Handboek · hoofdstuk 11Krachten
Duwen, trekken, wegen en glijden: hoe je een kracht herkent, tekent en meet
Een kracht zie je niet, maar je ziet wel wat ze doet: een veer wordt langer, een bal vertrekt, een fiets remt, een moer draait los. In dit hoofdstuk leer je krachten herkennen, tekenen als een pijl en meten in newton. Je ontdekt waarom een meetkoffer op de maan zes keer lichter aanvoelt maar niet minder massa heeft, hoe een veer werkt als krachtmeter (de wet van Hooke), en waarom je zonder wrijving niet eens zou kunnen stappen. Voor de meetkas bereken je hoe hard de plantenbakken op de tafel duwen, en of die tafel dat aankan.

- Je kan een kracht beschrijven als een duw of een trek tussen twee voorwerpen, en contactkrachten onderscheiden van krachten op afstand.
- Je kan herkennen wat een kracht doet: vervormen, versnellen, afremmen, van richting doen veranderen of doen draaien.
- Je kan een kracht tekenen als een pijl met de juiste grootte (op schaal), richting en aangrijpingspunt, en een krachtpijl aflezen.
- Je kan een krachtmeter kiezen, op nul zetten en correct aflezen.
- Je kan de zwaartekracht berekenen met , op aarde en op andere hemellichamen.
- Je kan massa, zwaartekracht en gewicht van elkaar onderscheiden.
- Je kan de wet van Hooke gebruiken: de uitrekking van een veer is recht evenredig met de kracht, tot aan de elasticiteitsgrens.
- Je kan uitleggen waar wrijving vandaan komt, wanneer ze nuttig of hinderlijk is, en hoe je ze groter of kleiner maakt.
Een appel en de maan
In 1665 brak in Engeland de pest uit en ging de universiteit van Cambridge dicht. De jonge student Isaac Newton (1643-1727) keerde terug naar de boerderij van zijn familie in Woolsthorpe en werkte er anderhalf jaar alleen verder. Veel later, toen hij een oude man was, vertelde hij aan zijn vriend William Stukeley dat hij in die tijd in de tuin een appel had zien vallen, en dat dat hem aan het denken zette. (Dat de appel op zijn hoofd viel, is een versiering die later is bijgekomen.)
Zijn vraag was eenvoudig en groots tegelijk. Als de aarde een appel naar zich toe trekt, ook boven in de hoogste boom, reikt die trekkracht dan niet veel verder? Tot aan de maan? In 1687 publiceerde hij het antwoord in zijn boek Principia: dezelfde kracht die de appel doet vallen, houdt de maan in haar baan rond de aarde, en de aarde in haar baan rond de zon. Die kracht noemen we de zwaartekracht.
Newton beschreef ook in drie wetten hoe krachten een beweging veranderen. Die wetten leer je in Intermediate (hoofdstuk 8). Hier begin je bij het begin: wat is een kracht, hoe teken je ze, en hoe meet je ze? De eenheid waarin je dat doet, draagt vandaag zijn naam: de newton.
Newton zag een verband dat niemand eerder zag: een vallende appel en een draaiende maan gehoorzamen aan dezelfde regel. Zo werkt wetenschap vaak. Eén goed idee verklaart plots heel veel verschillende dingen (hoofdstuk 1).

Kracht: duwen of trekken
Een kracht is een duw of een trek. Er zijn altijd twee voorwerpen bij betrokken: het ene oefent de kracht uit, het andere ondergaat ze. Stel daarom bij elke kracht de vraag: wie duwt of trekt, en op wie?
- Contactkrachten werken alleen als de voorwerpen elkaar raken: je hand die een kar duwt, een touw dat trekt (de spankracht), een veer die terugduwt (de veerkracht), de vloer die je draagt, de wrijving tussen je schoen en de grond.
- Krachten op afstand werken ook zonder contact: de zwaartekracht van de aarde, de magnetische kracht van een magneet, de elektrische kracht van een opgewreven ballon op je haar.
| situatie | wie oefent de kracht uit? | op wie? | soort |
|---|---|---|---|
| je duwt een kar | je handen | de kar | contact |
| een touw houdt een schommel | het touw | de schommel | contact (spankracht) |
| een veer trekt een deur dicht | de veer | de deur | contact (veerkracht) |
| de vloer draagt je | de vloer | jou | contact |
| een slee glijdt uit | de sneeuw | de slee | contact (wrijving) |
| een appel valt | de aarde | de appel | op afstand (zwaartekracht) |
| een magneet trekt een paperclip | de magneet | de paperclip | op afstand (magnetisch) |
| een opgewreven ballon trekt je haar op | de ballon | je haar | op afstand (elektrisch) |
Veel mensen denken dat een bal die je gooit de kracht van je hand meeneemt, en stopt als die kracht 'op' is. Maar zodra de bal je hand verlaat, duwt je hand niet meer. Op de vliegende bal werken alleen nog de zwaartekracht en de luchtweerstand. Dat hij toch verder vliegt, komt doordat een bewegend voorwerp uit zichzelf blijft bewegen. Een kracht is dus geen voorraad in een voorwerp, maar iets wat het ene voorwerp op het andere doet, zolang het duwt of trekt (hoofdstuk I8).
