← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Intermediate · Handboek · 14. Reacties en stoichiometrie
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
I14. Reacties en stoichiometrie
IIntermediate · deel I4 · Chemie en materialen

Handboek · hoofdstuk 14Reacties en stoichiometrie

Atomen tellen door te wegen: van de gesloten kolf van Lavoisier tot de CO2 van een liter benzine

Bij een chemische reactie verdwijnen er geen atomen en komen er geen bij: ze worden alleen anders gebonden. Daarom kan je een reactie in een kloppende vergelijking schrijven, en daarom kan je ermee rekenen. Omdat atomen te klein zijn om te tellen, tel je ze door te wegen: met de mol. Zo bereken je hoeveel zuurstof een gasvlam verbruikt, waarom een liter benzine meer dan twee kilogram koolstofdioxide oplevert, en voor Habitat hoeveel CO2 de slaplanten van de kweekruimte opnemen, en waar die vandaan moet komen.

9× uitleg7× uitgewerkt voorbeeld2× proef1× naslag1× verhaal1× het geheel1× code15 opdrachten in het werkboek± 10 lestijden
Methaan en zuurstof worden koolstofdioxide en water: de druppeltjes op de koude lepel zijn reactieproduct.
Methaan en zuurstof worden koolstofdioxide en water: de druppeltjes op de koude lepel zijn reactieproduct.
Na dit hoofdstuk
Uitleg · 14.1

Wat je al weet, en wat nu komt

1/22

In F8 zag je het verschil tussen een mengsel en een reactie: als je zout oplost, blijft het zout bestaan; als je hout verbrandt, ontstaan nieuwe stoffen. In hoofdstuk 12 en 13 leerde je welke atomen er bestaan en hoe ze aan elkaar vastzitten. Nu breng je het samen: bij een reactie breken bindingen en vormen zich nieuwe, en je gaat er precies mee rekenen.

wat je al weetwaarwat er nu bij komt
bij een mengsel blijven de stoffen bestaan; bij een reactie ontstaan nieuwe stoffenF8reacties in formules schrijven
fotosynthese: koolstofdioxide + water → suiker + zuurstofF27dezelfde reactie, kloppend en met getallen
atoommassa's in uhoofdstuk 12de mol: van atomen tellen naar grammen wegen
formules van zouten en moleculenhoofdstuk 13molaire massa's berekenen
energie in joule, energie blijft behoudenF15, hoofdstuk 9energie die vrijkomt of opgenomen wordt bij een reactie
koolstofdioxide en het klimaatF17hoeveel CO2 er uit een liter brandstof komt

In dit hoofdstuk

  • schrijf je reacties als kloppende vergelijkingen, en toon je aan dat de massa behouden blijft;
  • leer je de mol kennen, de eenheid waarmee chemici atomen tellen door te wegen;
  • reken je met reacties: hoeveel gram, hoeveel liter gas;
  • bereken je hoeveel CO2 er uit een liter benzine of diesel komt;
  • onderscheid je reacties die warmte afgeven en reacties die warmte opnemen;
  • reken je voor Habitat uit hoeveel CO2 de planten van de kweekruimte nodig hebben.
Brandende staalwol wordt zwaarder: het ijzer bindt zuurstof uit de lucht. Een reactie, geen verdwijntruc.
Brandende staalwol wordt zwaarder: het ijzer bindt zuurstof uit de lucht. Een reactie, geen verdwijntruc.
Verhaal · 14.2

Lavoisier en de gesloten kolf

2/22

Wie in de achttiende eeuw een stuk metaal lang verhitte, zag het dof worden en een beetje zwaarder. Maar hout dat verbrandde, werd lichter. De meeste chemici verklaarden dat met een onzichtbare stof, het flogiston, dat bij het branden zou ontsnappen.

De Fransman Antoine Lavoisier geloofde alleen wat hij kon wegen. Hij liet de nauwkeurigste balansen van zijn tijd bouwen en deed zijn proeven in gesloten glazen vaten. In 1774 verhitte hij tin in een dichtgesmolten glazen kolf. Het tin werd grijs, maar de kolf met alles erin woog na afloop precies evenveel als ervoor. Pas toen hij de kolf opende, stroomde er lucht naar binnen en werd het geheel zwaarder. Het metaal had dus iets uit de lucht opgenomen. Dat bestanddeel van de lucht, dat Joseph Priestley en Carl Scheele kort voordien apart gemaakt hadden, noemde Lavoisier in 1777 oxygène: zuurstof. Branden en roesten zijn reacties met zuurstof; flogiston bestond niet.

In 1783 toonde hij dat water geen element is maar een verbinding van waterstof (dat hij zo noemde: 'watermaker') en zuurstof. In zijn leerboek van 1789 schreef hij de regel op die sindsdien de basis is van alle scheikunde: bij een reactie gaat geen massa verloren en komt er geen bij. Zijn vrouw, Marie-Anne Paulze Lavoisier, werkte mee in het labo, hield de metingen bij en tekende de dertien platen met toestellen in dat boek.

Lavoisier was ook belastingpachter voor de koning. Tijdens de Franse Revolutie werd hij daarvoor veroordeeld, en op 8 mei 1794 onthoofd.

Waarom 'gesloten' het verschil maakte

Robert Boyle had al een eeuw eerder metalen in een afgesloten vat verhit, maar hij opende het vat vóór het wegen. Hij zag de massa stijgen en dacht dat vuurdeeltjes door het glas waren gedrongen. Eén detail in de werkwijze, het wegen van het hele gesloten systeem, maakte het verschil tussen een foute en een juiste verklaring.

Balansen, gesloten kolven en veel geduld: het gereedschap waarmee Lavoisier de scheikunde tot een meetwetenschap maakte.
Balansen, gesloten kolven en veel geduld: het gereedschap waarmee Lavoisier de scheikunde tot een meetwetenschap maakte.
Uitleg · 14.3

Wat gebeurt er bij een reactie?

