← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Handboek · 6. Het deeltjesmodel
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F6. Het deeltjesmodel
FFundamental · deel F2 · Materie en materialen

Handboek · hoofdstuk 6Het deeltjesmodel

Onzichtbaar kleine deeltjes die altijd bewegen: een model dat smelten, koken, uitzetten en condens verklaart

Waarom smelt ijs, waarom wordt een brug in de zomer langer, waarom ruik je soep tot in de gang, en waarom hangen er 's morgens druppels aan de binnenkant van de meetkas? Eén idee verklaart het allemaal: alle stoffen bestaan uit heel kleine deeltjes die voortdurend bewegen. In dit hoofdstuk leer je met dat deeltjesmodel de drie toestanden, de zes faseovergangen, temperatuur, uitzetten en diffusie verklaren, en je leert ook waar het model ophoudt.

8× uitleg3× uitgewerkt voorbeeld1× proef1× ontleed1× naslag1× verhaal1× het geheel14 opdrachten in het werkboek± 6 lestijden
Elke ochtend hangen er druppels aan de binnenkant van de meetkas. Waar komen ze vandaan?
Elke ochtend hangen er druppels aan de binnenkant van de meetkas. Waar komen ze vandaan?
Na dit hoofdstuk
Verhaal · 6.1

Een dansend korreltje onder de microscoop

1/16

Al ongeveer 2400 jaar geleden stelde de Griekse denker Democritus dat alles bestaat uit piepkleine, ondeelbare deeltjes, die hij atomos noemde. Bewijzen kon hij het niet: hij had geen microscoop en deed geen proeven. Tweeduizend jaar lang bleef het een idee.

In 1827 bekeek de Schotse plantkundige Robert Brown onder zijn microscoop stuifmeelkorrels in een druppel water. Hij zag dat heel kleine korreltjes die uit het stuifmeel kwamen, voortdurend schokkerig heen en weer bewogen, zonder ooit te stoppen. Eerst dacht hij dat ze leefden. Maar hij zag precies dezelfde dans bij fijngemalen glas en gesteente, en die leven zeker niet. Brown kon de beweging niet verklaren; ze kreeg zijn naam: de Brownse beweging.

De verklaring kwam pas in 1905, van de jonge Albert Einstein. Het water bestaat uit deeltjes die veel te klein zijn om te zien, en die voortdurend en van alle kanten tegen het korreltje botsen. Omdat die botsingen nooit precies in evenwicht zijn, wordt het korreltje nu eens de ene, dan weer de andere kant op geduwd. Einstein berekende hoe ver zo'n korreltje gemiddeld verschuift. De Franse natuurkundige Jean Perrin mat dat enkele jaren later nauwkeurig na, en haalde er zelfs de grootte van de deeltjes uit. Daarmee waren de laatste twijfelaars overtuigd. Perrin kreeg er in 1926 de Nobelprijs voor.

Waarom dit verhaal ertoe doet

Niemand kan een watermolecule met het blote oog of een gewone microscoop zien. Toch weten we zeker dat ze bestaan, omdat een model (deeltjes die bewegen) een waarneming (een dansend korreltje) verklaart én een voorspelling doet die je kan nameten. Zo werkt wetenschap: dit hoofdstuk gaat over dat model.

Met een microscoop als deze zag Robert Brown in 1827 korreltjes dansen in een druppel water.
Met een microscoop als deze zag Robert Brown in 1827 korreltjes dansen in een druppel water.
Uitleg · 6.2

Alles bestaat uit deeltjes

2/16

Het deeltjesmodel beschrijft elke stof met vier afspraken:

  1. Elke stof bestaat uit deeltjes. Ze zijn onvoorstelbaar klein: een deeltje water (een molecule) is ongeveer 0,3 nanometer groot, drie tienmiljoenste van een millimeter (hoofdstuk 3). In één druppel water van 0,05 mL zitten er ongeveer : een 17 met twintig nullen, zo'n 200 miljard keer zoveel als er mensen op aarde zijn.
  2. Deeltjes van dezelfde zuivere stof zijn gelijk; deeltjes van verschillende stoffen verschillen (in grootte, massa, vorm).
  3. Tussen de deeltjes is lege ruimte. Daar zit niets: geen lucht, geen water, niets.
  4. De deeltjes bewegen altijd, en ze trekken elkaar aan. Hoe dichter ze bij elkaar zijn, hoe sterker die aantrekking.

In tekeningen stellen we deeltjes voor als bolletjes. Dat is een afspraak: echte deeltjes hebben geen kleur en geen scherpe rand. Een model is een vereenvoudigde voorstelling die helpt om te redeneren en te voorspellen. Het is niet de werkelijkheid zelf (zie het blad over de grenzen van het model).