Wat een kracht kan doen
Een kracht zie je niet. Je herkent ze aan wat ze doet. Een kracht kan een voorwerp
- vervormen: een veer indrukken, een elastiek uitrekken, een plank doen doorbuigen. Veert het voorwerp terug als de kracht weg is, dan was de vervorming elastisch; blijft het vervormd, dan plastisch (hoofdstuk 10);
- versnellen: de kracht werkt in de zin van de beweging, het voorwerp gaat sneller (een sprinter die zich afzet, een fietser die trapt);
- afremmen: de kracht werkt tegen de beweging in, het voorwerp gaat trager (remmen, een bal die je opvangt);
- van richting doen veranderen: de kracht werkt dwars op de beweging, het voorwerp buigt af (een bal die je met je hoofd opzij kopt, een auto in een bocht);
- doen draaien: de kracht werkt naast het draaipunt, het voorwerp draait (een moersleutel, een deurklink, een trapper).
Vaak gebeuren er meerdere dingen tegelijk. Trap je tegen een bal, dan wordt hij even platgedrukt, vertrekt hij snel en verandert hij van richting.
Trekken twee even sterke ploegen aan een touw, elk naar hun kant, dan beweegt het touw niet: de twee krachten heffen elkaar op. Ze zijn in evenwicht. Er werken dan wel krachten (het touw staat strak gespannen), maar samen veranderen ze de beweging niet. Een boek dat stil op tafel ligt, is ook in evenwicht: de aarde trekt het omlaag, de tafel duwt het even hard omhoog.
De krachtpijl
Een kracht heeft een grootte (hoeveel newton), een richting en een aangrijpingspunt (waar ze op het voorwerp werkt). Een pijl toont alle drie tegelijk. Een grootheid met een richting noem je een vector: in formules krijgt ze een pijltje, . Schrijf je alleen de grootte, dan laat je het pijltje weg: . Met vectoren rekenen leer je in hoofdstuk I6.
- 1Aangrijpingspunt
De pijl begint waar de kracht op het voorwerp werkt: hier waar het touw aan de kist vastzit. Bij de zwaartekracht is dat het zwaartepunt (hoofdstuk 13).
- 2Pijlpunt: de zin
De punt wijst in de zin waarin geduwd of getrokken wordt: naar rechts, niet naar links.
- 3Lengte: de grootte
Hoe langer de pijl, hoe groter de kracht. Deze pijl is drie schaalstreepjes lang: 3 × 10 N = 30 N.
- 4Werklijn
De rechte waarop de pijl ligt (stippellijn). Richting en werklijn liggen vast door het touw: de kracht werkt langs het touw.
- 5Schaal
Zonder schaal zegt een lengte niets. Op papier schrijf je bijvoorbeeld 1 cm ≙ 10 N (lees: 1 cm stelt 10 N voor).
- 6Naam en waarde
Zet bij elke pijl een naam en een waarde met eenheid: F = 30 N, of Fz = 39 N voor een zwaartekracht.
Krachtpijlen tekenen en aflezen
(a) Lisa trekt een kar horizontaal naar rechts met een kracht van 45 N. Het touw zit vast aan de voorkant van de kar. Teken de kracht op schaal: 1 cm ≙ 10 N.
(b) In een andere tekening met schaal 1 cm ≙ 50 N staat een krachtpijl van 3,2 cm. Hoe groot is die kracht?
- (a) , horizontaal naar rechts, schaal 1 cm ≙ 10 N
- (b) pijl van 3,2 cm, schaal 1 cm ≙ 50 N
- (a) de krachtpijl
- (b) de grootte van de kracht
- 1(a) Lengte: elke centimeter stelt 10 N voor, dus .
- 2Aangrijpingspunt: het punt waar het touw aan de kar vastzit. Zet daar een stip.
- 3Richting en zin: langs het touw, horizontaal, naar rechts. Teken vanaf de stip een pijl van 4,5 cm naar rechts en schrijf erbij: .
