Handboek · hoofdstuk 18Warmte berekenen
Hoeveel warmte een stof opslaat, waarom ijs smelten zoveel kost, en hoe groot een warmtebuffer moet zijn
In Fundamental rekende je met een vuistregel: 4,2 kJ om één liter water één graad warmer te maken. Maar hoeveel warmte slaat een aluminium frame op, of de lucht in een kas, of een blok ijs dat smelt? In dit hoofdstuk leer je warmte berekenen voor élke stof met , reken je met smelt- en verdampingswarmte, stel je een warmtebalans op als je stoffen mengt, en meet je in het labo de soortelijke warmtecapaciteit van een metaal, met een correctie voor het warmteverlies. Voor Habitat bereken je hoe groot een watervat moet zijn om de klimaatmodule 's nachts warm te houden zonder één wattuur uit de batterij.

- Je kan in alle richtingen gebruiken en uitleggen wat de soortelijke warmtecapaciteit zegt over een stof.
- Je kan de warmtecapaciteit van een voorwerp of een systeem berekenen en bepalen welk onderdeel de meeste warmte opslaat.
- Je kan rekenen met smelt- en verdampingswarmte () en een opwarmcurve met plateaus tekenen en verklaren.
- Je kan een warmtebalans opstellen bij het mengen van stoffen, ook met ijs, en de eindtemperatuur berekenen.
- Je kan de soortelijke warmtecapaciteit van een metaal meten met een calorimeter en corrigeren voor de warmtecapaciteit van de calorimeter en voor warmteverlies.
- Je kan een warmtebuffer dimensioneren en water vergelijken met andere materialen, met een faseovergang en met elektrisch verwarmen.
- Je kan een warmtebalans programmeren in Python en de uitkomst controleren.
Wat je al weet, en wat nu komt
In hoofdstuk F16 leerde je het verschil tussen temperatuur (hoe snel de deeltjes gemiddeld bewegen) en warmte (energie die van warm naar koud stroomt). Je rekende met een vuistregel voor water: om 1 L water 1 °C warmer te maken, is ongeveer 4,2 kJ nodig. Met die regel vond je dat het reservoir van de meetkas, 24 L die 's nachts 5 °C afkoelt, ongeveer 504 kJ afgeeft.
| uit Fundamental | in dit hoofdstuk |
|---|---|
| 4,2 kJ per liter per graad, alleen voor water (F16) | voor elke stof, met uit een tabel |
| temperatuur tegenover warmte (F16) | de warmtecapaciteit van een voorwerp: wat slaat het meeste op? |
| smelten, stollen, verdampen, condenseren (F6) | smelt- en verdampingswarmte: warmte zonder temperatuurstijging |
| de 504 kJ van het reservoir van de meetkas (F16) | een warmtebuffer voor de klimaatmodule berekenen |
| joule, wattuur, kilowattuur (F15, F21, hoofdstuk 9) | warmte omrekenen en vergelijken met de batterij (hoofdstuk 16) |
Die vuistregel roept vragen op. Waarom zou 1 kg aluminium ook 4,2 kJ nodig hebben? (Het is maar 0,9 kJ.) En wat gebeurt er als een blok ijs smelt: waar gaat de warmte heen, als de temperatuur op 0 °C blijft staan? In dit hoofdstuk
- leer je warmte berekenen voor elke stof, en voor een heel voorwerp;
- reken je met de warmte die smelten en verdampen kosten;
- voorspel je de eindtemperatuur als je warm en koud mengt, en meet je in het labo hoe goed die voorspelling klopt;
- bereken je voor Habitat hoe groot een watervat moet zijn om de klimaatmodule 's nachts warm te houden.
Een professor, een fles ijs en 139 verborgen graden
In de winter van 1761 liet Joseph Black, professor in Glasgow, twee gelijke flessen hangen in een grote zaal waar het 47 °F was (ongeveer 8 °C). In de ene zat ijs van 32 °F, in de andere evenveel ijskoud water van 33 °F. Beide kregen van de lucht in de zaal even snel warmte, want ze hingen er op dezelfde manier en verschilden bijna niet in temperatuur.
Het water warmde gewoon op, tot 40 °F: het had 7 'graden warmte' gekregen, zoals Black het noemde. Het ijs had 21 keer zo lang nodig om te smelten en tot dezelfde 40 °F te komen. Het had dus graden warmte gekregen, waarvan maar 8 zichtbaar waren op de thermometer. De overige 139 graden waren 'verdwenen' in het smelten. Black noemde die warmte latent: verborgen.
Omgerekend vond Black dat het smelten van ijs evenveel warmte kost als dezelfde massa water 77 °C warmer maken: ongeveer 320 kJ per kilogram. De waarde van vandaag is 334 kJ per kilogram, 80 °C water of 143 °F. Met twee flessen, een thermometer en een klok zat hij er minder dan 4 % naast.
Black maakte als een van de eersten een scherp onderscheid tussen de hoeveelheid warmte en de temperatuur, en merkte op dat gelijke massa's van verschillende stoffen niet evenveel warmte nodig hebben om even warm te worden. Aan dezelfde universiteit werkte een jonge instrumentmaker met wie hij bevriend raakte: James Watt, die in 1765 de stoommachine veel zuiniger maakte met een afzonderlijke condensor.
