← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Expert · Oplossingen · 11. Trillingen en resonantie
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
E11. Trillingen en resonantie — oplossingen
EExpert · deel E2 · Mechanica en constructies

Oplossingen · hoofdstuk 11Trillingen en resonantie

Van veer en slinger tot windturbine: waarom dingen trillen, hoe hard, en hoe je ze stilhoudt

Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.

6× oefenen6× toepassen4× uitdagen± 505 min
De windturbine van het station staat op een eigen mast, vijftien meter van de woonmodule. In dit hoofdstuk ontdek je waarom.
De windturbine van het station staat op een eigen mast, vijftien meter van de woonmodule. In dit hoofdstuk ontdek je waarom.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
11.1

Een massa aan een veer

Oefenen6Rekenen15 min
Een massa van 0,40 kg hangt aan een veer met k = 60 N/m. Je trekt ze 3,0 cm onder haar evenwicht en laat los.
  1. a
    Bereken de eigenfrequentie, de periode en hoeveel de veer in evenwicht is uitgerekt.
    , , . Uitgerekt: (6,5 cm).
  2. b
    Bereken de grootste snelheid, de grootste versnelling en de trillingsenergie.
    ; ; .
  3. c
    Je hangt twee zulke veren onder elkaar (serie) en daarna naast elkaar (parallel). Wat wordt de frequentie telkens?
    Serie: dezelfde kracht rekt beide veren, dus dubbele verlenging: en (). Parallel: , ().
11.2

Slingers

Oefenen6Rekenen15 min
Gebruik g = 9,81 m/s² op aarde en 1,62 m/s² op de maan.
  1. a
    Hoe lang is een slinger met een periode van 2,0 s (één tik per seconde)?
    .
  2. b
    Welke periode heeft diezelfde slinger op de maan?
    (of ).
  3. c
    Een meetlat van 1,00 m slingert om een uiteinde. Bereken de periode en de lengte van de 'gewone' slinger met dezelfde periode.
    , : . Een gewone slinger met is even snel: dat punt heet het slingercentrum.
11.3

Inzakken en trillen

Oefenen6Rekenen15 min
Gebruik met de statische inzakking in mm.
  1. a
    Een koelkast zakt 2,0 mm in op haar rubberen voeten. Schat haar eigenfrequentie.
    .
  2. b
    Een auto zakt 15 cm in als je hem op zijn wielen zet. Schat de eigenfrequentie van de carrosserie. Waarom kiezen autobouwers ongeveer deze waarde?
    . Rond 1 à 1,5 Hz voelt een auto comfortabel: ongeveer het ritme van stappen; veel zachter wordt misselijkmakend en laat de wagen te veel duiken en rollen.
  3. c
    Hoeveel moet een machine inzakken voor een eigenfrequentie van 5 Hz? En voor 1 Hz?
    ; voor 1 Hz: , een kwart meter.
  4. d
    Waarom mag je deze vuistregel niet gebruiken voor de mast van de windturbine?
    De regel volgt uit kδ = mg: de zwaartekracht moet in de richting van de trilling werken. De mast trilt horizontaal en het gewicht van de gondel duwt verticaal; de horizontale stijfheid meet je met een trekproef of berekent je met 3EI/L³.
11.4

Demping uit een meting

Oefenen6Analyseren20 min
Een sensorarm in de meetkas krijgt een tik en dooft uit. Opeenvolgende toppen van de uitwijking (mm): 12,0, 9,8, 8,0, 6,6, 5,4. De periode is 0,12 s.
  1. a
    Bereken het logaritmisch decrement over de vier perioden samen, en de dempingsverhouding ζ.
    ; (3,2 %).
  2. b
    Bereken Q. Na hoeveel perioden is de amplitude gehalveerd?
    . Halveren: perioden, .
  3. c
    Waarom neem je de verhouding over vier perioden in plaats van tussen twee opeenvolgende toppen?
    Toppen zijn afgelezen tot op 0,1 mm: over één periode verandert de top maar 18 %, en een afleesfout weegt dan zwaar. Over vier perioden wordt de verhouding groter en de relatieve fout kleiner. Nog beter: een rechte fitten door ln(top) tegenover het nummer, zoals in het handboek.
11.5

Waar of niet waar?