- 4(b) Elke centimeter is 50 N: .
De newton en de krachtmeter
Krachten druk je uit in newton (N). Om er een gevoel voor te krijgen: houd een reep chocolade van 100 g op je vlakke hand. Die duwt met ongeveer 1 N op je hand. Grote krachten schrijf je in kilonewton: .
| voorwerp | massa | zwaartekracht (afgerond) |
|---|---|---|
| reep chocolade | 100 g | 1 N |
| pak melk van 1 L | 1,0 kg | 9,8 N |
| volle plantenbak van de meetkas | 4,0 kg | 39 N |
| leerling | 50 kg | 490 N |
| kleine auto | 1200 kg | 11 800 N = 11,8 kN |
Een kracht meet je met een krachtmeter, ook veerunster of dynamometer genoemd. Binnenin zit een veer die langer wordt naarmate je harder trekt; een wijzer toont de kracht op een schaal in newton. Zo gebruik je hem:
- Kies het bereik. Een meter van 1 N is nauwkeurig voor kleine krachten, maar gaat stuk bij 3 N. Schat eerst hoe groot de kracht ongeveer is.
- Zet hem op nul, in de stand waarin je gaat meten: verticaal als je iets ophangt, horizontaal als je iets over de tafel trekt. De veer en de haak wegen zelf ook iets.
- Trek in de richting van de kracht, langs de as van de meter, zonder dat de binnenbuis tegen de huls schuurt.
- Lees af op ooghoogte, recht voor de wijzer (parallax, hoofdstuk 3), en schrijf de eenheid erbij.
Trek je harder dan het bereik, dan rekt de veer voorbij haar elasticiteitsgrens: ze vervormt plastisch en komt niet meer terug op nul (hoofdstuk 10). De meter is dan onbruikbaar. Twijfel je, begin dan met de meter met het grootste bereik.

Hoeveel newton per kilogram?
Hoe hangt de zwaartekracht op een voorwerp af van zijn massa?
- krachtmeter met een bereik van 5 N (schaalverdeling 0,05 N)
- vijf haakgewichten van 100 g
- statief met klem
- balans om de massa's te controleren
- 1Hang de krachtmeter verticaal aan het statief en zet hem op nul.
- 2Controleer met de balans dat elk haakgewicht 100 g is.
- 3Hang één haakgewicht aan de krachtmeter. Wacht tot de wijzer stilstaat en lees af op ooghoogte.
- 4Hang er telkens een haakgewicht bij, tot 500 g. Noteer telkens de massa en de kracht.
- 5Bereken voor elke meting de verhouding , met de massa in kilogram. Zet de metingen in een grafiek met horizontaal.
| (g) | (kg) | (N) | (N/kg) |
|---|---|---|---|
| 100 | 0,100 | 1,00 | 10,0 |
| 200 | 0,200 | 1,95 | 9,75 |
| 300 | 0,300 | 2,95 | 9,83 |
| 400 | 0,400 | 3,90 | 9,75 |
| 500 | 0,500 | 4,90 | 9,80 |
De punten liggen op een rechte door de oorsprong.
Dubbel zoveel massa geeft dubbel zoveel kracht: de zwaartekracht is recht evenredig met de massa (hoofdstuk 4). De verhouding is telkens ongeveer 9,8 N/kg: de evenredigheidsconstante. De kleine verschillen komen doordat je maar op 0,05 N nauwkeurig afleest; bij de grootste massa weegt die afleesfout het minst: . Met nauwkeurigere toestellen vind je in België . Die constante krijgt de letter .
Zwaartekracht
Alles wat massa heeft, trekt aan alles wat massa heeft. Tussen twee appels is die kracht zo klein dat je ze nooit merkt, maar de aarde is zo groot dat ze alles om zich heen merkbaar naar zich toe trekt. Die kracht heet de zwaartekracht .
- Richting: naar het middelpunt van de aarde. Dat noemen we 'verticaal naar beneden'; een schietlood (een gewichtje aan een draad) toont die richting.
- Aangrijpingspunt: het zwaartepunt van het voorwerp (hoofdstuk 13).
- Grootte: recht evenredig met de massa, zoals de proef toonde.
