Handboek · hoofdstuk 10Rotatie
Van riemschijf tot vliegwiel en pirouette: wat een draaiende massa doet en bewaart
Bijna elke machine draait: een motor, een wiel, een riemschijf, een rotor. Voor draaien gelden dezelfde wetten als voor schuiven, met nieuwe grootheden: hoek, hoeksnelheid, traagheidsmoment en impulsmoment. Je leidt het traagheidsmoment af met een integraal, gebruikt τ = Iα om een dakraam en een dakmotor door te rekenen, ontdekt waarom een cilinder een ring verslaat op een helling, en rekent uit hoeveel energie een vliegwiel kan bewaren voor het uit elkaar vliegt. Voor Habitat volgt een eerlijk antwoord op de vraag of een vliegwiel een batterij kan helpen.

- Je kan hoek, hoeksnelheid en hoekversnelling in radialen gebruiken, omrekenen naar toerentallen en naar de snelheid en versnelling van een punt (v = ωr, tangentieel αr, centripetaal ω²r).
- Je kan het traagheidsmoment definiëren vanuit de kinetische energie, het met een integraal afleiden voor een staaf, een ring en een schijf, en de verschuivingsstelling gebruiken.
- Je kan τ = Iα afleiden en toepassen, ook op een aandrijving met een overbrenging (gereduceerd traagheidsmoment).
- Je kan rotatie-energie, arbeid τθ en vermogen τω berekenen en verklaren welk voorwerp het snelst van een helling rolt.
- Je kan de energie in een vliegwiel en de grens door de materiaalsterkte (σ = ρv² in een ring) berekenen, een vliegwiel simuleren en het eerlijk vergelijken met een batterij.
- Je kan impulsmoment als L = Iω en als r × p gebruiken, dL/dt = τ toepassen en het behoud ervan verklaren bij een pirouette, een baan, een reactiewiel en een drone.
Kepler, Newton en de perkenwet
Johannes Kepler had de beste waarnemingen van zijn tijd: twintig jaar metingen van de planeet Mars door de Deense sterrenkundige Tycho Brahe, bij wie hij in Praag werkte en wiens gegevens hij na Brahes dood in 1601 kon gebruiken. Jaren rekende Kepler aan cirkels en epicykels die er telkens een paar boogminuten naast zaten. In zijn Astronomia nova (1609) gaf hij het op en kwam met twee wetten: een planeet beweegt op een ellips met de zon in een brandpunt, en de lijn van de zon naar de planeet doorloopt in gelijke tijden gelijke oppervlakten. Dicht bij de zon gaat de planeet dus sneller, ver weg trager. Tien jaar later, in Harmonices mundi (1619), volgde de derde wet over omlooptijd en afstand.
Waarom gelijke oppervlakten? Kepler dacht aan een kracht vanuit de zon die de planeet voortduwt. Het antwoord kwam van Isaac Newton. De allereerste propositie van zijn Principia (1687) bewijst dat elk lichaam dat getrokken wordt naar één vast punt, gelijke oppervlakten in gelijke tijden doorloopt, welke vorm de kracht ook heeft. Vandaag lezen we het als een behoudswet: een kracht die langs de verbindingslijn werkt, geeft geen moment, dus het impulsmoment blijft behouden, en de oppervlakte per seconde is precies (verderop in dit hoofdstuk).
Dezelfde wet stuurt een kunstschaatser die haar armen intrekt, een satelliet die zich omdraait zonder brandstof, en de aarde en de maan: getijdenwerking remt de draaiing van de aarde af (de dag wordt heel langzaam langer), en het impulsmoment dat de aarde verliest, gaat naar de maan, die zich ongeveer 3,8 cm per jaar verwijdert. Dat meten telescopen met laserpulsen op spiegels die sinds 1969 op de maan staan.
Het station zit vol draaiende delen: de motor van het kasdak, de pompen, de rotoren van de drone, later de windturbine en de elektrische machines (hoofdstuk 24). Wie ze wil dimensioneren, moet weten hoe een moment een massa versnelt, hoeveel energie erin zit en wanneer een draaiend onderdeel uit elkaar vliegt. En het brein moet kunnen beslissen of een vliegwiel een batterij kan helpen.