Tussen de deeltjes zit lucht

Tussen de deeltjes van water zit geen lucht, en tussen de deeltjes van lucht zit ook geen lucht: er zit niets. Lucht bestaat zelf uit deeltjes (vooral stikstof en zuurstof). Een lege ruimte zonder deeltjes heet een vacuüm.

vasteigen vorm en volumevloeibaareigen volume, vorm van het vatgasvult het hele vat
Dezelfde deeltjes, drie manieren om samen te zijn. De pijltjes tonen de beweging, de boogjes het trillen.
Uitleg · 6.3

Vast, vloeibaar en gas

3/16

Een stof kan in drie aggregatietoestanden voorkomen: vast, vloeibaar of gas. Het verschil zit niet in de deeltjes zelf, maar in hoe ze samen zijn:

vastvloeibaargas
afstandtegen elkaar, in een vaste ordetegen elkaar, zonder ordever uit elkaar (in lucht gemiddeld zo'n tien keer hun eigen grootte)
bewegingtrillen op hun plaatsschuiven langs elkaarvliegen vrij rond en botsen
aantrekkingsterkminder sterkbijna geen
vormeigen vormvorm van het vatvult het hele vat
volumevastvastvult elke ruimte
samendrukbaar?bijna nietbijna nietja, makkelijk

Met het model verklaar je die eigenschappen. Een vaste stof houdt haar vorm, omdat de deeltjes op hun plaats blijven. Een vloeistof stroomt, omdat de deeltjes langs elkaar kunnen schuiven, maar ze blijft hetzelfde volume houden, omdat ze tegen elkaar blijven. Een gas kan je samendrukken (denk aan een fietspomp met je vinger op het gaatje), omdat er zoveel lege ruimte tussen de deeltjes is.

Hoe snel is een gasdeeltje?

Een deeltje zuurstof of stikstof in de lucht rond je vliegt bij kamertemperatuur gemiddeld ongeveer 500 meter per seconde: sneller dan een lijnvliegtuig. Toch komt het nergens snel, want het botst miljarden keren per seconde tegen andere deeltjes en verandert telkens van richting.

Water in drie toestanden naast elkaar. (De witte 'damp' boven de tuit is al weer gecondenseerd tot druppeltjes: echte waterdamp is onzichtbaar.)
Water in drie toestanden naast elkaar. (De witte 'damp' boven de tuit is al weer gecondenseerd tot druppeltjes: echte waterdamp is onzichtbaar.)
Ontleed · 6.4

Een glas ijswater, ingezoomd

4/16

Een glas water met een ijsblokje, op een warme dag. Het is één stof, water, in drie toestanden, met lucht erboven. Zoom in op vier plaatsen.

lucht boven het glasdruppel aan de buitenkanthet ijsblokjehet water
Blauw: waterdeeltjes; donker: deeltjes van lucht (stikstof en zuurstof). Sterk vereenvoudigd, en niet op schaal.
Wijs een nummer aan: de figuur zoomt in. Klik om vast te zetten.
  1. 1
    Lucht boven het glas

    Een gas: deeltjes ver uit elkaar, snel bewegend. Er zit ook waterdamp tussen: onzichtbare waterdeeltjes die uit het glas zijn verdampt.

  2. 2
    Een druppel aan de buitenkant

    De koude glaswand koelt de lucht ertegen af. Waterdamp uit de lucht condenseert tot druppels. Het water komt niet door het glas.

  3. 3
    Het ijsblokje

    Vast: de deeltjes zitten in een vaste orde en trillen op hun plaats. Bij ijs is die orde vrij 'open', met meer ruimte dan in vloeibaar water: daarom drijft ijs (hoofdstuk 7).

  4. 4
    Het water

    Vloeibaar: de deeltjes raken elkaar, maar schuiven voortdurend langs elkaar. Aan het ijs nemen ze warmte op, en het ijs smelt.

  5. 5
    Het wateroppervlak

    Hier verdampen voortdurend deeltjes die net snel genoeg zijn om los te komen, ook al is het water ver onder 100 °C.

Uitleg · 6.5

Temperatuur: hoe snel de deeltjes bewegen

5/16

Wat meet een thermometer eigenlijk? In het deeltjesmodel is het antwoord eenvoudig: de temperatuur is een maat voor hoe snel de deeltjes gemiddeld bewegen. In warm water bewegen de waterdeeltjes sneller dan in koud water; in een warme vaste stof trillen de deeltjes heviger dan in een koude.

