Handboek · hoofdstuk 31Technisch tekenen
Van een krabbel op papier naar een tekening waarmee iemand anders je onderdeel kan maken
Een idee dat alleen in je hoofd zit, kan niemand bouwen. Met een schets leg je het snel uit aan je team; met een werktekening kan iemand anders het exact maken, zonder één vraag te stellen. In dit hoofdstuk leer je schetsen uit de vrije hand, isometrisch tekenen, een voorwerp in drie aanzichten zetten volgens de Europese afspraak, en het bematen, op schaal, met de juiste lijnen en een stuklijst. Je eindigt met de werktekening van de plantenbak van de meetkas.

- Je kan een eenvoudig voorwerp uit de vrije hand schetsen, met lichte hulplijnen en goede verhoudingen, ook een cirkel.
- Je kan een voorwerp isometrisch tekenen op een isometrisch raster (assen onder 30°, ware lengte langs de assen), met cirkels als ellipsen.
- Je kan het vooraanzicht, het bovenaanzicht en het linkerzijaanzicht tekenen en correct plaatsen volgens de Europese projectie.
- Je kan zichtbare randen, verborgen randen en hartlijnen tekenen met de juiste lijnsoort.
- Je kan een tekening bematen volgens de afspraken: maatlijnen, maathulplijnen, maatgetallen in mm, elke maat één keer.
- Je kan rekenen met schaal (1:2, 1:5, 2:1) en een passende schaal kiezen.
- Je kan een titelblok en een stuklijst lezen en invullen.
Een tekenmethode als militair geheim
Rond 1765 kreeg de jonge Franse wiskundige Gaspard Monge aan de militaire school van Mézières een lastige opdracht: bereken hoe de muren van een vesting moeten staan zodat de soldaten erachter beschut zijn tegen vijandelijk vuur. Dat rekenwerk duurde normaal dagen. Monge loste het op met een tekening: hij tekende het terrein en de muren in twee aanzichten, van boven en van voren, op één blad, zo dat elk punt in beide aanzichten precies op dezelfde lijn lag. Zo kon hij hoogtes en afstanden gewoon opmeten.
De commandant geloofde eerst niet dat het zo snel kon. Toen hij zag dat het klopte, werd de methode jarenlang als militair geheim bewaard. Pas in 1795 mocht Monge ze aan studenten doceren, en in 1799 verscheen zijn boek Géométrie descriptive. De aanzichten die je in dit hoofdstuk leert, komen rechtstreeks uit zijn werk.
Een tweede stap zette de Engelse professor William Farish in Cambridge. In 1822 beschreef hij hoe je een voorwerp in één tekening kan tonen, met drie assen onder gelijke hoeken en alle lengtes langs die assen op ware grootte: de isometrie (Grieks: gelijke maat). Hij gebruikte ze om de toestellen en machinemodellen uit zijn lessen nauwkeurig te tekenen.
Een goede tekening is een taal: wie de afspraken kent, leest ze zonder uitleg. In een fabriek in een ander land, of op een 3D-printer die jouw bestand print, moet de tekening alles zeggen. Daarom zijn de regels van technisch tekenen internationaal vastgelegd (in de ISO-normen), net zoals de SI-eenheden uit hoofdstuk 3.

Schets en werktekening
Technisch tekenen heeft twee gezichten.
Een schets maak je uit de vrije hand, snel, zonder lat. Ze hoeft niet op schaal te zijn, maar de verhoudingen kloppen ongeveer. Je schetst om te denken (hoofdstuk 30: ideeën bedenken), om iets uit te leggen aan je team, of om een bestaand voorwerp op te meten. Maten mogen erbij, als ruwe waarden (± 6 cm).
Een werktekening is nauwkeurig en volledig. Ze bevat alle maten in millimeter, de juiste lijnsoorten, de schaal, en een titelblok en een stuklijst. Iemand die het voorwerp nooit gezien heeft, moet het ermee kunnen maken, of het nu met een zaag, een 3D-printer of een lasersnijder is.
| schets | werktekening | |
|---|---|---|
| gereedschap | potlood, vrije hand | lat, geodriehoek of CAD |
| schaal | verhoudingen ongeveer juist | vaste schaal (1:1, 1:5, 2:1 ...) |
| maten | ruw, soms geen | alle maten, elk één keer, in mm |
| doel | denken, uitleggen, onthouden | laten maken, controleren, bewaren |
| tijd | seconden tot minuten | een half uur tot uren |
Als voorbeeld gebruiken we de hoeksteun van de duwstang die het dakraam van de meetkas opent (hoofdstuk 12 en 25): een L-vormig blok van 60 × 40 × 50 mm met twee gaten voor schroeven M4 en één gat voor de pen van de duwstang. Klein, maar met alles wat een tekening moeilijk maakt: gaten, een trede en verborgen randen.
