Handboek · hoofdstuk 22Operationele versterkers
Millivolt betrouwbaar omzetten naar een weegwaarde
Een rekstrook produceert een klein verschil dat je met negatieve terugkoppeling kan versterken. Je leidt schakelingen af, toetst werkelijke grenzen en bouwt een meetketen voor de oogst van Habitat.

- Je gebruikt de ideale opampregels onder hun geldigheidsvoorwaarden.
- Je leidt inverterende en niet-inverterende gain af.
- Je berekent comparatorhysterese en onderscheidt lineaire versterking van schakelen.
- Je rekent een Wheatstonebrug en instrumentatieversterker door.
- Je maakt een ADC-, onzekerheids- en kalibratiebudget voor een krachtsensor.
Een klein verschil wordt een bruikbare spanning
Een rekstrookje verandert zijn weerstand wanneer het materiaal vervormt. De verandering is klein; een brug zet haar om in millivolt. Een ADC op 0–5 V kan daar zonder versterking nauwelijks resolutie uit halen. Signaalconditionering past schaal, offset, bandbreedte en impedantie aan.
Een opamp is een differentiële versterker: . De uitgangsenergie komt uit zijn voeding, niet uit de ingang. Een groot open-lusgain alleen maakt nog geen nauwkeurige versterker; daarvoor gebruik je negatieve terugkoppeling.
De gouden regels gelden alleen in lineair bedrijf
Een ideale opamp heeft oneindige ingangsimpedantie, zodat , en zeer grote open-lusversterking. Bij stabiele negatieve terugkoppeling en een niet-verzadigde uitgang moet het ingangsverschil bijna nul worden: . Dit heet virtuele kortsluiting, maar er is geen geleidende draad tussen de ingangen.
De tweede regel geldt niet bij een comparator, positieve terugkoppeling, verzadiging of buiten het common-modebereik. Een virtuele massa is bovendien alleen nul volt als de andere ingang daadwerkelijk op nul staat. Met een referentie op 2,5 V ligt de knoop rond 2,5 V.
Inverterend: Kirchhoff op de virtuele massa
- Negatieve terugkoppeling, Ri = 10 kΩ, Rf = 47 kΩ; u+ = 0 V; voeding ±12 V, ingang +0,80 V.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1In lineair bedrijf . Ingangsstroom is ; dezelfde stroom loopt door Rf omdat de ingang geen stroom opneemt.
- 2Knooppuntwet: . Met volgt .
- 3Gain −4,7; uitgang −3,76 V. Stroom 80 µA. Het negatieve teken keert de sinusfase 180° om.
Niet-inverterend: de feedbackdeler bepaalt gain
Zet ui op +. De − ingang meet een deel van de uitgang: . In lineair bedrijf is , dus . De signaalingang is hoogohmig; de weerstandsdeler belast vooral de uitgang.
Laat Rf nul zijn en Rg weg: de uitgang wordt rechtstreeks naar − teruggekoppeld. Dan is gain 1, de spanningsvolger. Die versterkt geen spanning maar maakt een zwakke bron geschikt om een belasting te voeden, binnen uitgangsstroom en stabiliteitsgrenzen.
Een sensor van 0–0,40 V naar 0–4,0 V
- Niet-inverterend; Rg = 10 kΩ, gewenste gain 10; werkelijke voedings-/common-modegrenzen nog te controleren.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1G = 1 + Rf/Rg, dus Rf = (10−1)·10 kΩ = 90 kΩ.
- 2Bij ui = 0,25 V is uo = 2,50 V. Bij 0,40 V is 4,00 V gevraagd.
- 3Een realistische opamp kan bij nul volt aan zijn ingang of uitgang buiten zijn lineaire gebied komen. Kies een geschikte rail-to-railvariant of introduceer een gevalideerde offset.
Werkelijke fouten: offset, bias en common-mode
Een ingangsoffset Vos wordt mee versterkt. Een ingangsbiasstroom door bronweerstand veroorzaakt een spanningsfout; ongelijke bronweerstanden maken verschillende fouten. Weerstandstolerantie en temperatuurcoëfficiënt veranderen de gain. Een ijking kan een vaste offset corrigeren, maar drift blijft.
