Handboek · hoofdstuk 11Trillingen en resonantie
Van veer en slinger tot windturbine: waarom dingen trillen, hoe hard, en hoe je ze stilhoudt
Alles wat een massa en een veer heeft, trilt: een auto, een brug, een mast, een wijnglas. Zolang je ernaast blijft duwen, is dat onschuldig. Duw je in het ritme van zijn eigenfrequentie, dan groeit de beweging tot alleen de demping ze nog tegenhoudt: resonantie. In dit hoofdstuk leid je de harmonische trilling af, meet je eigenfrequentie en demping, simuleer je een rotor die door een resonantie versnelt, en leer je machines zo op te stellen dat hun trillingen de vloer niet bereiken. Voor Habitat leg je de windturbine van het station vast en zorg je dat ze het station niet laat meetrillen.

- Je kan de bewegingsvergelijking van een massa-veersysteem opstellen, oplossen en de eigenfrequentie berekenen, ook uit een statische inzakking of een trekproef.
- Je kan de slinger (klein en groot, fysisch) beschrijven en uitleggen waarom elk stabiel evenwicht voor kleine uitwijkingen harmonisch trilt.
- Je kan demping beschrijven met de dempingsverhouding ζ, het logaritmisch decrement en de kwaliteitsfactor Q, en ze uit een meting halen, ook met Python.
- Je kan de gedwongen trilling analyseren (amplitude, fase, drie gebieden, opbouwtijd) en resonantie herkennen en vermijden.
- Je kan een Campbell-diagram opstellen en lezen voor een draaiende machine (1P, 3P) en er ontwerpregels uit afleiden.
- Je kan trillingsisolatie ontwerpen met de transmissibiliteit (r > √2, fₙ ≤ f/3) en dempers kiezen uit een catalogus.
Tacoma Narrows en de Millennium Bridge
Op 1 juli 1940 ging in de Amerikaanse staat Washington de Tacoma Narrows Bridge open, een hangbrug met een hoofdoverspanning van 853 m. Het dek was slank: twaalf meter breed, gedragen door liggers van amper 2,4 m hoog. Al tijdens de bouw golfde het dek op en neer bij wind; de brug kreeg de bijnaam Galloping Gertie. Op 7 november 1940, bij een wind van ongeveer 64 km/h, sloeg de beweging om: het dek begon te torderen, de twee helften van de overspanning draaiden in tegengestelde zin, ongeveer twaalf keer per minuut (0,2 Hz), tot hellingen van tientallen graden. Rond 11 uur scheurde het dek los en stortte in het water. Er vielen geen mensen, wel een hond die in een achtergelaten auto zat. Het filmpje ervan is een van de bekendste beelden uit de techniek.
Vaak lees je dat de wind 'in resonantie' met de brug was. Dat klopt niet: bij 64 km/h lieten de wervels achter het dek los met een frequentie rond 1 Hz, niet 0,2 Hz. Wat gebeurde, heet aero-elastisch fladderen: de torsie van het dek veranderde de luchtkrachten zo, dat de lucht bij elke trilling meer energie toevoegde dan de demping afvoerde. Dat is een negatieve demping. Resonantie groeit tot een grens die de demping legt; zelfexcitatie groeit zonder grens (figuur). Sindsdien test men elk slank brugdek in een windtunnel. De nieuwe brug, met een stijf vakwerkdek, ging open in 1950.
Zestig jaar later, op 10 juni 2000, opende in Londen de Millennium Bridge, een voetgangersbrug van 325 m over de Theems. Die dag stapten er ongeveer 90 000 mensen over, tot 2000 tegelijk. De brug begon zijwaarts te slingeren, tot 70 mm, met frequenties tussen 0,5 en 1,1 Hz. Twee dagen later ging ze dicht. De oorzaak: wie over een zijwaarts bewegende vloer loopt, zet zijn voeten breder en in het ritme van de beweging. Omdat een mens bij elke stap zijwaarts duwt, met de helft van de stapfrequentie (rond 1 Hz), duwden honderden voetgangers de brug samen verder: weer een negatieve demping, nu door mensen. De ingenieurs (Arup) verhoogden de demping van ongeveer 0,5 % tot een orde van 20 %, met 37 viskeuze dempers en 52 gestemde massadempers. De brug heropende op 22 februari 2002 en trilt sindsdien niet meer merkbaar.
Het station krijgt een windturbine: een rotor die tot vijf keer per seconde ronddraait bovenop een slanke stalen mast. Wie niet weet bij welke toerentallen de mast meetrilt, krijgt een turbine die zichzelf kapotschudt, of een woonmodule die 's nachts bromt. Dit hoofdstuk levert de getallen: eigenfrequentie, demping, de gevaarlijke toerentallen en de isolatie.