Schetsen uit de vrije hand: de plantenbak
Schets de plantenbak van de meetkas in isometrie: bovenaan 30 × 20 cm, onderaan 28 × 18 cm, 12 cm hoog, bovenaan open.
- bovenrand 30 × 20 cm, bodem 28 × 18 cm, hoogte 12 cm
- potlood HB, gom, geen lat
- een isometrische schets met goede verhoudingen
- 1Houding. Houd het potlood losjes en een beetje verder van de punt dan bij het schrijven. Trek lijnen in korte, lichte streken, liefst naar je toe of van links naar rechts; draai het blad als het beter gaat.
- 2Stap 1: omhullende doos, licht. Schets een doos van 30 × 20 × 12 in isometrie: een verticale lijn voor de hoek vooraan, twee lijnen onder ongeveer 30° voor de lengte en de breedte. Schat de verhoudingen: de lengte is anderhalve keer de breedte, de hoogte iets meer dan de helft van de breedte. Controleer door met je potlood te 'viseren': houd het op armlengte en vergelijk lengtes.
- 3Stap 2: de bodem en de schuine ribben. De bodem is aan elke kant 1 cm kleiner. Duid op het grondvlak van de doos een rechthoek aan die 1 cm naar binnen ligt, en verbind de hoeken van de bovenrand met de hoeken van die bodem.
- 4Stap 3: zichtbare lijnen donker. Trek de randen die je echt ziet donkerder: de bovenrand helemaal (de bak is open), de ribben vooraan en links, de bodemranden vooraan en links. Door de opening zie je ook de binnenkant van de achter- en de rechterwand. Hulplijnen laat je licht staan of gom je weg.
Isometrisch tekenen
Een isometrische tekening toont een voorwerp in één beeld, met drie zijden tegelijk: de bovenkant, de voorkant en een zijkant. De afspraken:
- De drie assen staan onder 120° van elkaar: één verticaal (de hoogte) en twee onder 30° met de horizontale (de breedte en de diepte).
- Lengtes langs de assen teken je op ware grootte (of op schaal). Daarom kan je erop meten.
- Randen die in het echt evenwijdig zijn, blijven in de tekening evenwijdig. Er zijn geen verdwijnpunten zoals in een foto.
- Schuine randen (die niet evenwijdig aan een as lopen) teken je niet door te meten, maar door hun twee eindpunten langs de assen te zoeken en ze te verbinden.
Het makkelijkst teken je op isometrisch rasterpapier: een raster van lijnen onder 30°, 30° en verticaal. Elk hokje langs een rasterlijn is dan bijvoorbeeld 10 mm. Het trapblok in de figuur is 40 mm breed en 30 mm diep, met treden van 10 mm: je telt gewoon hokjes.
Op een foto lijken verre dingen kleiner, en evenwijdige lijnen lopen naar elkaar toe. In isometrie niet: een rib achteraan is even lang getekend als dezelfde rib vooraan. Daardoor ziet een isometrische tekening er soms een beetje 'te lang' uit, maar je kan erop meten. Daarom gebruiken ingenieurs het, en kunstenaars liever perspectief.
Stap voor stap: de hoeksteun isometrisch
Teken de hoeksteun isometrisch: een voet van 60 × 40 × 10 mm, achteraan een opstaande lip van 60 × 10 × 40 mm (samen 50 mm hoog), twee verticale gaten van Ø 4,5 mm in de voet en een gat van Ø 8 mm door de lip.
- breedte 60, diepte 40, hoogte 50 mm
- voet 10 mm dik, lip 10 mm dik
- gaten Ø 4,5 en Ø 8 mm
- een isometrische tekening
- 1Omhullende doos. Teken licht een doos van 60 × 40 × 50: vanuit de onderste hoek vooraan de breedte (60) onder 30° naar rechts, de diepte (40) onder 30° naar links, de hoogte (50) verticaal. Werk de doos af met evenwijdige lijnen.