3/22

Bij een chemische reactie verdwijnen stoffen, de beginstoffen, en ontstaan er nieuwe, de reactieproducten, met andere eigenschappen. Je herkent een reactie vaak aan een gas dat ontstaat, een kleur die verandert, een vaste stof die neerslaat, warmte of licht die vrijkomt. Op het niveau van de deeltjes gebeurt er telkens hetzelfde: bindingen breken en nieuwe bindingen vormen zich. De atomen zelf blijven bestaan; ze worden alleen anders gegroepeerd.

Waterstof en zuurstof reageren tot water. Als woordvergelijking: waterstof + zuurstof → water. Met formules, en met de aggregatietoestand erbij (s: vast, l: vloeibaar, g: gas, aq: opgelost in water):

waterstof en zuurstof reageren tot water
Links van de pijl de beginstoffen, rechts de reactieproducten. Het getal vóór een formule is de coëfficiënt: twee moleculen waterstof en één molecule zuurstof geven twee moleculen water.

Omdat er geen atomen verloren gaan, staan links en rechts van de pijl evenveel atomen van elke soort: 4 H en 2 O. Dat is de wet van behoud van massa van Lavoisier, gezien vanuit de atomen: elk atoom heeft zijn eigen massa, dus als alle atomen blijven, blijft ook de totale massa.

HHHH+OOHHOHHO2 H2 + O24 H-atomen, 2 O-atomen2 H2O4 H-atomen, 2 O-atomenreactiebindingen brekenen nieuwe vormen
Twee waterstofmoleculen en een zuurstofmolecule worden twee watermoleculen: tel de bolletjes links en rechts.
Uitleg · 14.4

Reactievergelijkingen kloppend maken

4/22

Een reactievergelijking klopt als er links en rechts evenveel atomen van elke soort staan. Je maakt ze kloppend door coëfficiënten (de getallen vóór de formules) te kiezen. De indices (de kleine getallen in de formules) blijf je van af: die bepalen welke stof het is.

Een werkwijze die bijna altijd lukt:

  1. Schrijf de juiste formules van alle beginstoffen en producten.
  2. Begin met het element dat in de ingewikkeldste formule zit, en maak het in orde met een coëfficiënt.
  3. Doe daarna de andere elementen. Elementen die als enkelvoudige stof voorkomen (O2, H2, Fe), en meestal ook H en O, spaar je voor het laatst: die kan je nog aanpassen zonder de rest te storen.
  4. Kom je op een breuk uit (bijvoorbeeld 7/2 O2), vermenigvuldig dan alle coëfficiënten met de noemer.
  5. Controleer: tel elk element links en rechts, en kijk of de coëfficiënten niet nog te vereenvoudigen zijn.
Een index veranderen om het kloppend te maken

Van H2O maken H2O2, omdat je rechts een zuurstofatoom tekortkomt? Dan schrijf je een andere stof op: waterstofperoxide, een bleekmiddel. De formule ligt vast; alleen het aantal moleculen (de coëfficiënt) kan je kiezen.

2H2Ocoëfficiënt: twee moleculenindex: twee H-atomen in elke molecule=HHOHHO4 H en 2 O
De coëfficiënt telt moleculen, de index telt atomen in één molecule.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.5

Drie vergelijkingen kloppend maken

5/22

Maak kloppend: (a) de verbranding van methaan (aardgas), (b) het roesten van ijzer tot ijzer(III)oxide, (c) de verbranding van octaan C8H18, een bestanddeel van benzine.

Gegeven
Gevraagd
  • de coëfficiënten
Oplossing
  1. 1
    (a) C: 1 links, 1 rechts: in orde. H: 4 links, dus 2 H2O rechts. O: rechts nu , dus 2 O2 links. .
  2. 2
    (b) O: 2 links, 3 rechts. Het kleinste gemene veelvoud is 6: 3 O2 en 2 Fe2O3. Nu staan er rechts 4 Fe, dus 4 Fe links. .
  3. 3
    (c) C: 8 CO2. H: 18 H, dus 9 H2O. O rechts: atomen, dus O2 links. Een breuk: alles maal 2. .
Antwoord
; ; .
Klopt dit? Tel bij (c): links 16 C, 36 H, 50 O; rechts 16 C, 36 H, 32 + 18 = 50 O. Klopt. Merk op hoeveel zuurstof een brandstof als octaan nodig heeft: 12,5 moleculen per molecule octaan.
Proef · 14.6

Blijft de massa behouden als er een gas ontstaat?

6/22
Onderzoeksvraag

Bakpoeder en azijn bruisen: er ontstaat een gas. Wordt het geheel daardoor lichter? En wat als je de reactie in een gesloten fles laat verlopen?

Materiaal
  • PET-fles van 1,5 L met dop
  • 50 mL azijn (5 %)
  • 1,00 g natriumwaterstofcarbonaat (bakpoeder) in een klein reageerbuisje
  • weegschaal tot op 0,01 g
  • veiligheidsbril
VeiligheidVeiligheidsbril. Gebruik niet meer dan 1 g bakpoeder in een gesloten fles van 1,5 L: dan stijgt de druk maar met ongeveer 0,2 bar. Nooit in een glazen fles, nooit met meer poeder. Open de dop langzaam, met de opening van je weg.
285,62 gdop dichtbuisje met1,00 g bakpoeder50 mL azijnweegschaal (0,01 g)
Zolang de dop dicht is, weegt de weegschaal alle atomen: voor, tijdens en na de reactie.
Werkwijze
  1. 1Giet de azijn in de fles. Zet het buisje met bakpoeder rechtop in de fles, zodat het nog niet in de azijn valt.
  2. 2Draai de dop dicht. Weeg de fles met alles erin.
  3. 3Kantel de fles zodat het bakpoeder in de azijn valt. Wacht tot het bruisen stopt en weeg opnieuw.
  4. 4Draai de dop langzaam open. Weeg meteen, en nog eens na 10 minuten (af en toe zacht walsen).
Waarneming
momentmassa (g)
voor de reactie, dop dicht285,62
na de reactie, dop dicht (fles voelt hard aan)285,62
meteen na het openen285,24
10 minuten na het openen285,13

Voorbeeldmeting. In de gesloten fles verandert de massa niet, op de laatste decimaal na. Na het openen daalt ze met ongeveer een halve gram.

