Handboek · hoofdstuk 8Zuivere stoffen en mengsels
Waarom 'puur' sap een mengsel is, hoeveel zout er in water past, en hoeveel voeding er in de gieter moet
Bijna alles om je heen is een mengsel: lucht, kraanwater, melk, zeewater, staal, potgrond. Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes en heeft vaste stofeigenschappen, zoals een smeltpunt en een kookpunt. In dit hoofdstuk leer je stoffen herkennen aan hun eigenschappen, mengsels indelen in homogeen en heterogeen, rekenen met oplossingen (verzadiging, oplosbaarheid, concentratie in g/L), en aan een smelt- of kookcurve zien of iets zuiver is. Voor de meetkas maak je een voedingsoplossing op de juiste sterkte.

- Je kan stofeigenschappen (kleur, geur, smeltpunt, kookpunt, dichtheid, oplosbaarheid, geleiding) opnoemen en onderscheiden van voorwerpeigenschappen.
- Je kan een stof herkennen door enkele stofeigenschappen te onderzoeken en te vergelijken met een tabel.
- Je kan het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel uitleggen, ook met het deeltjesmodel.
- Je kan mengsels indelen in homogeen en heterogeen, en voorbeelden geven van oplossing, legering, suspensie, emulsie, schuim, rook en nevel.
- Je kan de woorden oplosmiddel, opgeloste stof, oplossing, verzadigd en oplosbaarheid correct gebruiken.
- Je kan een oplosbaarheidscurve lezen en voorspellen hoeveel stof er kristalliseert als een oplossing afkoelt.
- Je kan rekenen met de concentratie in g/L, in drie richtingen.
- Je kan legeringen, lucht en zeewater beschrijven als mengsels en hun samenstelling geven.
- Je kan aan een smelt-, stol- of kookcurve zien of een stof zuiver is of een mengsel.
Hoe zuiver is zuiver?
Op een brik sinaasappelsap staat '100 % puur'. In de winkel hangt een affiche over 'zuivere lucht'. In het dagelijks leven betekent zuiver of puur: er is niets aan toegevoegd. In de wetenschap betekent het iets heel anders: een zuivere stof bestaat uit één enkele stof. Puur sinaasappelsap is dan een mengsel van water, suikers, zuren, vitaminen, kleur- en geurstoffen en vruchtvlees. Zuivere lucht is een mengsel van stikstof, zuurstof, argon en nog wat andere gassen.
Hoe zuiver kan een stof worden? Het record staat op naam van de chipindustrie. Chips worden gemaakt van silicium, dat uit kwartszand gehaald wordt. Voor een chip moet het silicium minstens 99,9999999 % zuiver zijn ('negen negens'): op een miljard siliciumatomen mag er hooguit één vreemd atoom zitten. Om dat te bereiken, wordt het silicium eerst omgezet in een vloeistof die men steeds opnieuw destilleert (hoofdstuk 9). Daarna trekt men uit gesmolten silicium langzaam een staaf die uit één enkel kristal bestaat, soms twee meter lang. Die wordt in schijven (wafers) gezaagd van minder dan een millimeter dik.
En dan gebeurt er iets opvallends: in dat supergezuiverde silicium brengt men bewust piepkleine, exact afgemeten hoeveelheden van andere atomen, zoals boor of fosfor. Pas dan werkt het als halfgeleider (hoofdstuk 23 in Intermediate). Wie een mengsel precies wil maken, moet eerst zuivere stoffen hebben.
'Zuiver' is in STEM geen reclamewoord maar een meetbare eigenschap. Een zuivere stof herken je aan haar vaste stofeigenschappen, zoals een scherp smeltpunt. In dit hoofdstuk leer je die eigenschappen kennen, en in hoofdstuk 9 hoe je stoffen uit een mengsel haalt.

Stofeigenschappen: het paspoort van een stof
In hoofdstuk 7 zag je dat de dichtheid bij de stof hoort, niet bij het voorwerp. Zulke eigenschappen heten stofeigenschappen. Samen vormen ze een soort paspoort: aan een handvol ervan herken je een stof.
- Waarneembaar met je zintuigen: kleur, glans, geur, aggregatietoestand bij kamertemperatuur. Ruik voorzichtig door de damp naar je toe te wuiven, en proef nooit in een labo (hoofdstuk 5).
- Meetbaar: smeltpunt, kookpunt en dichtheid (hoofdstukken 6 en 7), oplosbaarheid in water, elektrische geleiding, warmtegeleiding.