- 2Uitsnijden. Wat hoort er niet bij? Het blok boven de voet en vóór de lip: 60 breed, 30 diep, 40 hoog. Duid de trede aan: op 10 mm hoogte een lijn over de voorkant, op 30 mm diepte de voorkant van de lip.
- 3Gaten. Een cirkel wordt een ellips. Teken eerst het vierkant rond de cirkel als ruit (zijden evenwijdig aan de assen), duid de middens van de zijden aan en teken de ellips die de ruit in die vier punten raakt. Voor het gat van Ø 8 ligt de ruit in het vlak van de lip, voor de gaten van Ø 4,5 op de voet.
- 4Afwerken. Trek alle zichtbare randen donker. Verborgen randen laat je in een isometrische tekening meestal weg: de tekening moet vooral duidelijk zijn.
Cirkels in isometrie
Een cirkel op een vlak van het voorwerp zie je in isometrie schuin, en daardoor als een ellips. Je tekent ze in drie stappen:
- Teken het vierkant rond de cirkel (zijde = diameter) als ruit in het juiste vlak: de zijden lopen langs de twee assen van dat vlak.
- Duid de middens van de vier zijden aan: daar raakt de cirkel het vierkant, dus raakt de ellips de ruit.
- Teken de ellips door die vier punten, met de lange as langs de lange diagonaal van de ruit.
Hoe ellips-vormig? In een isometrische tekening met ware lengtes langs de assen is de lange as van de ellips ongeveer 1,22 keer de diameter, de korte as ongeveer 0,71 keer de diameter. Op het bovenvlak ligt de lange as horizontaal; op de zijvlakken staat ze schuin, onder 60° met de horizontale.
Voor nette tekeningen bestaan er ellipssjablonen voor isometrie. In een CAD-programma (hoofdstuk 32) teken je gewoon een cilinder: de computer rekent de ellips uit.
Aanzichten: kijken door een glazen doos
Een isometrische tekening toont hoe een voorwerp eruitziet, maar niet elke maat is er goed op te zien: schuine randen en cirkels zijn vervormd. Voor een werktekening gebruik je daarom aanzichten. Stel je het voorwerp voor in een glazen doos, en kijk loodrecht door één wand. Je ziet dan één zijde op ware grootte, zonder vervorming:
- het vooraanzicht: je kijkt van voren. Kies als voorkant de zijde die het meest vertelt over de vorm;
- het bovenaanzicht: je kijkt van boven;
- het linkerzijaanzicht: je kijkt van links.
Elk aanzicht toont twee van de drie afmetingen. Het vooraanzicht toont breedte en hoogte, het bovenaanzicht breedte en diepte, het zijaanzicht diepte en hoogte. Daarom heb je er meestal minstens twee, en vaak drie nodig.
Wat je in een aanzicht niet ziet omdat er materiaal voor zit, teken je toch, als verborgen lijn (streeplijn). Zo toont het vooraanzicht van de hoeksteun de twee gaten in de voet als streeplijnen.
Hoeveel aanzichten heb je nodig?
Kan een klasgenoot een bouwwerk van kubusjes exact namaken als hij alleen jouw tekening ziet? Met hoeveel aanzichten lukt dat?
- 10 kubusjes per leerling (Multilink, LEGO-blokjes van 2 × 2 of suikerklontjes)
- een map als scherm
- ruitjespapier (1 hokje = 1 kubusje)
- potlood
- 1Leerling A bouwt achter het scherm een bouwwerk van 6 kubusjes. Elk kubusje steunt op de tafel of op een ander kubusje.
- 2Ronde 1: A tekent op ruitjespapier alleen het vooraanzicht. B bouwt het na zonder te kijken. Vergelijk.
- 3Ronde 2: nieuw bouwwerk; A tekent vooraanzicht en bovenaanzicht. Ronde 3: nieuw bouwwerk, drie aanzichten.
- 4Wissel van rol en herhaal. Noteer per ronde of het nagebouwde werk juist was.
- 5Verzamel de resultaten van de hele klas.