De harmonische trilling: massa en veer
| wat je al kan | wat nu komt |
|---|---|
| de wet van Hooke (hoofdstuk 11 van F) | een veer met een massa: de harmonische trilling |
| en de vrijlichaamsdiagrammen (hoofdstuk 8 van I) | de bewegingsvergelijking |
| differentiaalvergelijkingen met Euler en Heun (hoofdstuk 4) | trillingen simuleren, ook waar geen formule bestaat |
| een sinus als projectie van een draaiende wijzer, fasoren, de karakteristieke vergelijking (hoofdstuk 7 en 8) | eigenfrequentie, demping en resonantie in één beeld |
| traagheidsmoment en de fysische slinger (hoofdstuk 10) | de slinger, groot en klein; onbalans van draaiende machines |
Hang een massa aan een veer met veerconstante . In evenwicht is de veer uitgerekt. Meet de uitwijking vanaf dat evenwicht (naar onder positief). Dan geeft de veer omhoog, de zwaartekracht omlaag, en de tweede wet van Newton wordt
De zwaartekracht valt weg: ze verschuift alleen het evenwicht. Welke functie is, op een factor na, min haar eigen tweede afgeleide? Een sinus of een cosinus (hoofdstuk 1). Of met de methode van hoofdstuk 7: proberen met geeft , dus , en het reële deel is een cosinus:
Energie. Vermenigvuldig met : dat is de afgeleide van . Die som blijft dus constant: , met en . De energie pendelt tussen veer en massa.
Een handige vuistregel. Omdat , is : wie weet hoever een voorwerp inzakt op zijn veren, kent zijn eigenfrequentie. Met in millimeter:
Rubberen voeten die 2 mm inzakken: ±11 Hz. Een auto die 20 cm op zijn veren zakt: ±1,1 Hz. Dat geldt alleen als de zwaartekracht in de richting van de trilling werkt; voor een mast die zijwaarts trilt, meet je anders (volgend blad).
Habitat: de mast als massa aan een veer
De windturbine van het station (rotor Ø 4,0 m, 3,0 kW) staat op een vrijstaande stalen buis van 12,0 m, 244,5 × 5,0 mm (hoofdstuk 12 kiest die buis). Gondel en rotor wegen samen 150 kg, de mast zelf 354 kg. Bij een trekproef hangt men 500 N horizontaal aan de mastkop: die schuift 50,8 mm opzij. Bereken de eigenfrequentie van de mast met gondel.
- ,
- ,
- , de meebewegende massa,
- 1Veerconstante van de mastkop: . (Hoofdstuk 12 leidt af dat een ingeklemde staaf onder een kracht aan de top opzij gaat; met geeft hetzelfde getal.)
- 2Welke massa trilt mee? De gondel volledig; van de mast alleen een deel, want de voet staat stil. Met de vervormde vorm van de mast als benadering (methode van Rayleigh: de kinetische energie van elk stukje mast optellen) vind je van de mastmassa: .
- 3, een periode van 0,97 s.
De slinger, en waarom elk evenwicht trilt
Een puntmassa aan een touw van lengte maakt een hoek met de verticaal. Langs de cirkelboog werkt de component van de zwaartekracht, en de versnelling langs de boog is :
Voor kleine hoeken ( in radialen) is dat de vergelijking van de massa aan de veer, met :
Grote uitwijkingen. Dan is kleiner dan , de terugroepende kracht zwakker en de periode langer. Er is geen formule met elementaire functies; numeriek (of met een elliptische integraal) vind je de figuur. Tot 23° wijkt de periode minder dan 1 % af, en de reeks doet het goed tot ongeveer 60°. Een slingeruurwerk houdt zijn uitwijking daarom klein en constant.
Elk stabiel evenwicht is een veer. Stel dat een voorwerp potentiële energie heeft met een minimum in . Dicht erbij is volgens Taylor : een parabool, precies de energie van een veer met . Voor de slinger is en . Daarom trillen zoveel dingen harmonisch: een mast, een brugdek, een atoom in een kristal, een schip dat slingert. Alleen bij grote uitwijkingen merk je de rest van de kromme.
Bij een slinger trekt de zwaartekracht harder aan een zwaardere massa, maar die is ook even veel moeilijker te versnellen: valt weg. Bij een massa aan een veer is dat niet zo: de veerkracht hangt niet af van de massa, en een zwaardere massa trilt wel trager.
Twee keer dezelfde veer: statisch en dynamisch
Geeft de trillingstijd dezelfde veerconstante als het uitrekken? En welke rol speelt de massa van de veer zelf?
- een schroefveer (±20 N/m) aan een statief
- massa's van 50 tot 250 g
- meetlat
- stopwatch of een smartphone met een versnellingsmeter-app
- 1Hang telkens een massa aan de veer en meet de verlenging in rust tegenover de veer zonder massa.
- 2Trek de massa 2 à 3 cm naar beneden, laat los en meet de tijd voor 10 trillingen (start bij een doorgang door het evenwicht, niet bij een top).
- 3Zet T² uit tegen m en de verlenging tegen de kracht mg; bepaal telkens een helling.
- 4Bereken k uit beide hellingen en vergelijk.
