Handboek · hoofdstuk 20Wisselstroom
Impedantie, resonantie en vermogen: rekenen aan het net en aan de omvormer van het station
Het stopcontact levert geen constante spanning maar een sinus van 325 V piek die vijftig keer per seconde omkeert. Met de fasoren van hoofdstuk 7 reken je daar even vlot mee als met gelijkstroom: een spoel en een condensator worden complexe weerstanden, en samen kunnen ze resoneren. Je leert waarom een motor meer stroom neemt dan zijn vermogen doet vermoeden, wat reactief vermogen is en wanneer je het compenseert, en waarom het net drie fasen heeft. Aan het eind reken je de omvormer van het station door: welke stroom de 48 V-batterij levert, wat er gebeurt als de pomp aanslaat, en of een condensator iets oplevert.

- Je kan de effectieve waarde van een periodieke spanning afleiden met een integraal, en uitleggen wat verschillende meters bij een niet-sinusvormige spanning aanwijzen.
- Je kan de impedantie van R, L en C en van combinaties ervan berekenen met complexe getallen, en een toestel als vervangschema met R en L voorstellen.
- Je kan een serie- en een parallelle RLC-kring doorrekenen: resonantiefrequentie, kwaliteitsfactor, bandbreedte, spanningsoverhoging, en het verloop van |Z| en de fase tegenover de frequentie.
- Je kan een resonantiekromme meten met een functiegenerator en een oscilloscoop, en de meting vergelijken met een model in Python.
- Je kan het momentane vermogen afleiden en actief, reactief en schijnbaar vermogen berekenen (S = U I*), ook voor een samengestelde belasting (vermogensdriehoek).
- Je kan de arbeidsfactor berekenen, een compensatiecondensator dimensioneren en beoordelen of compensatie zinvol is.
- Je kan fase- en lijnspanning in een driefasig net berekenen, ster- en driehoekschakeling toepassen, en uitleggen waarom het net drie fasen heeft.
- Je kan voor de omvormer van het station de stroom aan de 48 V-kant, de 100 Hz-rimpel en het effect van een aanlopende motor berekenen, en een onderbouwde beslissing over compensatie nemen.
De stroomoorlog
Op 4 september 1882 zette Thomas Edison in New York de centrale van Pearl Street aan: gelijkstroom van 110 V voor 82 klanten en 400 lampen. Gelijkstroom had één groot probleem. Bij een vaste spanning is het verlies in de kabels , en de stroom kan alleen omlaag als de spanning omhoog gaat. Gelijkspanning kon je toen niet omzetten: de centrale mocht niet verder dan ongeveer 800 m van de klanten staan. Een stad vroeg een centrale per wijk.
Wisselspanning kan je wel omzetten, met een transformator (hoofdstuk 19). Lucien Gaulard en John Gibbs toonden er een in 1884 in Turijn; bij Ganz in Boedapest bouwden Zipernowsky, Bláthy en Déri in 1885 de eerste met een gesloten ijzerkern (Bláthy bedacht het woord transformator), en in maart 1886 verlichtte William Stanley, voor George Westinghouse, de hoofdstraat van het stadje Great Barrington met wisselstroom. Op 16 mei 1888 stelde Nikola Tesla aan de American Institute of Electrical Engineers zijn meerfasige motor voor, die zonder borstels draaide op een draaiend magnetisch veld. Westinghouse kocht in juli de licenties.
Wat volgde, heet de stroomoorlog. Edisons kamp wees op de gevaren van hoge wisselspanning, en de ingenieur Harold Brown, met stille steun van Edisons bedrijf, doodde in 1888 publiek dieren met wisselstroom. De eerste terechtstelling op de elektrische stoel, op 6 augustus 1890, gebeurde met wisselstroom van een generator van Westinghouse. Maar de techniek won. In 1891 bracht Michail Dolivo-Dobrovolski (AEG) met Oskar von Miller en Charles Brown driefasige stroom van Lauffen naar Frankfurt: 175 km, 15 kV, met ongeveer 75 % rendement. In 1893 verlichtte Westinghouse de wereldtentoonstelling in Chicago, en vanaf november 1896 stuurde de centrale aan de Niagarawatervallen, met generatoren van 5000 pk op 25 Hz, stroom naar de stad Buffalo. Europa koos uiteindelijk 50 Hz, Noord-Amerika 60 Hz.
Het einde van het verhaal is minder zwart-wit. Met vermogenselektronica kan je gelijkspanning vandaag wel omzetten, en voor lange afstanden en zeekabels is gelijkstroom weer de beste keuze: de Nemo Link tussen Zeebrugge en Engeland brengt sinds 2019 1000 MW over 140 km als gelijkstroom. Ook het station is een mengvorm: een 48 V-net op gelijkspanning en een omvormer die er de wisselspanning van het stopcontact van maakt.
De omvormer van het station (hoofdstuk 7) moet de pomp, de koelkast en de noodverwarming voeden. Of 4,0 kVA volstaat, hoeveel stroom de batterij levert en of een condensator bij de pomp zin heeft, hangt af van actief en reactief vermogen. Resonantie verklaart het filter aan de uitgang van de omvormer, en het driefasige net verklaart waarom de windturbine (hoofdstuk 19) drie fasen heeft.