Het getal heet de zwaarteveldsterkte. Het hangt af van waar je bent: een kleiner hemellichaam trekt minder hard. (In hoofdstuk I7 zie je dat hetzelfde getal ook zegt hoe snel een vallend voorwerp versnelt.)
| plaats | (N/kg) | zwaartekracht op 1,0 kg |
|---|---|---|
| aarde, in België | 9,81 | 9,81 N |
| aarde, aan de evenaar en aan de polen | 9,78 en 9,83 | 9,78 N en 9,83 N |
| maan | 1,62 | 1,62 N |
| Mars | 3,71 | 3,71 N |
| Jupiter (bovenkant van de wolken) | 24,8 | 24,8 N |
Sommige mensen denken dat de lucht ons op de grond drukt, en dat er daarom op de maan (zonder lucht) niets zou vallen. Maar de zwaartekracht heeft geen lucht nodig: de maan trekt voorwerpen naar zich toe, alleen zes keer minder hard dan de aarde. Astronauten liepen er, zij het met grote sprongen, en wat ze lieten vallen, viel.
Massa, zwaartekracht en gewicht
In het dagelijks leven zeg je 'ik weeg 50 kg'. In de natuurwetenschappen houden we drie begrippen uit elkaar:
| massa | zwaartekracht | gewicht | |
|---|---|---|---|
| wat is het? | hoeveel stof er in een voorwerp zit | de kracht waarmee de aarde (of de maan) aan het voorwerp trekt | de kracht waarmee het voorwerp op zijn steun duwt of aan zijn ophanging trekt |
| symbool, eenheid | , kilogram (kg) | , newton (N) | , newton (N) |
| aangrijpingspunt | (geen kracht) | het zwaartepunt van het voorwerp | waar het voorwerp steunt of hangt |
| op de maan | hetzelfde | ongeveer 6 keer kleiner | ongeveer 6 keer kleiner |
| meten met | een balans | een krachtmeter (in rust even groot) | |
Het verschil tussen zwaartekracht en gewicht zit vooral in op wie de kracht werkt. De zwaartekracht werkt op het bakje; het gewicht werkt op de tafel waarop het bakje staat. Ligt of hangt iets stil, dan zijn ze even groot.
Een balans vergelijkt een massa met gekende massa's: op de maan worden beide kanten even veel lichter, dus ze toont overal dezelfde massa. Een krachtmeter meet een kracht: op de maan toont hij zes keer minder. Een personenweegschaal meet eigenlijk ook een kracht en rekent die om met 9,81 N/kg. Iemand van 50 kg zou er op de maan op aflezen, terwijl zijn massa gewoon 50 kg blijft.
Op een plankdrager staat 'draagvermogen 25 kg'. De fabrikant bedoelt: de plank mag hoogstens zo hard op de drager duwen als het gewicht van 25 kg op aarde, dus met . In het dagelijks leven zijn kilogrammen handiger; een ingenieur rekent in newton.
Een meetkoffer naar de maan
Een onderzoeker van Habitat neemt een meetkoffer van 12 kg mee naar de maan. (a) Wat is de massa van de koffer op de maan? (b) Hoe groot is de zwaartekracht op de koffer op aarde en op de maan? (c) Hoeveel massa kan de onderzoeker op de maan optillen met dezelfde kracht waarmee ze op aarde de koffer optilt?
- ,
- op de maan
- op aarde en op de maan
- de massa die ze op de maan kan tillen
- 1(a) Massa is hoeveel stof er is. Die verandert niet door de reis: op de maan is de massa ook .
- 2(b) Op aarde: . Op de maan: .
- 3(c) Ze kan op de maan een zwaartekracht van 117,7 N overwinnen. Welke massa hoort daarbij? Vorm de formule om: .
Habitat: hoe hard duwen de plantenbakken op de tafel?
In de meetkas staan twaalf plantenbakjes op een tafelblad van watervast multiplex (1,18 m × 0,58 m, 18 mm dik). Elk bakje bevat 6,0 L vochtige potgrond (0,6 kg/L, hoofdstuk 7); het bakje zelf (PP) weegt 0,30 kg en de planten samen ongeveer 0,10 kg. (a) Bereken de massa, de zwaartekracht en het gewicht van één volle bak. (b) Hoe hard duwen de twaalf bakken samen op het tafelblad? (c) Het tafelblad zelf heeft een massa van 8,4 kg. Het rust met zijn twee korte kanten op twee steunen. Hoeveel kracht moet elke steun opvangen?
- potgrond: ; bakje ; planten
- 12 bakken; tafelblad ; twee steunen
- massa, zwaartekracht en gewicht van één bak
- kracht van alle bakken op de tafel
- kracht op elke steun
- 1(a) Massa van de potgrond: . Eén volle bak: .
- 2Zwaartekracht: , in het zwaartepunt van de bak, naar beneden. Het gewicht is de kracht van de bak op het tafelblad: ook 39 N, want de bak staat stil.
- 3(b) Twaalf bakken: , dus op het tafelblad.
