Handboek · hoofdstuk 31Bioprocestechniek
Groei, voeding, licht en gas op één controleerbare systeemgrens
Een cultuur groeit alleen als materiaal en transport de snelheid kunnen dragen. Je rekent batch, fed-batch en continu met massabehoud door en ontdekt waarom een algenreactor ook licht, koolstof, gaslevering en een echt schaalplan nodig heeft.

- Je berekent Monod-groei en onderscheidt μ van massa per tijd.
- Je leidt batch/fed-batch/continu-balansen af met voeding en oogst.
- Je toetst de simulatie aan massabehoud, positiviteit en stapverfijning.
- Je rekent zuurstofoverdracht en fotoautotrofe element-/lichtbalansen.
- Je ontwerpt schaal- en meetproeven met productkwaliteit, energie en reserve.
Een bioreactor is een begrensd levend proces
Een bioreactor beheerst omstandigheden voor organismen of cellen en hun producten. Een procesvraag vraagt niet alleen ‘hoe snel groeien ze?’, maar ook hoeveel materiaal binnenkomt, wat wordt geoogst, welke energie wordt geleverd en welk gas of afval de grens passeert.
Definieer X als droge biomassa per vloeistofvolume en S als één beperkend substraat per volume. Cellen tellen, optische dichtheid en droogmassa zijn verschillende metingen en vragen een kalibratie. Een donker organisch-substraatmodel en een fotosynthetische algenreactor delen balansprincipes, maar niet automatisch dezelfde μmax, Ks of substraatbetekenis.
Monod koppelt specifieke groei aan een beperking
Een bruikbaar empirisch model is μ(S)=μmax·S/(Ks+S). μ is relatieve biomassatoename per tijd, geen gram per uur; de absolute vormingssnelheid is μXV. Bij S=Ks is μ=μmax/2. Bij veel S nadert het model μmax; bij weinig S wordt groei ongeveer μmax·S/Ks.
Monods bespreking van bacteriële groei (1949) vormt een historische bron. De parameters blijven afhankelijk van cultuur en condities. Lagfase, remming, temperatuur, meerdere beperkingen en onderhoud zijn in deze eenvoudige vorm niet apart gemodelleerd.
Specifieke groei naar een verdubbelingstijd omzetten
- Leswaarden μmax=0,4 h⁻¹, Ks=0,5 g/L, S=1,5 g/L; houd S tijdelijk constant.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1μ=0,4·1,5/(0,5+1,5)=0,30 h⁻¹.
- 2X(t)=X0 e^(μt) zolang deze groeisnelheid gelijk blijft.
- 3tverdubbel=ln2/0,30=2,310 h; bij veel S zou de ondergrens ln2/0,4=1,733 h zijn.
Opbrengst sluit biomassa en substraat aan elkaar
De opbrengst YX/S is gevormde droge biomassa per verbruikt substraat. Neem Y=0,5 g/g als lesgegeven. Zonder onderhoud/afbraak geldt dS/dt=−μX/Y. Daarom d(X+YS)/dt=0 in een gesloten constant volume.
Dit is een X-equivalentenbalans, geen volledige element- of energiebalans: een deel van het substraat kan naar gas, warmte of andere producten gaan. Als onderhoud mS of afbraak kd wordt toegevoegd, moet de extra term in de betreffende balans terechtkomen. Stil een lagere Y kiezen kan niet verklaren waar alle ontbrekende massa heen ging.
Batch: de bronvoorraad begrenst de eindbiomassa
Batch krijgt na starten geen voeding of vloeistofoogst. Groei verbruikt het begin-substraat; zodra dit bijna op is, daalt μ. Voor X0=0,1 en S0=10 g/L met Y=0,5 is de theoretische eindwaarde X0+YS0=5,1 g/L. Het Monod-model nadert uitputting asymptotisch.