Verklaring

De reactie is . In de gesloten fles blijven alle atomen binnen: de massa blijft gelijk, ook al is er een gas ontstaan. Het gas duwt wel tegen de wand: de fles wordt hard. Open je de fles, dan ontsnapt de koolstofdioxide en daalt de massa. Uit 1,00 g bakpoeder ontstaat 0,52 g koolstofdioxide (dat reken je verderop in dit hoofdstuk zelf uit). Na tien minuten is er 0,49 g weg: een klein deel van het gas blijft opgelost in de vloeistof of hangt nog in de fles, want koolstofdioxide is zwaarder dan lucht.

De fles wordt hard, de weegschaal blijft staan.
De fles wordt hard, de weegschaal blijft staan.
Uitleg · 14.7

De mol: atomen tellen door te wegen

7/22

In de vergelijking reageert één molecule methaan met twee moleculen zuurstof. Maar hoeveel gram zuurstof heb je nodig voor een gram methaan? Moleculen kan je niet tellen: een druppel water bevat er al ongeveer . Wel kan je wegen, zoals een bank munten niet telt maar weegt.

Chemici spraken daarom een 'pakje' af met een vast, gigantisch aantal deeltjes: de mol. Eén mol bevat precies

de constante van Avogadro
Sinds 2019 is dit getal exact vastgelegd: het definieert de mol. Het is zo gekozen dat 1 mol koolstof-12-atomen (vrijwel precies) 12 g weegt.

Het slimme aan dat getal: de massa van één mol van een stof in gram is dezelfde als de massa van één deeltje in u (hoofdstuk 12). Een koolstofatoom weegt gemiddeld 12,011 u, dus één mol koolstof weegt 12,011 g. Een watermolecule weegt , dus één mol water weegt 18,015 g, een slokje van 18 mL. Die massa per mol heet de molaire massa , in g/mol.

hoeveelheid stof
de hoeveelheid stof in mol, de massa in g, de molaire massa in g/mol, het aantal deeltjes.

Het schema hieronder vat alle omrekeningen van dit hoofdstuk samen. De mol staat in het midden: wie met reacties rekent, rekent altijd via de mol.

Een gevoel voor de mol

Een mol zandkorrels van 0,3 mm zou heel België bedekken onder een laag van ongeveer een halve kilometer. Een mol watermoleculen is maar 18 mL: een slokje. Zo klein zijn moleculen.

massa min gramhoeveelheid stof nin molaantal deeltjes Natomen, moleculen,ionenvolume gas Vin liter, bij gekendeT en p÷ M× M× NA÷ NA× Vm÷ Vm
Gram ↔ mol met de molaire massa M, mol ↔ deeltjes met de constante van Avogadro, mol ↔ liter gas met het molair volume.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.8

Molaire massa's berekenen

8/22

Bereken de molaire massa van koolstofdioxide CO2, glucose C6H12O6 en calciumnitraat-tetrahydraat Ca(NO3)2·4H2O, het calciumzout van de voedingsoplossing.

Gegeven
  • atoommassa's: H 1,008; C 12,011; N 14,007; O 15,999; Ca 40,078 (u, of g/mol)
Gevraagd
  • in g/mol
Oplossing
  1. 1
    Tel de atomen in de formule en tel hun atoommassa's op. CO2: .
  2. 2
    C6H12O6: .
  3. 3
    Haakjes: (NO3)2 betekent 2 N en 6 O. Het kristalwater 4H2O telt mee: 8 H en 4 O. Samen: 1 Ca, 2 N, 10 O, 8 H.
  4. 4
    .
Antwoord
; ; .
Klopt dit? Zonder kristalwater zou calciumnitraat 164,09 g/mol wegen. Wie het kristalwater vergeet, rekent met een verkeerde molaire massa en doseert 30 % te weinig calcium. Op het etiket van een meststof staat daarom altijd welke vorm het is.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.9

Van gram naar mol naar deeltjes

9/22

(a) Hoeveel mol en hoeveel moleculen water zitten er in een glas van 250 g? (b) Een theelepel keukenzout weegt ongeveer 6,0 g. Hoeveel mol NaCl is dat, en hoeveel natriumionen?

Gegeven
  • ,
  • ,
Gevraagd
  • en
Oplossing
  1. 1
    (a) .
  2. 2
    moleculen.
  3. 3
    (b) NaCl. Elke 'formule-eenheid' NaCl bevat één Na+, dus natriumionen: ionen, en evenveel chloride-ionen.
Antwoord
(a) 13,9 mol, watermoleculen; (b) 0,103 mol NaCl, natriumionen.
Klopt dit? Snelle schatting: 18 g water is 1 mol, dus 250 g is ongeveer 250/18 ≈ 14 mol. De eenheden kloppen: g gedeeld door g/mol geeft mol; mol maal 1/mol geeft een aantal.
Code · 14.10

Python: een molaire-massarekenaar

10/22

Molaire massa's uitrekenen is telwerk, en telwerk laat je aan een computer over. Het moeilijkste is de formule lezen: een element is een hoofdletter met soms een kleine letter erachter (Ca, Cl), een getal erna is het aantal, en haakjes vermenigvuldigen alles ertussen. De functie tel_atomen leest de formule teken per teken en houdt voor elk niveau van haakjes een woordenboek bij, op een stapel. Kristalwater schrijf je met een sterretje: MgSO4*7H2O.