- 4(c) Het tafelblad zelf: . Samen: . De bakken staan gelijk verdeeld en de tafel is symmetrisch, dus elke steun draagt de helft: .
Een geheim in veertien letters
In 1676 stond achteraan in een boekje van de Engelse wetenschapper Robert Hooke (1635-1703) een vreemde reeks letters: ceiiinosssttuv. Het was een anagram: de letters van een Latijnse zin, alfabetisch door elkaar gezet. Twee jaar later gaf Hooke de oplossing: ut tensio, sic vis, 'zoals de uitrekking, zo de kracht'.
Waarom die geheimzinnigheid? Hooke had ontdekt dat een veer twee keer zo ver uitrekt als je er twee keer zo hard aan trekt. Dat was belangrijk: hij werkte aan horloges die met een veertje de tijd bijhielden, en hij lag in een felle ruzie met de Nederlandse wetenschapper Christiaan Huygens over wie dat idee het eerst had. Met het anagram kon hij later bewijzen dat hij de regel al in 1676 kende, zonder hem meteen weg te geven. Wetenschappers gebruikten die truc in die tijd vaker.
Hooke was een duizendpoot. Hij bouwde luchtpompen en microscopen, en gaf in zijn boek Micrographia (1665) de cel haar naam (hoofdstuk 26). Toch bestaat er van hem geen enkel portret waarvan zeker is dat hij het is. Zijn regel voor veren kent wel iedereen: de wet van Hooke. Je ontdekt ze zelf in de volgende proef.

Een veer uitrekken
Hoe hangt de uitrekking van een veer af van de kracht die eraan trekt?
- schroefveer
- statief met klem en een haakje
- meetlat met millimeterverdeling, verticaal opgesteld
- zeven haakgewichten van 50 g
- 1Hang de veer aan het statief en meet haar lengte zonder gewicht (de beginlengte).
- 2Hang er 50 g aan. Wacht tot de veer stilhangt en meet de nieuwe lengte .
- 3Voeg telkens 50 g toe, tot 300 g. Meet telkens de lengte.
- 4Hang ten slotte 350 g aan de veer. Neem daarna alle gewichten weg en meet de lengte opnieuw.
- 5Bereken voor elke meting de kracht en de uitrekking (lees: delta l, het verschil in lengte).
| massa (g) | (N) | lengte (cm) | uitrekking (cm) | (N/cm) |
|---|---|---|---|---|
| 0 | 0,00 | 6,0 | 0,0 | – |
| 50 | 0,49 | 8,4 | 2,4 | 0,204 |
| 100 | 0,98 | 10,9 | 4,9 | 0,200 |
| 150 | 1,47 | 13,4 | 7,4 | 0,199 |
| 200 | 1,96 | 15,8 | 9,8 | 0,200 |
| 250 | 2,45 | 18,2 | 12,2 | 0,201 |
| 300 | 2,94 | 20,7 | 14,7 | 0,200 |
| 350 | 3,43 | 24,6 | 18,6 | 0,185 |
Na de meting met 350 g hangt de veer zonder gewicht op 6,8 cm in plaats van 6,0 cm.
Tot 300 g is de uitrekking recht evenredig met de kracht: dubbel zoveel kracht, dubbel zoveel uitrekking. De verhouding is telkens ongeveer 0,20 N per cm, of 20 N per meter. Dat getal is de veerconstante van deze veer.
Met 350 g verwacht je een uitrekking van , maar je meet 18,6 cm, en na het wegnemen blijft de veer 0,8 cm te lang. De veer is voorbij haar elasticiteitsgrens gegaan en plastisch vervormd (hoofdstuk 10). Voorbij die grens geldt het verband niet meer.
De wet van Hooke
De proef toont wat Hooke vond: zolang een veer elastisch blijft, is haar uitrekking recht evenredig met de kracht erop.
De veerconstante zegt hoe stijf een veer is. Een slappe veer van een balpen heeft een kleine ; de veer in de schokdemper van een auto een heel grote. De veer uit de proef heeft : voor elke meter uitrekking is 20 N nodig, of 0,20 N per centimeter.
In een grafiek met de uitrekking horizontaal en de kracht verticaal is de wet van Hooke een rechte door de oorsprong. Zo lees je af als de helling. (Je mag de assen ook omwisselen; dan is de helling , het aantal centimeter per newton.)
Toepassingen. Een krachtmeter heeft een schaal met gelijke stappen, juist omdat de veer de wet van Hooke volgt. Ook een plank, een brug of een kasframe gedraagt zich als een heel stijve veer: de doorbuiging is evenredig met de last, zolang het materiaal elastisch blijft (hoofdstuk 10). Een elastiekje daarentegen volgt de wet van Hooke slecht: zijn grafiek is geen rechte.