Een voorbeeldmeting:
| (kg) | tijd voor 10 trillingen (s) | (s) | (s²) | verlenging in rust (mm) |
|---|---|---|---|---|
| 0,050 | 3,53 | 0,353 | 0,1246 | 25 |
| 0,100 | 4,69 | 0,469 | 0,2200 | 50 |
| 0,150 | 5,52 | 0,552 | 0,3047 | 74 |
| 0,200 | 6,47 | 0,647 | 0,4186 | 98 |
| 0,250 | 7,19 | 0,719 | 0,5170 | 123 |
ligt op een rechte met helling 1,967 s²/kg en snijpunt 0,0220 s². De verlenging tegenover geeft een helling van 49,7 mm/N.
Uit volgt . Uit het uitrekken: . Beide methoden geven dezelfde veer, binnen enkele procenten.
Waarom gaat de rechte niet door de oorsprong? Ook de veer zelf beweegt mee: de onderste winding beweegt met de massa, het bovenste staat stil. Net als bij de mast (vorig voorbeeld) telt een deel van haar massa mee; voor een uniforme veer is dat een derde. Het snijpunt geeft , dus een veer van ongeveer 34 g. Weeg de veer en controleer. Meet je tien trillingen in plaats van één, dan deelt je reactietijd door tien.
Demping
Een echte trilling sterft uit: wrijving in het materiaal, in verbindingen, in de lucht. Het eenvoudigste model is een viskeuze demper, een kracht tegen de snelheid in (een schokbreker, olie die door een gaatje moet). Met wordt de bewegingsvergelijking de karakteristieke vergelijking van hoofdstuk 7:
De dempingsverhouding beslist alles. Is , dan is de wortel imaginair en is met : een uitdovende trilling (ondergedempt). Bij keert het systeem het snelst terug zonder door te schieten (kritisch); bij kruipt het traag terug (overgedempt). Deurdrangers en meetinstrumenten zitten dicht bij kritisch, constructies ver eronder.
| systeem (orde van grootte) | ||
|---|---|---|
| wijnglas (voorbeeld verderop) | ±0,000 7 | ±700 |
| gelaste stalen schoorsteen of buis | ±0,002 | ±250 |
| mast met gondel en boutflens, rotor stil (rekenwaarde Habitat) | 0,005 | 100 |
| brug of gebouw | 0,005 à 0,05 | 100 à 10 |
| dezelfde mast met draaiende rotor (aerodynamisch) | 0,037 | 13 |
| rubberen demperblok | ±0,05 | ±10 |
| ophanging van een auto | 0,2 à 0,4 | 2,5 à 1,3 |
Een draaiende rotor dempt. De stuwkracht van een rotor is , met de wind die de rotor voelt. Beweegt de mastkop met snelheid mee met de wind, dan voelt de rotor , en de stuwkracht daalt met : een demper met . Bij 8 m/s en is dat voor de Habitat-turbine 99 N·s/m, of : meer dan zes keer de demping van het staal. Een stilstaande rotor mist die demping: de ergste toestand voor de mast is dus een storm met de rotor stil.
Een uitslingerproef van de mast analyseren
Na de trekproef van 500 N laat men de mastkop los. Een laserafstandsmeter op een paal ernaast meet de uitwijking 20 keer per seconde, 40 s lang (rotor stil). Het bestand mast_uitslinger.csv begint zo:
t_s,x_mm 0.00,51.07 0.05,48.28 0.10,40.75 0.15,28.85 0.20,14.14
Het programma zoekt de toppen, haalt de periode uit hun afstand en de demping uit de helling van tegenover het nummer van de top: volgens het vorige blad is dat een rechte met helling .
# uitslinger.py - eigenfrequentie en demping van de mast uit een uitslingerproefimport mathimport numpy as np with open("mast_uitslinger.csv") as f: next(f) # kopregel overslaan data = np.array([[float(v) for v in regel.split(",")] for regel in f])t, x = data[:, 0], data[:, 1] # tijd (s), uitwijking mastkop (mm) # toppen: een meting die de grootste is van haar omgeving (4 metingen links en rechts)toppen = [i for i in range(4, len(x) - 4) if x[i] == x[i - 4:i + 5].max() and x[i] > 0]tt, xt = t[toppen], x[toppen] T = (tt[-1] - tt[0]) / (len(tt) - 1) # gemiddelde periodehelling, _ = np.polyfit(np.arange(len(xt)), np.log(xt), 1) # ln(top) daalt lineair per periodedelta = -helling # logaritmisch decrementzeta = delta / math.sqrt(4 * math.pi**2 + delta**2) print(f"{len(tt)} toppen, periode {T:.3f} s, eigenfrequentie {1 / T:.3f} Hz")print(f"logaritmisch decrement {delta:.4f}, demping zeta = {100 * zeta:.2f} %, Q = {1 / (2 * zeta):.0f}")print(f"de amplitude halveert na {math.log(2) / delta:.0f} perioden ({math.log(2) / delta * T:.0f} s)")Uitvoer:
41 toppen, periode 0.969 s, eigenfrequentie 1.032 Hz logaritmisch decrement 0.0315, demping zeta = 0.50 %, Q = 100 de amplitude halveert na 22 perioden (21 s)
De eigenfrequentie klopt met de trekproef en het balkmodel (). De demping van ongeveer 0,5 % is klein: een kwaliteitsfactor van ongeveer 100. Wie de mast één keer een duw geeft, ziet haar een halve minuut nadeinen. Waarom een rechte fitten en niet gewoon twee toppen delen? De ruis van 0,2 mm weegt bij de kleine toppen aan het eind zwaar; de fit gebruikt alle toppen tegelijk. Het brein van het station herhaalt deze proef elk jaar: daalt , dan is er iets losgekomen (flens, fundering), stijgt sterk, dan wrijft er iets.