Zo zagen de resultaten van een klas van 12 duo's eruit:
| ronde | tekening | juist nagebouwd |
|---|---|---|
| 1 | alleen vooraanzicht | 3 van 12 |
| 2 | voor- en bovenaanzicht | 8 van 12 |
| 3 | drie aanzichten | 11 van 12 |
In ronde 3 ging het één keer mis: een kubusje zat verstopt achter andere kubusjes, en was in geen enkel aanzicht te zien.
Eén aanzicht toont maar twee afmetingen: van de diepte weet je niets. De twee bouwwerken in de figuur hebben hetzelfde vooraanzicht, maar in B staan drie kubusjes naar achter. Pas het bovenaanzicht toont het verschil. Met drie aanzichten is bijna alles eenduidig; wat dan nog verborgen blijft, teken je met verborgen lijnen (bij een echt voorwerp) of met een extra aanzicht. Dat is precies waarom een werktekening meestal drie aanzichten heeft.
Europese projectie: waar staat wat?
Hoe je de aanzichten op het blad legt, is een internationale afspraak. In België en de rest van Europa gebruik je de Europese projectie, ook eerstehoeksprojectie genoemd:
- het bovenaanzicht staat onder het vooraanzicht;
- het linkerzijaanzicht staat rechts van het vooraanzicht.
Dat lijkt omgekeerd, maar denk aan de glazen doos: je kijkt van links door het voorwerp heen naar de wand erachter, rechts. Klap je de wanden van de doos open tot één plat blad, dan belandt het beeld van links rechts, en het beeld van boven onderaan.
De aanzichten staan uitgelijnd:
- vooraanzicht en zijaanzicht naast elkaar: dezelfde hoogte, je trekt horizontale projectielijnen;
- vooraanzicht en bovenaanzicht onder elkaar: dezelfde breedte, verticale projectielijnen;
- bovenaanzicht en zijaanzicht: dezelfde diepte. Die breng je over met een hulplijn onder 45°.
Let op de diepte: zowel in het bovenaanzicht als in het linkerzijaanzicht ligt de achterkant van het voorwerp het dichtst bij het vooraanzicht, en de voorkant het verst ervan. Op elke werktekening staat het projectiesymbool in het titelblok: een afgeknotte kegel met twee cirkels. Bij de Europese projectie wijst de smalle kant van de kegel van de cirkels weg.
Onder meer in de Verenigde Staten, Canada en Japan gebruikt men de derdehoeksprojectie: het bovenaanzicht staat boven, het rechterzijaanzicht rechts. Een tekening uit zo'n land lees je dus anders. Kijk altijd eerst naar het projectiesymbool; in de derdehoeksprojectie wijst de smalle kant van de kegel naar de cirkels.
De hoeksteun in drie aanzichten
Teken de hoeksteun in vooraanzicht, bovenaanzicht en linkerzijaanzicht, in Europese projectie, met zichtbare randen, verborgen randen en hartlijnen.
- de hoeksteun (isometrie, vorig voorbeeld)
- gaten Ø 4,5 op 12 en 48 mm van links, 15 mm van voren; gat Ø 8 op 30 mm van links, 35 mm hoog
- drie aanzichten
- 1Vooraanzicht. Een rechthoek van 60 × 50. De trede zie je als een lijn op 10 mm hoogte: daar gaat de bovenkant van de voet over in de voorkant van de lip. Het gat van Ø 8 zie je als een cirkel. De gaten in de voet zitten achter de voorkant: twee paar verticale streeplijnen van 0 tot 10 mm hoog, op en mm.
- 2Bovenaanzicht, recht onder het vooraanzicht, even breed. Een rechthoek van 60 × 40. De lip is bovenaan 50 mm hoog, de voet 10 mm: de rand ertussen zie je als een lijn op 10 mm van de achterkant (die ligt boven, het dichtst bij het vooraanzicht). De gaten van Ø 4,5 zijn cirkels. Het gat van Ø 8 loopt horizontaal door de lip: van boven verborgen, dus twee streeplijnen op 26 en 34 mm.
- 3Linkerzijaanzicht, rechts van het vooraanzicht, even hoog. Een L: de lip links (de achterkant ligt het dichtst bij het vooraanzicht), de voet naar rechts. Beide gaten zijn verborgen: het gat van Ø 8 als twee horizontale streeplijnen in de lip, de gaten van Ø 4,5 (die in dit aanzicht samenvallen) als twee verticale streeplijnen in de voet.