Wat je al weet, en de vraag van dit hoofdstuk
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| sinusoïde, fasor, , , ; stromen optellen als wijzers (hoofdstuk 7) | kringen met R, L en C samen; resonantie |
| effectieve waarde van een sinus, gemiddelde als integraal (hoofdstuk 3) | effectieve waarde van elke golfvorm; wat een meter echt meet |
| de ontwerpbelasting van 3,30 kVA, (hoofdstuk 7, opdracht 7.18) | actief, reactief en schijnbaar vermogen; arbeidsfactor en compensatie |
| de generator met drie fasen, de spoel en de condensator als velden (hoofdstuk 19) | het driefasige net, 230 en 400 V; het LC-filter van de omvormer |
| RC-kring in de tijd, Euler (hoofdstuk 4); de RC-tijd (hoofdstuk 24 van I) | dezelfde kringen bij een sinus, zonder differentiaalvergelijking |
Hoofdstuk 7 gaf het gereedschap: een sinus is een wijzer, een complex getal. Spoel en condensator werden impedanties, en stromen van toestellen tel je op als wijzers. Hier gebruik je het om echte kringen door te rekenen: RLC-kringen die resoneren, het vermogen dat een toestel werkelijk opneemt tegenover de stroom die het vraagt, en het driefasige net.
De Habitat-vraag: de omvormer maakt 230 V uit de 48 V-batterij (4,0 kVA continu, 8 kVA gedurende 5 s, rendement ±93 %). Welke stroom levert de batterij bij de ontwerpbelasting, en bij een lege batterij? Wat ziet de batterij van het feit dat het vermogen van een wisselstroomtoestel honderd keer per seconde schommelt? Wat gebeurt er als de drukpomp aanslaat terwijl de noodverwarming aan staat? En moet er een condensator bij de pomp?
Alle proeven van dit hoofdstuk doe je met een functiegenerator of een veiligheidstransformator. Meet nooit zelf aan het net (hoofdstuk 5 en 19 van F). Twee verrassingen uit dit hoofdstuk zijn ook veiligheidsregels: bij resonantie kan de spanning over een condensator of een spoel vele keren hoger zijn dan de bronspanning, en een condensator voor compensatie blijft na het uitschakelen geladen. Compensatiecondensatoren hebben daarom een ontlaadweerstand.
Wisselspanning en effectieve waarde
De netspanning is met en . Toch zegt iedereen '230 V'. Dat is de effectieve waarde: de gelijkspanning die in een weerstand hetzelfde gemiddelde vermogen geeft. Het vermogen in een weerstand is ; het gemiddelde over een periode (hoofdstuk 3) is
Voor een sinus: , en de cosinus heeft over een periode gemiddelde nul. Dus en
De figuur toont waarom: het vermogen in de noodverwarming schommelt tussen 0 en 4000 W, honderd keer per seconde, en het gemiddelde is precies de helft. Tenzij anders vermeld, bedoelt men bij wisselstroom altijd de effectieve waarde: 230 V, 14,3 A. Voor andere golfvormen geeft de integraal andere factoren:
| golfvorm (piek ) | effectieve waarde | gemiddelde van |
|---|---|---|
| sinus | ||
| blokgolf | ||
| driehoek | ||
| enkelzijdig gelijkgerichte sinus | ||
| gemodificeerde sinus, gedurende de helft van elke halve periode |
Een multimeter meet niet altijd de echte effectieve waarde. Goedkope toestellen richten gelijk, nemen het gemiddelde van en vermenigvuldigen met de vormfactor van een sinus, . Bij een zuivere sinus klopt dat; bij elke andere golfvorm niet. Een meter met het opschrift 'true rms' rekent de integraal echt uit.
Een zuivere en een gemodificeerde sinus
Goedkope omvormers maken geen sinus maar een 'gemodificeerde sinus': gedurende een deel van elke halve periode of , daartussen nul. Het dossier (hoofdstuk 7) eist voor het station een zuivere sinus. (a) Hoe lang moet een gemodificeerde sinus met 'aan' staan om 230 V effectief te geven? (b) Wat wijst een gemiddelde-meter dan aan? (c) Hoe groot is de grondgolf (de 50 Hz-sinus erin), en waarom is de rest een probleem voor de drukpomp?
- , doel
- gemiddelde-meter:
- het deel van de tijd 'aan'
- de aflezing van de meter
- de grondgolf
- 1(a) Staat de spanning een fractie van de tijd op , dan is en . Voor 230 V: : de helft van elke halve periode, 5 ms aan en 5 ms af.
- 2(b) . De meter toont : 21 % te weinig. Een true-rms-meter toont 230 V.
- 3(c) De grondgolf volgt uit de Fourierreeks (hoofdstuk 21) of met de fasor uit metingen van hoofdstuk 7: voor een blok van 90° breed rond de top is haar amplitude , of effectief.
- 4De rest, effectief, zit in hogere frequenties (150, 250, 350 Hz, ...). Een motor zet die niet om in nuttig koppel, maar wel in warmte en gebrom; condensatoren in toestellen trekken er grote stromen door ( daalt met de frequentie).