Gedwongen trilling en resonantie
Duw met een sinusoïdale kracht . De oplossing bestaat uit twee delen: de vrije trilling van het vorige blad, die uitsterft met tijdconstante , en een trilling met de frequentie van de kracht, die blijft. Die tweede vind je met een fasor (hoofdstuk 7): , :
Drie gebieden, drie verschillende oplossingen:
| gebied | amplitude | fase | wat helpt |
|---|---|---|---|
| (traag duwen) | mee met de kracht | een stijvere veer | |
| (resonantie) | 90° achter | demping | |
| (snel duwen) | tegengesteld | meer massa |
Wie een resonantie wil bestrijden met een stijvere veer of meer massa, verschuift de eigenfrequentie; alleen demping verlaagt de piek zelf.
Opbouwen kost tijd. Start een systeem in rust met een kracht precies op zijn eigenfrequentie, dan groeit de amplitude als (verhaalblad). Een systeem met weinig demping heeft een grote piek, maar ook een lange opbouwtijd. Daar leeft de windturbine van: een rotor die snel door een kritisch toerental gaat, geeft de mast geen tijd om op te bouwen.
Van wijnglas tot brug. Een glas zingt na een tik op 500 Hz en na 2,0 s is de toon gezakt tot 1 % van zijn amplitude (voorbeeldmeting). Dan is , dus en . Een luidspreker die precies die toon speelt, laat het glas honderden keren verder uitwijken dan dezelfde geluidsdruk bij een andere toon; bij een luide toon breekt het. Een brug heeft een van tien tot honderd, maar een massa van honderden tonnen: haar vijand is niet één duw maar een ritme dat blijft duren, zoals stappende voetgangers.
Bij resonantie klopt dat. Maar een zware demper maakt een systeem ook traag en geeft bij hoge frequenties méér kracht door naar de steun (verderop, bij de isolatie). Ontwerpers kiezen de demping voor een doel: een meetinstrument rond , een autoveer rond 0,3, een trillingsisolator laag.
Onbalans: de rotor als trilbron
Geen rotor is perfect gebalanceerd. Het zwaartepunt van de rotor van de Habitat-turbine ligt een klein beetje naast de as; de onbalans is (rekenwaarde: bijvoorbeeld 25 g te veel op 2 m van de as). Bereken de kracht op de mastkop en de uitwijking bij 300 tpm, en bij het toerental waarop de kracht de eigenfrequentie van de mast raakt, als de rotor daar lang zou blijven draaien.
- , , , , (rotor stil of langzaam)
- en bij 300 tpm; bij resonantie
- 1Een massa op straal heeft een middelpuntzoekende kracht nodig (hoofdstuk 8); de as levert die, en de lagers duwen dus een even grote, ronddraaiende kracht op de gondel. Haar horizontale component is : een gedwongen trilling met frequentie 1P.
- 2Bij 300 tpm: , ; . Ver boven de resonantie: .
- 3Algemeen: , dus (figuur). Ver boven de resonantie wordt : de mastkop beweegt zo dat het gezamenlijke zwaartepunt van gondel en rotor stilstaat.
- 4Bij resonantie ( tpm): , maar , na een opbouwtijd van enkele keren .
Het Campbell-diagram: 1P en 3P
Een draaiende rotor duwt met vaste veelvouden van zijn toerental. Onbalans en een ongelijk blad geven 1P (één keer per omwenteling). Elk blad dat voor de mast langs gaat, voelt minder wind (de mast remt de lucht af), en hoger in de lucht waait het harder dan lager: bij een rotor met drie bladen geeft dat kracht- en momentschommelingen met 3P. Omdat de toerentallen veranderen met de wind, zijn dat geen vaste frequenties maar lijnen door de oorsprong: en .
Een Campbell-diagram zet die lijnen samen met de eigenfrequenties van de constructie. Waar een lijn een eigenfrequentie snijdt, ligt een gevaarlijk toerental. De Habitat-turbine draait tussen ±80 tpm (aanloop bij 3 m/s) en 300 tpm (nominaal, vanaf 11 m/s): 1P tussen 1,33 en 5,0 Hz, 3P tussen 4,0 en 15 Hz.