Black mat warmte zonder één joule te kennen: hij vergeleek tijden en temperaturen onder dezelfde omstandigheden. Dat is precies wat een calorimeter doet (verder in dit hoofdstuk). En de verborgen warmte van smelten en verdampen is geen curiositeit: ze beschermt bloesems tegen de vorst en koelt de kweekruimte van Habitat.

De soortelijke warmtecapaciteit
Hoeveel warmte nodig is om een stof op te warmen, hangt af van drie dingen: hoeveel stof (de massa ), hoeveel graden warmer (de temperatuurstijging ) en welke stof. Twee keer zoveel water vraagt twee keer zoveel warmte; twee keer zoveel graden ook. Het derde, de stofeigenschap, heet de soortelijke warmtecapaciteit :
De soortelijke warmtecapaciteit is dus de warmte die 1 kg van de stof 1 K warmer maakt. Voor water is dat 4186 J: de 4,2 kJ van hoofdstuk F16, want 1 L water is 1 kg. Aluminium heeft maar 897 J nodig, koper 385 J. Een koperen pan van 1 kg wordt dus elf keer sneller heet dan 1 kg water op hetzelfde vuur.
| stof | (J per kg per K) | stof | (J per kg per K) |
|---|---|---|---|
| water (vloeibaar) | 4186 | lucht (droog, constante druk) | 1005 |
| menselijk lichaam (gemiddeld) | ± 3500 | aluminium | 897 |
| ethanol | 2440 | beton | ± 880 (800 à 1000) |
| ijs (−10 à 0 °C) | ± 2100 | glas | ± 840 |
| waterdamp (100 °C) | ± 2000 | zand (droog) | ± 830 |
| paraffine (vast) | ± 2000 | ijzer | 449 |
| polypropeen (PP) | ± 1900 | koper | 385 |
| hout (vuren) | ± 1600 | lood | 129 |
| polycarbonaat (PC) | ± 1200 |
Waarden rond kamertemperatuur. Voor water verandert tussen 0 en 100 °C minder dan 1 %; de ronde waarde 4,2 kJ per kg per K is die van hoofdstuk F16.
Waarom heeft water zo'n grote ? Warmte die je toevoert, gaat naar de beweging van de deeltjes. In water trekken de moleculen elkaar sterk aan met waterstofbruggen (hoofdstuk 13): een deel van de toegevoerde energie gaat naar het rekken en breken van die bruggen, niet naar snellere beweging. Daardoor stijgt de temperatuur trager. Metalen hebben zware atomen: per kilogram zijn het er weinig, en dus is er per kilogram weinig energie nodig.
Het omgekeerde is waar. Een grote betekent dat de stof veel warmte nodig heeft voor één graad: ze warmt traag op en koelt traag af. Daarom is het strandzand 's middags gloeiend heet en de zee nog fris, terwijl ze dezelfde zon kregen. En daarom is water de beste warmtebuffer die je makkelijk kan krijgen.
Water, aluminium en lucht opwarmen
(a) Hoeveel warmte is nodig om 1,5 L water van 15 °C aan de kook te brengen (100 °C)? (b) En voor de aluminium pan van 0,80 kg waarin het water zit? (c) De lucht in de kweekruimte van Habitat (binnen 2,40 m × 2,00 m × 2,40 m, dichtheid 1,20 kg/m³) wordt 10 °C warmer. Hoeveel warmte is dat, en hoeveel liter water kan je daarmee 10 °C opwarmen?
- water: , ,
- pan: , ,
- lucht: , , ,
- , ,
- gelijkwaardige hoeveelheid water
- 1(a) .
- 2(b) : ongeveer een negende van wat het water vraagt, hoewel de pan meer dan de helft zo zwaar is.
- 3(c) Massa van de lucht: . .
- 4Dezelfde 139 kJ warmen water 10 °C op: een emmertje van 3,3 L.
Het rendement van een waterkoker
Een waterkoker van 2200 W brengt 1,5 L water van 15 °C aan de kook in 4 min 33 s. (a) Hoeveel elektrische energie nam hij op? (b) Hoeveel warmte ging naar het water? (c) Wat is het rendement, en waar bleef de rest? De kan is van polypropeen (0,25 kg, ), de bodem met het element van roestvast staal (0,20 kg, ); ze warmen ongeveer even veel op als het water.
- ,
- water , van 15 naar 100 °C
- kan PP, bodem RVS
- , , rendement, verliezen
- 1(a) (hoofdstuk 9 en F21).
- 2(b) .
- 3(c) Rendement: .
- 4De kan zelf: , dus . De rest, , ging naar de lucht rond de kan en met de eerste damp mee.
De warmtecapaciteit van een voorwerp
Voor een heel voorwerp of een heel systeem, zoals een kas, een pan of een huis, is het handig om samen te nemen. Dat product heet de warmtecapaciteit van het voorwerp:
Let op de twee woorden: de soortelijke warmtecapaciteit is een eigenschap van een stof (per kilogram), de warmtecapaciteit van een voorwerp (dit ene voorwerp). Een grote pan en een klein pannetje van hetzelfde staal hebben dezelfde , maar een verschillende .