Wat je al weet: draaien, nu met afgeleiden
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| overbrenging, toerental en draairichting (hoofdstuk 12 van F; hoofdstuk 33 van I) | hoek, hoeksnelheid en hoekversnelling als afgeleiden |
| moment en evenwicht (hoofdstuk 10 van I); (hoofdstuk 5) | wat een moment doet als er géén evenwicht is: een hoekversnelling |
| , kinetische energie, vermogen (hoofdstuk 8 en 9 van I) | de draaiende tegenhangers: , , |
| cirkelbeweging , (hoofdstuk 8); impuls (hoofdstuk 9) | een star lichaam als verzameling punten op cirkels; impulsmoment |
| integralen als som van kleine stukjes (hoofdstuk 3) | het traagheidsmoment van een staaf, ring, schijf en bol |
Een star lichaam dat om een vaste as draait, beschrijf je met één getal: de hoek waarover het gedraaid is, in radialen. Een punt op afstand van de as legt dan een boog af. Afleiden (hoofdstuk 1) geeft de draaiende tegenhangers van snelheid en versnelling:
Waarom radialen? Omdat en alleen zonder omrekenfactor gelden als in radialen staat; in graden zou overal een opduiken. Een radiaal is een verhouding van twee lengtes: rad/s is eigenlijk 1/s.
Constante hoekversnelling. Precies zoals bij de eenparig versnelde beweging (hoofdstuk 7 van I):
De riemschijf van het kasdak
De dakmotor van de klimaatmodule (hoofdstuk 26 van I) drijft een tandriemschijf met een steekdiameter van 31,8 mm aan via een wormwiel 1:50. Het schuifpaneel loopt 0,60 m, met 0,10 m/s, na 1 s aanlopen met 0,10 m/s² (hoofdstuk 7 van I). Bereken de hoeksnelheid en het toerental van de riemschijf en van de motor, de hoekversnelling bij het aanlopen, en hoeveel toeren de schijf maakt per sluiting.
- , , , slag 0,60 m
- overbrenging 1:50
- , , , aantal toeren
- 1, dus tpm. (Hoofdstuk 26 van I koos precies 60 tpm: 0,0999 m/s.)
- 2Motor: 50 keer sneller: , 3000 tpm.
- 3Aanlopen: ; in die seconde draait de schijf .
- 4Per sluiting: toeren. Het wormwiel moet dus 300 motoromwentelingen per sluiting overbrengen.
Het traagheidsmoment
Hoeveel bewegingsenergie heeft een draaiend voorwerp? Elk stukje met massa op afstand van de as heeft snelheid . Tel op:
Drie integralen (hoofdstuk 3), telkens met massa :
- Staaf (lengte , as loodrecht door het midden). Een stukje op afstand heeft massa : .
- Dunne ring (straal ): alle massa zit op afstand , dus . Geen integraal nodig.
- Volle schijf (straal ): snij ze in ringen met straal en breedte . Een ring heeft massa en traagheidsmoment : .
Een schijf heeft maar half zo veel traagheidsmoment als een ring met dezelfde massa en straal: veel van haar massa zit dicht bij de as. Een lengte in de richting van de as (de dikte van de schijf, de lengte van een cilinder) doet niet mee: een lange volle cilinder is ook .
| voorwerp (massa ) | as | ||
|---|---|---|---|
| puntmassa op afstand | - | 1 | |
| dunne ring of dunwandige buis | symmetrieas | 1 | |
| volle schijf of cilinder | symmetrieas | 0,5 | |
| dikwandige buis ( binnen, buiten) | symmetrieas | tussen 0,5 en 1 | |
| volle bol | door het midden | 0,4 | |
| dunne bolschil | door het midden | 0,667 | |
| dunne staaf, lengte | loodrecht, door het midden | - | |
| dunne staaf, lengte | loodrecht, door een uiteinde | - | |
| rechthoekige plaat | loodrecht op de plaat, door het midden | - |
Verschuivingsstelling (Steiner). Draait een voorwerp om een as op afstand van een evenwijdige as door zijn zwaartepunt, dan is . Bewijs: schrijf de positie van elk stukje als met gemeten vanuit het zwaartepunt (loodrecht op de as). Dan , en de middelste som is nul: dat is de definitie van het zwaartepunt. Voorbeeld: een staaf om een uiteinde: .
Traagheidsmomenten in Habitat
Bereken het traagheidsmoment van (a) het dakraam van de meetkas (0,60 × 0,60 m, 1,2 kg) om zijn scharnier achteraan; (b) een propeller van de bevoorradingsdrone (0,56 m, 60 g, als dunne staaf) om de motoras; (c) een wiel van het inspectierobotje (Ø 65 mm, 30 g, als volle schijf).
- massa's en maten hierboven
- , ,
- 1(a) Het raam is een plaat die draait om een zijde. De afmeting langs het scharnier telt niet mee; loodrecht erop is het een 'staaf' van 0,60 m om een uiteinde. Om het zwaartepunt: ; Steiner met : .
- 2(b) Staaf om het midden: . (Een echte propeller is naar de tip dunner: iets minder.)
- 3(c) .