Werkelijke stationaire fase kan ook andere oorzaken hebben. Zuurstof, toxische producten, pH of licht kunnen eerder begrenzen. De code hieronder controleert het verstrekte ene-substraatmodel; zij toont geen bewezen opbrengst van een echte stam.
| Batchtoestand | Balans |
|---|---|
| V constant | geen Fin/Fout |
| X stijgt | μ(S)X |
| S daalt | −μ(S)X/Y |
| controle | X+YS blijft constant |
Batch, fed-batch en continu met echte massaboekhouding
Alle vier runs starten bij V=2 L, X=0,1 en S=10 g/L. Fed-batch krijgt 0,05 L/h van Sin=20 g/L. Continu krijgt hetzelfde volume terug uit het vat, met Sin=10 g/L. RK4 en een tweede tijdstap vergelijken alle voorraden op dezelfde halve-uurpunten; de balans telt reactor, cumulatieve voeding én oogst mee.
# reactoren.py — generieke cultuur, niet een werkelijk algenstammodelimport mathimport numpy as npmumax,K,Y=.4,.5,.5 # h^-1, g/L, g droge X per g substraat# Toestand: X g/L, S g/L, V L, cumulatief ingevoerd S g,# afgevoerd X g, afgevoerd S g.def deriv(z,mode): X,S,V,I,HX,HS=z mu=mumax*max(S,0)/(K+max(S,0)) if mode=="batch": fin=fout=0; sin=0 elif mode=="fed": fin=.05; fout=0; sin=20.0 else: fin=fout=float(mode)*V; sin=10.0 return np.array([mu*X-fin/V*X, fin/V*(sin-S)-mu*X/Y, fin-fout,fin*sin,fout*X,fout*S])def sim(mode,dt,tend): z=np.array([.1,10,2,0,0,0],float); rows=[] for j in range(round(tend/dt)+1): if j%round(.5/dt)==0: rows.append((j*dt,*z)) k1=deriv(z,mode); k2=deriv(z+dt*k1/2,mode) k3=deriv(z+dt*k2/2,mode); k4=deriv(z+dt*k3,mode) z+=dt*(k1+2*k2+2*k3+k4)/6 return np.array(rows)runs={}for mode,tend in [("batch",24),("fed",24),(.2,72),(.4,72)]: a=sim(mode,.01,tend); b=sim(mode,.005,tend); runs[mode]=a # g X-equivalent: reactor + afvoer - ingevoerde opbrengst. sluit=a[:,3]*(a[:,1]+Y*a[:,2])+a[:,5]+Y*a[:,6]-Y*a[:,4] print("mode",mode,"eind t/X/S/V/I/HX/HS:",a[-1]) print("max |dt0.01-dt0.005|:",np.max(abs(a[:,1:]-b[:,1:]))) print("balansafwijking g X-equivalent:",np.max(abs(sluit-sluit[0]))) assert np.min(a[:,1:4])>=-1e-10 assert np.max(abs(sluit-sluit[0]))<1e-7Dcrit=mumax*10/(K+10)Dopt=mumax*(1-math.sqrt(K/(K+10)))Sopt=K*Dopt/(mumax-Dopt); Xopt=Y*(10-Sopt)print(f"Dcrit={Dcrit:.8f} Dopt={Dopt:.8f} Sopt={Sopt:.8f} Xopt={Xopt:.8f}")print(f"max productiviteit={Dopt*Xopt:.8f} g/(L h)")mode batch eind t/X/S/V/I/HX/HS: [2.40000000e+01 5.10000000e+00 3.08879268e-48 2.00000000e+00 0.00000000e+00 0.00000000e+00 0.00000000e+00] max |dt0.01-dt0.005|: 1.13189853878648e-08 balansafwijking g X-equivalent: 3.197442310920451e-14 mode fed eind t/X/S/V/I/HX/HS: [24. 6.92253668 0.02992664 3.2 24. 0. 0. ] max |dt0.01-dt0.005|: 1.3561349987423199e-08 balansafwijking g X-equivalent: 2.007283228522283e-12 mode 0.2 eind t/X/S/V/I/HX/HS: [ 72. 4.75000006 0.49999999 2. 288. 105.5850091 77.22998158] max |dt0.01-dt0.005|: 7.37827576813288e-11 balansafwijking g X-equivalent: 8.430589559793589e-12 mode 0.4 eind t/X/S/V/I/HX/HS: [7.20000000e+01 2.50375832e-02 9.94992483e+00 2.00000000e+00 5.76000000e+02 3.11459509e+00 5.70170810e+02] max |dt0.01-dt0.005|: 1.475655153626576e-10 balansafwijking g X-equivalent: 1.6473933328597923e-11 Dcrit=0.38095238 Dopt=0.31271284 Sopt=1.79128785 Xopt=4.10435608 max productiviteit=1.28348486 g/(L h)
Fed-batch: concentratiegroei bevat verdunning
Bij fed-batch komt voeding binnen en blijft vloeistofoogst uit. V'=F, maar de biomassamassa volgt (XV)'=μXV. Productregel: VX'+XV'=μXV, dus X'=(μ−F/V)X. Voor substraat volgt S'=(F/V)(Sin−S)−μX/Y.