Common-mode is , terwijl het nuttige signaal . Beide ingangen kunnen rond 2,5 V staan met slechts 10 mV verschil. Een versterker moet zowel het common-modegebied als het differentiële bereik aankunnen; een klein verschil beschermt niet tegen verkeerde absolute ingangsspanning.
Bandbreedte, slew rate en verzadiging
De open-lusgain daalt met frequentie. Bij een eenvoudig dominant-poolmodel is gesloten-lusbandbreedte ongeveer gain-bandwidthproduct gedeeld door noise-gain. Een hoge gain kan dus ruis beperken maar ook nuttig signaal vertragen. Stability bij capacitieve belasting is een afzonderlijke datasheetcontrole.
Slew rate begrenst . Voor een sinus met piek U en frequentie f is maximaal nodig. Een versterker met voldoende kleine-signaalbandbreedte kan bij grote amplitude toch vervormen. Na verzadiging duurt herstel soms langer dan één sampleinterval.
Versterken na clipping herstelt het signaal niet. Log rails/verzadiging als ongeldige meetstatus; geen begrensde code als betrouwbare volle-schaalwaarde behandelen.
Een foutbudget in gram
- 5 kg-weegcel, 2 mV/V bij volle schaal, excitatie 5 V; Ud-volleschaal = 10 mV. Ingangsoffset 25 µV als bovengrens van een voorbeeldcomponent.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1Bruggevoeligheid is 10 mV/5 kg = 2 mV/kg. Een offset 25 µV komt overeen met 25/2000 kg = 0,0125 kg = 12,5 g.
- 2Gain 401 maakt die spanning 10,025 mV aan de ADC. Meer gain verlaagt de equivalente ingangsoffset niet.
- 3Tare kan de offset op een bepaald moment wegkalibreren; drift, hysterese en mechanische kruip blijven in het budget.
Comparator: de uitgang kiest een toestand
Een comparator vergelijkt ui met een drempel. Bij ui boven of onder de referentie gaat de uitgang naar een digitale toestand. De opampgouden regel geldt hier niet: het verschil is juist het beslissignaal.
Rond één drempel kan ruis vele schakelingen geven. Positieve terugkoppeling maakt twee drempels: Schmitt-hysterese. Een comparator is voor deze taak doorgaans geschikter dan een willekeurige opamp; uitgangstype, pull-up, common-modebereik, snelheid en overdrive verschillen.
TI's comparatorontwerp met hysterese toont de keuze van drempels en uitgang. Een opamp open-lus gebruiken is een bewuste componentbeslissing, geen automatische uitwisseling.
Hysterese met een gewogen referentie
- Inverterende comparator: ui op −; + knoop via Rref = 100 kΩ naar Uref = 2,5 V en via Rfb = 1,0 MΩ naar uitgang. UH = 5 V, UL = 0 V als rekenwaarden.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1Omdat de ingangsstroom klein is: V+ = (Uref/Rref+Uo/Rfb)/(1/Rref+1/Rfb).
- 2Bij hoge uitgang wordt de drempel 2,7273 V; ui moet daarboven komen om naar laag te schakelen.
- 3Bij lage uitgang is de drempel 2,2727 V; ui moet daaronder komen om terug naar hoog te schakelen. Band = 0,4545 V.
Wheatstone: een brug is twee spanningsdelers
Neem links R1 boven en R2 onder, rechts R3 boven en R4 onder. Excitatie Uex staat tussen bovenknoop en massa. ; . De brug is in evenwicht wanneer .
Een kwartbrug bevat één actief rekstrookje. Voor klein δ = ΔR/R is het verschil ongeveer Uexδ/4, met teken volgens aansluiting. Een volle brug kan vier rekstrookjes zo combineren dat trek en druk elkaar versterken en een gemeenschappelijke temperatuurverandering deels wordt onderdrukt.
Volle brug: kleine rek, meetbare millivolt
- R1 = R4 = R(1+δ), R2 = R3 = R(1−δ); Uex = 5 V, rekfactor 2, rek 1000 µm/m = 0,001.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1δ = 2·0,001 = 0,002. UL = Uex(1−δ)/2 = 2,495 V.
- 2UR = Uex(1+δ)/2 = 2,505 V; Ud = UR−UL = Uexδ = 10 mV.