- Gedrag: is de stof magnetisch, brandbaar, reageert ze met azijn?
Massa, volume, vorm en temperatuur zijn geen stofeigenschappen: ze zeggen iets over het voorwerp of over de toestand waarin het nu is. Een ijzeren spijker en een ijzeren brug hebben een heel andere massa, maar hetzelfde smeltpunt: 1538 °C.
| stof | kleur, geur | smeltpunt (°C) | kookpunt (°C) | ρ (g/cm³) | lost op in water? | geleidt stroom? |
|---|---|---|---|---|---|---|
| water | kleurloos, geurloos | 0 | 100 | 1,00 | (is zelf het oplosmiddel) | zuiver: nauwelijks |
| ethanol | kleurloos, alcoholgeur | −114 | 78 | 0,79 | ja, mengt volledig | nee |
| keukenzout | wit, geurloos | 801 | 1465 | 2,16 | ja: 36 g per 100 g water | vast niet, opgelost wel |
| suiker (sacharose) | wit, geurloos | ontleedt vanaf ± 186 | (geen) | 1,59 | ja: 202 g per 100 g water | nee, ook opgelost niet |
| zwavel | geel, geurloos (vast) | 115 | 445 | 2,07 | nee | nee |
| aluminium | zilvergrijs | 660 | ± 2500 | 2,70 | nee | ja |
| koper | roodbruin | 1085 | 2562 | 8,96 | nee | ja, heel goed |
| ijzer | grijs, magnetisch | 1538 | 2862 | 7,87 | nee | ja |
Smelt- en kookpunten bij normale luchtdruk, oplosbaarheid bij 20 °C. Suiker heeft geen kookpunt: vanaf ongeveer 186 °C valt ze uiteen en wordt ze karamel.
Suiker en keukenzout zijn allebei wit, geurloos en oplosbaar in water. Maar zout water geleidt stroom en suikerwater niet, en suiker smelt en wordt bruin in een lepel boven een vlammetje, terwijl zout onveranderd blijft. Combineer daarom altijd enkele eigenschappen (opdracht 8.6).

Geleidt de oplossing stroom?
Geleidt water stroom? En maakt het uit wat er in het water opgelost is?
- 9 V-batterij met clip
- led met een weerstand van 470 Ω in serie
- twee koperdraadjes (of twee potloodstiften) als elektroden
- multimeter op mA (in serie)
- vijf bekertjes: gedemineraliseerd water, kraanwater, zout water, suikerwater, azijn
- keukenpapier

- 1Maak de zout- en de suikeroplossing met gedemineraliseerd water: een theelepel in 100 mL.
- 2Bouw de kring: batterij, weerstand, led, multimeter en de twee elektroden, die nog niet in het water hangen. Test de kring door de elektroden even tegen elkaar te houden.
- 3Hang de elektroden in het eerste bekertje, 1 cm uit elkaar. Noteer of de led brandt en wat de multimeter toont.
- 4Spoel en droog de elektroden, en herhaal voor elk bekertje, altijd op dezelfde afstand en even diep.
| vloeistof | led | stroom (mA) |
|---|---|---|
| gedemineraliseerd water | uit | 0,0 |
| kraanwater | uit of heel zwak | 0,4 |
| suiker in gedemineraliseerd water | uit | 0,0 |
| azijn | zwak | 2,1 |
| zout in gedemineraliseerd water | fel | 13,6 |
Voorbeeld van metingen. De getallen hangen af van de elektroden, hun afstand en hoeveel er opgelost is, maar de volgorde is altijd dezelfde.
Zuiver water geleidt nauwelijks. Of een oplossing geleidt, hangt af van wat erin opgelost is. Zout valt in water uiteen in geladen deeltjes (ionen) die kunnen bewegen en zo de lading door de vloeistof dragen. Suiker lost ook op, maar als ongeladen deeltjes: suikerwater geleidt niet. Kraanwater geleidt een beetje, omdat er altijd wat zouten in opgelost zijn (kalk bijvoorbeeld). Geleiding is dus een stofeigenschap die zout en suiker van elkaar onderscheidt, en een meting die zegt hoeveel zout er opgelost is: in Intermediate meet je zo de sterkte van de voedingsoplossing (EC-meter, hoofdstuk 13).
Zuivere stof of mengsel?
In het deeltjesmodel (hoofdstuk 6) is het verschil eenvoudig:
- Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes: gedestilleerd water, suiker, koper, zuurstof.
- Een mengsel bevat twee of meer soorten deeltjes, van verschillende stoffen: kraanwater, lucht, melk, brons.