Niet alle deeltjes bewegen even snel: sommige zijn snel, andere traag, en door de botsingen verandert dat voortdurend. De temperatuur hoort bij het gemiddelde. Eén deeltje heeft dus geen temperatuur: het is niet warm of koud, het is snel of traag.

Hoe verder je afkoelt, hoe trager de deeltjes gaan. Bij −273,15 °C bewegen ze zo weinig als het maar kan. Kouder kan niet: dat heet het absolute nulpunt. De temperatuurschaal die daar begint, de kelvinschaal, leer je in hoofdstuk 16.

Een ijsdeeltje is koud

Een deeltje ijs, water of stoom is hetzelfde deeltje: een watermolecule. Het verschil tussen ijs en stoom zit in hoe snel de deeltjes bewegen en hoe ver ze uit elkaar zitten, niet in de deeltjes zelf. Ze worden ook niet groter, zachter of vloeibaar.

koudde deeltjes bewegen tragerwarmde deeltjes bewegen sneller
Langere pijlen: snellere deeltjes. De temperatuur meet de gemiddelde snelheid.
Uitleg · 6.6

Zes faseovergangen

6/16

Verwarm je een stof, dan bewegen de deeltjes sneller. Op een bepaald moment zijn ze zo snel dat ze hun plaats in de vaste orde verlaten: de stof smelt. Nog sneller, en ze ontsnappen helemaal aan de aantrekking van hun buren: de stof verdampt. Koel je af, dan gebeurt het omgekeerde. Zo zijn er zes overgangen:

overgangvannaarenergievoorbeeld
smeltenvastvloeibaarerbijijsblokje in een glas; tin in een soldeerbout
stollenvloeibaarvasterafwater in de diepvries; kaarsvet dat hard wordt
verdampenvloeibaargaserbijeen plas die opdroogt; koken
condenserengasvloeibaarerafeen beslagen spiegel; dauw; condens op de kaswand
sublimerenvastgaserbijdroog ijs (vaste CO₂); bevroren wasgoed dat toch droogt
rijpengasvasterafrijp op het gras en op de autoruit; ijsbloemen

Verdampen en koken zijn niet hetzelfde. Verdampen gebeurt bij elke temperatuur, aan het oppervlak: de snelste deeltjes ontsnappen. Zo droogt een plas op, ook in de winter. Koken is verdampen in de hele vloeistof tegelijk, met dampbellen die opstijgen: dat gebeurt pas bij het kookpunt (voor water 100 °C bij normale luchtdruk). De temperatuur waarbij een stof smelt, is haar smeltpunt (voor water 0 °C); bij een zuivere stof is dat ook de temperatuur waarbij ze stolt.

Bij de overgangen naar een meer 'losse' toestand (smelten, verdampen, sublimeren) moet er energie bij: de deeltjes moeten zich losmaken van elkaar. Bij de omgekeerde overgangen komt die energie weer vrij. Daarom koelt zweet je af als het verdampt, en daarom verwarmt condenserende stoom je hand heel sterk: een brandwonde door stoom is erger dan een door water van 100 °C.

Als water verdampt, verdwijnt het

Het water verdwijnt niet: de deeltjes vliegen als onzichtbare waterdamp in de lucht rond. Koelt die lucht af tegen iets kouds, dan komen ze terug als druppels. Zo gaat er in de waterkringloop (hoofdstuk 28) geen druppel verloren.

vastvloeibaargassmeltenstollenverdampencondenserensublimerenrijpenenergie erbij (opwarmen)energie eraf (afkoelen)
Rode pijlen: er moet energie bij. Blauwe pijlen: er komt energie vrij.
Uitgewerkt voorbeeld · 6.7

De opwarmcurve van ijs lezen

7/16

Je verwarmt 100 g ijs van −30 °C met een verwarming die elke seconde evenveel warmte geeft, en er gaat geen warmte verloren. De grafiek toont de berekende temperatuur. (a) Wat gebeurt er in elk stuk van de grafiek? (b) Waarom blijft de temperatuur twee keer een tijd gelijk, hoewel je blijft verwarmen? (c) Welke overgang vraagt het meeste energie?