Impedantie van R, L en C
In hoofdstuk 7 werd afleiden bij een sinus vermenigvuldigen met . Daarmee krijgen de drie basiselementen een wet van Ohm met een complexe weerstand, de impedantie:
Impedanties combineer je zoals weerstanden (hoofdstuk 21 van I), maar met complexe getallen: in serie , parallel (de omgekeerde heet admittantie). Alle wetten van Kirchhoff blijven gelden, voor fasoren. Wat je aan een kring moet onthouden, lees je af uit de frequentieafhankelijkheid:
- een spoel is bij lage frequentie een kortsluiting en bij hoge een onderbreking;
- een condensator omgekeerd: gelijkspanning blokkeert hij, hoge frequenties laat hij door;
- waar heffen ze elkaar op: resonantie (volgende bladen).
Een echt toestel is zelden één element. Voor één frequentie kan je elk toestel voorstellen door een vervangschema: een weerstand en een reactantie die samen dezelfde stroom en dezelfde faseverschuiving geven. Dat is een model, geen bouwtekening: bij een andere frequentie of belasting verandert het.
De drukpomp als R en L in serie
De drukpomp van het drinkwater neemt 750 W bij 230 V met (hoofdstuk 7). Stel een vervangschema op met een weerstand en een spoel in serie. Welke spanningen staan over elk deel? Controleer met een simulatie in de tijd.
- , , ,
- en van het vervangschema
- en
- 1; ; .
- 2onder (de spanning ijlt voor op de stroom): en , dus .
- 3Met de stroom : en .
- 4Controle: : de netspanning. Maar : een voltmeter over elk deel zou samen meer dan 230 V aanwijzen, omdat de twee spanningen 90° verschillen.
- 5In de tijd (hoofdstuk 4): met Euler, stap 20 µs, twaalf periodes. Na het inschakelverschijnsel is de stroomamplitude ( uit de fasor) en ijlt ze na.
RLC in serie: resonantie
Een weerstand, een spoel en een condensator in serie aan een sinus met hoekfrequentie :
Bij lage frequentie overheerst de condensator ( groot, capacitief, fase naar ), bij hoge de spoel (inductief, naar ). Daartussen is er één frequentie waar de twee reactanties even groot en tegengesteld zijn: dan is , zuiver resistief en minimaal, en is de stroom maximaal. Dat is resonantie.
Waarom ? De halfvermogenpunten liggen waar de reactantie even groot is als : . Dat zijn twee vierkantsvergelijkingen in ; het verschil van hun positieve wortels is precies , en . (Uitwerken: opdracht 20.7.)
De verrassing zit in de laatste formule. Bij resonantie loopt de stroom door de condensator, met : de spanning over de condensator is keer de bronspanning. Spoel en condensator wisselen hun energie telkens uit, zoals een massa en een veer (hoofdstuk 11); de bron vult alleen aan wat de weerstand verbruikt. Hetzelfde verschijnsel als bij een brug of een wijnglas, nu met spanningen.
Een serie-RLC-kring op de functiegenerator
Een spoel van 10 mH (met 25 Ω draadweerstand), een condensator van 100 nF en een meetweerstand van 10 Ω staan in serie aan een functiegenerator. Die geeft 2,0 V amplitude zonder last en heeft een uitgangsweerstand van 50 Ω. Bereken , , de bandbreedte, de stroom en de spanningen bij resonantie. Wat verandert er zonder de 50 Ω van de generator?
- ,
- ;
- , ,
- , , bij
- 1; .
- 2; (van ongeveer 4,40 tot 5,75 kHz).
- 3Bij is : , over de meetweerstand, en .
- 4Zonder de generatorweerstand zou zijn en : de resonantie is twee keer zo scherp. De inwendige weerstand van een meettoestel hoort bij de kring.
Resonantie meten
Klopt het model van de serie-RLC-kring: waar ligt de resonantie, hoe breed is ze, en hoe hoog wordt de spanning over de condensator?
- functiegenerator (sinus) en tweekanaalsoscilloscoop
- spoel ±10 mH, foliecondensator 100 nF, weerstand 10 Ω, breadboard
- een LCR-meter of multimeter om de draadweerstand van de spoel te meten
- 1Meet eerst de weerstand van de spoel en de exacte waarden van L en C als dat kan. Bouw de kring: generator, spoel, condensator, 10 Ω naar de massa.
- 2Kanaal 1 over de generator, kanaal 2 over de 10 Ω (die spanning is evenredig met de stroom). Zet de generator op 2,0 V amplitude.
- 3Zoek de frequentie waarbij kanaal 2 maximaal is en de twee signalen in fase liggen (Lissajous-figuur: een rechte lijn).
- 4Meet de amplitude over de 10 Ω bij 15 frequenties van 1 tot 30 kHz, dichter bij elkaar rond het maximum. Zoek de twee frequenties waar ze 1/√2 van het maximum is.
- 5Meet bij resonantie (met één tastkop) de spanning over de condensator. Let op: de massa van de scoop ligt vast, meet dus met de condensator aan de massakant of met twee kanalen en het verschil.
Het model voorspelt een maximum van 235 mV over de 10 Ω bij 5033 Hz, halfvermogenpunten bij ongeveer 4,4 en 5,75 kHz, en 7,4 V over de condensator. Metingen liggen meestal iets lager en breder: de spoel verliest bij kHz meer dan haar gelijkstroomweerstand (wervelstromen in de kern, het skineffect), en de generatorspanning zakt bij resonantie, omdat de kring dan de meeste stroom trekt.