Met zie je meteen welk onderdeel van een systeem de meeste warmte opslaat. Voor de meetkas van Fundamental ziet dat er zo uit (massa's uit hoofdstuk F7 en F10; van de vochtige potgrond telt hier alleen het water, 21 kg, want dat weegt het zwaarst door):
| onderdeel | (kg) | (J per kg per K) | (kJ per K) | aandeel |
|---|---|---|---|---|
| water in het reservoir | 24,0 | 4186 | 100,5 | 46,6 % |
| water in de potgrond | 21,0 | 4186 | 87,9 | 40,8 % |
| tafelblad (multiplex) | 8,4 | 1600 | 13,4 | 6,2 % |
| bakjes (PP) | 3,6 | 1900 | 6,8 | 3,2 % |
| platen (PC) | 2,9 | 1200 | 3,5 | 1,6 % |
| frame (aluminium) | 3,1 | 900 | 2,8 | 1,3 % |
| lucht | 0,69 | 1005 | 0,7 | 0,3 % |
| samen | 216 | 100 % |
Een warmtecapaciteit kan je ook uitdrukken als een hoeveelheid water: het waterequivalent. Het tafelblad van 13,4 kJ/K gedraagt zich als kg water. Bij een calorimeter heet dat de waterwaarde (verder in dit hoofdstuk).
Habitat: de 504 kJ van de meetkas, nu exact
In hoofdstuk F16 gaf het reservoir van de meetkas (24 L die 's nachts 5 °C afkoelt) met de vuistregel 504 kJ. (a) Reken het exact met . (b) Hoe groot is de warmtecapaciteit van de hele meetkas volgens de tabel? Hoeveel warmte geeft ze af als ze 's nachts gemiddeld 5 °C afkoelt? (c) De platen verliezen 14 W per °C verschil met buiten (hoofdstuk F16). Stel dat er alleen lucht in de kas zat. Hoe snel zou ze afkoelen bij 5 °C verschil?
- , ,
- (tabel)
- verlies per °C; lucht: ,
- afkoelsnelheid van alleen de lucht
- 1(a) . Het minteken zegt: het water geeft 502 kJ af. De vuistregel gaf 504 kJ, want 4,2 is 4186 naar boven afgerond (0,3 %).
- 2(b) (plus nog wat uit de droge stof van de grond). Twee keer zoveel als het reservoir alleen: het water in de potgrond is een tweede buffer.
- 3(c) Bij 5 °C verschil verliest de kas : 70 J per seconde. De lucht alleen heeft , dus ze zou per seconde afkoelen: 6 °C per minuut.
Smelten en verdampen: warmte zonder temperatuurstijging
Verwarm een blok ijs van −20 °C met een constant vermogen en meet de temperatuur. Eerst stijgt ze, tot 0 °C. Dan blijft ze staan, hoewel je blijft verwarmen: het ijs smelt. Pas als al het ijs gesmolten is, stijgt de temperatuur weer, tot 100 °C. Daar blijft ze opnieuw staan, veel langer: het water kookt weg. Zo'n grafiek heet een opwarmcurve; de horizontale stukken zijn de plateaus.
Waar gaat de warmte op een plateau heen? Niet naar snellere beweging (de temperatuur stijgt niet), maar naar het losmaken van de deeltjes (hoofdstuk F6). In ijs zitten de watermoleculen vast in een rooster; om ze los te krijgen, moeten veel waterstofbruggen breken. Bij verdampen moeten de moleculen helemaal van elkaar los, en dat kost nog veel meer:
| smeltwarmte | kJ/kg | verdampingswarmte | kJ/kg |
|---|---|---|---|
| ijs (0 °C) | 334 | water bij 100 °C | 2257 |
| aluminium (660 °C) | 397 | water bij 20 °C | 2454 |
| ijzer (1538 °C) | 247 | water bij 0 °C | 2501 |
| koper (1085 °C) | 205 | ethanol bij 78 °C | ± 850 |
| paraffine (± 20 à 60 °C, naargelang de soort) | 150 à 250 | ||
| lood (327 °C) | 23 |
Tussen haakjes het smeltpunt. Stollen en condenseren geven dezelfde hoeveelheid warmte terug.
Vergelijk de getallen voor water. Smelten kost evenveel als hetzelfde water 80 °C warmer maken. Verdampen kost bijna zeven keer zoveel als smelten, en meer dan vijf keer zoveel als het water van 0 tot 100 °C opwarmen. In de opwarmcurve is het verdampingsplateau het langste stuk: 73 % van alle warmte gaat daarnaar.
Water verdampt bij elke temperatuur, alleen trager (was die droogt, zweet dat opdroogt). Bij lagere temperatuur kost het zelfs iets meer warmte per kilogram: 2454 kJ bij 20 °C, 2501 kJ bij 0 °C. Bij 100 °C kookt het water: dan vormen er zich ook dampbellen in de vloeistof zelf.