Pythonmolmassa.py53 regelsDownload
# molmassa.py - molaire massa uit een formule, ook met haakjes en kristalwaterATOOMMASSA = {"H": 1.008, "C": 12.011, "N": 14.007, "O": 15.999, "Na": 22.990, "Mg": 24.305,              "P": 30.974, "S": 32.06, "Cl": 35.45, "K": 39.098, "Ca": 40.078, "Fe": 55.845, "Cu": 63.546}  def lees_getal(tekst, i):    """Leest een getal vanaf positie i. Staat er geen getal, dan is het 1."""    j = i    while j < len(tekst) and tekst[j].isdigit():        j += 1    getal = int(tekst[i:j]) if j > i else 1    return getal, j  def tel_atomen(formule):    """Ca(NO3)2 -> {'Ca': 1, 'N': 2, 'O': 6}"""    stapel = [{}]                             # een woordenboek per niveau van haakjes    i = 0    while i < len(formule):        teken = formule[i]        if teken == "(":            stapel.append({})            i += 1        elif teken == ")":            getal, i = lees_getal(formule, i + 1)            groep = stapel.pop()            for el, aantal in groep.items():                stapel[-1][el] = stapel[-1].get(el, 0) + aantal * getal        else:                                 # element: een hoofdletter, soms gevolgd door een kleine letter            el = teken            i += 1            if i < len(formule) and formule[i].islower():                el += formule[i]                i += 1            getal, i = lees_getal(formule, i)            stapel[-1][el] = stapel[-1].get(el, 0) + getal    return stapel[0]  def molaire_massa(formule):    """Molaire massa in g/mol. Kristalwater mag met een sterretje: MgSO4*7H2O."""    totaal = 0.0    for stuk in formule.replace("·", "*").split("*"):        factor, i = lees_getal(stuk, 0)            # de 7 in 7H2O        for el, aantal in tel_atomen(stuk[i:]).items():            totaal += factor * aantal * ATOOMMASSA[el]    return totaal  if __name__ == "__main__":    for f in ["H2O", "CO2", "C6H12O6", "C8H18", "NaHCO3", "Ca(NO3)2", "Ca(NO3)2*4H2O",              "MgSO4*7H2O", "KH2PO4", "(NH4)2SO4"]:        print(f"{f:15s} {molaire_massa(f):8.2f} g/mol")

Uitvoer (gedraaid bij het bouwen van deze pagina):

H2O                18.02 g/mol
CO2                44.01 g/mol
C6H12O6           180.16 g/mol
C8H18             114.23 g/mol
NaHCO3             84.01 g/mol
Ca(NO3)2          164.09 g/mol
Ca(NO3)2*4H2O     236.15 g/mol
MgSO4*7H2O        246.47 g/mol
KH2PO4            136.08 g/mol
(NH4)2SO4         132.13 g/mol

Deze pagina rekent zelf ook met die functie: de tabel met molaire massa's in het overzicht, de CO2 per kilogram brandstof en de grafieken van dit hoofdstuk komen er allemaal uit. In opdracht 14.10 breid je het programma uit met het massapercentage van elk element.

Uitleg · 14.11

Rekenen met reacties: de molverhouding

11/22

De coëfficiënten van een kloppende vergelijking zeggen in welke verhouding deeltjes reageren. Omdat een mol altijd hetzelfde aantal deeltjes bevat, is dat meteen ook de verhouding in mol: de molverhouding. In reageert 1 mol methaan met 2 mol zuurstof tot 1 mol koolstofdioxide en 2 mol water. In gram is die verhouding niet 1 : 2 : 1 : 2, want elke stof heeft een andere molaire massa. Daarom reken je altijd via de mol, in vier stappen:

  1. Schrijf de kloppende reactievergelijking.
  2. Reken het gegeven om naar mol: (of voor een gas ).
  3. Gebruik de molverhouding om het aantal mol van de gevraagde stof te vinden.
  4. Reken dat om naar wat gevraagd is: (of ).

Een overzichtelijke manier om dat op te schrijven, is een rekentabel onder de vergelijking, met per stof de coëfficiënt, het aantal mol, de molaire massa en de massa (volgend blad). Dit rekenen met hoeveelheden bij reacties heet stoichiometrie, van het Griekse stoicheion, 'bestanddeel', en metron, 'maat'.

Als er van één beginstof te veel is

Beginstoffen zijn zelden precies in de juiste verhouding aanwezig. De stof die als eerste op is, heet de beperkende stof: zij bepaalt hoeveel product er ontstaat, de rest blijft over. Bij de fles met bakpoeder was er azijn genoeg voor 3,5 g bakpoeder: het bakpoeder (1,00 g) was beperkend. Reken dus eerst uit welke stof op raakt (opdracht 14.13).

stap 1kloppendereactievergelijkingstap 2gegeven omrekenennaar molstap 3molverhouding uitde coëfficiëntenstap 4mol omrekenen naarhet gevraagde
Stap 3 is het hart van elke berekening: de molverhouding komt uit de coëfficiënten.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.12

Hoeveel zuurstof verbruikt een gasvlam?

12/22

Een gasbrander verbrandt 16,0 g methaan volledig. Hoeveel gram zuurstof verbruikt hij, en hoeveel gram koolstofdioxide en water ontstaat er?