080160240320400480560640−40−20020406080100120140t (s)T (°C)ijssmeltenwaterwater kookt: vloeistof en damp samenstoom100 g ijs van −30 °C, gelijkmatig verwarmd
Twee vlakke stukken: bij 0 °C smelt het ijs, bij 100 °C kookt het water. Het koken duurt het langst.
Gegeven
  • de opwarmcurve
  • gelijkmatige verwarming: elke seconde evenveel warmte
Gevraagd
  • de toestand in elk stuk
  • de verklaring van de vlakke stukken
  • welke overgang de meeste energie vraagt
Oplossing
  1. 1
    (a) Van 0 tot ongeveer 13 s warmt het ijs op van −30 tot 0 °C. Van 13 tot 79 s blijft het 0 °C: het ijs smelt, er is ijs en water samen. Van 79 tot 163 s warmt het water op tot 100 °C. Van 163 tot 614 s blijft het 100 °C: het water kookt. Daarna warmt de stoom op.
  2. 2
    (b) Tijdens het smelten en het koken gaat alle toegevoerde energie naar het losmaken van de deeltjes uit hun toestand, niet naar sneller bewegen. De gemiddelde snelheid, en dus de temperatuur, blijft gelijk tot alle ijs gesmolten of al het water verdampt is. Dat verklaart ook waarom de temperatuur in hoofdstuk 4 bij het koken op 100 °C bleef steken.
  3. 3
    (c) Omdat er elke seconde evenveel warmte bijkomt, is de tijd een maat voor de energie. Smelten duurt s, koken s: bijna zeven keer zo lang. Verdampen vraagt veel meer energie dan smelten: bij het verdampen moeten de deeltjes helemaal los van elkaar, bij smelten alleen uit hun vaste orde.
Antwoord
IJs opwarmen, smelten (0 °C), water opwarmen, koken (100 °C), stoom opwarmen; tijdens een faseovergang gaat de energie naar het losmaken van de deeltjes; koken vraagt bijna zeven keer zoveel energie als smelten.
Klopt dit? Een echte meting ziet er minder strak uit: er gaat warmte verloren, en het water warmt niet overal even snel op. Maar de twee vlakke stukken bij 0 en 100 °C zie je altijd bij zuiver water. Bij een mengsel (zout water) liggen ze anders: dat onderzoek je in hoofdstuk 8.
Proef · 6.8

Kleurstof in koud en in warm water

8/16
Onderzoeksvraag

Verspreidt een druppel kleurstof zich sneller in warm water dan in koud water?

Materiaal
  • twee gelijke bekerglazen of glazen potten
  • koud water uit de koelkast en warm water (hooguit 60 °C)
  • voedingskleurstof met een druppelteller
  • twee thermometers, stopwatch
  • wit blad als achtergrond
VeiligheidWarm water van hooguit 60 °C, uit een waterkoker waarin het eerst wat is afgekoeld. Zet de glazen stevig neer.
Links koud, rechts warm water, één minuut na de druppel.
Links koud, rechts warm water, één minuut na de druppel.
Werkwijze
  1. 1Vul beide glazen met 200 mL water: het ene koud, het andere warm. Meet de temperatuur.
  2. 2Wacht een minuut tot het water stil staat. Stoot daarna niet meer tegen de tafel.
  3. 3Laat tegelijk in elk glas één druppel kleurstof vallen, vlak boven het water. Start de stopwatch. Roer niet.
  4. 4Kijk elke minuut en noteer wat je ziet. Noteer de tijd tot het water overal even sterk gekleurd lijkt.
Waarneming
tijdkoud water (9 °C)warm water (58 °C)
0 minde druppel zakt als een sliert naar de bodemde druppel zakt en waaiert meteen uit
1 mineen gekleurd laagje op de bodem, helder water erboveneen grote gekleurde wolk tot halverwege
5 minhet laagje wordt dikker, bovenaan nog helderbijna overal gekleurd, bovenaan iets lichter
overal even sterkna meer dan 20 minna ongeveer 6 min

Voorbeeld van waarnemingen in een klas. In warm water verspreidt de kleur zich veel sneller.

Verklaring

Zonder te roeren mengt de kleurstof toch met het water: de deeltjes van kleurstof en water bewegen voortdurend en botsen, zodat de kleurstofdeeltjes zich over het hele glas verspreiden. Dat heet diffusie. In warm water bewegen alle deeltjes sneller, dus gaat de diffusie sneller. In het warme glas helpen ook kleine stromingen mee (warm water beweegt omhoog, koeler water zakt), maar ook zonder die stromingen verloopt diffusie sneller bij een hogere temperatuur. De druppel zakt eerst naar beneden, omdat kleurstof met suiker of glycerine erin iets zwaarder is dan water.

Uitleg · 6.9

Diffusie: mengen zonder te roeren

9/16

Diffusie is het vanzelf mengen van stoffen doordat hun deeltjes bewegen. De deeltjes gaan daarbij gemiddeld van de plaats waar er veel zijn naar de plaats waar er weinig zijn, tot ze overal even dicht verspreid zijn. Niemand duwt ze: het is gewoon het gevolg van miljarden botsingen in alle richtingen.

Hoe snel gaat het?