Van ijsblok tot stoom
Een blok ijs van 1,0 kg en −20 °C wordt helemaal omgezet in stoom van 120 °C. (a) Bereken de warmte voor elke fase en de totale warmte. (b) Hoe lang duurt dat op een kookplaat die 1500 W aan de pan afgeeft? (c) Welke fase duurt het langst?
- ; , ,
- ,
- warmte per fase
- tijd
- langste fase
- 1Ijs opwarmen van −20 tot 0 °C: .
- 2Smelten bij 0 °C: .
- 3Water opwarmen van 0 tot 100 °C: .
- 4Verdampen bij 100 °C: .
- 5Stoom opwarmen van 100 tot 120 °C: .
- 6Samen: . Tijd: , waarvan (25 min) voor het verdampen.
IJs tegen de vorst: bloesems in Haspengouw
In april staan de fruitbomen van Haspengouw in bloei. Een heldere nacht met vorst kan dan een hele oogst vernietigen: bij enkele graden onder nul bevriest het vocht in de bloem, en ijskristallen scheuren de cellen. Sommige fruittelers doen daarom iets wat tegen elk gevoel ingaat: ze zetten in de vriesnacht de beregening aan en spuiten water over de bomen.
Het water bevriest op de takken en de bloesems. Bij het stollen komt de smeltwarmte vrij: 334 kJ per kilogram water. Zolang er vloeibaar water bij blijft komen dat bevriest, blijft het mengsel van water en ijs op 0 °C, en daarmee ook de bloem erin. Zo'n bloesem kan rond 0 °C blijven, ook als het in de boomgaard −5 à −6 °C wordt. Telers rekenen met ongeveer 30 000 liter water per hectare per uur: 3 mm per uur.
Reken na wat dat oplevert. Per uur bevriest op elke vierkante meter 3 kg water, dus komt er vrij: per vierkante meter. Evenveel als een straalkacheltje boven elke vierkante meter boomgaard, maar dan zonder brandstof.
De beregening moet blijven draaien tot de zon het ijs heeft doen smelten. Stopt ze te vroeg, dan verdampt en sublimeert er water uit het ijs, en dat kost warmte: per kilogram ongeveer zeven keer meer dan het bevriezen opleverde. De bloesem wordt dan kouder dan zonder beregening. Om dezelfde reden werkt de techniek slecht als het hard waait (opdracht 18.13).

Verdampen koelt, condenseren verwarmt
Als water verdampt, neemt het de verdampingswarmte mee uit zijn omgeving. Zo koelt je lichaam af als zweet opdroogt: per liter zweet 2,4 MJ, genoeg om 70 kg lichaam (± 3500 J per kg per K) bijna 10 °C af te koelen. En zo koelen planten hun bladeren: via de huidmondjes verdampt water (transpiratie, hoofdstuk F27).
In de kweekruimte van Habitat verdampen de slaplanten op een warme dag tot 6 L water (hoofdstuk 13). Bij ongeveer 20 °C kost dat , of 4,1 kWh: meer dan de lampen per dag aan elektrische energie opnemen (3,0 kWh, hoofdstuk 20). Die warmte komt uit het zonlicht op de bladeren en uit de lucht: verdampen is een airco.
Maar de energie is niet weg. Ze zit als latente warmte in de waterdamp, en komt vrij waar de damp condenseert. 's Nachts is dat vooral het koude kasdak: de druppels die je 's ochtends onder het dak ziet, hebben daar hun warmte afgegeven, en die lekt door het dak naar buiten. Wie de waterdamp met de ventilatie naar buiten blaast, blaast ook de warmte naar buiten. Die kringloop van water en warmte moet de klimaatregeling van de module beheren (hoofdstuk 31).
In droge, warme streken koelt men gebouwen en kassen met natte matten en een ventilator: de lucht wordt koeler doordat ze water verdampt. In een vochtige kas werkt dat slecht: lucht die al bijna verzadigd is, kan weinig water meer opnemen (hoofdstuk F6, dauwpunt).
De warmtebalans: wat de ene afgeeft, neemt de andere op
Giet warm water bij koud water, of laat een heet blokje metaal in koud water zakken. Warmte stroomt van warm naar koud, tot alles dezelfde eindtemperatuur heeft. Als er geen warmte naar buiten lekt (een goed geïsoleerd vat, of een snelle menging), dan gaat er ook geen warmte verloren: behoud van energie (hoofdstuk 9). Wat de warme stof afgeeft, neemt de koude op:
Los op naar en je krijgt een gewogen gemiddelde, waarin elke stof meetelt met haar warmtecapaciteit:
Twee gevolgen. De eindtemperatuur ligt altijd tussen de begintemperaturen, en dichter bij die van de stof met de grootste . En de formule werkt voor meer dan twee stoffen: tel gewoon alle termen op, ook de calorimeter zelf.
Alleen bij gelijke warmtecapaciteit. Een aluminium blokje van 250 g en 100 °C in 200 g water van 18 °C geeft geen 59 °C, maar ongeveer 35 °C: het water heeft vier keer de warmtecapaciteit van het blokje en 'trekt' de eindtemperatuur naar zich toe.