Er zijn drie strategieën voor de eerste eigenfrequentie van de mast:
- stijf-stijf: boven 3P bij het hoogste toerental (hier boven 15 Hz). Voor een mast van 12 m zou zelfs een stalen buis zonder gondel meer dan twee meter dik moeten zijn: onmogelijk.
- zacht-stijf: tussen 1P en 3P over het hele werkgebied. Kan hier niet: 1P reikt tot 5 Hz en 3P begint al bij 4 Hz.
- zacht-zacht: onder 1P bij het laagste toerental. Dan draait de rotor in bedrijf altijd boven de resonantie, en passeert hij ze alleen bij het aanlopen en stoppen. Dat is de keuze voor Habitat: tegenover 1P , een marge van 29 %.
De mast heeft ook een tweede buigmode, waarin ze in het midden opzij bolt terwijl de gondel bijna stilstaat (figuur op het volgende voorbeeld). Een balkmodel geeft , en die ligt wel in de 3P-band: 3P raakt ze bij 163 tpm. Dat venster moet de rotor snel doorlopen.
Een rotor versnelt door de resonantie
Hoe gevaarlijk is het passeren van 62 tpm bij het aanlopen? Het model: de mast als massa-veersysteem met demping, en een onbalanskracht waarvan de hoeksnelheid lineair stijgt van 0 tot 100 tpm. Omdat de frequentie van de kracht verandert, is er geen formule: dit is werk voor een simulatie. De toestand is ; Heun (hoofdstuk 4) rekent met een stap van 5 ms.
# aanloop.py - de rotor versnelt door de eerste eigenfrequentie van de mastimport math k, m, zeta = 9839.0, 233.5, 0.005 # mast als veer (N/m), meebewegende massa (kg), demping (rotor stil)c = 2 * zeta * math.sqrt(k * m) # dempingsconstante (N s/m)U = 0.05 # onbalans van de rotor (kg m): de kracht is U * W**2w0 = math.sqrt(k / m) def afgeleide(t, s, T_op, W_eind): """s = (x, v, hoek van de rotor); de rotor versnelt lineair tot W_eind in T_op seconden.""" x, v, hoek = s W = W_eind * min(t / T_op, 1.0) return (v, (U * W**2 * math.cos(hoek) - c * v - k * x) / m, W) def aanloop(T_op, n_eind=100, duur=150.0, h=0.005): """Heun (hoofdstuk 4): Euler als voorspeller, het gemiddelde van twee hellingen als verbeteraar.""" W_eind = 2 * math.pi * n_eind / 60 s, t, spoor = (0.0, 0.0, 0.0), 0.0, [] while t < duur: a = afgeleide(t, s, T_op, W_eind) p = tuple(si + h * ai for si, ai in zip(s, a)) b = afgeleide(t + h, p, T_op, W_eind) s = tuple(si + h / 2 * (ai + bi) for si, ai, bi in zip(s, a, b)) t += h spoor.append((t, s[0])) return spoor if __name__ == "__main__": print(f"eigenfrequentie {w0 / (2 * math.pi):.3f} Hz = {60 * w0 / (2 * math.pi):.0f} tpm, tijdconstante {1 / (zeta * w0):.0f} s") for T_op in (4, 30, 120): spoor = aanloop(T_op) tmax, xmax = max(spoor, key=lambda p: abs(p[1])) print(f"van 0 naar 100 tpm in {T_op:3d} s: grootste uitwijking {1000 * abs(xmax):4.1f} mm (na {tmax:5.1f} s)") F = U * w0**2 print(f"blijft de rotor op {60 * w0 / (2 * math.pi):.0f} tpm draaien: {1000 * F / (c * w0):.1f} mm (evenwichtstoestand)")Uitvoer:
eigenfrequentie 1.033 Hz = 62 tpm, tijdconstante 31 s van 0 naar 100 tpm in 4 s: grootste uitwijking 1.4 mm (na 3.8 s) van 0 naar 100 tpm in 30 s: grootste uitwijking 3.3 mm (na 22.0 s) van 0 naar 100 tpm in 120 s: grootste uitwijking 5.9 mm (na 81.4 s) blijft de rotor op 62 tpm draaien: 21.4 mm (evenwichtstoestand)
Een snelle aanloop (4 s) laat een uitwijking van 1,4 mm na: de mast kreeg niet de tijd om op te bouwen. Hoe trager, hoe groter, en wie op het kritische toerental blijft hangen, krijgt na een paar minuten 21 mm, vijftien keer meer dan bij de snelle aanloop. In de figuur zie je na het passeren een trilling op de eigenfrequentie die traag uitsterft ( %), met de snelle 100 tpm-trilling van de onbalans erbovenop.
Een windturbine in echte wind versnelt niet netjes lineair: in zwakke wind kan een rotor zonder last minutenlang rond 60 tpm hangen. Daarom houdt de regelaar hem daar weg (volgend blad).