Bij resonantie heffen spoel en condensator elkaar op, en bepalen alleen de weerstanden de stroom. Ook de 50 Ω van de generator: meet de spanning over de generatorklemmen tijdens de meting, en je ziet ze dalen. De spanning over de condensator is groter dan die van de generator, omdat de energie heen en weer pendelt tussen spoel en condensator; per periode vult de generator alleen het verlies aan. De verhouding bij resonantie is een directe meting van .
De frequentiekarakteristiek in Python
Met numpy reken je de impedantie in één keer uit voor dertigduizend frequenties, zoek je het maximum van de stroom en de halfvermogenpunten, en vergelijk je met de formules. Dezelfde functie Z tekent de grafieken van dit hoofdstuk; je kunt er je meetpunten naast zetten.
# rlc.py - frequentiekarakteristiek van de serie-RLC-kring van de proefimport numpy as np L, C = 10e-3, 100e-9 # spoel (H) en condensator (F)R_L, R_m, R_g = 25.0, 10.0, 50.0 # weerstand van de spoel, meetweerstand, uitgang van de generator (ohm)U_g = 2.0 # amplitude van de generator zonder last (V)R = R_L + R_m + R_g def Z(f): """Impedantie van de hele kring (ohm) bij frequentie f (Hz).""" w = 2 * np.pi * f return R + 1j * w * L + 1 / (1j * w * C) f = np.logspace(2, 5, 30001) # 100 Hz tot 100 kHzI = U_g / np.abs(Z(f)) # amplitude van de stroom (A)k = np.argmax(I)f0 = f[k]band = f[I >= I[k] / np.sqrt(2)] # halfvermogenpuntenQ = np.sqrt(L / C) / Rprint(f"f0 = {f0:.0f} Hz (theorie {1 / (2 * np.pi * np.sqrt(L * C)):.0f} Hz), Q = {Q:.2f}")print(f"bandbreedte {band[-1] - band[0]:.0f} Hz, van {band[0]:.0f} tot {band[-1]:.0f} Hz (f0/Q = {f0 / Q:.0f} Hz)")print(f"bij f0: I = {1000 * I[k]:.1f} mA, U_R = {1000 * I[k] * R_m:.0f} mV, U_C = {I[k] / (2 * np.pi * f0 * C):.2f} V")for fx in (1000, 3000, 5000, 7000, 20000): z = Z(fx) print(f"{fx:6d} Hz: |Z| = {abs(z):6.0f} ohm, fase {np.degrees(np.angle(z)):+6.1f} graden")Uitvoer:
f0 = 5033 Hz (theorie 5033 Hz), Q = 3.72 bandbreedte 1352 Hz, van 4403 tot 5754 Hz (f0/Q = 1353 Hz) bij f0: I = 23.5 mA, U_R = 235 mV, U_C = 7.44 V 1000 Hz: |Z| = 1531 ohm, fase -86.8 graden 3000 Hz: |Z| = 352 ohm, fase -76.0 graden 5000 Hz: |Z| = 85 ohm, fase -2.8 graden 7000 Hz: |Z| = 229 ohm, fase +68.2 graden 20000 Hz: |Z| = 1180 ohm, fase +85.9 graden
De numerieke bandbreedte en vallen samen: de formule is exact voor een serie-RLC (het resonantiepiekje is op een logaritmische as symmetrisch, op een lineaire niet: ligt iets dichter bij de onderste grens). Onder is de fase negatief (de condensator overheerst), erboven positief. Wie meetpunten heeft, zet ze in een lijst en tekent U_g / abs(Z(f)) * R_m erdoor: een afwijking toont meteen of de spoelweerstand of de capaciteit anders is dan gedacht.
Parallelle resonantie
Zet je de spoel en de condensator parallel, dan draait alles om. Bij resonantie loopt er een grote stroom rond in de lus van spoel en condensator, maar de bron levert alleen het kleine verlies: de impedantie is maximaal. Met een echte spoel ( in serie met ) parallel aan :
Met de spoel en de condensator van de proef (): bij 5033, tegenover enkele honderden ohm ernaast. Zo'n parallelle kring kiest in een radio één zender uit, en vormt samen met een versterker een oscillator. Waar een serieresonantie een frequentie doorlaat (lage impedantie), blokkeert een parallelle ze.
Resonantie is niet altijd welkom. Elke kring met een spoel en een condensator heeft er een, ook als je ze niet zo bedoeld hebt: de kabel en de condensatoren van een voeding, of het filter van een omvormer (volgend blad). Valt een storing of een harmonische van een belasting op die frequentie, dan wordt ze versterkt in plaats van gedempt.
Habitat: het uitgangsfilter van de omvormer
De brug in de omvormer schakelt met 20 kHz tussen en (hoofdstuk 24). Een filter met een spoel van 1,0 mH in serie en een condensator van 10 µF naar de uitgang houdt de 50 Hz over en maakt de schakelfrequentie onschadelijk (rekenwaarden). (a) Waar ligt de resonantie? (b) Hoeveel laat het filter door bij 50 Hz en bij 20 kHz? (c) Wat gebeurt er bij de resonantiefrequentie zonder last en bij 3,3 kW? (d) Welke stroom neemt de condensator altijd, ook zonder last?