Habitat: het reservoir bijvullen op 20 °C
In het voedingsreservoir van de klimaatmodule staat nog 24 L oplossing van 21 °C. Het moet worden bijgevuld tot 60 L met regenwater van 9 °C uit de opvangtank. Wortels houden niet van een koude douche: de oplossing moet rond 20 °C blijven. (a) Welke temperatuur krijg je met alleen regenwater? (b) Hoeveel liter van de 36 L moet je vervangen door warm water van 50 °C om op 20 °C uit te komen? (c) Hoeveel energie kost het om dat warme water op te warmen van 9 tot 50 °C?
- 24 L van 21 °C; aanvullen met 36 L
- regenwater 9 °C, warm water 50 °C
- 1 L oplossing 1 kg,
- met alleen regenwater
- liter warm water
- energie voor het warme water
- 1(a) Eén stof, dus valt weg: . Te koud.
- 2(b) Noem het aantal liter warm water. Dan komt er liter regenwater bij: .
- 3Uitwerken: , dus en warm water en 26,9 L regenwater.
- 4(c) , of .
IJsblokjes in de limonade
Je doet twee ijsblokjes van samen 50 g, rechtstreeks uit de diepvries (−18 °C), in 0,30 kg limonade van 22 °C. Limonade is bijna water. (a) Smelt al het ijs? (b) Wat is de eindtemperatuur? (c) En als je er 200 g ijs in doet?
- limonade: , 22 °C,
- ijs: (of ), −18 °C, ,
- smelt alles?
- 1Werk met een boekhouding. Hoeveel warmte kan de limonade afgeven tot ze 0 °C is? .
- 2Hoeveel vraagt het ijs om op 0 °C te komen en te smelten? . Dat is minder dan 27 630 J: al het ijs smelt.
- 3De rest, , warmt al het water (nu 0,35 kg) op vanaf 0 °C: .
- 4(c) Met 200 g ijs vraagt het ijs : veel meer dan de 27 630 J. Niet alles smelt, en het mengsel blijft op 0 °C. Na het opwarmen van het ijs () blijft over om te smelten: . Er blijft 140 g ijs drijven.
De calorimeter
Een calorimeter is een vat waarin je warmte-uitwisseling zo goed mogelijk afschermt van de omgeving, zodat de warmtebalans klopt. In het labo volstaan twee piepschuimbekers die in elkaar passen, met een deksel. Elk onderdeel heeft een taak.
- 1Deksel
Houdt de warme lucht en de waterdamp boven het water binnen. Zonder deksel verlies je vooral warmte door verdampen en stroming.
- 2Thermometer
Een temperatuursensor met 0,1 °C resolutie, halverwege het water. Lees om de 30 s af, ook vóór het mengen: die meting heb je nodig voor de correctie.
- 3Roerder
Een ring die je op en neer beweegt. Zonder roeren is het water bovenaan warmer dan onderaan, en meet de thermometer maar één plek.
- 4Het blokje aan een draad
Van tevoren minstens tien minuten in kokend water: dan heeft het de temperatuur van dat water. Snel overbrengen, zonder water mee te nemen.
- 5Twee bekers, een luchtlaag
Piepschuim geleidt slecht, en de stilstaande lucht tussen de bekers nog slechter (hoofdstuk 19). De binnenbeker neemt zelf toch wat warmte op: de waterwaarde.
- 6Het water
Gewogen op de balans (0,1 g), niet afgemeten met een maatbeker: de massa telt in de balans, en een maatbeker is minder nauwkeurig.
De waterwaarde van de calorimeter
Een calorimeter neemt zelf ook warmte op: de binnenbeker, de roerder, de sensor. Om die warmtecapaciteit te meten, giet je 150 g water van 52,0 °C in de calorimeter waarin al 150 g water van 18,0 °C staat (en die dus ook 18,0 °C is). Na roeren lees je 34,6 °C. Bereken en de waterwaarde.
- koud: water en de calorimeter,
- warm: ,
- in J/K en als waterwaarde
- 1Zonder calorimeter zou het gemiddelde zijn: 35,0 °C. Het is 0,4 °C minder: de calorimeter heeft warmte opgenomen.
- 2Warmtebalans: .
- 3Afgegeven: . Opgenomen door het koude water: .
- 4De calorimeter nam het verschil op: , voor een stijging van 16,6 °C: .
- 5Waterwaarde: : de calorimeter gedraagt zich als 7 g extra water.
De soortelijke warmtecapaciteit van aluminium meten
Hoe groot is voor aluminium, en hoeveel scheelt het als je corrigeert voor de calorimeter en voor warmteverlies?
- calorimeter van het vorige blad (), roerder, temperatuursensor
- aluminium blokje van 250,0 g aan een draad
- kookpot met water op een kookplaat
- balans (0,1 g), stopwatch, keukenpapier
- 1Hang het blokje minstens tien minuten in kokend water. Noteer de temperatuur van het kokende water: dat is de begintemperatuur van het blokje.
- 2Weeg 200,0 g water van ongeveer 18 °C in de binnenbeker, zet het deksel erop en lees drie minuten lang om de 30 s de temperatuur af.
- 3Breng het blokje op min snel over (even afdeppen op keukenpapier) en sluit het deksel. Roer.
- 4Lees tot min om de 30 s af. Zet alle metingen in een grafiek.
