, gemiddeld over 100 m | 10,4 m/s | 37,6 |
| auto in de bebouwde kom | 14 m/s | 50 |
| auto op de snelweg | 33 m/s | 120 |
| hogesnelheidstrein | 83 m/s | 300 |
| passagiersvliegtuig op kruishoogte | 250 m/s | 900 |
| geluid in lucht van 20 °C | 343 m/s | 1235 |
| licht | 300 000 km/s | ongeveer 1 miljard |
Waar beweging naartoe leidt
Met snelheid begint de beschrijving van beweging, de kinematica. De leerlijn wiskundig modelleren is overal: een eenparige beweging is een recht evenredig verband, de snelheid is een helling, en wie ogenblikkelijke snelheid echt wil begrijpen, komt in Expert bij de afgeleide terecht. De leerlijn onderzoeken en meten zit in elke tijdsmeting, met haar reactietijd en haar meetfout.
Tijd en afstand meten, de stopwatch en je reactietijd; meter en seconde als SI-eenheden.
Een grafiek tekenen en een helling lezen; de eenparige beweging als recht evenredig verband.
Wat een kracht met een beweging doet: versnellen, afremmen, van richting veranderen.
Van trapomwentelingen naar km/h met de versnellingen van een fiets.
Een snelheidsmeter met lichtsluizen programmeren.
Plaats met een teken, versnelling, (v,t)- en (a,t)-grafieken, vrije val en remweg.
Waarom een beweging verandert: kracht, massa en versnelling.
Afstand meten met ultrasoon geluid: s = v · t / 2.
De ogenblikkelijke snelheid als afgeleide: de helling van de raaklijn.
Snelheid als vector in twee dimensies: worpen en cirkelbewegingen.
Debiet en snelheid in leidingen: de continuïteitsvergelijking.
In het kort
- De plaats zegt waar iets is ten opzichte van een vertrekpunt; de verplaatsing is de rechte pijl van begin naar eind; de afgelegde weg is de lengte van de hele route.
- Gemiddelde snelheid: . Omgevormd: en . Reken altijd met passende eenheden.
- : van m/s naar km/h vermenigvuldig je met 3,6, terug deel je door 3,6.
- In een (s,t)-grafiek staat de tijd horizontaal. Horizontaal is stilstaan, steiler is sneller, een gebogen lijn is een veranderende snelheid.
- De snelheid is de helling van de (s,t)-grafiek: , af te lezen met een hellingsdriehoek.
- Een eenparige beweging legt in gelijke tijden gelijke afstanden af: in de (s,t)-grafiek een rechte.
- Met meetlint en stopwatch meet je een gemiddelde snelheid; lichtsluizen, fietscomputers, ultrasone sensoren, GPS en video meten nauwkeuriger.
- Het water in de aanvoerslang van de meetkas stroomt 16 cm/s: debiet gedeeld door doorsnede.
Wat je nu kent
- plaats
- Waar een voorwerp is, ten opzichte van een gekozen vertrekpunt, bijvoorbeeld 'op 360 m van huis'.
- verplaatsing
- De rechte pijl van de beginplaats naar de eindplaats: een afstand met een richting. Wat er onderweg gebeurde, telt niet.
- afgelegde weg
- De lengte van de hele weg die een voorwerp gevolgd heeft, met alle bochten en omwegen. Symbool .
- gemiddelde snelheid
- De afgelegde weg gedeeld door de tijd die daarvoor nodig was: .
- ogenblikkelijke snelheid
- De snelheid op één moment, zoals een snelheidsmeter ze toont.
- (s,t)-grafiek
- Grafiek met de tijd horizontaal en de afgelegde weg (of de plaats) verticaal. Hoe steiler, hoe sneller.
- eenparige beweging
- Beweging langs een rechte waarbij het voorwerp in gelijke tijden gelijke afstanden aflegt: de snelheid is constant.
- lichtsluis
- Sensor die meet wanneer een voorwerp een lichtstraal onderbreekt; met twee lichtsluizen meet je een snelheid.