- 4Hartlijnen door het midden van elk gat: een kruis bij elke cirkel, een lijn langs de as van elk verborgen gat. Ze steken een paar millimeter buiten het gat uit.
Lijnsoorten
Op een technische tekening vertelt elke lijnsoort iets anders. De belangrijkste vier (volgens de norm ISO 128):
| lijn | gebruik |
|---|---|
| dikke volle lijn | zichtbare randen en contouren |
| dunne volle lijn | maatlijnen, maathulplijnen, verwijslijnen, arcering |
| dunne streeplijn | verborgen randen |
| dunne streep-stiplijn | hartlijnen: het midden van een gat of een symmetrie-as |
Een dikke lijn is ongeveer twee keer zo dik als een dunne, bijvoorbeeld 0,5 mm en 0,25 mm. Met een potlood druk je harder voor de dikke lijn, of gebruik je een zachter potlood (2B).
Enkele gewoontes:
- Bij een gat kruisen de hartlijnen elkaar in het midden, op een streepje (niet op een stip), en ze steken 2 à 3 mm buiten de cirkel uit.
- Vallen twee lijnen samen, dan wint de belangrijkste: zichtbaar gaat voor verborgen, verborgen voor hartlijn.
- Een streeplijn begint en eindigt met een streepje, en raakt een zichtbare rand.
Maatvoering: de regels
Een maat heeft vier onderdelen: twee maathulplijnen die de randen van het voorwerp doortrekken, een maatlijn met twee pijlpunten ertussen, en het maatgetal. De regels:
- Maatgetallen zijn in millimeter en je schrijft er geen eenheid bij: 60, niet 60 mm. Staat er iets anders, dan vermeld je het in het titelblok.
- Je schrijft altijd de ware maat, ook als de tekening op schaal is.
- Het maatgetal staat boven de maatlijn, in het midden. Bij een verticale maat staat het links van de maatlijn en lees je het van rechts (het blad een kwartslag naar rechts draaien).
- Elke maat staat één keer op de tekening, in het aanzicht waar de vorm het best te zien is.
- Maat niet naar verborgen lijnen: meet een gat in het aanzicht waar het een cirkel is.
- Maatlijnen staan buiten het voorwerp, liefst tussen de aanzichten; de kleinste maten het dichtst bij het voorwerp, de totaalmaten erbuiten, zodat maatlijnen elkaar niet kruisen.
- Een diameter krijgt het teken Ø (Ø8), een straal een R (R5). Twee gelijke gaten: 2× Ø4,5.
- De tekening is volledig: elke vorm ligt vast in breedte, diepte en hoogte, en elk gat met zijn diameter en de plaats van zijn middelpunt.
Een volledige werktekening
Dit is de werktekening van de hoeksteun, zoals ze naar de 3D-printer of de werkplaats gaat. Wijs de nummers aan en lees wat elk onderdeel van de tekening vertelt.
- 1Totaalmaat en maat van het gat
Buitenaan de totale breedte (60), dichter bij het voorwerp de plaats van het gat (30 vanaf links). Zo kruisen de maatlijnen elkaar niet.
- 2Verticale maten
Gedraaid geschreven, leesbaar van rechts. De hoogte van het gat (35) meet je vanaf de onderkant, net als de totale hoogte (50).
- 3Diameter met verwijslijn
Ø8: de pijl wijst naar de cirkel. Een gat meet je waar het een cirkel is, niet waar het een streeplijn is.
- 4Zijaanzicht met verborgen lijnen
De streeplijnen tonen beide gaten. De diepte (40), de dikte van de lip (10) en van de voet (10) staan hier, omdat je ze hier het best ziet.
- 5Bovenaanzicht
De twee gaten in de voet als cirkels, met hun plaats: 12 en 36 in de breedte (een maatketen), 15 vanaf de voorkant.
- 6Twee gelijke gaten
'2× Ø4,5': je schrijft de maat één keer en zegt hoeveel keer ze voorkomt. Ø 4,5 is een ruim gat voor een schroef M4.
- 7Stuklijst
Positienummer, aantal, benaming, materiaal en afmetingen. De koppen staan onderaan, vlak boven het titelblok.
- 8Titelblok
Benaming, tekeningnummer, schaal 2:1, het projectiesymbool van de Europese projectie, 'maten in mm', tekenaar en datum.