Moment en hoekversnelling: de tweede wet voor rotatie
Neem een massadeeltje op afstand van de as. De kracht erop ontbindt in een radiale component (die houdt het op zijn cirkel) en een tangentiële . Alleen die laatste versnelt het langs zijn cirkel: . Haar moment om de as is . Tel op over het hele lichaam:
De inwendige krachten tussen de deeltjes vallen weg: ze komen in paren, even groot, tegengesteld en op dezelfde lijn, dus met tegengestelde momenten. Alleen de uitwendige momenten tellen.
Werkwijze bij een opgave: (1) teken de krachten waar ze aangrijpen; (2) kies een draaizin als positief; (3) schrijf voor wat draait en voor wat schuift; (4) koppel ze met een voorwaarde zoals (een touw dat niet slipt, een wiel dat rolt).
Het moment hangt af van de kracht en haar arm. Het traagheidsmoment hangt af van de massa en haar afstand tot de as. Het zijn twee verschillende dingen: een lange sleutel geeft meer moment met dezelfde hand; een zware rand maakt een wiel trager om op gang te komen.
Habitat: het dakraam valt dicht
Het dakraam van de meetkas (1,2 kg, 0,60 m diep, scharnier achteraan) staat 20° open. De pen van de duwstang schiet los. Bereken de hoekversnelling op dat ogenblik en de versnelling van de voorrand. Met welke snelheid slaat de voorrand op het frame, en hoe lang duurt de val?
- (vorig voorbeeld), zwaartepunt op 0,30 m
- , , bij het sluiten, de tijd
- 1Moment van het gewicht om het scharnier: arm , dus .
- 2. De voorrand: , meer dan (1,41 ).
- 3Energie: het zwaartepunt zakt : , dus en de voorrand .
- 4De hoekversnelling verandert met de hoek (): geen formule voor de tijd, wel een simulatie (Euler, stap 10 µs): .
Een traagheidsmoment meten
Klopt ? Je meet het traagheidsmoment van een draaischijf met een valgewicht, en daarna met twee blokjes op verschillende afstanden van de as.
- houten draaischijf (Ø 30 cm) op een lager, met een as van 15 mm straal
- touwtje rond de as over een katrolletje, valgewicht van 100 g
- twee blokjes van 200 g
- stopwatch, meetlint
- 1Compenseer de wrijving: zoek het kleine extra gewichtje (een paperclip) waarmee de schijf na een zetje eenparig blijft draaien; laat het tijdens de metingen hangen.
- 2Wind het touwtje op, laat het gewicht vanuit rust 1,00 m vallen en meet de tijd. Drie keer.
- 3Zet de blokjes symmetrisch op 6, 10 en 14 cm van de as en herhaal.
- 4Bereken per opstelling de versnelling a = 2h/t² en het traagheidsmoment I = m r²(g/a − 1).
- 5Zet I uit tegen d² en vergelijk de helling met 2 · 0,200 kg.
Een voorbeeldmeting:
| blokjes op (m) | (s), drie keer | (s) | (kg·m²) |
|---|---|---|---|
| zonder | 10,30; 10,48; 10,42 | 10,40 | 0,01191 |
| 0,06 | 10,99; 11,12; 10,96 | 11,02 | 0,01339 |
| 0,10 | 12,11; 12,19; 11,99 | 12,10 | 0,01613 |
| 0,14 | 13,46; 13,42; 13,31 | 13,40 | 0,01978 |
De punten liggen op een rechte met helling 0,402 kg en snijpunt 0,0120 kg·m².
Waar komt de formule vandaan? Het gewicht: . De schijf: met . Samen: , dus , met uit de valtijd.
Volgens (plus het kleine eigen traagheidsmoment van de blokjes) moet de helling zijn: de meting geeft 0,402 kg. Het snijpunt is het traagheidsmoment van de schijf zelf, 0,0120 kg·m²; een houten schijf van 1,07 kg en 15 cm straal zou hebben. Omdat hier klein is ( is ongeveer 500 keer ), is en weegt een fout in de tijd dubbel: 1 % op is 2 % op .
Habitat: wat moet de dakmotor versnellen?
De dakmotor moet bij het aanlopen niet alleen het paneel versnellen, maar ook zijn eigen rotor, die 50 keer sneller draait. Het traagheidsmoment van de rotor is ongeveer (rekenwaarde voor een motortje van 20 à 30 W). Vergelijk het versnellen van rotor en paneel met de last van 60 N aan de riem, en bereken de motorstroom (motorconstante 0,030 N·m/A, nullast 0,25 A, wormwiel 1:50 met rendement 0,40).
- , , aan de riemschijf
- , ,
- de momenten aan de motoras
- de stroom met en zonder aanlopen
- 1Het paneel beweegt met : zijn kinetische energie . Voor de riemschijf gedraagt het zich als een traagheidsmoment .