Niet de lengte verdubbelt, maar de uitrekking. De veer uit de proef is zonder gewicht 6,0 cm lang en met 100 g 10,9 cm. Met 200 g is ze niet 21,8 cm, maar lang. Trek altijd eerst de beginlengte af.
De veerunster van binnen
Een veerunster is niets anders dan een veer met een schaal. Omdat de veer de wet van Hooke volgt, liggen de streepjes op gelijke afstanden.
- 1Ophangoog
Hier houd je de meter vast of hang je hem aan een statief.
- 2Nulsteller
Door aan deze dop te draaien, schuift de schaal op tot de wijzer op 0 staat. Doe dat telkens in de stand waarin je meet.
- 3Veer
Het hart van de meter: ze rekt evenredig uit met de kracht (wet van Hooke). Een stijvere veer geeft een groter bereik.
- 4Schaal
Streepjes op gelijke afstanden, in newton. Hier: kleine streepjes per 0,5 N, getallen per 2 N.
- 5Wijzer
De streep op de binnenbuis. Lees af op ooghoogte, recht ervoor.
- 6Bereik
De grootste kracht die je mag meten. Meer is plastische vervorming van de veer.
- 7Haak
Hier komt de last. Trek altijd langs de as van de meter, niet schuin.
Rekenen met de veerconstante
Een veer heeft een veerconstante van 25 N/m en is zonder last 8,0 cm lang. Haar elasticiteitsgrens ligt bij 5,0 N. (a) Hoe lang is de veer als er 1,5 N aan trekt? (b) Hoeveel kracht is nodig om de veer 20,0 cm lang te maken? (c) Iemand hangt er een zak appelsienen van 2,0 kg aan. Wat gebeurt er?
- elasticiteitsgrens:
- (a) bij
- (b) voor
- (c) wat er gebeurt met 2,0 kg
- 1(a) Uitrekking: . Lengte: .
- 2(b) Uitrekking: . Kracht: . Dat is onder de 5,0 N: de wet van Hooke geldt.
- 3(c) Zwaartekracht op de zak: , bijna vier keer de elasticiteitsgrens. De formule geldt niet meer: de veer rekt veel verder uit dan voorspeld, vervormt blijvend of breekt.
Wrijving: tegenwerken en vasthouden
Schuif een boek over de tafel en laat los: het stopt na enkele centimeters. Tussen het boek en de tafel werkt wrijving, een kracht die de beweging tegenwerkt. Ze ontstaat doordat geen enkel oppervlak echt glad is: onder een vergrootglas zijn het bergen en dalen die in elkaar haken en tegen elkaar schuren.
- De wrijving werkt tegen de beweging in, of tegen de beweging die zou ontstaan: een kist op een helling glijdt niet weg omdat de wrijving haar tegenhoudt.
- Ze is groter bij ruwere oppervlakken en als de oppervlakken harder tegen elkaar gedrukt worden (een zwaardere kist).
- Om iets in beweging te krijgen, is meestal iets meer kracht nodig dan om het in beweging te houden.
- Rollen geeft veel minder wrijving dan glijden: daarom zijn er wielen en kogellagers.
- Lucht- en waterweerstand zijn wrijving met een gas of vloeistof. Ze worden groter naarmate je sneller gaat; een gestroomlijnde vorm maakt ze kleiner.
| voorbeelden | zo maak je ze groter of kleiner | |
|---|---|---|
| nuttig | stappen zonder uit te schuiven; remmen; de grip van een band; een schroef, een spijker of een knoop die vastzit; iets vasthouden; schrijven met een potlood; een lucifer aanstrijken | groter: ruwe oppervlakken, profiel in zolen en banden, zand of zout op ijs, rubber, harder tegen elkaar drukken |
| hinderlijk | slijtage van schoenen, banden en tandwielen; machines die warm worden; energie die verloren gaat; een lade die klemt | kleiner: smeren met olie, vet of grafiet; kogellagers; wielen (rollen in plaats van glijden); gladde oppervlakken; stroomlijn tegen lucht- en waterweerstand |
In Intermediate (hoofdstuk 8) meet je hoe de wrijving afhangt van hoe hard een voorwerp op de ondergrond duwt, en reken je met een wrijvingscoëfficiënt. Zo bereken je bijvoorbeeld hoeveel kracht de motor van een schuivend kasdak moet leveren.

Wrijving meten met een krachtmeter
Waarvan hangt de wrijving tussen een blok en de ondergrond af: van de ruwheid, van de grootte van het contactvlak, van hoe zwaar het blok is? En wat doen rollen?