- (0,05 Ω),
- last 3,3 kW bij 230 V:
- bij 50 Hz, 20 kHz en
- bij 50 Hz
- 1(a) ; .
- 2(b) Een spanningsdeler met impedanties: , met de condensator (parallel met de last). Zonder last: . Bij 50 Hz: : de sinus komt ongehinderd door. Bij 20 kHz: , of (hoofdstuk 21).
- 3(c) Bij zonder last beperkt alleen de 0,05 Ω van de spoel: (). Met 16 Ω last: . De last dempt de resonantie; zonder last zou elke storing rond 1,6 kHz tweehonderd keer versterkt worden.
- 4(d) , capacitief: dat de omvormer altijd levert.
Vermogen bij wisselstroom: actief, reactief, schijnbaar
Een toestel met neemt . Het momentane vermogen, met de productformule :
Een constant deel en een deel dat met de dubbele frequentie schommelt. Het gemiddelde is het actief vermogen : dat wordt werkelijk omgezet in warmte of arbeid. Schrijf je de tweede term uit als , dan zie je een deel dat heen en weer pendelt zonder gemiddelde, met amplitude : het reactief vermogen. Dat is de energie die het magnetisch veld van de motor elke kwartperiode opbouwt en teruggeeft. In de figuur: waar onder nul gaat, stroomt energie terug naar de bron.
Waarom telt als het gemiddeld niets doet? Omdat de stroom er wel voor loopt. Kabels, transformatoren, generatoren en omvormers warmen op door de stroom, niet door het vermogen: ze worden gedimensioneerd op , in VA. Een omvormer van 4,0 kVA levert 17,4 A, of dat nu 4 kW verwarming is of 2,4 kW motor met .
Bij een som van toestellen tel je de complexe vermogens op: bij en bij (behoud van energie). De grootten tel je niet zomaar op, net zoals de stromen in hoofdstuk 7.
De vermogensdriehoek van de ontwerpbelasting
De ontwerpbelasting van hoofdstuk 7: noodverwarming 2,0 kW (), drukpomp 0,75 kW (0,81), koelkast 0,15 kW (0,70) en de rest 0,30 kW (0,95). Bereken per toestel en samen , en , en de arbeidsfactor van het geheel. Vergelijk met hoofdstuk 7, dat de stromen als fasoren optelde.
- ; vier toestellen met en
- , , per toestel en samen
- de arbeidsfactor van het geheel
- 1Per toestel: en . Pomp: , dus en . Zo voor elk toestel:
toestel (W) (var) (VA) (A) noodverwarming 2000 0 2000 8,70 drukpomp 750 543 926 4,03 koelkast 150 153 214 0,93 rest 300 99 316 1,37 samen 3200 795 3297 14,34 gewoon opgeteld 3200 795 3456 15,03 - 2Samen: , , .
- 3Arbeidsfactor: , . Stroom: .
Arbeidsfactor en compensatie
De arbeidsfactor is : welk deel van de stroom nuttig werk doet. Bij sinussen is hij . Een lage arbeidsfactor kost niets aan energie in het toestel zelf, maar wel elders: meer stroom voor hetzelfde vermogen, dus meer verlies in de kabels, meer spanningsval, en grotere transformatoren, generatoren en omvormers. Netbeheerders rekenen grote verbruikers daarom blindenergie aan als hun arbeidsfactor te laag is.
Compensatie: zet een condensator parallel aan de inductieve last. Zijn reactief vermogen is negatief, , en heft een deel van dat van de motor op. De energie pendelt dan tussen motor en condensator in plaats van door de hele kabel naar de bron. De motor zelf merkt er niets van.
Drie grenzen. Wie overcompenseert, maakt het geheel capacitief en de stroom weer groter. Bij een motor met een vaste condensator ertussen dreigt zelfbekrachtiging: na het uitschakelen draait de motor uit, de condensator levert zijn magnetiseringsstroom, en hij werkt als generator met een gevaarlijke spanning. Vuistregel: de condensator mag hoogstens 90 % van de blindstroom van de motor zonder last leveren. En compensatie helpt alleen voor de faseverschuiving. Toestellen met een gelijkrichter (laders, ledvoedingen) nemen stroom in korte pieken; hun arbeidsfactor is laag door vervorming, en daar helpt een condensator niet (opdracht 20.18, en een filter in hoofdstuk 21).
Een condensator bij de drukpomp
Compenseer de drukpomp (750 W, ) (a) volledig en (b) tot . Bereken telkens de condensator en de stroom. (c) De pomp neemt zonder last ongeveer 2,0 A, bijna zuiver blind (rekenwaarde). Welke condensator mag er hoogstens vast aan de pomp hangen?
- , , ,
- nullaststroom
- en voor en
- tegen zelfbekrachtiging
- 1(a) moet weg: . Stroom daarna in plaats van .
- 2(b) Bij 0,95 blijft over; weg moet : en .
- 3(c) Nullast-blindvermogen , 90 % daarvan 414 var: . Volledig compenseren (32,7 µF) mag dus niet vast aan de pomp; tot 0,95 (17,8 µF) wel.