- 2De rotor draait 50 keer sneller: zijn energie is die van een traagheidsmoment aan de riemschijf: drie keer het paneel. Een overbrenging vermenigvuldigt traagheidsmomenten met het kwadraat van de verhouding.
- 3Momenten aan de motoras: rotor versnellen ; paneel versnellen ; de last van 60 N: .
- 4Stroom: : bij constante snelheid (hoofdstuk 26 van I: 1,84 A), tijdens het aanlopen.
Rotatie-energie, arbeid en vermogen; rollen
Een moment dat een voorwerp over een hoek draait, levert de arbeid (de kracht op arm verplaatst haar aangrijpingspunt over ). Per seconde:
Rollen zonder slippen. Een wiel of bal met straal die rolt, heeft zijn zwaartepunt met snelheid (het contactpunt staat op elk ogenblik stil). Zijn kinetische energie is die van het zwaartepunt plus de rotatie eromheen:
Laat het voorwerp van een helling rollen over een hoogte : , dus en de versnelling langs de helling is . Massa en straal vallen weg; alleen de vorm () telt. Een volle bol () wint van een volle cilinder (0,5), die wint van een bolschil (0,67), die wint van een ring (1). Een blok dat zonder wrijving glijdt () is het snelst: niets van zijn energie gaat naar draaien.
De knikker van hoofdstuk 8 die over een goot rolt, krijgt zo : 85 % van de snelheid van een vallende knikker. Rolweerstand verwaarlozen we; de wrijving die het rollen mogelijk maakt, doet geen arbeid, want het contactpunt staat stil.
Massa en straal vallen weg. Een grote en een kleine volle cilinder komen samen beneden, een zware en een lichte ook. Het verschil zit in hoe de massa verdeeld is: dicht bij de as (snel) of aan de rand (traag).
De rolrace
Rolt een cilinder of een ring sneller? En wat doet een blik soep?
- plank van 1,50 m met een lat als startlijn, onder 5° (blokken onder één kant)
- knikker, houten cilinder, PVC-buis, een blik dunne soep, een blik bonen in dikke saus
- stopwatch (of video)

- 1Voorspel eerst met a = g sin β/(1 + k) de tijd voor elk voorwerp.
- 2Laat telkens twee voorwerpen tegelijk los aan de startlat en noteer wie wint; meet daarna elk voorwerp drie keer apart.
- 3Bereken uit de gemiddelde tijd de versnelling a = 2s/t² en daaruit k = g sin β/a − 1.
Een voorbeeldmeting (voorspelling met ):
| voorwerp | verwacht | voorspelde tijd (s) | gemeten (s) | gemiddeld | uit de meting |
|---|---|---|---|---|---|
| knikker (volle bol) | 0,40 | 2,22 | 2,20; 2,23; 2,16 | 2,20 | 0,38 |
| houten cilinder | 0,50 | 2,29 | 2,30; 2,34; 2,31 | 2,32 | 0,53 |
| PVC-buis (wand 10 % van de straal) | 0,91 | 2,59 | 2,57; 2,65; 2,64 | 2,62 | 0,96 |
| blik soep (vloeibaar) | ? | ? | 1,97; 1,95; 2,02 | 1,98 | 0,12 |
| blik bonen in saus (vast) | 0,50 | 2,29 | 2,22; 2,32; 2,29 | 2,28 | 0,48 |
Knikker, cilinder en buis komen aan in de volgorde van hun ; de gemeten -waarden liggen binnen enkele honderdsten van de theorie. De buis met zijn dunne wand gedraagt zich bijna als een ring.
Het blik soep verslaat alles, ook de knikker: de dunne soep draait nauwelijks mee met het blik. Alleen het blikje zelf (weinig massa, aan de rand) krijgt rotatie-energie; bijna alle massa schuift gewoon mee naar beneden, alsof ze glijdt. De gemeten . Het blik bonen in dikke saus draait als één geheel mee en gedraagt zich als een volle cilinder. Zo kan je met een rolproef zien of iets vloeibaar of vast is.