Schaal
Een voorwerp past zelden op ware grootte op een blad. De schaal zegt hoeveel keer kleiner of groter je tekent. Je schrijft ze als tekening : werkelijkheid:
| soort | schalen (NBN EN ISO 5455) | 1 cm op papier is in het echt | gebruik |
|---|---|---|---|
| vergroting | 2:1, 5:1, 10:1 | 5 mm, 2 mm, 1 mm | kleine onderdelen: de hoeksteun (2:1), een tandwieltje |
| ware grootte | 1:1 | 1 cm | onderdelen tot ongeveer een handpalm |
| verkleining | 1:2, 1:5, 1:10, 1:20, 1:50, 1:100 | 2 cm, 5 cm, 10 cm ... | plantenbak (1:5), meetkas (1:10), lokaal (1:50) |
Een blad A4 is 297 × 210 mm; na de rand en het titelblok hou je ongeveer 270 × 150 mm over voor de aanzichten. De meetkas (1200 × 600 × 800 mm) past in drie aanzichten op 1:10, de plantenbak op 1:5, en de kleine hoeksteun teken je groter, op 2:1, zodat de gaten duidelijk zijn.
Op een tekening op schaal 1:5 is de bak 60 mm breed getekend, maar het maatgetal is 300: je schrijft altijd de ware maat. De maker mag nooit op de tekening meten en terugrekenen; alles wat hij nodig heeft, staat in de maatgetallen.
Rekenen met schaal
(a) Hoe groot teken je de plantenbak (300 mm lang) op 1:5? (b) De hoeksteun (60 mm breed) op 2:1? (c) Op een tekening van de meetkas meet je voor de lengte 120 mm. De ware lengte is 1200 mm. Welke schaal is het? (d) Op een tekening op 1:20 meet je 30 mm. Hoe groot is dat in het echt?
- ware maten 300 mm en 60 mm; schalen 1:5 en 2:1
- tekening 120 mm, werkelijk 1200 mm
- 1:20, tekening 30 mm
- tekeningmaten (a, b)
- schaal (c)
- ware maat (d)
- 1(a) Vijf keer kleiner: .
- 2(b) Twee keer groter: .
- 3(c) Tekening : werkelijkheid . De schaal is 1:10.
- 4(d) Omgekeerd rekenen: ware maat tekeningmaat . Dat is de breedte van de kas.
Titelblok en stuklijst
Rechtsonder op elke werktekening staat het titelblok. Het bevat minstens: de benaming van het voorwerp, een tekeningnummer (om de tekening terug te vinden en naar te verwijzen), de schaal, het projectiesymbool, de eenheid (mm), de tekenaar en de datum.
Bestaat een ontwerp uit meerdere onderdelen, dan staat er een stuklijst boven het titelblok. Elk onderdeel krijgt een positienummer; op de tekening wijst een cirkeltje met dat nummer het onderdeel aan. Gewone, gekochte onderdelen (schroeven, ringen) teken je niet apart: hun normmaat in de stuklijst volstaat, zoals M4 × 16 (schroefdraad M4, 16 mm lang).
Dit is de stuklijst van de bevestiging van de duwstang onder het dakraam:
| pos | aantal | benaming | materiaal | afmetingen / norm | opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 1 | hoeksteun | PETG | 60 × 40 × 50 | 3D-print, tekening HAB-F31-01 |
| 2 | 1 | pen | roestvast staal | Ø 8 × 30 | door de lip en het oog van de duwstang |
| 3 | 1 | borgclip | verenstaal | voor pen Ø 8 | houdt de pen op zijn plaats |
| 4 | 2 | lenskopschroef | roestvast staal | M4 × 16 | door de gaten Ø 4,5 |
| 5 | 2 | sluitring | nylon | M4 (Ø 4,3 / Ø 9) | tussen aluminium en roestvast staal (hoofdstuk 10) |
De stuklijst is ook een boodschappenlijst: wie ze leest, weet wat er gekocht, geprint of gezaagd moet worden, en in welk materiaal. In hoofdstuk 33 tel je alle stuklijsten van de meetkas op.
De kolom 'materiaal' is geen detail. De hoeksteun is uit PETG, niet uit PLA, omdat hij in de warme kas staat (Intermediate, hoofdstuk 17). En de nylon ringen scheiden het roestvast staal van het aluminium (hoofdstuk 10).