In een mengsel behoudt elke stof haar eigen deeltjes en dus haar eigen eigenschappen. Suiker in water is nog altijd zoet; het ijzer in een mengsel van zand en ijzervijlsel is nog altijd magnetisch. Daarom kan je een mengsel scheiden met een techniek die gebruikmaakt van zo'n verschil (hoofdstuk 9). En de verhouding in een mengsel kan je kiezen: een beetje of veel suiker in je thee.
Hoe zie je of iets zuiver is? Niet met het oog: kraanwater en gedestilleerd water zien er hetzelfde uit. Wel met een stofeigenschap die je nauwkeurig meet. Een zuivere stof smelt en kookt bij één vaste temperatuur; een mengsel smelt en kookt over een temperatuurgebied (verderop in dit hoofdstuk).
Als je zout in water oplost, verdwijnt het zout niet en ontstaat er geen nieuwe stof: indampen geeft je het zout terug. Bij een chemische reactie, zoals het verbranden van hout of het roesten van ijzer, ontstaan wel nieuwe stoffen met andere eigenschappen. Reacties zijn het onderwerp van hoofdstuk 14 (Intermediate).
Homogeen en heterogeen
Mengsels deel je in volgens wat je ziet.
- In een homogeen mengsel zijn de stoffen tot op het niveau van de deeltjes gemengd. Het mengsel is overal hetzelfde en meestal helder (doorzichtig, al kan het gekleurd zijn): suikerwater, zeewater na filtreren, lucht, brons.
- In een heterogeen mengsel zitten brokjes, druppeltjes of belletjes van de ene stof in de andere. Soms zie je dat meteen (zand in water), soms pas onder een microscoop (melk: vetdruppeltjes in water). Een heterogeen mengsel is vaak troebel, en na een tijd kan het ontmengen: de deeltjes zakken (modderwater) of stijgen (room op melk die niet gehomogeniseerd is).
| soort | wat zit waarin? | voorbeelden |
|---|---|---|
| homogeen: overal hetzelfde, ook onder een microscoop | ||
| oplossing | vaste stof, vloeistof of gas opgelost in een vloeistof | suikerwater, zeewater, spuitwater, wijn |
| gasmengsel | gas in gas | lucht, uitgeademde lucht |
| legering | metaal met een ander metaal (of koolstof), samen gesmolten en gestold | brons, messing, staal, soldeertin |
| heterogeen: je ziet (met het oog of een microscoop) verschillende delen | ||
| suspensie | vaste deeltjes in een vloeistof | modderwater, sinaasappelsap met vruchtvlees, verf |
| emulsie | druppeltjes vloeistof in een andere vloeistof | melk, mayonaise, vinaigrette na schudden |
| schuim | gasbellen in een vloeistof of vaste stof | slagroom, bierschuim, piepschuim, brood |
| rook | vaste deeltjes in een gas | rook van een kampvuur, fijnstof |
| nevel | druppeltjes vloeistof in een gas | mist, wolken, spray |
| vast mengsel | korrels van verschillende stoffen | graniet, beton, muesli, potgrond |
Schijn met een laserpointer (nooit in iemands ogen) of een smalle lichtbundel door een glas. In zout water zie je de straal niet: de opgeloste deeltjes zijn te klein om licht opzij te sturen. In water met een paar druppels melk zie je een heldere streep: de vetdruppeltjes verstrooien het licht. Zo zie je dat melk heterogeen is, al lijkt het één witte vloeistof. Dat heet het Tyndall-effect; je ziet het ook aan zonnestralen in mist of in een stoffige zolder.

Een fles cola, ingezoomd
Een gesloten fles cola is een homogeen mengsel: een oplossing met veel opgeloste stoffen, waaronder een gas. Draai je de dop open, dan verandert dat.
- 1Dop
Houdt het gas onder druk in de fles. Zolang die druk er is, blijft er veel koolstofdioxide opgelost.
- 2Belletjes na het openen
Zakt de druk, dan kan niet al het gas opgelost blijven: er ontstaan bellen. Nu is het mengsel heterogeen (gas in vloeistof). Warme cola verliest sneller zijn prik: gassen lossen slechter op in warm water.
- 3De oplossing
Helder (bruin gekleurd, maar doorzichtig): homogeen. Een lichtstraal gaat er onzichtbaar door.
- 4Water: het oplosmiddel
Bijna 90 % van de massa. Het water 'draagt' alle andere stoffen.