- houten blok met een haakje (500 g)
- krachtmeter van 5 N
- gelakt tafelblad, schuurpapier
- extra massa van 500 g
- vier ronde potloden

- 1Zet de krachtmeter horizontaal op nul en haak hem aan het blok.
- 2Trek horizontaal, eerst heel zacht en dan harder. Noteer de grootste kracht net voor het blok vertrekt.
- 3Trek het blok daarna met een kleine, constante snelheid verder en lees de kracht af tijdens het glijden. Bij een constante snelheid is je trekkracht even groot als de wrijving: ze zijn in evenwicht.
- 4Herhaal met het blok op zijn smalle zijde, met 500 g extra erop, op schuurpapier, en op vier ronde potloden. Verander telkens maar één ding.
| ondergrond | blok ligt op | extra massa | kracht bij het vertrekken (N) | kracht bij glijden (N) |
|---|---|---|---|---|
| gelakt tafelblad | grote zijde | geen | 2,0 | 1,5 |
| gelakt tafelblad | smalle zijde | geen | 2,0 | 1,5 |
| gelakt tafelblad | grote zijde | 500 g | 3,9 | 3,0 |
| schuurpapier | grote zijde | geen | 4,0 | 3,4 |
| ronde potloden als rollen | grote zijde | geen | 0,2 | 0,2 |
Ruwheid: op schuurpapier is de wrijving ruim twee keer zo groot. Contactvlak: op de grote of de smalle zijde meet je dezelfde kracht. Dat verrast veel mensen: het kleinere vlak drukt harder per vierkante centimeter, en dat compenseert. Zwaarder: met dubbel zoveel massa is de wrijving ongeveer dubbel zo groot. Rollen: op de potloden is er bijna geen wrijving meer. En altijd is het vertrekken zwaarder dan het doorschuiven.
Om de meetkas te verplaatsen, zet je ze dus beter op wielen of rollen dan dat je ze over de vloer schuift.
Overzicht: krachten
De formules, de begrippen en de afspraken uit dit hoofdstuk op één blad.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| zwaartekracht | newton (N) | |
| massa | kilogram (kg) | |
| zwaarteveldsterkte (9,81 op aarde, 1,62 op de maan) | N/kg |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| kracht op de veer | newton (N) | |
| veerconstante | N/m | |
| uitrekking = lengte − beginlengte | meter (m) |
| massa | zwaartekracht | gewicht | |
|---|---|---|---|
| wat is het? | hoeveel stof er in een voorwerp zit | de kracht waarmee de aarde (of de maan) aan het voorwerp trekt | de kracht waarmee het voorwerp op zijn steun duwt of aan zijn ophanging trekt |
| symbool, eenheid | , kilogram (kg) | , newton (N) | , newton (N) |
| aangrijpingspunt | (geen kracht) | het zwaartepunt van het voorwerp | waar het voorwerp steunt of hangt |
| op de maan | hetzelfde | ongeveer 6 keer kleiner | ongeveer 6 keer kleiner |
| meten met | een balans | een krachtmeter (in rust even groot) | |
| plaats | (N/kg) | zwaartekracht op 1,0 kg |
|---|---|---|
| aarde, in België | 9,81 | 9,81 N |
| aarde, aan de evenaar en aan de polen | 9,78 en 9,83 | 9,78 N en 9,83 N |
| maan | 1,62 | 1,62 N |
| Mars | 3,71 | 3,71 N |
| Jupiter (bovenkant van de wolken) | 24,8 | 24,8 N |
| een krachtpijl | toont |
|---|---|
| beginpunt | het aangrijpingspunt |
| werklijn en punt | de richting en de zin |
| lengte | de grootte, op schaal (bv. 1 cm ≙ 10 N) |
| label | naam en waarde met eenheid: |
| een kracht kan | voorbeeld |
|---|---|
| vervormen | een veer rekt uit, een plank buigt door |
| versnellen | een sprinter zet zich af |
| afremmen | de remmen van een fiets |
| van richting doen veranderen | een bal opzij koppen |
| doen draaien | een moersleutel |
| voorbeelden | zo maak je ze groter of kleiner | |
|---|---|---|
| nuttig | stappen zonder uit te schuiven; remmen; de grip van een band; een schroef, een spijker of een knoop die vastzit; iets vasthouden; schrijven met een potlood; een lucifer aanstrijken | groter: ruwe oppervlakken, profiel in zolen en banden, zand of zout op ijs, rubber, harder tegen elkaar drukken |
| hinderlijk | slijtage van schoenen, banden en tandwielen; machines die warm worden; energie die verloren gaat; een lade die klemt | kleiner: smeren met olie, vet of grafiet; kogellagers; wielen (rollen in plaats van glijden); gladde oppervlakken; stroomlijn tegen lucht- en waterweerstand |
Waar krachten naartoe leiden
Met dit hoofdstuk begint de leerlijn krachten, beweging en constructies. Bijna alles wat volgt, bouwt erop verder: hefbomen doen draaien met een kracht, constructies dragen krachten, en in Intermediate verbinden de wetten van Newton kracht en beweging. De leerlijn wiskundig modelleren zit er ook in: zwaartekracht en veerkracht zijn allebei recht evenredige verbanden, met en als evenredigheidsconstanten.