Het driefasige net
Een driefasige generator (hoofdstuk 19) levert drie spanningen van dezelfde grootte, 120° na elkaar. In een sterschakeling komen de drie wikkelingen samen in het sterpunt, dat met de nulgeleider (N) naar de verbruikers gaat. Tussen een fase en de nul staat de fasespanning, 230 V. Tussen twee fasen de lijnspanning, het verschil van twee wijzers (hoofdstuk 7):
Waarom drie fasen? Het vermogen staat stil. Drie gelijke weerstanden op de drie fasen: op elk ogenblik. Een driefasige motor of generator heeft een constant koppel, terwijl een eenfasig toestel met 100 Hz klopt. Minder koper: bij een evenwichtige belasting heffen de drie stromen elkaar in het sterpunt op, de nulgeleider voert niets, en drie draden brengen drie keer het vermogen van een eenfasige aansluiting met twee draden: de helft van het koper per kilowatt. En een draaiend veld: drie spoelen rond een motor, gevoed met drie fasen, maken een magnetisch veld dat vanzelf ronddraait. Dat was Tesla's idee, en elke asynchrone motor werkt ermee.
De gewone driefasige aansluiting is 3N × 400 V: drie fasen en een nul, 400 V tussen de fasen en 230 V tussen fase en nul. In België hebben veel oudere wijken nog een net van 3 × 230 V zonder nulgeleider: 230 V tussen de fasen. Een 'gewoon' 230 V-toestel hangt daar tussen twee fasen. Toestellen voor 3N × 400 V (laadpalen, warmtepompen, sommige omvormers) passen daar niet zonder meer op.
Habitat: de driefasige kabel van de windturbine
De generator van de windturbine (hoofdstuk 19) geeft bij 3,0 kW een lijnspanning van 165 V. De kabel van de gondel via de mast van 12 m naar de omzetter bij de module is ongeveer 30 m lang. Vergelijk het verlies (a) met drie geleiders van 4 mm² bij generatorspanning, en (b) als je de 3,0 kW al in de gondel naar 48 V gelijk zou omzetten, met twee geleiders van 16 mm² of 50 mm². Neem voor de generator met zijn diodebrug een arbeidsfactor van .
- , ,
- 30 m koper,
- verlies en koper in elk geval
- 1(a) per geleider (hetzelfde als in hoofdstuk 19). Weerstand per geleider . Verlies , of 1,6 %.
- 2(b) Bij 48 V: . Met 16 mm²: (8,4 %). Pas met 50 mm² zak je naar 81 W (2,7 %).
- 3Koper: is 3,2 kg, is 26,9 kg.
De omvormer tussen batterij en 230 V
Een gangbare opbouw van een omvormer die een zuivere sinus maakt uit een batterij, in blokken. Hoe elk blok werkt (schakelende omzetters, PWM, regeling), is hoofdstuk 24; hier zie je welke rol de wisselstroomtheorie erin speelt. Getallen: rekenwaarden voor de omvormer van het station.
- 1Batterij en zekering
44 tot 56 V. Bij de ontwerpbelasting ±72 A, bij het aanslaan van de pomp tot ±128 A gedurende enkele seconden. Een trage hoofdzekering dicht bij de batterij en kabels van 2 × 35 mm² (0,18 V spanningsval bij 90 A).
- 2Opwaarts omzetten
Een brug hakt de 48 V met tientallen kHz; een kleine HF-transformator (hoofdstuk 19: bij hoge frequentie volstaat een kleine kern) en een gelijkrichter maken er ±400 V van.
- 3Tussenkring
Condensatoren van ±1,3 mF op 400 V vangen de 100 Hz-schommeling van het vermogen op, zodat de batterij een bijna constante stroom levert.
- 4H-brug
Vier transistors, zoals de H-brug van de dakmotor (hoofdstuk 26 van I), schakelen met 20 kHz tussen +400 en −400 V. De pulsbreedte volgt een sinus van 50 Hz: het gemiddelde is de gewenste spanning.
- 5LC-filter
1,0 mH en 10 µF: resonantie bij 1,6 kHz. Laat 50 Hz door en dempt 20 kHz 44 dB. De condensator neemt altijd 0,72 A (166 var).
- 6Uitgang
230 V, 50 Hz, zuivere sinus; 4,0 kVA continu (17,4 A), 8 kVA gedurende 5 s. De omvormer levert zowel actief als reactief vermogen; zijn grens is de stroom.
- 7Regeling
Meet spanning en stroom, berekent elke periode de pulsbreedtes, volgt bij netkoppeling de fase van het net (hoofdstuk 7) en schakelt af bij overbelasting.
Habitat: de omvormer bij de ontwerpbelasting
De omvormer (rendement 93 %) voedt de ontwerpbelasting: , . (a) Welke stroom levert de batterij bij 44, 48 en 56 V? (b) Het momentane vermogen van een eenfasige belasting schommelt met 100 Hz. Tussen welke waarden, en welke stroom zou de batterij dan leveren zonder buffer? (c) Hoe groot moet de tussenkringcondensator op 400 V zijn als zijn spanning hoogstens 20 V mag schommelen?
- , ,
- tussenkring 400 V, rimpel 20 V van top tot top
- het bereik van
- van de tussenkring
- 1(a) De batterij levert het actief vermogen plus de verliezen: . Het reactief vermogen pendelt tussen de uitgang en de condensatoren van de omvormer en komt niet uit de batterij. , en .