- 5Suiker: opgeloste stof
Ongeveer 10 à 11 g per 100 mL, dus ruim 100 g/L. In een blikje van 33 cL zit ongeveer 35 g suiker.
- 6Koolstofdioxide: opgelost gas
Onder druk opgelost; het geeft de prik en maakt de drank iets zuurder.
- 7Zuur, kleur- en smaakstoffen
Kleine hoeveelheden, maar ze bepalen de smaak. Cola is zuur (pH ongeveer 2,5, hoofdstuk 15 in Intermediate).
Oplossen: oplosmiddel en opgeloste stof
Doe een suikerklontje in water en wacht: het klontje wordt kleiner en verdwijnt. De suiker is niet weg (het water smaakt zoet), maar ze is opgelost. De watermoleculen botsen voortdurend tegen de suiker en maken deeltje na deeltje los. Door diffusie (hoofdstuk 6) raken die suikerdeeltjes verspreid tussen de waterdeeltjes, tot ze overal even dicht zitten.
- De stof die oplost, heet de opgeloste stof (hier: suiker).
- De stof waarin ze oplost, heet het oplosmiddel (hier: water). Zijn er twee vloeistoffen, dan noem je de stof waarvan er het meest is het oplosmiddel.
- Samen vormen ze een oplossing: een homogeen mengsel.
De massa blijft behouden. 200 g water en 20 g suiker geven 220 g suikerwater: er gaan geen deeltjes verloren. Het volume telt niet altijd netjes op, omdat kleine deeltjes in de ruimte tussen grotere kunnen schuiven: 50 mL alcohol en 50 mL water geven samen maar ongeveer 97 mL.
Sneller oplossen doe je door te roeren, door de stof fijner te maken (poedersuiker lost sneller op dan een klontje: meer oppervlak) en door het oplosmiddel te verwarmen (snellere deeltjes).
Niet alles lost op in water. Olie, vet, zand en was lossen niet op. Water is wel het beste oplosmiddel dat we kennen, maar voor sommige stoffen heb je een ander nodig: alcohol voor de inkt van een watervaste stift, aceton voor nagellak, wasbenzine voor vet. Waarom dat zo is, leer je in Intermediate (hoofdstuk 13).
Verzadigd: hoeveel er maximaal oplost
Blijf je zout in een glas water scheppen en roeren, dan komt er een moment waarop het zout niet meer oplost: het blijft als een laagje op de bodem liggen (een bezinksel). De oplossing is dan verzadigd. Zolang er nog meer kan oplossen, is ze onverzadigd.
Hoeveel er maximaal oplost, is een stofeigenschap: de oplosbaarheid. Je drukt ze uit als het aantal gram dat oplost in 100 g water (100 mL) bij een bepaalde temperatuur. Keukenzout: 35,9 g bij 20 °C. Suiker lost veel beter op: 202 g in 100 g water, meer suiker dan water! Krijt, zand en olie lossen praktisch niet op.
Bij de meeste vaste stoffen stijgt de oplosbaarheid met de temperatuur, maar niet bij allemaal even sterk. Dat zie je in een oplosbaarheidscurve. Kaliumnitraat (een meststof, ook voor de meetkas) lost bij 20 °C maar 31,6 g op per 100 g water, en bij 60 °C al 110 g. De curve van keukenzout is bijna vlak: van 35,7 g bij 0 °C tot 39,0 g bij 100 °C.
Koel je een verzadigde oplossing af, dan kan er minder opgelost blijven: het teveel komt terug als vaste stof, vaak in mooie kristallen. Dat heet kristalliseren. Zo zuivert men stoffen, en zo maak je kandijsuiker (opdracht 8.15).
| (°C) | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| keukenzout | 35,6 | 35,9 | 36,4 | 37,0 | 37,9 | 39,0 |
| kaliumnitraat | 13,3 | 31,6 | 63,9 | 110 | 169 | 246 |
| suiker | 182 | 202 | 236 | 289 | 365 | 476 |
Maximaal op te lossen massa, in gram per 100 g water (100 g water is 100 mL).
Gassen lossen slechter op in warm water. Water van 10 °C kan ongeveer 11 mg zuurstof per liter bevatten, water van 30 °C maar ongeveer 7,6 mg. Daarom krijgen vissen het moeilijk in een warme zomer, verliest warme frisdrank snel zijn prik, en moet de voedingsoplossing van een hydrocultuur koel en belucht blijven (hoofdstuk 36 in Intermediate).