Gegeven
Gevraagd
  • , ,
Oplossing
  1. 1
    Stap 1: de vergelijking is kloppend. Molverhouding 1 : 2 : 1 : 2.
  2. 2
    Stap 2: .
  3. 3
    Stap 3: ; ; .
  4. 4
    Stap 4: ; ; . In een rekentabel:
    CH4O2CO2H2O
    coëfficiënt1212
    n (mol)0,9971,9950,9971,995
    M (g/mol)16,0432,0044,0118,02
    m (g)16,063,843,935,9
Antwoord
De vlam verbruikt 63,8 g zuurstof en maakt 43,9 g koolstofdioxide en 35,9 g water.
Klopt dit? Massabehoud: links , rechts . Klopt. De vlam verbruikt vier keer zoveel zuurstof als brandstof: een gasvuur in een kleine, slecht verluchte ruimte maakt de lucht snel arm aan zuurstof.
Uitleg · 14.13

Gassen: het molair volume

13/22

Gassen hebben een eigenaardigheid die vaste stoffen en vloeistoffen niet hebben. In 1811 stelde Amedeo Avogadro dat gelijke volumes van gassen, bij dezelfde temperatuur en druk, evenveel deeltjes bevatten, welk gas het ook is. In een gas zitten de deeltjes zo ver uit elkaar (F6) dat hun eigen grootte er niet toe doet: alleen hun aantal telt. Eén mol van elk gas neemt dus hetzelfde volume in: het molair volume .

molair volume bij 1013 hPa
Warmere gassen zetten uit: is recht evenredig met de absolute temperatuur (in kelvin). Bij een lagere druk is groter. Hoe je dat precies berekent, zie je in hoofdstuk E14 (de ideale gaswet).

In dit hoofdstuk rekenen we bij kamertemperatuur (20 °C) met 24,1 L/mol, of afgerond 24 L/mol. Eén mol koolstofdioxide (44 g) en één mol waterstof (2 g) nemen allebei ongeveer 24 L in; daarom is koolstofdioxide 22 keer zo zwaar als waterstof, per liter.

Alleen voor gassen

Een mol vloeibaar water is 18 mL, een mol ijzer 7 mL. Het molair volume geldt alleen voor gassen, en je moet er altijd de temperatuur bij zeggen.

051015202530354022,022,523,023,524,024,525,025,526,0temperatuur (°C)molair volume (L/mol)0 °C: 22,420 °C: 24,125 °C: 24,5ideaal gas bij 1013 hPa
Hoe warmer, hoe meer ruimte een mol gas inneemt: van 22,4 L bij 0 °C tot 24,5 L bij 25 °C.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.14

Hoeveel gas uit een gram bakpoeder?

14/22

In de proef met de gesloten fles reageerde 1,00 g natriumwaterstofcarbonaat volledig met azijn. Hoeveel gram en hoeveel liter koolstofdioxide ontstond er bij 20 °C? Met hoeveel procent stijgt de druk in de fles, die 1,45 L lucht bevatte?

Gegeven
  • ,
  • bij 20 °C
Gevraagd
  • en
  • de drukstijging
Oplossing
  1. 1
    . Molverhouding 1 : 1, dus .
  2. 2
    ; (bij de gewone luchtdruk).
  3. 3
    In de gesloten fles kan het gas niet uitzetten. In dezelfde ruimte zitten nu meer deeltjes, die dus 20 % vaker tegen de wand botsen (F6): de druk stijgt met ongeveer 20 %, van 1,0 tot 1,2 bar.
Antwoord
0,524 g koolstofdioxide, 0,29 L bij 20 °C; in de gesloten fles stijgt de druk met ongeveer 0,2 bar.
Klopt dit? De gemeten massadaling na tien minuten (0,49 g) ligt net onder de berekende 0,52 g: niet al het gas was al ontsnapt. Met 5 g bakpoeder (en azijn genoeg) zou de druk op ongeveer 2 bar komen: daarom de veiligheidsregel bij de proef.
Uitleg · 14.15

Verbranding

15/22

Een verbranding is een reactie van een stof met zuurstof waarbij veel energie vrijkomt, als warmte en licht. Brandstoffen als aardgas, benzine, diesel, hout en kaarsvet bestaan vooral uit koolstof en waterstof. Bij een volledige verbranding, met zuurstof genoeg, wordt alle koolstof koolstofdioxide en alle waterstof water:

volledige verbranding van propaan (campinggas)

Is er te weinig zuurstof, dan verloopt de verbranding onvolledig. Dan ontstaat ook koolstofmonoxide CO, en zelfs zuivere koolstof: roet. Een gasvlam met genoeg lucht brandt blauw; een vlam met te weinig lucht wordt geel en walmt.

onvolledige verbranding van methaan
Koolstofmonoxide: geurloos en dodelijk

CO bindt zich ongeveer tweehonderd keer sterker aan het hemoglobine in je bloed dan zuurstof, en verdringt zo de zuurstof. Je ruikt het niet en je ziet het niet. Een slecht afgestelde geiser of kachel in een slecht verluchte ruimte kan dodelijk zijn: in België komen er elk jaar mensen om. Daarom hangt er naast elk verbrandingstoestel een CO-melder, en brandt in Habitat niets in een afgesloten ruimte.

Waarom meer CO2 dan brandstof? Elk koolstofatoom (12 u) haalt twee zuurstofatomen (samen 32 u) uit de lucht en wordt een molecule CO2 van 44 u: 3,67 keer zo zwaar. Een brandstof die voor 84 % uit koolstof bestaat, zoals octaan, levert zo meer dan drie kilogram CO2 per kilogram. Waterstof bevat geen koolstof: bij zijn verbranding ontstaat alleen water. Ethanol bevat al zuurstof en levert minder CO2 per kilogram, maar ook minder energie.

01234kg CO2 per kg brandstof01,912,742,993,083,113,66waterstofethanolmethaanpropaanoctaancetaankoolstof
Berekend uit de formules met de molaire-massarekenaar van dit hoofdstuk, bij volledige verbranding.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.16

Hoeveel CO2 uit een liter benzine en een liter diesel?

16/22

Een auto verbruikt benzine. Hoeveel kilogram koolstofdioxide komt er vrij als hij één liter verbrandt? Benzine is een mengsel van vele koolwaterstoffen; reken met octaan C8H18 als model, met de dichtheid van benzine: 0,745 kg/L. Doe hetzelfde voor diesel, met cetaan C16H34 als model en 0,835 kg/L. Vergelijk met de officiële omrekenfactoren, ongeveer 2,3 kg/L voor benzine en 2,6 kg/L voor diesel.