Een dalende X-concentratie hoeft dus geen sterfte te betekenen: bij snel groeiend volume kan de totale massa XV stijgen terwijl X daalt. Een bruikbaar voerprofiel kan substraat laag houden en daarmee overbelasting of ongewenste remming beperken; dat vereist passende feedback en een echte limietmeting.
Een eindconcentratie met de ingevoerde massa controleren
- Fed-run 24 h; V0=2 L, F=0,05 L/h, Sin=20 g/L; code geeft X≈6,922537 en S≈0,029927 g/L.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1V=2+0,05·24=3,2 L. Ingevoerd substraat I=0,05·20·24=24 g.
- 2Begin-equivalent V0(X0+YS0)=2(0,1+0,5·10)=10,2 g.
- 3Einde V(X+YS)=3,2(6,922537+0,5·0,029927)≈22,2 g, gelijk aan 10,2+YI=10,2+12.
Continu: groei moet de afvoer compenseren
In een goed gemengd chemostat met constant V geldt Fin=Fout=F en D=F/V. De ingaande voeding bevat hier geen X. Dan X'=(μ−D)X en S'=D(Sin−S)−μX/Y.
Voor een positieve stationaire X* moet μ(S*)=D. Oplossen van Monod geeft S*=KsD/(μmax−D) en X*=Y(Sin−S*). Die positieve oplossing bestaat alleen als S* kleiner is dan Sin. Een stationaire cultuur is dus geen gesloten ecosysteem: haar voeding, afvoer en energie lopen voortdurend door.
Uitwassen begint vóór D de maximale μ bereikt
- μmax=0,4 h⁻¹, Ks=0,5 g/L, Sin=10 g/L, Y=0,5.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1Bij D=0,2 volgt S*=0,5·0,2/(0,4−0,2)=0,5 g/L en X*=0,5(10−0,5)=4,75 g/L.
- 2De grens is Dcrit=μ(Sin)=0,4·10/(0,5+10)=0,380952 h⁻¹.
- 3Bij D=0,4 is μ(Sin)<D; X neemt uiteindelijk af. Na 72 h is de codewaarde nog 0,025038 g/L, niet wiskundig exact nul.
Maximale productiviteit vraagt een tussenwaarde van D
- Productiviteit PX=D X*=Y D[Sin−KsD/(μmax−D)]; dezelfde leswaarden.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1Afleiden en gelijk aan nul zetten geeft Dopt=μmax[1−√(Ks/(Ks+Sin))].
- 2Dopt=0,312713 h⁻¹; Sopt=1,791288 en Xopt=4,104356 g/L.
- 3PX,max=1,283485 g/(L·h). Bij D→0 is afvoer klein; bij uitwassen is X* klein.
Monod-parameters uit snelheden schatten
De zeven punten zijn synthetische μ-metingen bij bekende S. Positief begrensde least squares past de originele μ-vorm; een reciproke linearisatie zou lage snelheden en hun fouten anders wegen. Metingen bij alleen S≫Ks zouden Ks slecht vastleggen, dus meet ook het overgangsgebied.