Oefenen6Begrijpen15 min
Beoordeel elke uitspraak en verklaar in één of twee zinnen.
  1. a
    (a) De Tacoma Narrows Bridge stortte in omdat de wind precies op haar eigenfrequentie blies. (b) Een slinger met een zwaardere massa heeft een langere periode. (c) Bij resonantie loopt de beweging 90° achter op de kracht.
    (a) Niet waar: het was aero-elastisch fladderen, een negatieve demping; de wervelfrequentie lag rond 1 Hz, de torsie op 0,2 Hz. (b) Niet waar: de massa valt weg; alleen de lengte (en g) telt. (c) Waar: dan duwt de kracht met de snelheid mee en levert ze het meeste vermogen.
  2. b
    (d) Een machine isoleer je het best met zo stijf mogelijke rubberen voeten. (e) Meer demping verlaagt altijd de kracht die naar de vloer gaat. (f) Een stijvere mast is voor een windturbine altijd beter.
    (d) Niet waar: isoleren vraagt een eigenfrequentie ver onder de storende frequentie, dus zachte voeten (binnen hun draagvermogen). (e) Niet waar: boven r = √2 geeft meer demping juist meer kracht door; demping helpt alleen rond de resonantie. (f) Niet waar: het gaat om waar de eigenfrequentie ligt; een stijvere mast kan precies in de 1P-band belanden.
11.6

Een Campbell-diagram lezen

Oefenen6Rekenen20 min
Een andere turbine (Ø 5,6 m, drie bladen) draait van 60 tot 200 tpm. Haar mast heeft een eerste eigenfrequentie van 2,5 Hz en een tweede van 14 Hz.
  1. a
    Bereken de 1P- en 3P-banden in bedrijf.
    1P: 1,0 tot 3,33 Hz; 3P: 3,0 tot 10 Hz.
  2. b
    Bij welke toerentallen raken 1P en 3P de twee eigenfrequenties? Welke liggen in het werkgebied?
    1P raakt f₁ bij 150 tpm (in het werkgebied: slecht) en f₂ bij 840 tpm (buiten). 3P raakt f₁ bij 50 tpm (net onder het werkgebied: bij aanlopen) en f₂ bij 280 tpm (buiten).
  3. c
    Welke strategie (stijf-stijf, zacht-stijf, zacht-zacht) zou je kiezen, en tussen welke waarden moet f₁ dan liggen (10 % marge)?
    Zacht-stijf past hier: f₁ tussen 1P_max en 3P_min, dus tussen 3,33 · 1,1 = 3,7 Hz en 3,0/1,1 = 2,7 Hz. Dat kan niet (de ondergrens ligt boven de bovengrens): de banden overlappen. Dus zacht-zacht: f₁ onder 1,0/1,1 = 0,91 Hz (een slankere mast), of stijf-stijf boven 11 Hz (veel te zwaar). Met f₁ = 2,5 Hz moet de regelaar in elk geval 135 tot 165 tpm vermijden, midden in het werkgebied: een slecht ontwerp.
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
11.7