  • Warmer is sneller: de deeltjes bewegen sneller (de proef).
  • In een gas sneller dan in een vloeistof: gasdeeltjes zijn snel en hebben meer ruimte. In een vaste stof gaat diffusie zo traag dat je er jaren op moet wachten.
  • Over korte afstanden gaat diffusie snel, over grote afstanden traag. Dat je de geur van soep tot in de gang ruikt, komt vooral door luchtstromingen; diffusie alleen zou er veel langer over doen.

Diffusie is overal in de natuur. Een theezakje kleurt het water, ook zonder roeren. Zuurstof gaat in je longen vanuit de lucht naar je bloed (hoofdstuk 29), en koolstofdioxide gaat door kleine openingen in een blad naar binnen (hoofdstuk 27). Over zulke kleine afstanden werkt diffusie razendsnel.

net ingedruppeldeven laterna een tijd
De rode kleurstofdeeltjes beginnen samen en raken door de botsingen over het hele glas verspreid.
Uitleg · 6.10

Uitzetten en krimpen

10/16

Warm je een stof op, dan bewegen de deeltjes heviger en duwen ze elkaar iets verder weg: de stof neemt meer ruimte in. Ze zet uit. Koelt ze af, dan krimpt ze. Dat geldt voor vaste stoffen, vloeistoffen en gassen:

  • Gassen zetten het sterkst uit: een halflege ballon in de zon wordt bol.
  • Vloeistoffen zetten minder uit: de vloeistof in een thermometer stijgt in het smalle buisje als ze warmer wordt. Zo werkt de thermometer uit hoofdstuk 3.
  • Vaste stoffen zetten het minst uit, maar met enorme kracht: een stalen balk die niet kan uitzetten, duwt hard genoeg om beton te laten barsten.

Daarom laten ingenieurs ruimte. In een brug zitten voegen (uitzettingsvoegen of dilatatievoegen): openingen tussen twee delen van het brugdek, vaak met 'vingers' die in elkaar grijpen. Rijd je over een brug, dan voel je ze als een kleine schok. Vroeger lieten spoorlopers kleine openingen tussen de spoorstaven: vandaar het 'tadam-tadam' van de trein. Vandaag worden spoorstaven meestal aan elkaar gelast en stevig vastgezet, zodat ze niet kunnen uitzetten; het staal zit dan onder spanning, en bij extreme hitte kan een spoor toch zijdelings uitknikken.

Hoeveel een stof uitzet, hangt af van het materiaal:

materiaaleen staaf van 1 m wordt per °C langer met
staal0,012 mm
beton0,012 mm
aluminium0,023 mm
glas0,009 mm
polycarbonaat0,065 mm
De deeltjes worden groter

Bij uitzetten worden de deeltjes zelf niet groter: ze bewegen heviger en de afstand ertussen wordt groter. Het is dezelfde hoeveelheid stof, met dezelfde massa, in een groter volume.

koud: dicht bij elkaarwarm: de deeltjes trillen meer ennemen meer plaats in
Warmer: dezelfde deeltjes trillen heviger en staan iets verder uit elkaar. In werkelijkheid is het verschil veel kleiner.
winter: koud, brugdek korterbovenaanzichtzomer: warm, brugdek langerbovenaanzicht
De vingers van beide brugdelen schuiven in elkaar: in de zomer is de spleet klein, in de winter groot.
Uitgewerkt voorbeeld · 6.11

Hoeveel langer worden een brug en een kasplaat?

11/16

(a) Een stalen brugdek is 80 m lang. Op een winternacht is het staal −20 °C, in de zomerzon kan het 50 °C worden. Hoeveel verschilt de lengte? (b) De lange wand van de meetkas is een plaat polycarbonaat van 1,20 m, vastgeschroefd op een aluminium frame. In de kas varieert de temperatuur tussen −5 °C en 45 °C. Hoeveel verandert de lengte van de plaat, en van het frame? Wat betekent dat voor de schroeven?