- 2(b) schommelt tussen en . Zonder buffer zou de batterijstroom bij 48 V tussen ongeveer 0 en heen en weer gaan, honderd keer per seconde: extra warmte in batterij en kabels.
- 3(c) De schommeling laat de energie in de condensator op en neer gaan: integreren (hoofdstuk 3) geeft een amplitude , dus van top tot top . Met : .
Habitat: de pomp slaat aan, en compenseren of niet?
Een pompmotor neemt bij het aanslaan kort ongeveer zes keer zijn stroom. Hoofdstuk 7 nam die aanloopstroom zuiver inductief en vond 6,3 kVA. Een kleine motor heeft bij stilstand echter ook een flink actief deel; neem als rekenwaarde . (a) Hoeveel kVA en kW vraagt de ontwerpbelasting tijdens het aanslaan, en welke batterijstroom bij 44 V? (b) Wat zou compensatie van de hele belasting naar opleveren? (c) Beslis.
- aanloop pomp: met
- omvormer 4,0 kVA continu, 8 kVA gedurende 5 s
- , en bij het aanslaan
- effect van compensatie
- de beslissing
- 1(a) Pomp bij het aanslaan: . Met de andere toestellen (fasorsom): , , . Met het model van hoofdstuk 7 (zuiver inductief) was dat maar slechts .
- 2Batterij bij 44 V: , zolang de pomp aanloopt (minder dan een seconde voor een pomp).
- 3(b) Compensatie van alles: . De stroom daalt van naar (3 %); de batterijstroom en de energie blijven gelijk. Het filter van de omvormer levert al 166 var capacitief: aan de brug is de arbeidsfactor 0,981.
- 4(c) Compensatie levert enkele procenten stroom op in kabels van enkele meter, en de omvormer heeft 21 % marge. Bij het aanslaan helpt een condensator nauwelijks (de piek is voor een groot deel actief), en een vaste condensator zou 's nachts, als alleen kleine toestellen draaien, het geheel capacitief maken. Beslissing: niet compenseren.
Habitat: de omvormerrekening in Python
Alle getallen van de twee vorige bladen in één programma, met complexe getallen: stromen als fasoren, het complexe vermogen , en de batterijstroom uit het actief vermogen. Wie een toestel toevoegt of een rekenwaarde verandert, ziet meteen wat het betekent voor de omvormer en de batterij.
# omvormer.py - de netomvormer van het station bij de ontwerpbelasting en bij het aanslaan van de pompimport cmathimport math U, F = 230.0, 50.0 # V effectief (referentie), HzETA = 0.93 # rendement van de omvormer (rekenwaarde)lasten = {"noodverwarming": (2000, 1.00), "drukpomp": (750, 0.81), "koelkast": (150, 0.70), "rest": (300, 0.95)} def stroom(P, cos_phi): """Stroom als fasor (A), naijlend (inductief).""" return cmath.rect(P / (U * cos_phi), -math.acos(cos_phi)) def verslag(naam, I): S = U * I.conjugate() # complex vermogen P + jQ print(f"{naam}: I = {abs(I):5.2f} A, P = {S.real:5.0f} W, Q = {S.imag:5.0f} var, " f"S = {abs(S):5.0f} VA, cos phi = {S.real / abs(S):.3f}") print(" aan de batterij: " + ", ".join(f"{S.real / ETA / u:5.1f} A bij {u} V" for u in (44, 48, 56))) return S I_n = sum(stroom(P, c) for P, c in lasten.values())S_n = verslag("ontwerpbelasting", I_n)print(f" p(t) schommelt met 100 Hz tussen {S_n.real - abs(S_n):.0f} en {S_n.real + abs(S_n):.0f} W")C_bus = abs(S_n) / (2 * math.pi * F * 400 * 20)print(f" buffer op een tussenkring van 400 V met 20 V rimpel: {1000 * C_bus:.2f} mF") I_pomp = stroom(*lasten["drukpomp"]) # aanloop: zes keer de stroom, cos phi = 0,5 (rekenwaarde)verslag("pomp slaat aan", I_n - I_pomp + cmath.rect(6 * abs(I_pomp), -math.acos(0.5))) C = S_n.imag / (U ** 2 * 2 * math.pi * F) # alles compenseren naar cos phi = 1print(f"compensatie van alles: C = {1e6 * C:.1f} uF")verslag("gecompenseerd", I_n + 1j * U * 2 * math.pi * F * C)Uitvoer:
ontwerpbelasting: I = 14.34 A, P = 3200 W, Q = 795 var, S = 3297 VA, cos phi = 0.971
aan de batterij: 78.2 A bij 44 V, 71.7 A bij 48 V, 61.4 A bij 56 V
p(t) schommelt met 100 Hz tussen -97 en 6497 W
buffer op een tussenkring van 400 V met 20 V rimpel: 1.31 mF
pomp slaat aan: I = 31.64 A, P = 5228 W, Q = 5063 var, S = 7278 VA, cos phi = 0.718
aan de batterij: 127.8 A bij 44 V, 117.1 A bij 48 V, 100.4 A bij 56 V
compensatie van alles: C = 47.8 uF
gecompenseerd: I = 13.91 A, P = 3200 W, Q = 0 var, S = 3200 VA, cos phi = 1.000
aan de batterij: 78.2 A bij 44 V, 71.7 A bij 48 V, 61.4 A bij 56 VMerk op dat compensatie de batterijstroom niet verandert: alleen komt uit de batterij. De functie verslag is het hart: geeft in één keer (reëel deel) en (imaginair deel). Het programma kan zo in de digitale tweeling van het station (hoofdstuk 49): het energiebeheer vraagt voor elk toestel dat het wil inschakelen of de omvormer en de batterij het aankunnen.