- 3Dit ideale symmetrische brugmodel geeft exact 10 mV; een echte weegcel heeft montage, niet-lineariteit en temperatuurinvloed. Een geteste 2 mV/V-specificatie is daarom nuttiger dan los rek raden.
Instrumentatieversterker: differentieel zonder brugbelasting
Een losse verschilversterker vraagt nauwkeurig passende weerstandsverhoudingen. Een instrumentatieversterker combineert hoge ingangsimpedantie met gecontroleerde differentiële gain en hoge CMRR. De drie-opampstructuur gebruikt twee ingangsbuffers met gekoppelde gain, gevolgd door een verschiltrap.
De INA333 is een concreet educatief voorbeeld: en . De referentiepin moet laagohmig en stabiel gestuurd worden. Voedings- en common-mode-/uitgangsgrafieken uit de TI-datasheet bepalen de werkgrenzen. De cursusschakeling is geen productiecertificering.
De oogst weegt 0 tot 5 kg
- Weegcel 5 kg, 2 mV/V, 5,0 V-excitatie; INA333-voorbeeld G = 401, Rg = 250 Ω, referentie 0,50 V, ADC 10 bit op 5 V.
- Spanningen, grenzen en betekenis van het resultaat.
- 1Volleschaal Ud = 0,002·5 = 10 mV. Gain = 1+100000/250 = 401.
- 2Uitgang nul = 0,50 V; bij 5 kg = 0,50+401·0,010 = 4,51 V. Ruimte tot beide rails blijft over.
- 3ADC-stap 5/1024 = 4,8828 mV. Uitgangsgevoeligheid 4,01 V/5 kg = 0,802 V/kg; een code is 6,088 g.
Ratiometrisch meten en een realistisch ADC-budget
Wanneer brugexcitatie en ADC-referentie uit dezelfde 5 V komen, schaalt Ud mee met de referentie. Hun verhouding wordt minder gevoelig voor een gemeenschappelijke voedingsvariatie. De uitgangsreferentie moet dan ook passend met deze referentie schalen; een los vaste 0,50 V kan een restfout invoeren.
Ratiometrie verwijdert geen opampoffset, rekcelkruip, referentieruis die niet gemeenschappelijk is of weerstandstolerantie. De ADC heeft quantisatie, integral non-linearity en samplecapaciteit. Filter na versterking en controleer aanstuurbaarheid/settling; een grote RC-weerstand kan het sample-and-hold te langzaam laden.
Kalibreer massa tegen code met meerdere referentiegewichten. Tare is het aftrekken van actuele nulbelasting; het is geen nieuwe slope-calibratie. Inspecteer residuen en herhaalde stijgende én dalende belastingen voor hysterese.
Ijken met residuen en een echte modelreeks
De voorbeeldcodes zijn synthetisch, inclusief een opgegeven brugoffset en kleine verstoring. De lineaire fit geeft een reproduceerbare oefening, geen bewijs dat een echte weegcel nauwkeurig is. De ADC-code gebruikt 1024 intervallen; clipping maakt de extremen ongeschikt voor een fit.
# oogstweging.py — synthetische ijking, geen meetbewijsimport numpy as npg, uref, uex = 401.0, 0.50, 5.0massa = np.array([0.0,1.0,2.0,3.0,4.0,5.0])# 2 mV/V bij 5 kg, plus voorbeeldoffset en kleine meetruisu = uref + g*(0.002*uex*massa/5+20e-6)u += np.array([0,1,-1,1,-1,0])*0.001adc = np.rint(u/uex*1024).clip(0,1023).astype(int)A = np.column_stack([adc,np.ones(len(adc))])a,b = np.linalg.lstsq(A,massa,rcond=None)[0]fit = a*adc+bprint("voorbeeldcodes:",adc)print(f"massa = {a:.8f} * code {b:+.6f} kg")print(f"grootste fitresidu {max(abs(fit-massa))*1000:.3f} g")code = 615print(f"code {code} geeft {a*code+b:.4f} kg")voorbeeldcodes: [104 268 432 597 761 925] massa = 0.00608801 * code -0.632282 kg grootste fitresidu 2.261 g code 615 geeft 3.1118 kg
De brug en versterker afzonderlijk controleren
- vier gelijke weerstanden
- laagspanningsvoeding
- multimeter met mV-bereik
- instrumentatieversterker op veilige laagspanning
- referentiemassa's
- 1Meet eerst alle weerstanden en bereken UL/UR zonder versterker.