Gegeven
  • staal: 0,012 mm per m per °C; brug 80 m; van −20 tot 50 °C
  • polycarbonaat: 0,065 mm per m per °C; aluminium: 0,023 mm per m per °C; 1,20 m; van −5 tot 45 °C
Gevraagd
  • lengteverschil van de brug
  • lengteverschil van plaat en frame
Oplossing
  1. 1
    Rekenregel: verlenging = (verlenging per m per °C) × lengte in m × temperatuurverschil in °C.
  2. 2
    (a) Temperatuurverschil: van −20 tot 50 °C is °C. Verlenging: , bijna 7 cm. De voeg moet dus minstens 7 cm kunnen openen en sluiten.
  3. 3
    (b) Temperatuurverschil: °C. Plaat: . Frame: .
  4. 4
    De plaat verandert meer dan het frame. Schroef je ze aan beide uiteinden vast in krappe gaten, dan gaat de plaat in de zomer bol staan of scheurt ze rond de schroeven. De oplossing: gaten in de plaat die groter zijn dan de schroef (of sleufgaten), zodat de plaat kan schuiven.
Antwoord
(a) ongeveer 67 mm, bijna 7 cm; (b) plaat 3,9 mm, frame 1,4 mm: de plaat moet 2,5 mm ten opzichte van het frame kunnen bewegen.
Klopt dit? Een brug van 80 m die 7 cm verandert: dat is minder dan een duizendste van haar lengte, maar genoeg om beton te breken als er geen voeg is. Kunststof zet ongeveer vijf keer zoveel uit als staal: daarom schrijven fabrikanten van polycarbonaat grotere boorgaten voor.
Uitleg · 6.12

Condens op de kaswand

12/16

Op een heldere nacht koelt de meetkas af. 's Morgens hangen er druppels aan de binnenkant van de wanden en het dak. Lekt de kas? Nee: het water komt uit de lucht in de kas zelf.

Lucht bevat altijd wat onzichtbare waterdamp. In de kas is dat veel: de planten verdampen water door hun bladeren (hoofdstuk 27), en ook de natte grond en het reservoir verdampen water. Maar lucht kan niet onbeperkt waterdamp bevatten, en hoe kouder de lucht, hoe minder:

temperatuur (°C)051015202530
maximum waterdamp (g/m³)4,86,89,412,817,323,030,3

's Avonds is de kaslucht 20 °C en bevat ze 12 g waterdamp per m³: ongeveer 70 % van het maximum (17,3 g/m³). 's Nachts koelt de wand af tot 10 °C. De lucht die tegen de wand afkoelt, kan bij 10 °C maar 9,4 g/m³ bevatten. De rest condenseert: de waterdeeltjes vertragen tegen de koude wand, blijven aan elkaar hangen en vormen druppels. De temperatuur waarbij dat begint, heet het dauwpunt: voor de kaslucht ongeveer 14 °C.

Is condens erg? Druppels houden licht tegen en vallen op de bladeren, waar ze schimmels een kans geven. Maar ze zijn ook nuttig: het water gaat niet verloren en druipt terug naar de grond. In een gesloten ruimte, zoals een ruimtestation, wordt condens net opgevangen en hergebruikt.

Het water komt door het glas

Een glas ijswater 'zweet' aan de buitenkant. Het water komt niet door het glas: kleur je het water blauw, dan zijn de druppels buiten toch kleurloos, en het glas wordt zelfs zwaarder. Het water komt uit de lucht die tegen het koude glas afkoelt (opdracht 6.9).

buiten: 6 °C, heldere nachtbinnen: 20 °C, vochtige luchtwaterdamp condenseert op de koude wandwarmtewand: 10 °Ccondens
Warme, vochtige lucht binnen, een koude wand: de waterdamp condenseert aan de binnenkant.
051015202530350510152025303540T (°C)waterdamp (g/m³)≈ 14 °C20 °C, 12 g/m³maximum: zoveel waterdamp kan 1 m³ lucht bevattenkaslucht om 20 uur
Hoe kouder de lucht, hoe minder waterdamp ze kan bevatten. De kaslucht (rood punt) raakt de kromme bij ongeveer 14 °C.
Uitgewerkt voorbeeld · 6.13

Hoeveel water condenseert er in de meetkas?

13/16

De meetkas bevat 576 L lucht (1,20 m × 0,60 m × 0,80 m). 's Avonds is de lucht 20 °C en bevat ze 12 g waterdamp per m³. (a) Hoeveel gram waterdamp zit er in de kaslucht? (b) Stel dat 's nachts alle kaslucht afkoelt tot 10 °C. Hoeveel water condenseert er dan? (c) De planten verbruiken samen ongeveer 1,8 L water per dag, en verdampen bijna alles daarvan. Wat besluit je?