Habitat: de werktekening van de plantenbak
Maak de werktekening van de plantenbak van de meetkas: bovenaan 300 × 200 mm, onderaan 280 × 180 mm, 120 mm hoog, wanden en bodem 2 mm, uit polypropeen (PP). De meetkas heeft er 12.
- buitenmaten boven 300 × 200, onder 280 × 180, hoogte 120 (mm)
- wanddikte 2 mm, PP
- 12 stuks
- drie aanzichten, maten, schaal, stuklijst en titelblok
- 1Schaal kiezen. Drie aanzichten van 300, 200 en 120 mm op een A4: op 1:5 wordt het vooraanzicht 60 × 24 mm, het bovenaanzicht 60 × 40 mm. Dat past ruim.
- 2Vooraanzicht. De bak is taps: een trapezium, bovenaan 300, onderaan 280, 120 hoog. De symmetrie-as als hartlijn.
- 3Linkerzijaanzicht, rechts ervan: ook een trapezium, 200 bovenaan, 180 onderaan, even hoog.
- 4Bovenaanzicht, eronder: de bak is open, dus je kijkt erin. Je ziet de rand (300 × 200), de bodem aan de binnenkant (276 × 176) en de vier schuine binnenribben die ze verbinden. Hartlijnen in beide richtingen.
- 5Maten. Breedte boven en onder in het vooraanzicht (300 en 280), de hoogte één keer (120), de diepte boven en onder in het zijaanzicht (200 en 180). De wand van 2 mm is op 1:5 maar 0,4 mm: te dun om te tekenen of te bematen. Je schrijft ze als opmerking onder de tekening.
- 6Stuklijst en titelblok. Eén positie, aantal 12, materiaal PP, afmetingen 300 × 200 × 120. Schaal 1:5, Europese projectie, maten in mm.
Overzicht: technisch tekenen
De afspraken van dit hoofdstuk op één blad.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| schaal 1:5: schaalfactor 1/5 | ||
| schaal 2:1: schaalfactor 2 |
| isometrie | aanzichten (Europese projectie) |
|---|---|
| assen: verticaal en twee onder 30° | bovenaanzicht onder het vooraanzicht |
| ware lengte langs de assen | linkerzijaanzicht rechts van het vooraanzicht |
| evenwijdig blijft evenwijdig | zelfde hoogte naast elkaar, zelfde breedte onder elkaar |
| cirkel wordt ellips in een ruit (1,22 d × 0,71 d) | diepte via een 45°-lijn; achterkant naar het vooraanzicht |
| verborgen randen meestal weggelaten | verborgen randen als streeplijn |
| lijnsoort | gebruik |
|---|---|
| dik vol | zichtbare randen |
| dun vol | maatlijnen, maathulplijnen, verwijslijnen |
| dun gestreept | verborgen randen |
| dun streep-stip | hartlijnen, symmetrie-assen |
| maatvoering in acht regels |
|---|
| 1. maten in mm, zonder eenheid |
| 2. altijd de ware maat, ook op schaal |
| 3. getal boven de maatlijn; verticaal leesbaar van rechts |
| 4. elke maat één keer |
| 5. niet naar verborgen lijnen |
| 6. buiten het voorwerp; klein binnen, groot buiten |
| 7. Ø voor een diameter, R voor een straal, 2× voor twee gelijke |
| 8. volledig: elke vorm en elk gat ligt vast |
| soort | schalen (NBN EN ISO 5455) | 1 cm op papier is in het echt | gebruik |
|---|---|---|---|
| vergroting | 2:1, 5:1, 10:1 | 5 mm, 2 mm, 1 mm | kleine onderdelen: de hoeksteun (2:1), een tandwieltje |
| ware grootte | 1:1 | 1 cm | onderdelen tot ongeveer een handpalm |
| verkleining | 1:2, 1:5, 1:10, 1:20, 1:50, 1:100 | 2 cm, 5 cm, 10 cm ... | plantenbak (1:5), meetkas (1:10), lokaal (1:50) |
Waar technisch tekenen naartoe leidt
Technisch tekenen is de taal waarin ontwerpers en makers met elkaar praten. Je gebruikte al tekeningen: schakelschema's (hoofdstuk 18), krachtpijlen (hoofdstuk 11), een zijaanzicht van het dakraam (hoofdstuk 12). Nu kan je een voorwerp zelf volledig vastleggen. Het volgende hoofdstuk zet die tekening om in een 3D-model op de computer, en dat model in een geprint onderdeel. In Intermediate teken je met parameters (een maat verandert, het model past zich aan) en leer je toleranties en passingen; in Expert zijn tekeningen deel van de configuratie van een groot systeem.