# monod_fit.py — verstrekte synthetische snelheidsmetingenimport numpy as npfrom scipy.optimize import least_squaresS=np.array([.05,.1,.2,.5,1,2,5]) # g/Lgemeten=.4*S/(.5+S)+np.array([-.001,.002,-.002,.001,.002,-.001,0])fit=least_squares(lambda z:z[0]*S/(z[1]+S)-gemeten, [.35,.4],bounds=([.001,.001],[2,10]))mu,K=fit.xprint(f"mu_max={mu:.6f} h^-1; Ks={K:.6f} g/L")print("residuen:",fit.fun)print("max residu h^-1:",np.max(abs(fit.fun)))print("Geen biologisch betrouwbaarheidsinterval uit alleen deze zeven lespunten.")mu_max=0.399806 h^-1; Ks=0.497468 g/L residuen: [ 1.15042941e-03 -1.74999831e-03 2.35917995e-03 -5.89657517e-04 -1.67874420e-03 1.16900384e-03 -8.99722734e-06] max residu h^-1: 0.0023591799487282517 Geen biologisch betrouwbaarheidsinterval uit alleen deze zeven lespunten.
Zuurstofoverdracht en verbruik vormen een tweede beperking
Voor een aerobe organisch gevoede cultuur kan opgeloste zuurstof worden aangevuld vanuit gas. OTR=kLa(C*−C) in massa/(volume·tijd). OUR=qO2X, als qO2 verbruik per biomassamassa per tijd is. De voorraadbalans C'=OTR−OUR bevat dus een transportterm en een biologische term.
kLa is een effectief product van overdracht en oppervlak, afhankelijk van vat, bellen, menging en medium. Het is geen soortconstante. Een groeimodel dat onbeperkt μ voorspelt terwijl C wegvalt, mist een beperking; voeg passend bewijs en model toe voordat je opschaalt.
Bij dezelfde menging kan extra biomassa zuurstof tekortkomen
- Procesleswaarden C*=8 mg/L, minimale procesconcentratie 2 mg/L, kLa=10 h⁻¹; qO2=0,020 g/(g·h).
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1Beschikbaar bij C=2: 10(8−2)=60 mg/(L·h).
- 2Bij X=2 g/L is OUR=0,020·2=0,040 g/(L·h)=40 mg/(L·h), dus stationair C=8−40/10=4 mg/L.
- 3Bij X=4 wordt OUR=80 mg/(L·h), boven de beschikbare 60. De modelgrens bij Cmin is Xcrit=60/20=3 g/L.
Algen gebruiken licht, koolstof en voedingsstoffen samen
Een fotoautotrofe reactor gebruikt lichtenergie en anorganische koolstof om biomassa op te bouwen. Het bruto fotosynthetisch proces kan O₂ produceren; donkerrespiratie en andere verliezen verminderen de netto levering. Groei in het vat is bovendien nog geen bewezen veilige overdracht van ademgas naar bewoners.
Geef voor een transparante elementbalans de lesbiomassa CH1,8O0,5N0,2 en ammoniak als model-N-bron. Dan sluit CO₂+0,2NH₃+0,6H₂O→CH1,8O0,5N0,2+1,05O₂. Per C-mol: 24,6 g droge biomassa, 44 g CO₂ en 33,6 g O₂. Een echte samenstelling of nitraat-N-bron geeft een andere balans; dit is geen universeel algenequivalent of voedingsprotocol.
De bewonersvraag sluit niet met alleen een zuurstofgetal
- Habitat-rekengegevens per bewoner: 0,84 kg O₂/dag en circa 1,0 kg CO₂/dag; station heeft twee bewoners. Gebruik de gegeven lesbiomassa.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1O₂-vraag=1,68 kg/dag. Opbrengst 33,6/24,6=1,365854 kg O₂/kg droog.
- 2Benodigde nettoproductie 1,68/(33,6/24,6)=1,23 kg droog/dag; CO₂ hiervoor 1,23·44/24,6=2,20 kg/dag.
- 3Alleen de twee bewoners leveren in dit rekengeval 2,00 kg CO₂/dag: maximaal 2·33,6/44=1,527273 kg O₂/dag. Andere afvalkoolstof kan bijdragen, maar haar conversie moet apart in de balans.