Massa meten met een balans, aflezen zonder parallax, en het verschil tussen massa en gewicht.
Recht evenredig verband: de constante is hier (zwaartekracht) of (veer).
De massa's van water en potgrond in de meetkas, die je hier omrekent naar krachten.
Elastisch en plastisch vervormen, stijfheid: een veer en een plank gedragen zich op dezelfde manier.
Een kracht die doet draaien: met een hefboom til je met een kleine kracht een grote last.
Zwaartepunt en stabiliteit, en hoe een frame krachten draagt.
Hoe je een beweging beschrijft, voor je leert wat krachten ermee doen.
Een uitgerekte veer en een opgetild voorwerp bevatten energie.
Krachten als vectoren optellen en ontbinden, ook op een helling.
Hoe krachten een beweging veranderen: , en rekenen met een wrijvingscoëfficiënt.
Krachten die doen draaien: moment en evenwicht van een balk.
Een massa aan een veer trilt: de veerconstante bepaalt hoe snel.
De wet van Hooke voor materialen: spanning, rek en de elasticiteitsmodulus.
In het kort
- Een kracht is een duw of een trek van het ene voorwerp op het andere: met contact (duwen, trekken, veer, wrijving) of op afstand (zwaartekracht, magnetisme, elektrische kracht).
- Een kracht kan vervormen, versnellen, afremmen, van richting doen veranderen of doen draaien.
- Je tekent een kracht als een pijl: het beginpunt is het aangrijpingspunt, de pijl toont richting en zin, de lengte is de grootte op schaal.
- Krachten meet je in newton (N) met een krachtmeter: kies het bereik, zet op nul in de meetstand, trek langs de as, lees af op ooghoogte.
- De zwaartekracht is recht evenredig met de massa: , met op aarde en op de maan.
- Massa (kg) is overal dezelfde; zwaartekracht en gewicht (N) hangen af van waar je bent. Gewicht is de kracht op de steun of de ophanging.
- Wet van Hooke: de uitrekking van een veer is recht evenredig met de kracht, , tot aan de elasticiteitsgrens.
- Wrijving werkt tegen de beweging in; ze is groter bij ruwe oppervlakken en als ze harder tegen elkaar drukken, en veel kleiner bij rollen. Soms nuttig, soms hinderlijk.
Wat je nu kent
- kracht
- Een duw of een trek van het ene voorwerp op het andere. Een kracht kan vervormen, versnellen, afremmen, van richting doen veranderen of doen draaien.
- newton
- De eenheid van kracht, symbool N. De zwaartekracht op een voorwerp van ongeveer 100 g is 1 N.
- aangrijpingspunt
- Het punt waar een kracht op een voorwerp inwerkt; daar begint de krachtpijl.
- krachtmeter
- Toestel dat een kracht meet met een veer die uitrekt: ook veerunster of dynamometer genoemd.
- zwaartekracht
- De kracht waarmee de aarde (of een ander hemellichaam) aan een voorwerp trekt: , gericht naar het middelpunt.
- gewicht
- De kracht waarmee een voorwerp op zijn steun duwt of aan zijn ophanging trekt. In rust even groot als de zwaartekracht.
- zwaarteveldsterkte
- Het getal : het aantal newton zwaartekracht per kilogram: 9,81 N/kg in België, 1,62 N/kg op de maan.
- wet van Hooke
- De uitrekking van een veer is recht evenredig met de kracht erop: , zolang de veer elastisch blijft.
- veerconstante
- Het getal in de wet van Hooke: hoeveel newton er nodig is per meter (of centimeter) uitrekking. Een stijve veer heeft een grote .
- elasticiteitsgrens
- De grootste kracht waarbij een veer of materiaal nog helemaal terugveert; daarboven vervormt het blijvend.
- wrijving
- Kracht tussen twee oppervlakken die over elkaar schuiven (of willen schuiven), tegen de beweging in.