Een oplosbaarheidscurve lezen
In 100 g water van 70 °C los je 100 g kaliumnitraat op. Je laat de oplossing afkoelen tot 20 °C. (a) Is de oplossing bij 70 °C verzadigd? (b) Bij welke temperatuur verschijnen de eerste kristallen? (c) Hoeveel gram kristallen liggen er bij 20 °C? (d) Waarom werkt deze methode slecht om keukenzout uit zout water te halen?
- 100 g kaliumnitraat in 100 g water, bij 70 °C
- de oplosbaarheidscurve en de tabel
- verzadigd bij 70 °C?
- temperatuur van de eerste kristallen
- massa kristallen bij 20 °C
- keukenzout?
- 1(a) Bij 70 °C lost er maximaal 138 g op. 100 g is minder: de oplossing is onverzadigd.
- 2(b) Zoek op de curve waar de oplosbaarheid 100 g is: tussen 50 °C (85,5 g) en 60 °C (110 g), ongeveer bij 56 °C. Tot dan blijft alles opgelost; onder 56 °C is er meer kaliumnitraat dan er kan opgelost blijven.
- 3(c) Bij 20 °C blijft er maar 31,6 g opgelost. De rest kristalliseert: kristallen, en de vloeistof erboven is een verzadigde oplossing.
- 4(d) De curve van keukenzout is bijna vlak: een verzadigde oplossing van 60 °C (37,0 g) houdt bij 20 °C nog 35,9 g opgelost. Er kristalliseert amper 1,1 g. Keukenzout haal je daarom uit water door het water te laten verdampen (indampen, hoofdstuk 9).
Concentratie: hoeveel gram per liter
Hoe sterk is een oplossing? Dat zegt de concentratie: hoeveel gram opgeloste stof er in één liter oplossing zit.
Doe je 10 g suiker in een liter water, dan is de concentratie 10 g/L. Dezelfde 10 g in een halve liter geeft 20 g/L: de suikerdeeltjes zitten dichter op elkaar (figuur). Voor kleine concentraties gebruik je milligram per liter (mg/L).
| oplossing | opgeloste stof | concentratie |
|---|---|---|
| zuurstof in water van 20 °C (maximum) | zuurstof | ± 9 mg/L |
| drinkwater (wettelijk maximum) | nitraat | 50 mg/L |
| voedingsoplossing voor planten | voedingszouten | ± 1 à 2 g/L |
| fysiologisch zout (infuus, lenzenvloeistof) | keukenzout | 9 g/L |
| zeewater | zouten | ± 35 g/L |
| cola | suiker | ± 105 g/L |
Ze hebben dezelfde eenheid, maar meten iets anders. De dichtheid van zeewater is de massa van de hele oplossing per liter: ongeveer 1025 g/L. De concentratie is alleen de massa van het opgeloste zout per liter: ongeveer 35 g/L. Kijk dus altijd welke massa er in de teller staat.
De concentratie gaat over het volume van de oplossing, niet van het water dat je gebruikte. Bij een paar gram per liter is het verschil verwaarloosbaar. Bij sterke oplossingen niet: los je 300 g suiker op in 1 L water, dan heb je bijna 1,2 L oplossing.
Rekenen met concentraties
(a) Fysiologisch zout heeft een concentratie van 9,0 g/L. Hoeveel zout zit er in een zakje infuus van 250 mL? (b) Op een blikje cola van 330 mL staat: 35 g suiker. Wat is de concentratie? (c) Zeewater bevat ongeveer 35 g zout per liter. Hoeveel liter zeewater moet je indampen voor een pak van 1,0 kg zout?
- (a) ,
- (b) ,
- (c) ,
- (a)
- (b)
- (c)
- 1Eenheden eerst: de concentratie staat in g/L, dus het volume in liter en de massa in gram.
- 2(a) . .
- 3(b) . .
- 4(c) . .
Habitat: de voedingsoplossing voor de meetkas
De planten in de meetkas krijgen water uit het reservoir. Om ze te voeden, los je er voedingszouten in op (stikstof, fosfor, kalium en andere). De juiste sterkte is 1,0 g per liter. Je gebruikt een vloeibare plantenvoeding die 200 g voedingszouten per liter bevat. (a) Hoeveel mL van die vloeistof heb je nodig per liter water? (b) Hoeveel mL voor het reservoir, gevuld met 24 L? (c) Hoeveel gram voedingszouten krijgen de planten per dag, als ze 1,8 L verbruiken?

- gewenst:
- plantenvoeding:
- reservoir: ; verbruik: per dag
- mL plantenvoeding per liter
- mL voor 24 L
- g voedingszouten per dag
- 1(a) In 1 L gietwater moet 1,0 g voedingszouten. De plantenvoeding bevat 200 g/L. Welk volume bevat 1,0 g? : één dopje per liter.