Licht maakt reactorvolume niet vrij schaalbaar
Neem een vlak belichte suspensie met I(z)=I0 e^(−κXz), X in g/m³ en κ in m²/g. Licht voor groei verzadigt volgens I/(KI+I). De lokale groeibijdrage middelen is niet hetzelfde als eerst I middelen en daarna de niet-lineaire groeifunctie toepassen.
Bij a=κX volgt analytisch flicht=(1/(aL))·ln[(KI+I0)/(KI+I0 e^(−aL))]. De netto modelgroei is μlicht·flicht−rresp. Met meer diepte wordt het donkerder volume groter; bij voldoende respiratie kan de totale netto opbrengst zelfs afnemen.
Vijf keer dieper levert in dit model minder netto product
Oppervlakte is 1 m², X=0,5 g/L, I0=300 en KI=100 µmol/(m²·s), κ=0,08 m²/g. Lichtbijdrage 0,8/dag omvat 16 h licht met maximaal 0,05/h; respiratie 0,05/dag is al over 24 h gemiddeld. Het LED-budget 100 W/m²×16 h=1,6 kWh/(m²·dag) is een afzonderlijk gegeven scenario, geen fysisch afgeleide lamp-efficiëntie.
# licht_en_gas.py — analytisch geïntegreerde lesmodellenimport mathimport numpy as npI0,KI,kappa,X=300.0,100.0,.08,500.0 # µmol/(m2 s), zelfde, m2/g, g/m3mu_light,resp=.8,.05 # dag^-1; .8 omvat 16 h licht à .05 h^-1gO2,gCO2=33.6/24.6,44/24.6 # kg per kg lesbiomassa CH1.8O0.5N0.2licht=[]for diepte in (.05,.25): a=kappa*X factor=math.log((KI+I0)/(KI+I0*math.exp(-a*diepte)))/(a*diepte) avgI=I0*(-math.expm1(-a*diepte))/(a*diepte) mu=mu_light*factor-resp voorraad=X*diepte/1000 # kg bij oppervlak 1 m2 productie=mu*voorraad O2=productie*gO2 licht.append((diepte,avgI,factor,mu,productie,O2)) print(f"L={diepte:.2f} m Iavg={avgI:.6f} factor={factor:.6f} mu_net={mu:.6f}/d") print(f"droog={productie:.8f} kg/d per m2; O2={O2:.8f} kg/d per m2") print(f"area voor 1.68kgO2/d={1.68/O2:.6f}m2; LED-scenario={1.6*1.68/O2:.6f}kWh/d")print("biomassa voor 1.68kgO2/d:",1.68/gO2,"kg; CO2:",1.68*gCO2/gO2,"kg/d")print("O2-bovengrens bij alleen 2kgCO2/d:",2*gO2/gCO2,"kg/d")Np,rho,N,D,V=5.0,1000.0,5.0,.06,.001 # lesroerwerk, SIP=Np*rho*N**3*D**5Ns=N*10**(-2/3)print("roerwerk P0/P1 bij gelijk N:",P,P*10**5,"W")print("N1 bij gelijk P/V:",Ns,"s^-1; P1",P*1000,"W")print("tipv0/tipv1:",math.pi*N*D,math.pi*Ns*D*10,"m/s")L=0.05 m Iavg=129.699708 factor=0.522771 mu_net=0.368217/d droog=0.00920541 kg/d per m2; O2=0.01257325 kg/d per m2 area voor 1.68kgO2/d=133.617020m2; LED-scenario=213.787233kWh/d L=0.25 m Iavg=29.998638 factor=0.138616 mu_net=0.060893/d droog=0.00761158 kg/d per m2; O2=0.01039631 kg/d per m2 area voor 1.68kgO2/d=161.595848m2; LED-scenario=258.553357kWh/d biomassa voor 1.68kgO2/d: 1.23 kg; CO2: 2.2 kg/d O2-bovengrens bij alleen 2kgCO2/d: 1.5272727272727271 kg/d roerwerk P0/P1 bij gelijk N: 0.48599999999999993 48599.99999999999 W N1 bij gelijk P/V: 1.077217345015942 s^-1; P1 485.99999999999994 W tipv0/tipv1: 0.9424777960769379 2.0305068584529504 m/s
Opschalen vraagt overeenkomende transportvoorwaarden
Geometrisch vergelijkbare vaten met een lengteschaalfactor λ krijgen V×λ³ maar oppervlak×λ². A/V daalt als 1/λ. Warmteafvoer, lichtinval en gasuitwisseling volgen daarom niet automatisch hetzelfde volumevoordeel. Wandgroei, schuim en vervuiling kunnen de praktijk nog wijzigen.