Het vliegwiel als energieopslag
Een vliegwiel bewaart energie als : hoe sneller, hoe meer, kwadratisch. Waarom draaien we het dan niet gewoon sneller? Omdat het materiaal de massa op haar cirkel moet houden. Bekijk een dunne ring met straal , doorsnede en dichtheid , met randsnelheid . Een stukje ring over een hoek heeft massa en heeft een middelpuntzoekende kracht nodig (hoofdstuk 8). Die komt van de trekkracht in de ring aan beide uiteinden: samen wijzen ze met naar het middelpunt. Dus , en de spanning in de ring is
| materiaal (rekenwaarde) | (MPa) | (kg/m³) | grootste randsnelheid | dunne ring: |
|---|---|---|---|---|
| staal | 500 | 7850 | 252 m/s | 8,8 Wh/kg |
| aluminium 7075 | 250 | 2810 | 298 m/s | 12,4 Wh/kg |
| glasvezelcomposiet | 500 | 2000 | 500 m/s | 34,7 Wh/kg |
| koolstofvezelcomposiet | 1000 | 1600 | 791 m/s | 86,8 Wh/kg |
| LiFePO4-batterij van de module (ter vergelijking) | - | - | - | 110 Wh/kg (nominaal) |
Een licht, sterk materiaal wint: koolstofvezel slaat per kilogram tien keer meer op dan staal. Daarom hebben veel moderne vliegwielen een ring van koolstofvezel, gewikkeld in de omtreksrichting (radiaal zijn vezelcomposieten zwak, dus geen volle schijf), op een lichte naaf, in een vacuümbehuizing. Maar zelfs dan: dit zijn getallen voor de rotor alleen, tot de toelaatbare spanning en helemaal leeg. Behuizing, lagers, motor en elektronica komen erbij, en wie de generator onder de halve snelheid niet meer kan gebruiken, haalt maar 75 % van de energie eruit.
Van 1956 tot 1959 reden tussen Gent en Merelbeke drie gyrobussen van het Zwitserse Oerlikon. In het midden van de bus lag een stalen vliegwiel van ongeveer 1,5 ton en 1,6 m, dat bij elke halte met een elektromotor tot 3000 tpm werd opgespind, in 30 s tot 3 min. Als volle schijf is dat , bij een randsnelheid van ongeveer 900 km/h, genoeg voor een paar kilometer. De bussen verbruikten 2,9 kWh per km, tegenover 2,0 à 2,4 voor een tram, stonden vaak in panne en beschadigden het wegdek door hun gewicht.
Een vliegwiel simuleren
Een stalen vliegwiel als 'demonstrator' voor het station: een schijf van 0,25 m straal en 5 cm dik, die tussen 3000 en 6000 tpm werkt (lager kan de generator niet nuttig leveren). Bij 6000 tpm is de randsnelheid 157 m/s en de grootste spanning (in het midden) : ruim veilig voor staal. Het model:
want . Het verlies in stilstand komt van de lagers (ongeveer evenredig met ) en van de lucht (ongeveer met ); de rekenwaarden, 5 W en 10 W bij 6000 tpm, gelden voor een behuizing met gedeeltelijk vacuüm. Twee scenario's: een wolk van drie minuten die 500 W weghaalt, en een dag stilstand.
# vliegwiel.py - een stalen vliegwiel als buffer voor een wolk over de zonnepanelenimport math R, dikte, rho = 0.25, 0.05, 7850.0 # stalen schijf: straal en dikte (m), dichtheid (kg/m³)m = math.pi * R**2 * dikte * rhoI = 0.5 * m * R**2w_max, w_min = 6000 * 2 * math.pi / 60, 3000 * 2 * math.pi / 60 # 6000 en 3000 toeren per minuut, in rad/seta = 0.90 # rendement motor/generator met elektronica, per richting def E(w): return 0.5 * I * w**2 def verlies(w): """Stilstandsverlies (W): lagers (evenredig met w) + lucht (met w³); 5 W + 10 W bij 6000 tpm (rekenwaarden).""" return 5.0 * (w / w_max) + 10.0 * (w / w_max)**3 def tekort(t): """Vermogen (W) dat het vliegwiel moet leveren: een wolk van t = 60 s tot 240 s haalt 500 W weg.""" return 500.0 if 60.0 <= t < 240.0 else 0.0 def laden(t, w): """Na de wolk laadt de zon het vliegwiel weer op met 400 W, tot 6000 tpm.""" return 400.0 if t >= 240.0 and w < w_max else 0.0 def wolk(dt=0.1, duur=900.0): """Euler op I w dw/dt = eta P_laden - P_tekort / eta - P_verlies; geeft tijden en toerentallen (tpm).""" w, t, ts, ns = w_max, 0.0, [0.0], [6000.0] while t < duur: P = eta * laden(t, w) - tekort(t) / eta - verlies(w) w = min(w + dt * P / (I * w), w_max) t += dt ts.append(t) ns.append(w * 