Gegeven
  • volume:
  • 12 g/m³ waterdamp bij 20 °C
  • maximum bij 10 °C: 9,4 g/m³
  • verbruik van de planten: 1,8 L per dag
Gevraagd
  • waterdamp in de kaslucht
  • condens bij 10 °C
  • besluit
Oplossing
  1. 1
    (a) waterdamp: minder dan een eetlepel water.
  2. 2
    (b) Bij 10 °C kan er maar 9,4 g/m³ in de lucht blijven. Per m³ condenseert . Voor de hele kas: .
  3. 3
    (c) De planten verdampen elke dag ongeveer 1,8 L = 1800 g water: honderden keren meer dan wat er op één moment in de lucht zit. De lucht is dus maar een tussenstation. In een gesloten kas komt het meeste verdampte water uiteindelijk als condens op de koude wanden terecht, vooral 's nachts en 's morgens.
Antwoord
(a) ongeveer 6,9 g; (b) ongeveer 1,5 g; (c) het meeste water van de planten komt via verdampen en condenseren terug: de kas is een kleine waterkringloop.
Klopt dit? De waarde 1,5 g lijkt klein naast de druppels die je 's morgens ziet. Dat klopt: de planten blijven ook 's nachts wat water verdampen, en de grond ook, zodat er voortdurend nieuwe waterdamp bijkomt die op de wand condenseert. Hoeveel precies, meet je in Intermediate met een vochtigheidssensor.
Uitleg · 6.14

De grenzen van het deeltjesmodel

14/16

Het deeltjesmodel verklaart veel met weinig: toestanden, faseovergangen, uitzetten, diffusie, condens. Maar het is een model, en elk model heeft grenzen.

het model verklaarthet model verklaart niet
waarom een vaste stof haar vorm houdt en een gas elk vat vultwaarom water bij 0 °C smelt en ijzer pas bij 1538 °C: daarvoor moet je weten hoe sterk de deeltjes elkaar aantrekken, en waarom
waarom de temperatuur tijdens smelten en koken gelijk blijftwaarom water uitzet als het bevriest, terwijl bijna alle andere stoffen dan krimpen
uitzetten, krimpen, diffusie, condenswat de deeltjes zelf zijn, waarom metalen stroom geleiden, waarom stoffen een kleur hebben
waarom een gas samendrukbaar ischemische reacties, waarbij de deeltjes zelf veranderen

Het voorbeeld van water is opvallend. Volgens het eenvoudige model zitten de deeltjes in een vaste stof dichter op elkaar dan in de vloeistof, dus zou ijs moeten zinken. Toch drijft ijs, en een fles water die bevriest, barst. Watermoleculen hebben een vorm en een manier van binden waardoor ze in ijs een open rooster vormen. Dat leer je in Intermediate (hoofdstukken 12 en 13), met een uitgebreider model: atomen en moleculen.

Wees ook voorzichtig met tekeningen. Twintig bolletjes stellen geen glas water voor, waarin miljarden miljarden deeltjes zitten. In lucht staan de deeltjes gemiddeld zo'n tien keer hun eigen grootte uit elkaar, veel verder dan wij ze tekenen. En echte deeltjes zijn geen gekleurde knikkers.

Een model is gereedschap

Wetenschappers vragen niet of een model 'waar' is, maar of het werkt: verklaart het wat we zien, en voorspelt het iets wat we kunnen nameten? Werkt het niet meer, dan maken ze een beter model. Het deeltjesmodel is het eerste van een reeks, en het blijft handig, ook als je later de betere kent.

IJs drijft en een bevroren fles barst: water gedraagt zich anders dan het eenvoudige model voorspelt.
IJs drijft en een bevroren fles barst: water gedraagt zich anders dan het eenvoudige model voorspelt.
Naslag · 6.15

Overzicht: het deeltjesmodel

15/16
afspraak van het modelgevolg
alles bestaat uit heel kleine deeltjeseen deeltje water is ongeveer 0,3 nm; één druppel bevat er ongeveer
deeltjes van één stof zijn gelijkijs, water en stoom bestaan uit dezelfde deeltjes
tussen de deeltjes is lege ruimtegassen zijn samendrukbaar; tussen de deeltjes zit geen lucht
deeltjes bewegen altijdtemperatuur = hoe snel ze gemiddeld bewegen; diffusie
deeltjes trekken elkaar aanvaste stoffen en vloeistoffen houden samen; energie nodig om te smelten en te verdampen
overgangvannaarenergievoorbeeld
smeltenvastvloeibaarerbijijsblokje in een glas; tin in een soldeerbout
stollenvloeibaarvasterafwater in de diepvries; kaarsvet dat hard wordt
verdampenvloeibaargaserbijeen plas die opdroogt; koken
condenserengasvloeibaarerafeen beslagen spiegel; dauw; condens op de kaswand
sublimerenvastgaserbijdroog ijs (vaste CO₂); bevroren wasgoed dat toch droogt
rijpengasvasterafrijp op het gras en op de autoruit; ijsbloemen
stofsmeltpunt (°C)kookpunt (°C)
water0100
ethanol (alcohol)−11478
zuurstof−218−183
ijzer15382862
koolstofdioxidesublimeert bij −78,5 °C