Eigen meting: veer en slinger

Toepassen7Labo50 min
Meet de veerconstante van een schroefveer op twee manieren (uitrekken en trillen) en de periode van een slinger bij verschillende lengtes. Een smartphone met een app die de versnellingsmeter uitleest, geeft de periode heel nauwkeurig als je hem als massa gebruikt.
  1. a
    Veer: meet voor vijf massa's de verlenging in rust en de tijd voor 10 trillingen.
    Een voorbeeld staat in de proef van het handboek (k ≈ 20 N/m, massa's 50 tot 250 g, 10 T tussen 3,5 en 7,2 s).
  2. b
    Bepaal k uit beide grafieken en de meebewegende massa van de veer uit het snijpunt. Vergelijk met de gewogen massa van de veer gedeeld door drie.
    Uit : en ; statisch: . De twee waarden moeten binnen enkele procenten overeenkomen; het snijpunt geeft ±10 g voor een veer van 30 g. Ligt het snijpunt negatief, dan is de meting onnauwkeurig of de veer niet lineair bij kleine lasten (windingen die tegen elkaar liggen).
  3. c
    Slinger: meet T voor L = 0,25; 0,50; 0,75 en 1,00 m (kleine uitwijking) en bepaal g uit de helling van T² tegen L.
    : helling ±4,02 s²/m, dus . Meet L tot het zwaartepunt van het gewicht.
  4. d
    Meet bij L = 1,00 m ook T bij 10°, 30°, 60°. Vergelijk met de figuur van het handboek.
    Bij 10° is T nog 0,2 % langer (niet meetbaar met een stopwatch), bij 30° 1,7 %, bij 60° 7,3 % (T/T₀ = 1,073). Luchtweerstand doet de uitwijking dalen tijdens de meting: meet weinig perioden bij grote hoeken.
Zo wordt dit beoordeeld
MetingTien perioden per meting, start bij een doorgang door het evenwicht, eenheden in de tabel.
VerwerkingTwee grafieken met rechte en helling; k twee keer bepaald; snijpunt geïnterpreteerd als meebewegende massa.
Slingerg uit de helling 4π²/g met een relatieve fout; effect van grote hoeken zichtbaar.
BesluitVerschillen tussen de methoden verklaard (afleesfout, massa van de veer, luchtweerstand, amplitude).
11.8

Een wasmachine centrifugeert

Toepassen7Rekenen25 min
De trommel van een wasmachine (met kuip en motor 30 kg) hangt aan veren van samen 40 kN/m, met demping ζ = 0,1. Een prop natte was zorgt voor een onbalans van 0,5 kg op 0,25 m. De machine centrifugeert op 1400 tpm.
  1. a
    Bereken de eigenfrequentie van de kuip in Hz en in tpm.
    , dus tpm.
  2. b
    Bereken de uitwijking van de kuip bij 1400 tpm, en bij het doorlopen van de resonantie als de trommel daar zou blijven draaien.
    . Bij 1400 tpm: en . Bij resonantie: : vijf keer meer.
  3. c
    Hoe groot is de onbalanskracht bij 1400 tpm, en welk deel daarvan gaat naar de behuizing?
    (meer dan 270 kg!). Doorgegeven: , dus .
  4. d
    Waarom verdeelt een wasmachine eerst de was op een laag toerental voor ze versnelt?
    Een kleinere onbalans verkleint alle krachten evenredig, ook bij het doorlopen van de resonantie rond 350 tpm. Blijft de onbalans te groot, dan weigert de machine hoog te centrifugeren: ze meet de onbalans uit de schommelingen van het motortoerental.
11.9

Een resonantiekromme simuleren

Toepassen7Programmeren35 min
Een model van de mast met een extra demper: , , , en een kracht van 100 N amplitude.
  1. a
    Schrijf een programma dat voor een reeks frequenties de beweging simuleert (Heun) tot de vrije trilling uitgestorven is, en de amplitude van de evenwichtstoestand bepaalt.
    Bijvoorbeeld:
    import math
    k, m, zeta = 9839.0, 233.5, 0.05            # mast met een extra demper (model)
    w0, c, F0 = math.sqrt(k / m), 2 * zeta * math.sqrt(k * m), 100.0
    
    def evenwichtsamplitude(f, duur=60.0, h=0.004):
        """Heun op m x'' + c x' + k x = F0 cos(w t); de grootste uitwijking in de laatste 10 s."""
        w, x, v, t, top = 2 * math.pi * f, 0.0, 0.0, 0.0, 0.0
        a = lambda t, x, v: (F0 * math.cos(w * t) - c * v - k * x) / m
        while t < duur:
            a1 = a(t, x, v)
            xp, vp = x + h * v, v + h * a1
            a2 = a(t + h, xp, vp)
            x, v, t = x + h / 2 * (v + vp), v + h / 2 * (a1 + a2), t + h
            if t > duur - 10:
                top = max(top, abs(x))
        return top
    