- 2(b) Voor 24 L: voedingszouten, dus plantenvoeding. De vloeistof wordt 200 keer verdund.
- 3(c) per dag.
Legeringen, lucht en zeewater
Drie mengsels waar je elke dag mee te maken hebt:
Legeringen. Zuivere metalen zijn vaak te zacht. Meng je er een ander metaal door (in gesmolten toestand), dan krijg je een legering met betere eigenschappen:
| legering | samenstelling | waarom |
|---|---|---|
| brons | koper met ± 12 % tin | harder dan koper; klokken, beelden, lagers |
| messing | koper met 30 à 40 % zink | goed te bewerken, roest niet; sleutels, kranen |
| staal | ijzer met minder dan 2 % koolstof | veel sterker en taaier dan zuiver ijzer |
| roestvast staal | staal met minstens 10,5 % chroom (vaak ook nikkel) | roest niet; bestek, spoelbak |
| soldeertin (loodvrij) | tin met 3 % zilver en 0,5 % koper | smelt lager dan de onderdelen (hoofdstuk 5) |
| goud van 18 karaat | 75 % goud, rest zilver en koper | harder en slijtvaster dan zuiver goud |
Lucht is een homogeen gasmengsel. Droge lucht bestaat (in volume) voor 78 % uit stikstof, 21 % zuurstof, 0,9 % argon en ongeveer 0,04 % koolstofdioxide, plus sporen van andere gassen. Daarnaast bevat lucht een wisselende hoeveelheid waterdamp (hoofdstuk 6). Dat kleine beetje koolstofdioxide is wel wat planten nodig voor fotosynthese (hoofdstuk 27).
Zeewater is ongeveer 96,5 % water en 3,5 % opgeloste zouten: ± 35 g per liter, waarvan ruim drie kwart keukenzout. Het is een oplossing, dus homogeen, zolang er geen zand of plankton in zweeft. Het bevriest pas rond −2 °C en is iets dichter dan zoet water (1,025 g/cm³, hoofdstuk 7).
Je nieren kunnen het zout niet sneller kwijt dan in urine die minder zout is dan zeewater. Om het zout van één liter zeewater af te voeren, verlies je dus meer water dan je gedronken hebt. Op zee kan je van dorst omkomen, midden in het water. Daarom maakt een schip drinkwater door zeewater te destilleren of te filtreren door een heel fijn membraan (hoofdstuk 9).

Smelten, stollen en koken: zuiver of mengsel?
In hoofdstuk 6 zag je de opwarmcurve van ijs en de afkoelcurve van stearinezuur: tijdens een faseovergang blijft de temperatuur van een zuivere stof gelijk. Een vlak stuk in de grafiek bij één temperatuur is het kenmerk van een zuivere stof.
Een mengsel gedraagt zich anders. De grafiek toont 100 g zuiver water en 100 g water met 5 % zout, samen in een diepvries van −18 °C (berekend met een eenvoudig model).
- Het zuivere water koelt af tot 0 °C en blijft daar staan tot alles bevroren is, van 0,5 h tot 3,5 h. Pas daarna koelt het ijs verder af.
- Het zoute water begint pas te bevriezen bij ongeveer −3 °C. Er vormt zich ijs van zuiver water; het zout blijft achter in het water dat nog vloeibaar is. Dat restje wordt dus zouter, en zouter water bevriest pas bij een lagere temperatuur. De temperatuur blijft dalen tijdens het bevriezen: na 3 uur is het −7 °C, na 5 uur −15 °C, en er is nog altijd een beetje zeer zout vloeibaar water tussen het ijs. Een vlak stuk is er niet.
Bij het koken zie je hetzelfde (schets). Zuiver water kookt bij 100 °C en blijft daar. Zout water begint iets boven 100 °C te koken, en terwijl het water wegkookt, wordt de oplossing zouter en stijgt de kooktemperatuur verder, tot ongeveer 109 °C als ze verzadigd is. Vanaf dan kristalliseert het zout en blijft de temperatuur gelijk.
Een zuivere stof smelt, stolt en kookt bij één temperatuur: een vlak stuk. Een mengsel doet het over een temperatuurgebied, meestal lager (smelten, stollen) of hoger (koken) dan de zuivere stof. Daarom strooien we zout op de weg: zout water bevriest pas onder 0 °C, zodat het ijs smelt. Bij strenge vorst (kouder dan ongeveer −10 °C) werkt het veel minder goed.