Habitat: de windturbine en haar mast
Vat samen voor het dossier van het station: is de mast (buis 244,5 × 5,0 mm, 12,0 m) geschikt voor de turbine, welke toerentallen zijn kritisch, hoeveel marge is er, en welke regels krijgt de regelaar van de turbine mee?
- , (balkmodel); werkgebied 80 tot 300 tpm
- stil, in bedrijf (bij 8 m/s)
- onbalans
- kritische toerentallen en marges
- regels voor de regelaar
- 1Kritische toerentallen. 1P raakt bij tpm, 3P raakt bij 21 tpm (daar is de kracht verwaarloosbaar), 3P raakt bij tpm. 1P raakt nooit (dat zou 490 tpm vragen).
- 2Marges. Bij het laagste toerental in bedrijf is 1P keer : 29 % marge, meer dan de 10 à 20 % die men gewoonlijk aanhoudt. Bij 300 tpm is en beweegt de mastkop door de onbalans maar 0,22 mm.
- 3Modevormen. In de eerste mode beweegt vooral de gondel; in de tweede bolt de mast halverwege uit terwijl de gondel veel minder beweegt (figuur). Een kracht aan de mastkop wekt de tweede mode dus minder op dan de eerste, maar niet nul: een rotor die urenlang op 163 tpm draait (bij ±6 m/s, een heel gewone windsnelheid), zou de mast in het midden laten trillen, precies waar de las van een versterking zou zitten.
- 4Regels voor de regelaar (de windturbine krijgt een eigen regelaar; het brein van het station bewaakt):
regel voor de turbine waarom niet langer dan enkele seconden tussen 56 en 68 tpm (1P op de eerste mode) de amplitude bouwt op met een tijdconstante van 31 s; wie snel voorbij is, merkt niets in zwakke wind: de rotor niet vrij laten rondtrillen onder 80 tpm (lichte generatorbelasting of rem) anders kan hij minutenlang op 62 tpm hangen: 21 mm aan de mastkop het venster 155 tot 171 tpm snel doorlopen (3P op de tweede mode) een 'sprong' in het toerental, zoals grote turbines doen een versnellingsmeter in de gondel; stoppen als de trilling bij 1,03 Hz een grens overschrijdt een ijsafzetting of een beschadigd blad verhoogt de onbalans; het brein merkt het eerst
Trillingsisolatie
Een machine op verende voeten duwt niet meer rechtstreeks op de vloer: wat doorkomt, is de kracht in de veren en dempers, . Met de fasor van de gedwongen trilling ( en ) volgt de verhouding tussen de kracht die doorkomt en de kracht die de machine opwekt:
Drie ontwerpregels volgen rechtstreeks uit de figuur:
- Isoleren kan pas boven . Daaronder komt er meer kracht door dan zonder veren. De eigenfrequentie van de opstelling moet dus ruim onder de laagste storende frequentie liggen.
- Vuistregel: . Dan is : nog ongeveer 12 % komt door. Bij : 7 %.
- Weinig demping isoleert beter boven (de demper duwt zelf ook op de vloer), maar bij het aanlopen, als de machine door gaat, is wat demping welkom. Rubber, met , is een goed compromis.
Zachte veren betekenen inzakken: met de vuistregel van het eerste blad hoort bij een statische inzakking van 2,5 mm, bij 3 Hz al 28 mm. Voor lage storende frequenties wordt isoleren daardoor snel onpraktisch.
De ventilatie-unit van hoofdstuk 7 (12 kg op rubberen voeten van samen 30 kN/m, ventilator op 25 Hz): , , en met is : 13 % van de trillingskracht bereikt de vloer.
Rubberdempers voor de drukpomp
De drukpomp van het drinkwater (hoofdstuk 7: 0,75 kW) staat met haar motor op een stalen grondplaat in de technische ruimte, samen 28 kg. De motor draait 2900 tpm. De houten vloer van de woonmodule geeft trillingen goed door (je hoort een pomp dan in de slaapkamer). Kies vier rubberen voeten uit de catalogus en bereken hoeveel van de trillingskracht nog doorkomt.
| type (voorbeeldcatalogus) | stijfheid per voet | grootste last per voet | opbouw |
|---|---|---|---|
| A | 25 kN/m | 60 N | zacht rubber, drukbelast |
| B | 40 kN/m | 100 N | rubber, drukbelast |
| C | 90 kN/m | 250 N | rubber, drukbelast |
| D | 250 kN/m | 600 N | hard rubber, drukbelast |
| E | 45 kN/m | 250 N | rubber op afschuiving (duurder) |
- op vier voeten, , rubber
- een keuze, met , en de inzakking
- 1Eis. Met de vuistregel . Last per voet: .