10 cm1,08 m1 L benzine0,745 kg2,30 kg CO2= 1255 L gas (20 °C)(1,26 m³)
Op schaal: de liter benzine (kubus van 10 cm) wordt een kubus CO2 van meer dan een meter.
Gegeven
  • benzine: , model C8H18,
  • diesel: , model C16H34,
Gevraagd
  • per liter
Oplossing
  1. 1
    Stap 1: . Molverhouding octaan : CO2 = 2 : 16 = 1 : 8.
  2. 2
    Stap 2: een liter benzine weegt 745 g: .
  3. 3
    Stap 3: .
  4. 4
    Stap 4: . Als gas bij 20 °C: .
  5. 5
    Diesel: , verhouding 1 : 16. ; ; .
Antwoord
Eén liter benzine levert ongeveer 2,30 kg CO2 (1,26 m³ gas), één liter diesel ongeveer 2,60 kg. Dat klopt met de officiële waarden van 2,3 en 2,6 kg per liter.
Klopt dit? Een liter diesel geeft meer CO2 dan een liter benzine, vooral omdat diesel dichter is: per kilogram brandstof zijn ze bijna gelijk (3,08 en 3,11 kg). Echte diesel bevat ook moleculen met relatief meer koolstof (ringen): met de gemiddelde formule C12H23 vind je 2,64 kg/L. Om één liter benzine te verbranden, is er 2,61 kg zuurstof nodig, uit 9,4 m³ lucht. Een auto die 5,5 L per 100 km verbruikt, stoot per 100 km uit: 126 g per kilometer.
Uitleg · 14.17

Exotherm en endotherm

17/22

Bij elke reactie verandert er ook energie van vorm. Om een binding te breken, moet je energie toevoegen; als er een binding ontstaat, komt er energie vrij. Wat overblijft, bepaalt of de reactie warmte afgeeft of opneemt.

  • Bij een exotherme reactie komt er meer energie vrij bij het vormen van de nieuwe bindingen dan het breken van de oude kostte. De omgeving wordt warmer. Voorbeelden: elke verbranding, roesten (handwarmers met ijzerpoeder), de celademhaling in je lichaam. Eén mol methaan (16 g) geeft bij verbranding 890 kJ, genoeg om 2,7 L water van 20 °C aan de kook te brengen.
  • Bij een endotherme reactie is het omgekeerd: ze neemt energie op uit de omgeving, als warmte of als licht. Voorbeelden: fotosynthese (de energie komt van het licht), het ontbinden van kalk in een kalkoven, en de reactie van citroenzuur met bakpoeder, die merkbaar afkoelt.
fotosynthese: endotherm
Dezelfde hoeveelheid energie komt vrij als de plant (of wie haar opeet) de glucose weer verbrandt, bij de celademhaling.

Waarom brandt papier niet vanzelf, als verbranding toch energie oplevert? Omdat eerst enkele bindingen moeten breken voor de nieuwe zich kunnen vormen. Die drempel heet de activeringsenergie. Een lucifer levert ze; daarna houdt de vrijgekomen warmte de reactie zelf op gang. Hoe temperatuur en katalysatoren die drempel beïnvloeden, zie je in hoofdstuk 34 (enzymen) en E25.

exotherm (bv. verbranding)energiereactieverloopbeginstoffenproductenenergiekomt vrijactiveringsenergieendotherm (bv. fotosynthese)energiereactieverloopbeginstoffenproductenenergieopgenomenactiveringsenergie
Links liggen de producten lager dan de beginstoffen: energie komt vrij. Rechts hoger: energie wordt opgenomen. Beide moeten eerst over de heuvel.
Proef · 14.18

Warm of koud?

18/22
Onderzoeksvraag

Welke van twee reacties geeft warmte af aan het water rondom, en welke neemt er warmte uit op?

Materiaal
  • twee plastic bekers in een isolerende houder (piepschuim)
  • thermometer of temperatuursensor met datalogger
  • A: 50 mL water, 10 g citroenzuur, 10 g natriumwaterstofcarbonaat (bakpoeder)
  • B: 50 mL waterstofperoxide 3 % (apotheek), een koffielepel droge gist
  • roerstaafje, veiligheidsbril
VeiligheidVeiligheidsbril. Citroenzuur irriteert de ogen (GHS07). Waterstofperoxide niet in de ogen of op de huid; beker B schuimt sterk: gebruik een grote beker en zet hem in een schaal.
GHS07citroenzuur:ernstigeoogirritatie
Citroenzuur draagt het uitroepteken: bril op.
Werkwijze
  1. 1Meet de begintemperatuur van het water in beker A. Los het citroenzuur op, voeg het bakpoeder toe en roer. Noteer de laagste temperatuur.
  2. 2Meet de begintemperatuur van het waterstofperoxide in beker B. Voeg de gist toe en roer. Noteer de hoogste temperatuur.
  3. 3Houd in beker B een gloeiende houtspaander net boven het schuim.
Waarneming
begin (°C)uiterste (°C)verschilverder
A: citroenzuur + bakpoeder20,59,8−10,7 °Cbruist
B: waterstofperoxide + gist20,431,6+11,2 °Cschuimt, de spaander vlamt op

Voorbeeldmeting.

Verklaring

Reactie A neemt energie op uit het water: ze is endotherm, en het water koelt af. De bubbels zijn koolstofdioxide, zoals bij de fles met azijn. In B ontbindt waterstofperoxide: . Die reactie is exotherm. Zonder gist verloopt ze heel traag; de gist bevat een enzym, katalase, dat de reactie versnelt zonder zelf verbruikt te worden (hoofdstuk 34). Dat het gas zuurstof is, bewijst de gloeiende spaander die weer opvlamt.