Is dit poeder zuiver?
Een apotheker controleert een lading pijnstiller. Zuivere paracetamol smelt bij 169 °C. Ze bepaalt het smeltpunt van drie stalen door een beetje poeder langzaam te verwarmen:
| staal | begint te smelten bij | volledig gesmolten bij |
|---|---|---|
| A | 168,5 °C | 169,5 °C |
| B | 158 °C | 165 °C |
| C | 168,6 °C | 169,4 °C |
(a) Welke stalen zijn zuiver? (b) Wat is er met staal B aan de hand? (c) Ze mengt een beetje van staal A met een onbekend wit poeder X. Het mengsel smelt scherp bij 169 °C. Wat besluit ze over X?
- smeltpunt zuivere paracetamol: 169 °C
- smeltgedrag van drie stalen
- zuiver of niet
- verklaring voor B
- wat is X?
- 1(a) A en C smelten binnen één graad, rond 169 °C: dat is het scherpe smeltpunt van zuivere paracetamol.
- 2(b) Staal B smelt lager en over een gebied van 7 °C. Dat is het kenmerk van een mengsel: er zit een andere stof in, een verontreiniging. Die lading mag niet verkocht worden.
- 3(c) Was X een andere stof, dan zou het mengsel lager en over een gebied smelten, zoals B. Het smelt scherp bij 169 °C: X is zelf zuivere paracetamol. Deze controle met een mengsel heet een mengsmeltpunt.
Overzicht: stoffen, mengsels en oplossingen
| symbool | betekenis | eenheid |
|---|---|---|
| concentratie | g/L (of mg/L) | |
| massa opgeloste stof | g | |
| volume oplossing | L |
| begrip | betekenis | voorbeeld |
|---|---|---|
| zuivere stof | één soort deeltjes; vast smelt- en kookpunt | gedestilleerd water, suiker, koper |
| homogeen mengsel | overal hetzelfde, meestal helder | suikerwater, lucht, brons |
| heterogeen mengsel | verschillende delen te onderscheiden, vaak troebel | melk, modderwater, mist |
| oplosmiddel | de stof waarin iets oplost | water in suikerwater |
| opgeloste stof | de stof die oplost | suiker in suikerwater |
| verzadigd | er kan niet meer oplossen | zout water met zout op de bodem |
| oplosbaarheid | maximaal op te lossen massa per 100 g water, bij een temperatuur | keukenzout: 35,9 g bij 20 °C |
| kristalliseren | vaste stof komt uit een oplossing terug | kandijsuiker, zoutkristallen |
| soort | wat zit waarin? | voorbeelden |
|---|---|---|
| homogeen: overal hetzelfde, ook onder een microscoop | ||
| oplossing | vaste stof, vloeistof of gas opgelost in een vloeistof | suikerwater, zeewater, spuitwater, wijn |
| gasmengsel | gas in gas | lucht, uitgeademde lucht |
| legering | metaal met een ander metaal (of koolstof), samen gesmolten en gestold | brons, messing, staal, soldeertin |
| heterogeen: je ziet (met het oog of een microscoop) verschillende delen | ||
| suspensie | vaste deeltjes in een vloeistof | modderwater, sinaasappelsap met vruchtvlees, verf |
| emulsie | druppeltjes vloeistof in een andere vloeistof | melk, mayonaise, vinaigrette na schudden |
| schuim | gasbellen in een vloeistof of vaste stof | slagroom, bierschuim, piepschuim, brood |
| rook | vaste deeltjes in een gas | rook van een kampvuur, fijnstof |
| nevel | druppeltjes vloeistof in een gas | mist, wolken, spray |
| vast mengsel | korrels van verschillende stoffen | graniet, beton, muesli, potgrond |
| (°C) | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| keukenzout | 35,6 | 35,9 | 36,4 | 37,0 | 37,9 | 39,0 |
| kaliumnitraat | 13,3 | 31,6 | 63,9 | 110 | 169 | 246 |
| suiker | 182 | 202 | 236 | 289 | 365 | 476 |
Maximaal op te lossen massa, in gram per 100 g water (100 g water is 100 mL).