60 / (2 * math.pi)) return ts, ns def leeglopen(uren=24, dt=1.0): """Het vliegwiel draait zonder last en verliest alleen door lagers en lucht; per uur het deel van de energie.""" w, deel = w_max, [1.0] for uur in range(uren): for _ in range(round(3600 / dt)): w -= dt * verlies(w) / (I * w) deel.append(E(w) / E(w_max)) return deel if __name__ == "__main__": print(f"schijf {m:.1f} kg, I = {I:.3f} kg m², vol {E(w_max) / 3600:.0f} Wh, bruikbaar tot 3000 tpm " f"{(E(w_max) - E(w_min)) / 3600:.0f} Wh, randsnelheid {w_max * R:.0f} m/s") ts, ns = wolk() n_laag = min(ns) print(f"wolk van 3 minuten (500 W): laagste toerental {n_laag:.0f} tpm, " f"{100 * (1 - (n_laag / 6000)**2):.1f} % van de energie gebruikt") deel = leeglopen() for uur in (1, 2, 5, 10, 24): print(f"stilstand, na {uur:2d} h: nog {100 * deel[uur]:5.1f} % van de energie")Uitvoer:
schijf 77.1 kg, I = 2.408 kg m², vol 132 Wh, bruikbaar tot 3000 tpm 99 Wh, randsnelheid 157 m/s wolk van 3 minuten (500 W): laagste toerental 5308 tpm, 21.7 % van de energie gebruikt stilstand, na 1 h: nog 89.4 % van de energie stilstand, na 2 h: nog 80.0 % van de energie stilstand, na 5 h: nog 57.8 % van de energie stilstand, na 10 h: nog 33.7 % van de energie stilstand, na 24 h: nog 5.2 % van de energie
De wolk kost 25 Wh aan de verbruikers, en door het rendement meer uit het vliegwiel; het toerental zakt tot 5308 tpm. Dat lukt dus. Maar in stilstand verliest het vliegwiel in een uur al 11 % en na een dag is het bijna leeg. Een batterij verliest een paar procent per maand. Een vliegwiel is een kortetermijnbuffer: sterk in vermogen en in aantal cycli (honderdduizenden, zonder slijtage van de chemie), zwak in energie en in het bewaren ervan.
Een vliegwielopslag ontleed
Een moderne vliegwielopslag, schematisch in doorsnede. Elk onderdeel lost een probleem op dat uit dit hoofdstuk volgt.
- 1Rotor (ring)
Een ring van koolstofvezel, in de omtreksrichting gewikkeld: σ = ρv² beperkt de randsnelheid tot honderden m/s. De massa zit aan de rand, waar ze het meeste traagheidsmoment geeft.
- 2Naaf
Verbindt de ring met de as. Ze moet meerekken met de ring (die bij hoge snelheid een beetje groter wordt), anders scheurt de verbinding.
- 3Magnetische lagers
Houden de rotor zwevend zonder contact: bijna geen wrijving (het lagerverlies uit de simulatie) en geen slijtage bij tienduizenden tpm.
- 4Motor-generator
Eén elektrische machine op de as: als motor spint ze de rotor op (laden), als generator remt ze hem af (leveren). Het vermogen P = τω bepaalt hoe snel dat kan.
- 5Vacuümbehuizing en omhulling
Het vacuüm haalt het luchtverlies (∝ ω³) weg. De dikke wand moet een rotor opvangen die breekt: bij 6000 tpm zit er in de stalen demonstrator al 475 kJ, de energie van een auto van 1200 kg met 101 km/h.
- 6Vacuümpomp
Houdt de druk laag; lekt de behuizing, dan stijgt het stilstandsverlies snel.
- 7Omvormer
Zet de wisselspanning met een veranderlijke frequentie (het toerental verandert voortdurend) om naar het net; hoofdstuk 24.
Habitat: een vliegwiel als kortstondige energiebuffer?
Iemand stelt voor een vliegwiel in de technische ruimte te zetten, 'voor de pieken'. Onderzoek drie taken: de aanloop van de drukpomp (hoofdstuk 7), een wolk over de panelen van de module, en een nacht overbruggen. Vergelijk met wat Habitat al heeft: twee LiFePO4-batterijen van 12,8 V en 120 Ah (2,46 kWh bruikbaar, ±28 kg) en een netomvormer die 8 kVA 5 s kan leveren.
- stalen demonstrator: 77 kg, 99 Wh bruikbaar, ±11 % verlies per uur
- LiFePO4: 110 Wh/kg nominaal, 80 % bruikbaar, een paar procent zelfontlading per maand
- per taak: is een vliegwiel zinvol?
- een besluit voor Habitat
- 1Massa voor dezelfde energie. 99 Wh uit LiFePO4 vraagt batterij, tegenover 77 kg staal (plus behuizing). Met een koolstofvezelring (87 Wh/kg rotor, systeem veel minder) wordt het beter, maar niet beter dan de batterij.