Wisselstroom: formules
Werkwijze: kies een referentie (meestal de spanning), zet alles om in fasoren met effectieve waarden, reken met impedanties zoals met weerstanden, en bereken het vermogen met . Controleer met een fasordiagram of met een vermogensdriehoek.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| reactantie | Ω |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| kwaliteitsfactor | – |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| actief vermogen | W | |
| reactief vermogen | var | |
| schijnbaar vermogen | VA |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| arbeidsfactor | – |
| golfvorm (piek ) | effectieve waarde | gemiddelde van |
|---|---|---|
| sinus | ||
| blokgolf | ||
| driehoek | ||
| enkelzijdig gelijkgerichte sinus | ||
| gemodificeerde sinus, gedurende de helft van elke halve periode |
Waar wisselstroom vandaan komt en waar hij heen gaat
Dit hoofdstuk past de wiskunde van hoofdstuk 7 (W) toe op elektrische netten (L) en op energie (E). Resonantie is hetzelfde verschijnsel als in de mechanica (hoofdstuk 11), vermogen is energie per seconde (hoofdstuk 3), en het driefasige net is de brug tussen de generator en de motor.
P = U · I bij gelijkstroom; hier P = UI cos φ en het verschil met S.
Laden en ontladen in de tijd; hier de condensator bij een sinus, als impedantie.
Het gemiddelde van u² als integraal: de effectieve waarde; de energieschommeling in de tussenkring.
De RL-kring in de tijd als controle van de fasorberekening.
Fasoren, impedanties en de ontwerpbelasting: hier resonantie, vermogen en compensatie.
Massa-veer en RLC: dezelfde vergelijking, dezelfde resonantiepiek, dezelfde Q.
Spoel, condensator en transformator als velden; de driefasige generator van de windturbine.
Het LC-filter als Bode-diagram, harmonischen en Fourier, de vervormde stroom van een lader.
Hoe de omvormer, de MPPT-omzetter en de frequentieregelaar echt werken.
De omvormerrekening als deel van het energiebeheer van de digitale tweeling.
In het kort
- De effectieve waarde is ; bij een sinus (325 V piek = 230 V). Een gemiddelde-meter klopt alleen bij een zuivere sinus.
- Impedanties , , combineer je als weerstanden; een toestel kan je bij één frequentie vervangen door R en X.
- Serie-RLC: resonantie bij , dan ; , bandbreedte , spanning over C en L keer de bron. Parallel: de impedantie piekt ().
- : actief vermogen (W), reactief (var), schijnbaar (VA); .
- De arbeidsfactor bepaalt hoeveel stroom per watt; een condensator compenseert, maar niet meer dan 90 % van de nullast-blindstroom van een motor, en niet bij vervorming.
- Driefasig: (400 en 230 V), constant vermogen, de helft minder koper, een draaiend veld; in België ook nog 3 × 230 V.
- Habitat: de batterij levert , 72 A bij de ontwerpbelasting en 128 A tijdens het aanslaan van de pomp (44 V); een tussenkring vangt de 100 Hz-schommeling op; compensatie is niet nodig.
Wat je nu kent
- effectieve waarde
- : de gelijkspanning die in een weerstand hetzelfde vermogen geeft; bij een sinus .
- reactantie
- Het imaginaire deel van een impedantie : (positief), (negatief).
- resonantie
- Toestand waarin de reactanties van spoel en condensator elkaar opheffen: ; in serie is dan minimaal, parallel maximaal.
- kwaliteitsfactor
- (serie): hoe scherp de resonantie is; de bandbreedte is en de spanning over C wordt keer de bronspanning.
- bandbreedte
- Het frequentiegebied tussen de twee punten waar het vermogen gehalveerd is (stroom 1/√2 van het maximum).
- actief vermogen
- in watt: het gemiddelde vermogen dat werkelijk wordt omgezet.
- reactief vermogen
- in var: vermogen dat heen en weer pendelt tussen bron en de velden van spoelen en condensatoren.
- schijnbaar vermogen
- in VA; complex . Bepaalt de stroom, dus de dikte van kabels en de grootte van omvormers.
- arbeidsfactor
- ; bij sinussen . Bij vervormde stromen kleiner dan van de grondgolf.
- compensatie
- Een condensator parallel aan een inductieve belasting levert het reactieve vermogen ter plaatse, zodat de stroom uit het net kleiner wordt.
- lijnspanning
- Spanning tussen twee fasen; in een sterschakeling keer de fasespanning: 400 V bij 230 V.
- sterschakeling
- Drie belastingen of wikkelingen met één uiteinde samen in het sterpunt (aan de nulgeleider), elk op de fasespanning.
- driehoekschakeling
- Drie belastingen tussen de fasen onderling, elk op de lijnspanning; geen nulgeleider.