Voor een turbulent lesroerwerk is P=NpρN³d⁵. Houd je toerental N gelijk bij een groter d, dan groeit P/V als λ². Houd je P/V gelijk, dan moet N als λ^(−2/3) dalen, maar de tipsnelheid πNd groeit als λ^(1/3). Menging, gasoverdracht en beschadiging vragen dus meerdere criteria.
Een geometrisch grotere roerder laat de afweging zien
- Lesvat V=1 L, impeller d=0,06 m, N=5 s⁻¹, Np=5, ρ=1000 kg/m³; alle lengten×10.
- Uitkomst, eenheden, balanscontrole en modelgrens.
- 1P0=5·1000·5³·0,06⁵=0,486 W. Het nieuwe vat heeft 1000 L.
- 2Bij dezelfde N wordt P1=P0·10⁵=48,6 kW, honderd keer zoveel P/V.
- 3Bij hetzelfde P/V wordt N1=5·10^(−2/3)=1,077217 s⁻¹ en P1=486 W. Tip stijgt van 0,942478 naar 2,030507 m/s.
Meten en regelen richten zich op beperkingen en product
Volg X met een geschikte biomassakalibratie, S/nutriënten, pH, temperatuur, opgelost gas, licht en debiet. Regeling van pH, gas, licht en voeding kan beperkingen verschuiven; sensoronderhoud en drift horen bij het proces. Meet totale oogst en aangeleverde energie, niet alleen een gunstige momentane X.
Een voedingslus kan een vooraf vastgesteld tekort of overbelasting beperken. Een gaslus mag een O₂-signaal niet als bewijs voor eetbare biomassa behandelen. Voor voedsel zijn cultuuridentiteit, contaminatie, eventuele toxinen, samenstelling, oogst en verwerking eigen kwaliteitsvragen; wilde reservoiralgen zijn geen voedingsproduct.
| Doel | Metingen | Risico bij één signaal |
|---|---|---|
| groei | X, S, V, oogst | concentratie verwarren met massa |
| gas | netto flux, samenstelling, licht/donker | bruto productie als levering tellen |
| voedsel | identiteit/kwaliteit/verwerking | groene kleur als eetbaarheid |
| energie | licht, pomp, menging, warmte | alleen biologische snelheid optimaliseren |
Een bekende lescultuur meten zonder levensvoorziening te claimen
- docentgekozen bekende niet-pathogene microalgen-onderwijsset
- gesloten passende lesvaten
- vastgelegde lichtbron
- temperatuurmeting
- kleur/optische meetopstelling
- blanco en kalibratie
- 1Volg de onderwijsset met bekende cultuur; geen onbekend reservoir-/drinkwatermonster opkweken.
- 2Vergelijk hetzelfde beginvolume en dezelfde cultuurhoeveelheid onder docentbeheerde lichtcondities; leg lichtduur en temperatuur vast.
- 3Gebruik bij optisch meten een blanco en verdunningsreeks om het bruikbare meetgebied te beoordelen.
- 4Log tijd, volume, meetverdunning en geschatte X; interpreteer geen overbelaste optische meting als rechtstreekse groeistop.
- 5Bereken een massabalans en bespreek welke gas-/droogmassametingen ontbreken om echte netto zuurstofproductie te bewijzen.
MELiSSA bouwt een kring uit afzonderlijk getoetste compartimenten
ESA's MELiSSA-concept koppelt biologische en fysische processen om water, voedsel en zuurstof uit afval en CO₂ terug te winnen met lichtenergie. De kring is opgebouwd uit verschillende procesfuncties, geen enkel vat dat alle kwaliteitstaken tegelijk oplost.