- 2Vervang één weerstand door een bekende kleine wijziging; vergelijk exact brugverschil met de lineaire schatting.
- 3Sluit de instrumentatieversterker aan en meet nulreferentie en gain vóór de ADC.
- 4Monteer daarna pas de weegcel; voer tare, meerpuntsijking, herhaling en stijg-/daalproef uit.
- 5Controleer railalarm met een gesimuleerde meetfout, niet met onveilige mechanische overbelasting.
Een brug in een meetinstrument, een regelsysteem in de opamp
Een rekstrookversterker is tegelijk metrologie en regeltechniek. De elektrische terugkoppeling stuurt de uitgang totdat het verschil op de ingang klein is. De mechanische brug produceert een verschil dat de versterker moet bewaren, terwijl zij gemeenschappelijke storingen onderdrukt.
TI's geverifieerde strain-gaugeontwerp beschrijft een brug met instrumentatieversterker en referentie. Zo'n ontwerpdocument verbindt schema, datasheetmarges en metingen. Habitat gebruikt dezelfde bewijsstructuur: noem systeemgrens, toets nul en schaal, geef drift en overbelasting apart en claim geen gramnauwkeurigheid op basis van een mooie ADC-grafiek.
Opampregels en grenscontroles
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| feedbackweerstand | Ω | |
| ingangsweerstand | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| weerstand naar referentie | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| excitatie | V |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| rek | 1 | |
| rekfactor | 1 |
| Controle | Wat het ideale model niet garandeert |
|---|---|
| input common-mode | beide absolute ingangsspanningen toegestaan |
| uitgangszwaai | lineariteit bij rails en belasting |
| offset/bias/drift | massa-equivalente fout |
| bandbreedte/slew | respons en vervorming |
| ADC/filter | settling, aliasing, quantisatie |
Het geheel: oogst in gram en onzekerheid
De brug bouwt op Kirchhoff en rek uit sterkteleer. e21 bepaalt filterkeuzes, e06 de meetonzekerheid, e41 de lineaire ijking. De opamp is zelf een snel teruggekoppeld systeem; dat verband helpt de gouden regels begrijpen.
Knooppuntwet en delers.
Mechanische rek levert ΔR.
Ruis en ADC-bandbreedte.
Ijking en residuen.
Ontwerpvoorstel voor de oogstweegschaal: 5 kg-weegcel, 2 mV/V, 350 Ω-brug, excitatie 5 V; instrumentatiegain 401 met RG = 250 Ω; outputreferentie 0,50 V ratiometrisch waar mogelijk; ideaal 0,50–4,51 V en circa 6,09 g/code bij 10 bit. Deze waarden worden pas installatiekeuzes na datasheet-/common-modecontrole, proef en mechanische bescherming. Andere bestaande pinnen worden niet stilzwijgend hergebruikt.
In het kort
- Gouden opampregels vragen stabiele negatieve feedback en lineair bedrijf.
- Inverterende gain is −Rf/Ri, niet-inverterende gain 1+Rf/Rg; voeding begrenst wat werkelijk kan.
- Een comparator gebruikt het verschil voor een toestand; positieve feedback geeft hysterese.
- Een brug zet kleine weerstandveranderingen om in verschilspanning; instrumentatie versterkt zonder sterke belasting.
- Een massa-uitkomst vraagt railcontrole, ruisbudget, tare, meerpuntsijking en onafhankelijke validatie.
Wat je nu kent
- virtuele massa
- Een door terugkoppeling vrijwel op massapotentiaal gehouden knoop zonder directe massaverbinding.
- common-mode
- Gemiddelde spanning van twee differentiële ingangen.
- instrumentatieversterker
- Hoogohmige verschilversterker met gecontroleerde gain en hoge common-modeonderdrukking.
- tare
- Aftrekken van een gemeten nul-/bakmassa zonder de schaalfactor opnieuw te bepalen.
- ingangsoffset
- Klein equivalent ingangsverschil dat zonder werkelijk signaal een uitgangsfout geeft.