- 2Alle types doorgerekend (, met , inzakking ):
4 voeten van type (Hz) inzakking (mm) last per voet A 9,5 5,08 4,5 % 2,75 te zwaar (69 N) B 12,0 4,02 7,1 % 1,72 in orde C 18,0 2,68 16,8 % 0,76 in orde D 30,1 1,61 63,7 % 0,27 in orde E 12,8 3,79 8,0 % 1,53 in orde - 3Keuze. Type A isoleert het best, maar is overbelast: rubber dat te zwaar belast wordt, kruipt en veroudert snel. C en D zijn te stijf. B en E voldoen allebei; B is eenvoudiger en goedkoper: , , inzakking 1,7 mm.
- 4Aanlopen. De motor gaat in minder dan een seconde door 12 Hz: te snel voor een opbouw (, maar de doorgang duurt maar een fractie daarvan). Leidingen sluit je aan met een stukje flexibele slang: een stijve buis zou de veren kortsluiten.

Habitat: de windturbine isoleren van het station
Iemand stelt voor de turbine op het dak van de woonmodule te zetten, op een kort mastje met rubberen dempers eronder: geen fundering, een korte kabel. Kan dat de trillingen van de rotor (1P: 1,33 tot 5,0 Hz; 3P: 4,0 tot 15 Hz) van het station isoleren? Zo nee, hoe dan wel?
- frequentiebanden 1P en 3P in bedrijf
- rubber
- houtskelet: een lichte constructie die trillingen goed doorgeeft
- de vereiste en inzakking
- een besluit voor Habitat
- 1Alles isoleren. Isoleren kan pas boven ; de laagste storende frequentie is 1P bij 80 tpm, 1,33 Hz. Dus , en dat betekent een statische inzakking van . Een turbine die op zulke zachte veren staat, kantelt bij de eerste windstoot om.
- 2Alleen 3P isoleren. Dan moet : nog altijd 31 mm inzakking, en de 1P-band zou er juist middenin liggen. Met realistische voeten (bv. ) toont de figuur het resultaat: bij 80 tpm komt 1,2 keer de kracht door, rond 3 Hz tien keer, en pas vanaf 5,2 Hz minder dan de helft.
- 3Zonder rubber, star vastgezet: alle kracht komt door (), en een houten dak heeft zelf eigenfrequenties in de buurt van de 3P-band. Bovendien is de wind boven een dak turbulent: minder opbrengst, meer wisselende lasten.
- 4Besluit. De beste isolatie is geen verbinding. De turbine krijgt een eigen mast en een eigen fundering op 15 m van de woonmodule (meer dan de valafstand: 12 m mast + 2 m blad). De enige verbinding is de kabel, ondergronds in een mantelbuis met een lus bij de mastvoet. Rubberdempers komen waar ze wél werken: onder de machines ín het station (vorig voorbeeld, en later de warmtepomp).
De windturbine van het station ontleed
Elk onderdeel van de turbine heeft een rol in het trillingsverhaal van dit hoofdstuk: als bron, als veer, als massa, als demper of als bewaker.
- 1Rotor (Ø 4,0 m, 3 bladen)
Bron van 1P (onbalans, een blad dat anders is) en 3P (elk blad passeert de mast en ziet andere wind boven en onder). In bedrijf dempt hij de mast ook: ±3 %.
- 2Gondel met generator (150 kg samen met de rotor)
De grootste massa van het systeem: ze bepaalt samen met de stijfheid van de mast de eerste eigenfrequentie. De generator werkt hoofdstuk 19 uit.
- 3Windvaan en uit-de-windmechanisme
Houdt de rotor in de wind en draait hem boven ±15 m/s weg: zo blijven toerental en stuwkracht begrensd.
- 4Versnellingsmeter
Meet de trilling van de gondel. Het brein kijkt naar het niveau bij f₁ en bij 1P: een blad met ijs of schade verhoogt de onbalans; dan stopt de turbine.
- 5Mast (buis 244,5 × 5,0 mm, 12,0 m)
De veer van het systeem (9,8 kN/m aan de top) en een deel van de massa. Ze is bewust 'zacht' gekozen: eigenfrequentie onder 1P in bedrijf.
- 6Flens en ankerbouten
Verbinden mast en fundering. Hier is het buigmoment het grootst en wisselt het honderden miljoenen keren in de levensduur: vermoeiing (hoofdstuk 12 en 46).
- 7Eigen fundering
Een betonblok dat de mast inklemt. Géén verbinding met de fundering van het station: dat is de eigenlijke trillingsisolatie.
- 8Kabel in een mantelbuis
De enige verbinding met het station: ondergronds, met een lus bij de voet, zodat ze geen trillingen of trekkrachten doorgeeft.
- 9Woonmodule op 15 m
Verder dan de valafstand (12 m mast + 2 m blad). Rubberdempers staan hier wel: onder de pomp, de ventilatie-unit en later de warmtepomp.