- 5Trek door de punten van na het mengen (vanaf 5 min, als alles gelijk verdeeld is) een rechte en verleng ze terug tot min.
Het kokende water was 99,5 °C (de luchtdruk was die dag iets lager dan normaal). Het water in de calorimeter was vlak voor het mengen 18,1 °C. De grafiek toont de metingen. De hoogste meting is 34,4 °C, bij 5 minuten; daarna daalt de temperatuur langzaam, 0,12 °C per minuut. De teruggetrokken rechte snijdt min bij 34,6 °C.
| berekening met | (°C) | (J per kg per K) | afwijking van 897 | |
|---|---|---|---|---|
| alleen het water, hoogste meting | 34,4 | 0 | 838 | −6,5 % |
| met de calorimeter, hoogste meting | 34,4 | 30 J/K | 869 | −3,2 % |
| met de calorimeter, gecorrigeerd | 34,6 | 30 J/K | 882 | −1,7 % |
De warmtebalans: het blokje geeft af wat het water en de calorimeter opnemen,
Waarom teruggerekend? Het mengen duurt een minuut of twee. In die tijd lekt er al warmte naar buiten, zodat de hoogste meting te laag is. Na het mengen daalt de temperatuur ongeveer lineair: dat is het lek. Door die rechte terug te trekken tot het moment van mengen, schat je de temperatuur die het water gehad zou hebben als het mengen ogenblikkelijk was gebeurd.
Waarom nog steeds te laag? Er blijft een systematische fout van ongeveer 2 %. Het blokje koelt af in de seconden tussen de kookpot en de calorimeter, zodat het met minder dan 99,5 °C in het water komt. Die fout kan je niet uit de grafiek halen: je verkleint ze door sneller over te brengen, of door een zwaarder blokje te nemen (dat relatief minder afkoelt).
Een warmtebalans in Python
Een warmtebalans is een optelsom, en met een faseovergang een optelsom met een keuze. Dat is werk voor een computer. De functie mengen berekent het gewogen gemiddelde voor zoveel stoffen als je wil; met_ijs maakt dezelfde boekhouding als in het voorbeeld van de limonade: eerst kijken wat de warmte kan 'kopen', dan pas rekenen.
# mengen.py - de eindtemperatuur van een mengsel, ook met ijs dat (gedeeltelijk) smeltC_WATER = 4186.0 # J/(kg K)C_IJS = 2100.0 # J/(kg K)L_SMELT = 334e3 # J/kg def mengen(delen): """delen: lijst van (massa in kg, c in J/(kg K), temperatuur in °C), zonder faseovergang.""" teller = sum(m * c * T for m, c, T in delen) noemer = sum(m * c for m, c, T in delen) return teller / noemer # een gewogen gemiddelde def met_ijs(m_water, T_water, m_ijs, T_ijs): """Water boven 0 °C met ijs van T_ijs (<= 0 °C). Geeft (eindtemperatuur, overgebleven ijs in kg).""" q_beschikbaar = m_water * C_WATER * T_water # het water afkoelen tot 0 °C q_opwarmen = m_ijs * C_IJS * (0 - T_ijs) # het ijs opwarmen tot 0 °C q_smelten = m_ijs * L_SMELT # het ijs smelten if q_beschikbaar < q_opwarmen: return None, m_ijs # er bevriest water: valt buiten dit programma if q_beschikbaar < q_opwarmen + q_smelten: # niet alles smelt: het mengsel blijft op 0 °C gesmolten = (q_beschikbaar - q_opwarmen) / L_SMELT return 0.0, m_ijs - gesmolten rest = q_beschikbaar - q_opwarmen - q_smelten # alles gesmolten: de rest warmt al het water op return rest / ((m_water + m_ijs) * C_WATER), 0.0 print("reservoir bijvullen:", round(mengen([(24, C_WATER, 21), (9.1, C_WATER, 50), (26.9, C_WATER, 9)]), 1), "°C")print("aluminium in de calorimeter:", round(mengen([(0.250, 897, 99.5), (0.200, C_WATER, 18.1), (1, 30, 18.1)]), 1), "°C")for m_ijs in (0.050, 0.200): T, rest = met_ijs(0.30, 22.0, m_ijs, -18.0) print(f"limonade + {m_ijs * 1000:.0f} g ijs: {T:.1f} °C, {rest * 1000:.0f} g ijs over")Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):
reservoir bijvullen: 20.0 °C aluminium in de calorimeter: 34.8 °C limonade + 50 g ijs: 6.2 °C, 0 g ijs over limonade + 200 g ijs: 0.0 °C, 140 g ijs over
Drie controles tegelijk: het reservoir komt op 20 °C uit (voorbeeld hiervoor), de calorimeter met het aluminium blokje geeft de eindtemperatuur die je zou meten zonder warmteverlies en met een blokje dat echt 99,5 °C is, en de limonade klopt met het uitgewerkte voorbeeld. Merk op dat de calorimeter in mengen als een 'stof' van 1 kg met meetelt: alleen het product doet ertoe. In opdracht 18.11 breid je het programma uit.