Links wordt het koud, rechts warm, en de zuurstof uit het schuim laat de spaander opvlammen.
Links wordt het koud, rechts warm, en de zuurstof uit het schuim laat de spaander opvlammen.
Uitgewerkt voorbeeld · 14.19

Habitat: hoeveel CO2 eet een slaplant?

19/22

In de kweekruimte van de klimaatmodule groeien 48 kroppen sla in 35 dagen tot een krop van ongeveer 200 g. Sla is voor 95 % water; met de wortels erbij houdt een plant ongeveer 12 g droge stof over. Neem als model voor die droge stof (CH2O)n: de bouwsteen van suiker, zetmeel en cellulose. Hoeveel koolstofdioxide heeft één krop opgenomen, hoeveel zuurstof gaf ze af, en hoeveel CO2 nemen de 48 kroppen samen op per uur licht (16 uur per dag)?

Gegeven
  • droge stof per krop, model CH2O,
  • fotosynthese per bouwsteen:
  • 48 kroppen, 35 dagen, 16 uur licht per dag;
Gevraagd
  • en per krop
  • CO2 per uur voor de hele teelt
Oplossing
  1. 1
    . Molverhouding 1 : 1, dus 0,400 mol CO2 opgenomen en 0,400 mol O2 afgegeven.
  2. 2
    , of gas. .
  3. 3
    Voor 48 kroppen: CO2 per teelt, gemiddeld per dag.
  4. 4
    De planten nemen alleen CO2 op als het licht brandt: per uur, of CO2 per uur.
Antwoord
Eén krop sla neemt ongeveer 17,6 g CO2 op (9,6 L) en geeft 12,8 g zuurstof af. De hele teelt vraagt gemiddeld 1,5 g CO2 per lichtuur.
Klopt dit? Koolstofcontrole: 17,6 g CO2 bevat koolstof, en droge plantenstof bestaat inderdaad voor ongeveer 40 % uit koolstof (). Het is een gemiddelde: jonge plantjes nemen weinig op, grote kroppen in de laatste week veel meer.
Uitleg · 14.20

Habitat: waar haalt de kweekruimte haar CO2?

20/22

De kweekruimte van de klimaatmodule is binnen 2,40 m × 2,00 m × 2,40 m: 11,5 m³ lucht. Buitenlucht bevat vandaag ongeveer 425 ppm koolstofdioxide (0,0425 %). In de kweekruimte zit dus CO2, of 9,0 g. De planten nemen 0,82 L per uur op: de concentratie daalt met ongeveer 72 ppm per uur. Zonder verse lucht zakt ze in drie uur tot 200 ppm, en dan valt de groei sterk terug. Een gesloten kweekruimte houdt het dus maar een paar uur vol.

Ventilatie. Wordt er 11 m³ buitenlucht per uur doorgeblazen (ongeveer één keer de ruimte per uur), dan brengt elke kubieke meter die binnenkomt met 425 ppm en buitengaat met 350 ppm CO2 mee: samen 0,82 L per uur, precies wat de planten opnemen. De concentratie zakt dan niet verder dan 350 ppm (grafiek).

Andere bronnen.

  • De bewoners. Een volwassene ademt ongeveer 1 kg CO2 per dag uit, 42 g per uur: veertig keer wat de hele teelt opneemt. De lucht uit de leefruimte door de kweekruimte leiden, is dus een goed idee. Maar in een afgesloten kweekruimte van 11,5 m³ laat één persoon de concentratie met bijna 2000 ppm per uur stijgen; boven ongeveer 1000 ppm voelt lucht bedompt en daalt de concentratie van wie er werkt.
  • Compost en gisting. Bij het afbreken van plantenresten (hoofdstuk 35) en bij gisting van suiker ontstaat CO2 (opdracht 14.14).
  • Verbranding. Glastuinbouwers verbranden aardgas in een warmtekrachtkoppeling en blazen de gezuiverde rookgassen in hun serre; in Nederland brengt een pijpleiding CO2 van een raffinaderij en een bio-ethanolfabriek naar honderden serres. In Habitat verbrandt niets in een gesloten ruimte (koolstofmonoxide).
  • Een fles CO2. Tuinders verrijken tot 800 à 1000 ppm, omdat planten dan sneller groeien. De kweekruimte eenmaal van 425 naar 800 ppm brengen kost 4,3 L (7,9 g); een fles van 2 kg volstaat bij 24 g per dag voor ongeveer 80 dagen. Maar met ventilatie waait die extra CO2 weer naar buiten.
Zuurstof: de rekening klopt niet

De 48 kroppen geven samen 614 g zuurstof af per teelt, 17,5 g per dag. Een mens ademt ongeveer 0,84 kg zuurstof per dag in: de hele teelt levert dus maar 2 % van wat één bewoner nodig heeft. Een station dat zijn lucht met planten wil vernieuwen, heeft tientallen vierkante meter gewassen per bewoner nodig, of een algenreactor (hoofdstuk E31).