| zuivere stof | mengsel | |
|---|---|---|
| smelten, stollen | bij één temperatuur: vlak stuk | over een gebied, meestal lager |
| koken | bij één temperatuur | over een gebied, meestal hoger |
| samenstelling | vast | kan je kiezen |
| eigenschappen | vast (stofeigenschappen) | hangen af van de samenstelling |
Waar stoffen en mengsels naartoe leiden
Met dit hoofdstuk heb je de woordenschat van de leerlijn materie en chemie: stof, mengsel, oplossing, concentratie. Je gebruikt ze meteen in hoofdstuk 9 (stoffen scheiden op basis van hun eigenschappen) en hoofdstuk 10 (materialen, waaronder legeringen). In Intermediate kijk je binnen in de deeltjes: atomen, ionen en bindingen verklaren waarom zout water geleidt en suikerwater niet, en waarom olie niet oplost in water. Concentraties komen terug bij de pH, bij reacties en bij de hydrocultuur. In Expert reken je met chemisch evenwicht, bijvoorbeeld wanneer een zout neerslaat.
Etiketten en pictogrammen: stofeigenschappen als ontvlambaarheid en giftigheid, en veilig werken met oplossingen.
Het deeltjesmodel verklaart oplossen (diffusie) en de vlakke stukken in een smelt- en kookcurve.
Dichtheid als stofeigenschap; de dichtheid van zout water en het ei dat zweeft.
Filtreren, indampen, destilleren, kristalliseren: stoffen uit een mengsel halen.
Legeringen en composieten als materialen met eigenschappen op maat.
Wat een plant uit de voedingsoplossing en uit de lucht haalt.
Welke elementen een plant nodig heeft: N, P, K en andere.
Ionen en polariteit: waarom zout oplost en geleidt, en olie niet oplost. De EC-meter.
Bij een reactie ontstaan nieuwe stoffen; rekenen met de mol.
De voedingsoplossing op sterkte houden met EC en pH.
Oplosbaarheid en neerslag als evenwicht, kwantitatief.
In het kort
- Stofeigenschappen horen bij de stof, niet bij het voorwerp: kleur, geur, smeltpunt, kookpunt, dichtheid, oplosbaarheid, geleiding. Combineer er enkele om een stof te herkennen.
- Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes; een mengsel uit twee of meer. In een mengsel behoudt elke stof haar eigenschappen.
- Een homogeen mengsel is overal hetzelfde (oplossing, gasmengsel, legering); in een heterogeen mengsel zie je verschillende delen (suspensie, emulsie, schuim, rook, nevel).
- Een oplossing bestaat uit een opgeloste stof in een oplosmiddel. De massa blijft behouden bij het oplossen.
- De oplosbaarheid (g per 100 g water) hangt af van de stof en de temperatuur. Een verzadigde oplossing kan niet meer oplossen; afkoelen laat het teveel kristalliseren.
- Concentratie is massa opgeloste stof per volume oplossing: in g/L. Niet te verwarren met dichtheid.
- Legeringen (brons, messing, staal), lucht (78 % stikstof, 21 % zuurstof) en zeewater (± 35 g zout per liter) zijn mengsels.
- Een zuivere stof smelt, stolt en kookt bij één temperatuur (vlak stuk in de curve); een mengsel over een temperatuurgebied.
Wat je nu kent
- stofeigenschap
- Eigenschap die bij een stof hoort, los van de grootte of vorm van het voorwerp: smeltpunt, kookpunt, dichtheid, kleur, oplosbaarheid, geleiding.
- zuivere stof
- Stof die uit één soort deeltjes bestaat; ze heeft een vast smeltpunt en een vast kookpunt.
- mengsel
- Twee of meer stoffen samen, elk met haar eigen deeltjes; een mengsel smelt en kookt over een temperatuurgebied.
- homogeen mengsel
- Mengsel dat overal hetzelfde is, ook onder een microscoop: een oplossing, een gasmengsel, een legering.
- heterogeen mengsel
- Mengsel waarin je verschillende delen kan onderscheiden: suspensie, emulsie, schuim, rook, nevel.
- oplossing
- Homogeen mengsel van een opgeloste stof in een oplosmiddel, bv. suiker in water.
- oplosbaarheid
- De grootste massa van een stof die oplost in 100 g oplosmiddel bij een bepaalde temperatuur.
- verzadigde oplossing
- Oplossing waarin niet meer van de stof kan oplossen; extra stof blijft als bezinksel liggen.
- concentratie
- Massa opgeloste stof per volume oplossing: , meestal in g/L.
- legering
- Mengsel van een metaal met andere metalen of met koolstof, zoals brons, messing en staal.
- emulsie
- Heterogeen mengsel van druppeltjes van een vloeistof in een andere vloeistof, zoals melk of mayonaise.
- suspensie
- Heterogeen mengsel van vaste deeltjes die in een vloeistof zweven, zoals modderwater.