    for f in (0.5, 0.8, 0.95, 1.0, 1.03, 1.06, 1.1, 1.3, 2.0):
        r = 2 * math.pi * f / w0
        formule = F0 / k / math.sqrt((1 - r * r)**2 + (2 * zeta * r)**2)
        print(f"f = {f:4.2f} Hz: simulatie {1000 * evenwichtsamplitude(f):5.1f} mm, formule {1000 * formule:5.1f} mm")
    Echte uitvoer:
    f = 0.50 Hz: simulatie  13.2 mm, formule  13.2 mm
    f = 0.80 Hz: simulatie  24.9 mm, formule  24.9 mm
    f = 0.95 Hz: simulatie  56.5 mm, formule  56.5 mm
    f = 1.00 Hz: simulatie  87.9 mm, formule  88.0 mm
    f = 1.03 Hz: simulatie 101.7 mm, formule 101.8 mm
    f = 1.06 Hz: simulatie  88.2 mm, formule  88.1 mm
    f = 1.10 Hz: simulatie  59.5 mm, formule  59.5 mm
    f = 1.30 Hz: simulatie  17.0 mm, formule  17.0 mm
    f = 2.00 Hz: simulatie   3.7 mm, formule   3.7 mm
  2. b
    Vergelijk met de formule van het handboek. Hoe lang moet je minstens simuleren, en waarom?
    De simulatie volgt de formule tot op een paar tienden mm. De vrije trilling sterft uit met ; na 50 s is ze gezakt tot van haar begin. Daarom 60 s simuleren en pas de laatste 10 s meten. Bij zou het tien keer langer duren.
  3. c
    Bepaal uit de kromme de breedte van de piek op van de top. Toon dat .
    De top is ; op daarvan ligt de kromme bij , dus . Zo meet men demping ook: met een frequentiezwaai in plaats van een uitslingerproef.
11.10

Een auto op een ribbelweg

Toepassen7Analyseren25 min
Een onverharde weg golft: ze gaat sinusvormig 1,0 cm op en neer rond haar gemiddelde, met een golflengte van 5,0 m. De carrosserie van een auto heeft een eigenfrequentie van 1,3 Hz op haar veren, met ζ = 0,3. De weg beweegt de wielen op en neer; de carrosserie volgt via de veren.
  1. a
    Bij welke snelheid rijdt de auto in resonantie? Hoe groot is de beweging van de carrosserie dan?
    De wielen volgen de weg met : resonantie bij . Voor een bewegende steun geldt dezelfde : bij is , dus ±1,9 cm, bijna twee keer de weg.
  2. b
    Hoe groot is ze bij 90 km/h?
    , : , ±1,8 mm.
  3. c
    Een chauffeur zegt: 'over zo'n weg moet je snel rijden, dan voel je het minder.' Klopt dat? Wat is het nadeel?
    Voor de carrosserie klopt het: ver boven de resonantie beweegt ze nauwelijks. Maar de wielen en banden stuiteren dan heftig over de ribbels (hun eigen, veel hogere eigenfrequentie), de grip daalt en de remweg wordt langer. Snel rijden op een ribbelweg is comfortabel en gevaarlijk.
11.11