01234560100200300400500tijd na het aansteken van de lampen (h)CO2 in de kweekruimte (ppm)buitenlucht 425 ppmgroeigrens ± 200 ppmdicht, niet geventileerdgeventileerd met 11 m³/h
Model: 48 planten nemen 1,5 g CO2 per uur op. Dicht: lineair naar 200 ppm in drie uur. Geventileerd: exponentieel naar 350 ppm.
Een CO 2 -sensor en een ventilator: meer is er niet nodig om de planten genoeg CO 2 te geven.
Een CO2-sensor en een ventilator: meer is er niet nodig om de planten genoeg CO2 te geven.
Naslag · 14.21

Overzicht: reacties en stoichiometrie

21/22
massa en hoeveelheid stof
symboolbetekeniseenheid
hoeveelheid stofmol
massag
molaire massag/mol
aantal deeltjes
symboolbetekeniseenheid
aantal deeltjes–
constante van Avogadromol⁻¹
gassen
symboolbetekeniseenheid
volume van het gasL
molair volumeL/mol
molverhouding bij a A + b B → …
symboolbetekeniseenheid
coëfficiënten in de kloppende vergelijking–
stofformuleM (g/mol)
waterH2O18,02
zuurstofO232,00
koolstofdioxideCO244,01
methaanCH416,04
propaanC3H844,10
octaanC8H18114,23
glucoseC6H12O6180,16
ethanolC2H5OH46,07
natriumchlorideNaCl58,44
natriumwaterstofcarbonaatNaHCO384,01
calciumcarbonaatCaCO3100,09
azijnzuurCH3COOH60,05
kaliumnitraatKNO3101,10
calciumnitraat-tetrahydraatCa(NO3)2·4H2O236,15
magnesiumsulfaat-heptahydraatMgSO4·7H2O246,47
kaliumdiwaterstoffosfaatKH2PO4136,08
brandstof (model)dichtheidCO2 per kgCO2 per liter
benzine (octaan C8H18)0,745 kg/L3,08 kg2,30 kg (1,26 m³)
diesel (cetaan C16H34)0,835 kg/L3,11 kg2,60 kg
aardgas (methaan CH4)0,67 kg/m³ (20 °C)2,74 kg1,83 kg per m³
Habitat: rekenwaarden uit dit hoofdstuk
kweekruimte2,40 × 2,00 × 2,40 m binnen: 11,5 m³ lucht, 9,0 g CO2 bij 425 ppm
slaplant200 g vers, 12 g droge stof; neemt 17,6 g CO2 op, geeft 12,8 g O2 af
teelt van 48 kroppen (35 dagen)844 g CO2: 24 g per dag, 1,5 g (0,82 L) per lichtuur
zonder ventilatie−72 ppm per uur: 200 ppm na ongeveer 3 uur
ventilatie11 m³/h (ongeveer één keer per uur) houdt 350 ppm
een bewonerademt ± 1 kg CO2 per dag uit, ademt ± 0,84 kg O2 in
Het geheel · 14.22

Waar reacties en de mol terugkomen

22/22

De mol is het gereedschap waarmee je in alle verdere chemie rekent: concentraties in mol per liter (zuren en basen), lading per mol (batterijen), energie per mol (thermochemie). Verbranding en fotosynthese verbinden de chemie met energie, klimaat en leven: de koolstof die een plant uit de lucht haalt, gaat terug de lucht in als iemand haar opeet of verbrandt.

Mengsel of reactie; massabehoud bij oplossen.

Fossiele brandstoffen en CO2: hier in kilogram per liter.

De woordvergelijking van fotosynthese wordt een kloppende vergelijking met getallen.

Atoommassa's in u: de basis van de molaire massa.

Formules van zouten en moleculen; bindingen die breken en ontstaan.

Concentraties in mol per liter, neutralisatie en titratie.

Verbranding en roesten als elektronenoverdracht; lading per mol.

De warmte van een reactie opvangen en meten (calorimetrie).

Fotosynthese en celademhaling als reactievergelijking; enzymen als katalysator.

CO2-equivalenten van een product berekenen.

De ideale gaswet: het molair volume bij elke temperatuur en druk.

Reactie-enthalpie, activeringsenergie en reactiesnelheid, kwantitatief.

Een algenreactor die CO2 omzet in zuurstof, met massabalansen.

HabitatVoor Habitat leggen we vast: de kweekruimte van de klimaatmodule is binnen 2,40 × 2,00 × 2,40 m (11,5 m³). Een teelt van 48 kroppen sla neemt 844 g CO2 op in 35 dagen, gemiddeld 1,5 g per lichtuur. Zonder ventilatie zakt de CO2 in drie uur van 425 naar 200 ppm; een ventilatie van 11 m³/h houdt 350 ppm. De uitgeademde lucht van de bewoners (± 1 kg CO2 per persoon per dag) is een bron om te benutten. In opdracht 14.12 ontwerp je de CO2-voorziening; in hoofdstuk 19 blijkt wat die ventilatie in de winter aan warmte kost.
Samenvatting

In het kort

Begrippen

Wat je nu kent

chemische reactie
Een proces waarbij stoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan: de atomen worden anders gebonden.
reactievergelijking
De reactie in formules, met evenveel atomen van elke soort links en rechts van de pijl.
coëfficiënt
Het getal vóór een formule in een reactievergelijking: hoeveel deeltjes (of mol) van die stof.
wet van behoud van massa
Bij een reactie in een gesloten systeem is de massa van de producten gelijk aan die van de beginstoffen.
mol
Hoeveelheid stof met precies deeltjes (de constante van Avogadro ).
molaire massa
De massa van één mol van een stof, in g/mol; getalsmatig gelijk aan de molecuul- of formulemassa in u.
molverhouding
De verhouding waarin stoffen reageren en ontstaan, af te lezen uit de coëfficiënten.
beperkende stof
De beginstof die als eerste op is en daardoor bepaalt hoeveel product er ontstaat.
molair volume
Het volume van één mol gas: bij 1013 hPa 22,4 L bij 0 °C en 24,1 L bij 20 °C.
verbranding
Reactie van een stof met zuurstof waarbij energie vrijkomt; van koolwaterstoffen ontstaan CO2 en water.
exotherme reactie
Reactie waarbij energie vrijkomt naar de omgeving, meestal als warmte.
endotherme reactie
Reactie die energie opneemt uit de omgeving (warmte, licht).
activeringsenergie
De energie die nodig is om een reactie op gang te brengen.
ppm
Parts per million: deeltjes per miljoen. 425 ppm CO2 betekent 425 CO2-moleculen per miljoen deeltjes lucht (0,0425 %).
Aan de slag in het werkboek15 opdrachten, van oefenen tot uitdagen