Water als warmtebuffer
Een warmtebuffer slaat warmte op wanneer er te veel is en geeft ze terug wanneer er te weinig is. De zonneboiler bewaart de zon van de middag in een vat voor de douche van 's avonds (hoofdstuk F17). Grote glastuinbouwbedrijven hebben naast hun kassen een geïsoleerde watertank van honderden kubieke meter: overdag slaan ze er de warmte in op die vrijkomt bij hun eigen stroomproductie, 's nachts verwarmen ze er de kas mee.
Hoeveel een buffer opslaat, volgt uit : je wil een grote , en een temperatuurzwaai die je mag toelaten. Water wint op bijna alle punten: de grootste van alle gewone stoffen, goedkoop, niet giftig, en het kan stromen, zodat je de warmte met een pomp verplaatst. Per kubieke meter wint beton het niet, ook al is het 2,4 keer zo zwaar.
Er is één manier om per kilogram meer op te slaan: een faseovergang. Een faseovergangsmateriaal (PCM, phase change material), zoals een paraffine of een zouthydraat dat smelt rond 20 à 30 °C, neemt bij het smelten 150 à 250 kJ per kg op, bij een bijna vaste temperatuur. Dat is zoveel als water dat 40 à 60 °C opwarmt. PCM is wel duurder, en het moet in dunne lagen zitten, want vast paraffine geleidt warmte slecht.
De warmte in een vat van 30 °C kan je gebruiken om iets van 16 °C warm te houden, maar je kan er geen lamp of pomp mee laten draaien. Warmte bij zo'n klein temperatuurverschil terug omzetten in elektrische energie gaat nauwelijks (hoofdstuk E15). Een warmtebuffer is dus goed voor warmte, een batterij voor elektriciteit.

Habitat: een watervat als nachtbuffer voor de klimaatmodule
Op een zonnige lentedag warmen de zon (door het kasdak) en de lampen de klimaatmodule op tot 26 °C. Om 22 uur gaan de lampen uit. Buiten is het die nacht gemiddeld 4 °C, en de module verliest ongeveer 20 W per °C verschil met buiten (hoofdstuk 19 rekent het na). De sla mag 's nachts niet onder 16 °C zakken. In de module staan al het voedingsreservoir (60 L) en 11,5 m³ lucht. (a) Hoeveel warmte verliest de module tussen 22 en 6 uur? (b) Hoe groot moet een extra watervat zijn om dat op te vangen? (c) Hoeveel elektrische energie zou een verwarming nodig hebben om zonder vat 16 °C te houden?
- verlies per °C, nacht , buiten
- begin , ondergrens
- reservoir water; lucht ,
- warmteverlies per nacht
- grootte van het vat
- energie voor elektrisch verwarmen
- 1(a) De temperatuur daalt van 26 naar 16 °C; reken met het gemiddelde, 21 °C: gemiddeld °C verschil, dus . Per nacht: .
- 2(b) Die warmte moet komen uit alles wat 10 °C afkoelt: . Reservoir en lucht leveren al .
- 3Het vat moet de rest leveren: , dus . Kies een vat van 200 L.
- 4Controle met het afkoelmodel van hoofdstuk 5 (grafiek): met 200 L is de module om 6 uur nog 17,0 °C, met 100 L 13,5 °C, zonder vat 6,5 °C.
- 5(c) Zonder vat moet een verwarming 16 °C houden: , acht uur lang: .
Overzicht: warmte berekenen
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| warmte (negatief: afgegeven) | J | |
| massa | kg | |
| soortelijke warmtecapaciteit | J/(kg·K) | |
| temperatuurverandering | K of °C |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| warmtecapaciteit | J/K |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| smeltwarmte (ijs: 334) | kJ/kg | |
| verdampingswarmte (water, 100 °C: 2257) | kJ/kg |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| warmtecapaciteit van de calorimeter | J/K |
| stof | (J per kg per K) | stof | (J per kg per K) |
|---|---|---|---|
| water (vloeibaar) | 4186 | lucht (droog, constante druk) | 1005 |
| menselijk lichaam (gemiddeld) | ± 3500 | aluminium | 897 |
| ethanol | 2440 | beton | ± 880 (800 à 1000) |
| ijs (−10 à 0 °C) | ± 2100 | glas | ± 840 |
| waterdamp (100 °C) | ± 2000 | zand (droog) | ± 830 |
| paraffine (vast) | ± 2000 | ijzer | 449 |
| polypropeen (PP) | ± 1900 | koper | 385 |
| hout (vuren) | ± 1600 | lood | 129 |
| polycarbonaat (PC) | ± 1200 |
Waarden rond kamertemperatuur. Voor water verandert tussen 0 en 100 °C minder dan 1 %; de ronde waarde 4,2 kJ per kg per K is die van hoofdstuk F16.
| smeltwarmte | kJ/kg | verdampingswarmte | kJ/kg |
|---|---|---|---|
| ijs (0 °C) | 334 | water bij 100 °C | 2257 |
| aluminium (660 °C) | 397 | water bij 20 °C | 2454 |
| ijzer (1538 °C) | 247 | water bij 0 °C | 2501 |
| koper (1085 °C) | 205 | ethanol bij 78 °C | ± 850 |
| paraffine (± 20 à 60 °C, naargelang de soort) | 150 à 250 | ||
| lood (327 °C) | 23 |
Tussen haakjes het smeltpunt. Stollen en condenseren geven dezelfde hoeveelheid warmte terug.