- 2Per taak:
taak wat er nodig is wat Habitat al heeft vliegwiel zinvol? aanloop van de drukpomp (hoofdstuk 7) ±6,3 kVA gedurende een fractie van een seconde, ±1 à 3 kJ netomvormer 8 kVA gedurende 5 s nee: het probleem is vermogen, en dat is al opgelost wolk over de panelen van de module ±500 W gedurende enkele minuten, ±25 Wh 2 × LiFePO4, 2,46 kWh bruikbaar nee: 1 % van de batterij een nacht overbruggen ±1,2 à 1,4 kWh (hoofdstuk 20 van I) de batterijen nee: zonder verlies al 13 stalen vliegwielen van 77 kg, en die verliezen in 12 h 73 % van hun energie laden onder 0 °C LiFePO4 mag dan niet laden batterijen in de verwarmde module alleen op een koude plek zonder verwarming (later, op een afgelegen site) - 3Waar een vliegwiel wel wint: heel veel korte, zware cycli (een kraan of lift die bij elke rit remenergie terugwint, de netfrequentie van een eiland regelen), een lange levensduur zonder dat de chemie veroudert, en werken in de kou. Geen van die taken speelt in het prototype op het proefterrein.
Impulsmoment en zijn behoud
De draaiende tegenhanger van impuls is het impulsmoment. Voor een puntmassa met impuls op plaats (tegenover een gekozen punt) is het een vectorproduct (hoofdstuk 5); voor een star lichaam om een vaste as tel je alle deeltjes op, elk met :
Kepler. Een centrale kracht ligt langs , dus en blijft behouden. De oppervlakte die in een tijdje doorloopt, is een driehoekje , dus : constant. Dat is de perkenwet van het verhaal.
Iets dat zijn vorm verandert. Trekt een schaatser haar armen in, dan daalt ; zonder uitwendig moment blijft behouden, dus stijgt . Haar rotatie-energie stijgt ook: die arbeid leveren haar armen, die tegen de middelpuntvliedende neiging in naar binnen trekken.
Draaien zonder iets vast te pakken. Een quadcopter heeft twee rotoren die rechtsom en twee die linksom draaien: hun impulsmomenten en hun reactiemomenten heffen elkaar op. Om om zijn as te draaien, laat de drone het ene paar sneller en het andere trager draaien; het verschil in luchtweerstandsmoment en in impulsmoment van de rotoren draait het lichaam de andere kant op. Een satelliet doet hetzelfde met reactiewielen: de ruimtetelescoop Hubble heeft er vier. Een helikopter met één grote rotor heeft een staartrotor nodig die het reactiemoment tegenhoudt.
Een vector. Omdat ook zijn richting bewaart, blijft een snel draaiende tol of gyroscoop in dezelfde richting wijzen. Een moment loodrecht op draait alleen de richting van : de as beschrijft trage kegels, de precessie (opdracht 10.16).
De draaistoel met halters
Je zit op een draaistoel met in elke hand een halter van 2 kg, armen gestrekt. Samen met de stoel is het traagheidsmoment 4,0 kg·m²; met de armen ingetrokken 1,6 kg·m². Je draait met 1,0 toer per seconde en trekt je armen in. Hoe snel draai je dan, en hoeveel energie leverden je armen?
- , , toer/s
- wrijving van de stoel verwaarloosd
- , ,
- 1Geen uitwendig moment om de as (de lagers van de stoel duwen door de as): behouden. geeft toer/s.
- 2; .
- 3Je armen leverden : bij het intrekken moeten ze de halters naar binnen trekken tegen hun neiging om rechtdoor te gaan, en dat is arbeid. Met : .
Een reactiewiel draait een satelliet
Een kleine satelliet ( om de draaias) moet zich in 60 s over 90° draaien, zonder brandstof: hij versnelt 30 s en remt 30 s met een constant moment. Hij heeft een reactiewiel met . Welk toerental moet het wiel halen, en welk moment moet de motor van het wiel leveren?
- ,
- in 60 s, halverwege de grootste hoeksnelheid
- , toerental van het wiel, moment
- 1Driehoekig profiel: de hoek is de oppervlakte onder : , dus .
- 2Impulsmoment van het geheel blijft nul: , dus , 400 tpm in tegengestelde zin.
- 3Moment: de satelliet krijgt , dus ; het wiel krijgt het tegengestelde moment.