Trillingen: formules en werkwijze
Werkwijze: (1) zoek de massa en de veer (stijfheid uit een formule, een inzakking of een trekproef; meebewegende massa); (2) bereken ; (3) zoek alle aandrijffrequenties (toerental, 1P, 3P, netfrequentie, stappen) en hun bereik; (4) vergelijk: marge tegenover resonantie, of voor isolatie; (5) schat de demping en reken de amplitude of de doorgegeven kracht; (6) simuleer wat geen formule heeft.
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| massa | kg | |
| dempingsconstante | N·s/m | |
| veerconstante | N/m |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| eigenhoekfrequentie | rad/s | |
| statische inzakking | mm |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| dempingsverhouding | - |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| frequentieverhouding | - |
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| onbalans | kg·m |
| gebied | amplitude | fase | wat helpt |
|---|---|---|---|
| (traag duwen) | mee met de kracht | een stijvere veer | |
| (resonantie) | 90° achter | demping | |
| (snel duwen) | tegengesteld | meer massa |
Waar trillingen vandaan komen en waar ze heen gaan
Trillingen brengen samen wat de vorige hoofdstukken apart opbouwden: de tweede wet van Newton als differentiaalvergelijking, de sinus als draaiende wijzer, de fasor, de simulatie met Heun. Dezelfde wiskunde komt terug in de elektrische kring met spoel en condensator (een LC-kring trilt, een RLC-kring resoneert), in regelsystemen (tweedeordesystemen met doorschot) en in signaalverwerking (frequenties in een meting). In constructies (K) en ontwerpen (D) is het een vraag die bij elke machine terugkomt.
De wet van Hooke: een veer met veerconstante k.
F = ma en het vrijlichaamsdiagram: de basis van de bewegingsvergelijking.
Een regeling kan zelf gaan trillen: hysterese en vertraging.
Euler en Heun, tweede orde als stelsel: zo simuleer je een trilling.
Fasoren, de karakteristieke vergelijking en de gedwongen trilling in één regel.
Een eenparige cirkelbeweging geprojecteerd op een as is een harmonische trilling; de middelpuntzoekende kracht van een onbalans.
Traagheidsmoment en de fysische slinger; draaiende machines.
De stijfheid van de mast (k = 3EI/L³), haar dimensionering en de knik (dezelfde differentiaalvergelijking).
Het idee van de eindige-elementenmethode: het balkmodel dat f₂ gaf.
De generator van de windturbine.
De RLC-kring: resonantie en kwaliteitsfactor in de elektrotechniek.
Frequenties in een meting: het spectrum van de versnellingsmeter in de gondel.
Tweedeordesystemen, doorschot en de overdrachtsfunctie.
Vermoeiing en faalwijzen van trillende onderdelen.
In het kort
- Een massa aan een veer trilt harmonisch: met ; het gewicht verschuift alleen het evenwicht, en .
- Een slinger heeft voor kleine hoeken; elk stabiel evenwicht gedraagt zich dichtbij als een veer met .
- Demping: ; onder 1 dooft de trilling uit met ; uit een meting volgt uit het logaritmisch decrement ; .
- Een gedwongen trilling volgt de frequentie van de kracht; bij is de amplitude keer de statische, en de opbouw duurt enkele keren .
- Onbalans geeft (1P); bladen die de mast passeren geven 3P. Een Campbell-diagram toont de kritische toerentallen.
- Isoleren kan pas boven ; kies . Tegen lage frequenties helpen afstand, massa en demping, niet rubber.
- Habitat: de windturbine (3 kW, Ø 4 m) staat op een zachte mast ( Hz) met een eigen fundering op 15 m van het station.
Wat je nu kent
- harmonische trilling
- Een beweging ; ze ontstaat als de terugroepende kracht evenredig is met de uitwijking ().
- eigenfrequentie
- De frequentie waarmee een systeem uit zichzelf trilt; voor een massa aan een veer .
- dempingsverhouding
- : de demping gedeeld door de kritische demping; onder 1 trilt het systeem uit, vanaf 1 kruipt het terug.
- logaritmisch decrement
- : het natuurlijk logaritme van de verhouding van twee opeenvolgende toppen.
- kwaliteitsfactor
- : hoeveel keer groter de amplitude bij resonantie is dan bij een even grote, trage kracht.
- resonantie
- Het sterke meetrillen van een systeem dat aangedreven wordt met (bijna) zijn eigenfrequentie; alleen de demping begrenst de amplitude.
- onbalans
- Een draaiend deel waarvan het zwaartepunt niet op de as ligt; het geeft een draaiende kracht met .
- Campbell-diagram
- Grafiek van de aandrijffrequenties van een draaiende machine (1P, 2P, 3P ...) tegenover het toerental, samen met de eigenfrequenties: de snijpunten zijn de gevaarlijke toerentallen.
- transmissibiliteit
- : de verhouding van de kracht (of beweging) die door een verende steun doorkomt tot die aan de bron; kleiner dan 1 pas als .
- gestemde massademper
- Een kleine massa op een veer met demping, afgestemd op de eigenfrequentie van een constructie; ze trilt tegen de constructie in en neemt energie weg.