Schuifmaat en rolmeter om een voorwerp op te meten; millimeter als eenheid van de tekening.
De duwstang en de klemhendel waarvan je hier de onderdelen tekent.
Het kasframe tekenen in aanzichten; profielen als doorsnede.
Schetsen om ideeën te bedenken; een werktekening legt het gekozen ontwerp vast.
Van tekening naar 3D-model, STL-bestand en print.
De werktekeningen en stuklijsten van alle onderdelen van de meetkas.
Hoeken en schuine lengtes berekenen in plaats van ze op te meten.
Tekenen met parameters en beperkingen; toleranties en passingen.
Tekeningnummers, versies en configuratiebeheer in een groot project.
In het kort
- Een schets maak je snel uit de vrije hand om te denken en uit te leggen; een werktekening is volledig en nauwkeurig, zodat iemand anders het voorwerp kan maken.
- Isometrie: drie assen onder 120° (verticaal en twee onder 30°), ware lengtes langs de assen, evenwijdig blijft evenwijdig. Een cirkel wordt een ellips in een ruit.
- Aanzichten tonen één zijde loodrecht en onvervormd. In de Europese projectie staat het bovenaanzicht onder en het linkerzijaanzicht rechts van het vooraanzicht; de achterkant ligt telkens het dichtst bij het vooraanzicht.
- Lijnsoorten: dik vol voor zichtbare randen, dun gestreept voor verborgen randen, dun streep-stip voor hartlijnen, dun vol voor maatlijnen en maathulplijnen.
- Maten in mm zonder eenheid, altijd de ware maat, elke maat één keer, niet naar verborgen lijnen, buiten het voorwerp; Ø voor een diameter.
- Schaal = tekening : werkelijkheid. 1:5 is vijf keer kleiner, 2:1 twee keer groter.
- Titelblok (benaming, nummer, schaal, projectiesymbool, tekenaar, datum) en stuklijst (positie, aantal, benaming, materiaal, afmetingen) maken de tekening volledig.
Wat je nu kent
- schets
- Snelle tekening uit de vrije hand, niet op schaal, om een idee te tonen of te onthouden.
- werktekening
- Nauwkeurige tekening met alle maten, de schaal, de lijnsoorten, een titelblok en een stuklijst, zodat iemand anders het voorwerp kan maken.
- isometrie
- Tekenwijze waarbij de drie assen onder 120° van elkaar staan (twee onder 30° met de horizontale, één verticaal) en lengtes langs de assen op ware grootte getekend worden.
- aanzicht
- Tekening van een voorwerp zoals je het ziet als je er loodrecht op één zijde naar kijkt.
- Europese projectie
- Afspraak om aanzichten te plaatsen: het bovenaanzicht onder het vooraanzicht, het linkerzijaanzicht rechts ervan. Ook eerstehoeksprojectie genoemd.
- verborgen lijn
- Rand die je in een aanzicht niet ziet omdat er materiaal voor zit; getekend als dunne streeplijn.
- hartlijn
- Dunne streep-stiplijn door het midden van een gat of langs een symmetrie-as.
- maatlijn
- Dunne lijn met twee pijlpunten die aangeeft tussen welke punten een maat geldt.
- maathulplijn
- Dunne lijn die een rand van het voorwerp doortrekt tot voorbij de maatlijn.
- maatgetal
- De ware maat in millimeter, zonder eenheid, boven de maatlijn.
- schaal
- Verhouding tussen een lengte op de tekening en dezelfde lengte in het echt; 1:5 betekent vijf keer kleiner.
- titelblok
- Vak rechtsonder op een werktekening met de benaming, het tekeningnummer, de schaal, het projectiesymbool en de tekenaar.
- stuklijst
- Tabel met alle onderdelen: positienummer, aantal, benaming, materiaal en afmetingen.