| omrekenen | |
|---|---|
| 1 kWh | 3,6 MJ |
| 1 kcal (voeding) | 4,184 kJ |
| 1 L water 1 °C warmer | 4,19 kJ = 1,16 Wh |
| 1 kg water verdampen (100 °C) | 2,26 MJ = 0,63 kWh |
| 1 kg ijs smelten | 334 kJ = 0,093 kWh |
Werkwijze warmtebalans met ijs: (1) warmte die het warme deel kan afgeven tot 0 °C; (2) warmte die het ijs nodig heeft tot 0 °C en om te smelten; (3) vergelijken: is (1) groter, dan smelt alles en warmt de rest het water op; is (1) kleiner, dan blijft het mengsel op 0 °C.
Waar warmte berekenen naartoe leidt
Warmte berekenen is de brug tussen Energie en Materie en chemie: , en zijn stofeigenschappen die je met het deeltjesmodel en de bindingen verklaart. Met de calorimeter en de correctie voor warmteverlies zit je in Onderzoeken en meten, met de gewogen gemiddelden en de afkoelcurve in Wiskundig modelleren. En de warmtebuffer is een ontwerpbeslissing voor Habitat.
Faseovergangen en temperatuur als beweging van deeltjes: waar de latente warmte heen gaat.
De vuistregel 4,2 kJ per liter per graad en de 504 kJ van het reservoir van de meetkas.
De zonneboiler en de warmtebuffer als vorm van energieopslag.
Systematische fouten (het blokje dat afkoelt) tegenover toevallige, en de onzekerheid op .
Afkoelen als exponentieel verval: het nachtmodel van de module.
Behoud van energie en rendement: in een warmtebalans gaat geen energie verloren.
Waterstofbruggen verklaren de grote en de grote verdampingswarmte van water.
Exotherme en endotherme reacties: warmte die bij een reactie vrijkomt of opgenomen wordt.
Hoe snel de warmte uit de module weglekt: het getal 20 W per °C nagerekend.
Waarom de verwarming niet op de batterij kan, en de lampen die ook de module verwarmen.
Waarom je warmte van 30 °C nauwelijks terug omzet in arbeid.
Het dynamische warmtemodel: warmtecapaciteit en warmteverlies samen geven een tijdconstante.
In het kort
- De warmte om een stof op te warmen is . De soortelijke warmtecapaciteit is een stofeigenschap: water 4186, aluminium 897, lucht 1005 J per kg per K.
- De warmtecapaciteit van een voorwerp is ; bij een systeem tel je de delen op. In een kas slaat het water bijna alle warmte op, de lucht bijna niets.
- Bij smelten en verdampen stijgt de temperatuur niet: de warmte maakt de deeltjes los. , met en (bij 100 °C) voor water. Stollen en condenseren geven dezelfde warmte terug.
- Verdampen koelt (zweet, transpiratie), condenseren verwarmt (druppels op het kasdak); bevriezend water kan bloesems tegen vorst beschermen.
- Bij mengen is de afgegeven warmte gelijk aan de opgenomen warmte; de eindtemperatuur is een gewogen gemiddelde met gewichten . Met ijs: eerst de boekhouding tot 0 °C.
- In een calorimeter tel je de waterwaarde mee en corrigeer je voor warmteverlies door de afkoelrechte terug te trekken tot het moment van mengen.
- Water is de beste eenvoudige warmtebuffer; een faseovergangsmateriaal slaat per kg meer op. Voor Habitat houdt een vat van 200 L de module een lentenacht lang boven 16 °C.
Wat je nu kent
- soortelijke warmtecapaciteit
- De warmte die nodig is om 1 kg van een stof 1 K (of 1 °C) warmer te maken; symbool , in J per kg per K.
- warmtecapaciteit
- De warmte die nodig is om een heel voorwerp 1 K warmer te maken: , in J per K.
- smeltwarmte
- De warmte die nodig is om 1 kg van een vaste stof op haar smeltpunt te laten smelten, zonder dat de temperatuur stijgt; bij stollen komt ze weer vrij.
- verdampingswarmte
- De warmte die nodig is om 1 kg vloeistof te laten verdampen; bij condenseren komt ze weer vrij. Voor water 2257 kJ/kg bij 100 °C.
- latente warmte
- Verzamelnaam voor smelt- en verdampingswarmte: warmte die een faseovergang veroorzaakt in plaats van een temperatuurstijging.
- warmtebalans
- In een geïsoleerd geheel is de warmte die de warmere delen afgeven gelijk aan de warmte die de koudere opnemen.
- calorimeter
- Een goed geïsoleerd vat waarin je warmte-uitwisseling meet, bijvoorbeeld twee piepschuimbekers met een deksel.
- waterwaarde
- De massa water die evenveel warmte opneemt als de calorimeter zelf; een andere manier om uit te drukken.
- warmtebuffer
- Een massa (meestal water) die warmte opslaat wanneer er te veel is en ze afgeeft wanneer er te weinig is.