Rotatie: formules en werkwijze
Werkwijze: (1) kies de as en een positieve draaizin; (2) zoek in de tabel, met Steiner of met een integraal; (3) schrijf en en koppel ze (); (4) of gebruik energie () of impulsmoment als er geen uitwendig moment is. Elke formule voor schuiven heeft haar tegenhanger:
| translatie | rotatie om een vaste as | verband |
|---|---|---|
| plaats (m) | hoek (rad) | |
| snelheid (m/s) | hoeksnelheid (rad/s) | |
| versnelling (m/s²) | hoekversnelling (rad/s²) | |
| massa (kg) | traagheidsmoment (kg·m²) | |
| kracht (N) | moment (N·m) | |
| arbeid , vermogen | arbeid , vermogen | |
| impuls | impulsmoment | |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| hoeksnelheid | rad/s | |
| hoekversnelling | rad/s² |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| traagheidsmoment | kg·m² |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| moment (koppel) | N·m |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| impulsmoment | kg·m²/s |
| voorwerp (massa ) | as | ||
|---|---|---|---|
| puntmassa op afstand | - | 1 | |
| dunne ring of dunwandige buis | symmetrieas | 1 | |
| volle schijf of cilinder | symmetrieas | 0,5 | |
| dikwandige buis ( binnen, buiten) | symmetrieas | tussen 0,5 en 1 | |
| volle bol | door het midden | 0,4 | |
| dunne bolschil | door het midden | 0,667 | |
| dunne staaf, lengte | loodrecht, door het midden | - | |
| dunne staaf, lengte | loodrecht, door een uiteinde | - | |
| rechthoekige plaat | loodrecht op de plaat, door het midden | - |
Waar rotatie vandaan komt en waar ze heen gaat
Rotatie is de mechanica van hoofdstuk 8 en 9, toegepast op een lichaam dat als geheel draait: elk deeltje beschrijft een cirkel, en alles wat voor één deeltje geldt, tel je op met een integraal. Ze verbindt krachten (K) met energie (E), en in het station met elektrische machines (L), regelen (R) en ontwerpen (D).
Tandwielen, riemen en overbrengingsverhouding: hier met hoeksnelheid en gereduceerd traagheidsmoment.
Arbeid, energie en vermogen: nu τθ, ½Iω² en τω.
Moment en evenwicht: τ = Iα is wat er gebeurt als het evenwicht ontbreekt.
De dakmotor, het wormwiel en de riemschijf, en het koppel k · I.
De LiFePO4-batterij waarmee het vliegwiel vergeleken wordt.
Traagheidsmomenten als integralen; de hoek als oppervlakte onder ω(t).
Moment en impulsmoment als vectorproducten.
Cirkelbeweging, middelpuntzoekende kracht en de knikker die van de tafel rolt.
Impuls en zijn behoud; de drone en zijn rotoren.
De fysische slinger: een traagheidsmoment dat om een as slingert; onbalans van draaiende machines.
Spanning in een draaiende ring en schijf, veiligheidsfactor.
Elektrische machines: koppel, toerental en de motor-generator van een vliegwiel.
Energieopslag vergeleken: batterij, waterstof, vliegwiel.
In het kort
- Draaien om een vaste as: (rad), , ; een punt op afstand heeft , en .
- Het traagheidsmoment volgt uit de kinetische energie : ring , schijf , staaf ; Steiner: .
- , met ; een overbrenging vermenigvuldigt het traagheidsmoment met .
- Rotatie-energie , vermogen . Rollen: met ; alleen de vorm telt: bol voor cilinder voor ring.
- Een dunne draaiende ring heeft : de energie per kg is hoogstens . Staal ±9 Wh/kg, koolstofvezel ±90 Wh/kg (rotor), LiFePO4 ±110 Wh/kg.
- Een vliegwiel is sterk in vermogen en cycli, zwak in energie en in bewaren (procenten per uur). Voor Habitat: geen vliegwiel, de batterijen en de omvormer volstaan.
- Impulsmoment , , ; zonder uitwendig moment behouden: perkenwet, pirouette, reactiewiel, drone.
Wat je nu kent
- radiaal
- Hoekmaat: de booglengte gedeeld door de straal, . Een volle toer is rad; 1 rad ≈ 57,3°.
- hoeksnelheid
- (rad/s); een toerental in toeren per minuut geeft .
- hoekversnelling
- (rad/s²); een punt op afstand krijgt de tangentiële versnelling .
- traagheidsmoment
- (kg·m²): hoe moeilijk een voorwerp om een as te versnellen is; hangt af van de massa én van hoe ver ze van de as zit.
- verschuivingsstelling
- (Steiner): het traagheidsmoment om een as op afstand van een evenwijdige as door het zwaartepunt.
- tweede wet voor rotatie
- : het resulterende moment om de as bepaalt de hoekversnelling.
- rotatie-energie
- : de kinetische energie van alle delen van een draaiend voorwerp samen.
- vliegwiel
- Een draaiende massa die energie opslaat als ; de materiaalsterkte begrenst de randsnelheid ( in een dunne ring).
- impulsmoment
- ; voor een star lichaam om een vaste as . Het verandert alleen door een uitwendig moment: .
- precessie
- De trage draaiing van de as van een tol of wiel, doordat een moment loodrecht op alleen de richting van verandert.