ESA beschrijft aparte compartimenten voor afvalverwerking, koolstofomzetting, nitrificatie en fotosynthetische productie met organismen en hogere planten. De fotoautotrofe stap levert een deel van de gewenste biomassa en gasfluxen; toevoer en kwaliteitscontrole van eerdere stappen blijven nodig.
De ArtemISS-proef onderzocht Arthrospira in een ruimtefotobioreactor en gas-/vloeistofscheiding. Dat is precies waarom Habitat eerst balansen, transport, meetkwaliteit en stabiele deelproeven nodig heeft voordat een complete kring een ontwerpclaim kan worden.
Groeisnelheid, voorraad en transport apart benoemen
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| specifieke groei | h⁻¹ | |
| substraatconcentratie | g/L |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| Fin/V | h⁻¹ |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| ingevoerd substraat | g | |
| afgevoerde massa | g |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| effectieve overdracht | h⁻¹ |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| massa-extinctie in lesmodel | m²/g |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| omwentelingen per seconde | s⁻¹ | |
| impellerdiameter | m |
| Modus | Fin | Fout | Volume |
|---|---|---|---|
| batch | 0 | 0 | constant |
| fed-batch | positief | 0 | stijgt |
| continu | positief | gelijke stroom | constant |
Primair: Monod (1949), ESA MELiSSA-concept/compartimenten/ArtemISS. Raadpleegdatum 30-09-2026. Parameters, data, biomassasamenstelling, licht-/LED-/roerwerkscenario zijn verstrekte lesmodellen.
Habitat: de algenreactor vraagt gas, licht, voeding en reserve
e04/i05 beschrijven de ongewenste algen in een transparant testreservoir met logistische r=0,70/dag en K≈7,7·10⁵/mL. Dat model wordt hier niet stil vervangen of tot droge biomassa omgerekend. e25 levert snelheidsbalansen; e18 bepaalt debiet en e15/e27 begrenzen energie. e32 moet de gekoppelde ecosysteemvoorraad en storingen beoordelen.
Dynamische voorraad en logistiek.
Snelheid en modelcontrole.
Voeding, pomp en transport.
Meerdere gekoppelde kringlopen en reserve.
Geen operationele algenreactor of nieuwe eetbare cultuur gekozen. Het station behoudt twee bewoners en bevoorrading om 30 dagen. De gegeven CH1,8O0,5N0,2-lesbalans vraagt voor 1,68 kg netto O₂/dag 1,23 kg droge biomassa en 2,20 kg CO₂. Het 5 cm-lichtmodel geeft per m² 0,012573 kg O₂/dag en dus 133,617 m²/213,787 kWh lampenergie per dag onder alle expliciete aannames. Dit is een dimensioneringsscenario, geen gevalideerd ademgas-/voedselontwerp. Gaszuiverheid, netto licht/donkerflux, voeding, oogstkwaliteit, warmte/pompen, storingsbuffer en onafhankelijke levensvoorziening moeten voor een echte koppeling aantoonbaar worden gemaakt.
In het kort
- Monod koppelt specifieke groei aan één beperkend substraat; parameters vragen metingen.
- Batch, fed-batch en continu hebben verschillende volume-/flowbalansen.
- Massacontrole telt reactor én cumulatieve voeding/oogst; concentratie alleen is onvoldoende.
- Uitwassen kan al bij D<μmax ontstaan omdat Sin begrensd is.
- Zuurstofoverdracht en geïntegreerde lichtverdeling kunnen vóór substraat begrenzen.
- Algen voor O₂/voedsel vragen netto elementbalans, productkwaliteit, energie en onafhankelijke reserve.
- Geometrisch opschalen bewaart niet automatisch menging, licht, gas en celbelasting.
Wat je nu kent
- specifieke groei
- Biomassavorming per aanwezige biomassa per tijd.
- opbrengst Y
- Gevormde droge biomassa per verbruikt substraat in het gekozen model.
- verdunningssnelheid
- Vloeistofinstroom per reactorvolume per tijd.
- uitwassen
- Netto verlies van cultuur doordat afvoer de groei overtreft.
- kLa
- Effectieve volumetrische gasoverdrachtsparameter.
- fotoautotroof
- Organisch materiaal vormen uit anorganische koolstof met lichtenergie.