Bij normale luchtdruk. Het absolute nulpunt is −273,15 °C.

materiaaleen staaf van 1 m wordt per °C langer met
staal0,012 mm
beton0,012 mm
aluminium0,023 mm
glas0,009 mm
polycarbonaat0,065 mm
temperatuur (°C)051015202530
maximum waterdamp (g/m³)4,86,89,412,817,323,030,3
vastvloeibaargassmeltenstollenverdampencondenserensublimerenrijpenenergie erbij (opwarmen)energie eraf (afkoelen)
De zes faseovergangen: rood met energie erbij, blauw met energie eraf.
Het geheel · 6.16

Waar het deeltjesmodel naartoe leidt

16/16

Het deeltjesmodel is de basis van de leerlijn Materie en chemie. In Fundamental gebruik je het om dichtheid, mengsels en scheidingstechnieken te verklaren. In Intermediate krijgen de deeltjes een naam en een binnenkant: atomen, moleculen, ionen, en de bindingen ertussen, zodat je ook smeltpunten, geleiding en reacties begrijpt. In Expert reken je met de beweging van de deeltjes zelf: de kinetische gastheorie verbindt de druk en de temperatuur van een gas met de snelheid van zijn deeltjes. Via temperatuur en faseovergangen raakt het model ook de leerlijn Energie.

De opwarmgrafiek met het vlakke stuk bij 100 °C, en waarom extrapoleren daar misloopt.

Dichtheid en waarom ijs drijft: de deeltjes van ijs zitten verder uit elkaar.

Smelt- en kookpunt als stofeigenschap, en de curves van een zuivere stof en een mengsel.

Indampen en destilleren: scheiden met verdampen en condenseren.

Warmte en temperatuur, de kelvinschaal, en warmtegeleiding verklaard met trillende deeltjes.

Verdamping door de bladeren: waar de waterdamp in de kas vandaan komt.

De waterkringloop: verdampen, condenseren en neerslag op wereldschaal.

Wat de deeltjes zijn: atomen en moleculen.

Waarom water zo bijzonder is en waarom ijs drijft.

De energie van smelten en verdampen berekenen: de lengte van de vlakke stukken in de opwarmcurve.

De kinetische gastheorie, luchtvochtigheid en het dauwpunt, nu kwantitatief.

HabitatCondens is een van de eerste dingen die je in de meetkas ziet. In opdracht 6.11 bereken je hoeveel water er condenseert en bedenk je maatregelen: verluchten, isoleren, of het water net opvangen. Noteer in je portfolio ook de uitzetting van de platen (2,5 mm meer dan het frame): bij de werktekening in hoofdstuk 31 teken je de gaten groot genoeg.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

deeltjesmodel
Een model waarin elke stof bestaat uit heel kleine deeltjes met lege ruimte ertussen, die altijd bewegen en elkaar aantrekken.
aggregatietoestand
De toestand waarin een stof zich bevindt: vast, vloeibaar of gas.
faseovergang
Het overgaan van een stof van de ene toestand naar een andere, zoals smelten of condenseren.
smelten
Van vast naar vloeibaar; er moet energie bij. Het omgekeerde is stollen.
verdampen
Van vloeibaar naar gas; er moet energie bij. Gebeurt aan het oppervlak bij elke temperatuur; koken is verdampen in de hele vloeistof bij het kookpunt.
condenseren
Van gas naar vloeibaar; er gaat energie af. Zo ontstaan dauw, een beslagen spiegel en condens op een koude wand.
sublimeren
Van vast rechtstreeks naar gas, zonder te smelten; bv. droog ijs.
rijpen
Van gas rechtstreeks naar vast; bv. rijp op het gras.
temperatuur
Een maat voor hoe snel de deeltjes van een stof gemiddeld bewegen.
absoluut nulpunt
De laagst mogelijke temperatuur, −273,15 °C: de deeltjes bewegen dan zo weinig als mogelijk.
uitzetten
Groter worden door opwarmen, omdat de deeltjes meer bewegen en meer ruimte innemen; de deeltjes zelf worden niet groter.
diffusie
Het vanzelf mengen van stoffen doordat hun deeltjes bewegen, van waar veel deeltjes zijn naar waar er weinig zijn.
dauwpunt
De temperatuur waarbij lucht zoveel waterdamp bevat als ze maximaal kan bevatten; kouder dan dat condenseert er water.
Brownse beweging
Het schokkerig bewegen van kleine korreltjes in water of lucht, doordat onzichtbare deeltjes er van alle kanten tegenaan botsen.
Aan de slag in het werkboek14 opdrachten, van oefenen tot uitdagen