Habitat: een trillingsplan voor het station

Toepassen7Habitat60 min
Het team wil twee dingen vastleggen. (1) Iemand stelt voor de mast 'voor de zekerheid' te maken uit een dikkere buis van 273,0 × 6,3 mm (497 kg, I = 4696 cm⁴). (2) Het station krijgt misschien een warmtepomp (hoofdstuk 16). Neem als rekenwaarden: de buitenunit weegt 60 kg, staat op vier voeten naast de woonmodule en haar compressor draait met een frequentieregelaar tussen 30 en 90 Hz. Gebruik de catalogus van het handboek.
type (voorbeeldcatalogus)stijfheid per voetgrootste last per voetopbouw
A25 kN/m60 Nzacht rubber, drukbelast
B40 kN/m100 Nrubber, drukbelast
C90 kN/m250 Nrubber, drukbelast
D250 kN/m600 Nhard rubber, drukbelast
E45 kN/m250 Nrubber op afschuiving (duurder)
  1. a
    Bereken de eerste eigenfrequentie van de mast met de dikkere buis (gondel 150 kg, E = 210 GPa). Vergelijk met 1P bij 80 tpm. Wat besluit je?
    ; ; . 1P bij 80 tpm is 1,33 Hz: maar 5 % marge. De dikkere mast zou bij zwakke wind in bedrijf bijna in resonantie draaien. Besluit: de buis van 244,5 × 5,0 mm blijft (1,03 Hz, 29 % marge); 'sterker' is hier niet 'veiliger'.
  2. b
    Kies voeten voor de warmtepomp: bereken voor elk type fₙ, de inzakking, T bij 30 Hz en bij 90 Hz, en of de last per voet past.
    Last per voet 147 N; type A en B zijn overbelast. A: 6,5 Hz, 5,9 mm, T(30) = 0,054, T(90) = 0,009 (overbelast); B: 8,2 Hz, 3,7 mm, T(30) = 0,086, T(90) = 0,012 (overbelast); C: 12,3 Hz, 1,6 mm, T(30) = 0,209, T(90) = 0,024; D: 20,5 Hz, 0,6 mm, T(30) = 0,886, T(90) = 0,060; E: 8,7 Hz, 3,3 mm, T(30) = 0,097, T(90) = 0,014. Keuze: type E (afschuifrubber): 10 % doorgang bij 30 Hz, 1,4 % bij 90 Hz; C laat bij 30 Hz 21 % door, D bijna alles.
  3. c
    Welke eisen stel je aan de aansluitingen van de warmtepomp (leidingen, kabels) opdat de voeten hun werk kunnen doen?
    Koelleidingen en condensafvoer met een flexibele lus of trillingsdemper (gevlochten slang), de voedingskabel met een ruime lus, geen stijve steun die de unit ook nog met de muur verbindt. Anders lopen de trillingen om de voeten heen.
  4. d
    Schrijf een trillingsplan van 6 à 8 regels voor het dossier: mast, regels voor de turbine, voeten voor pomp en warmtepomp, en wat het brein bewaakt.
    Bijvoorbeeld: 'Mast: buis 244,5 × 5,0 mm, f₁ = 1,03 Hz (zacht-zacht, 29 % marge tegenover 1P bij 80 tpm); een stijvere buis is afgewezen. Turbine: snel door 56 à 68 tpm, geen vrij draaien onder 80 tpm, venster rond 163 tpm snel doorlopen. Station: drukpomp op 4 voeten type B (12 Hz, 7 %), warmtepomp op 4 voeten type E (8,7 Hz, 10 % bij 30 Hz), overal flexibele aansluitingen. Brein: versnellingsmeter in de gondel, alarm en stop als het niveau bij f₁ of bij 1P stijgt; uitslingerproef elk jaar (f₁ en ζ vergelijken).'
Zo wordt dit beoordeeld
Mastf₁ met k = 3EI/L³ en de meebewegende massa; vergelijking met 1P; besluit onderbouwd (marge 5 % is te klein).
VoetenAlle types doorgerekend; overbelasting herkend; keuze met T bij de laagste frequentie.
AansluitingenFlexibele stukken in leidingen en kabels; geen stijve verbinding naast de voeten.
PlanKort, met getallen, en met een bewakingstaak voor het brein.
11.12

Door de resonantie

Toepassen7Rekenen25 min
De mast van de turbine: , , onbalans , . In zwakke wind draait de rotor zonder last.
  1. a
    Na hoeveel seconden haalt de trilling de helft van haar evenwichtsamplitude als de rotor precies op het kritische toerental blijft draaien?
    De omhullende groeit als met ; de helft na .
  2. b
    Hoe groot is die evenwichtsamplitude? Welke horizontale kracht moet de mast dan heen en weer leveren?
    ; de mast levert de veerkracht (de onbalanskracht zelf is maar 2,11 N: resonantie vergroot ze honderd keer).
  3. c
    Welk buigmoment en welke spanning geeft dat aan de voet (, hoofdstuk 12)? Hoeveel wisselingen per dag? Waarom is dat een probleem, ook al is de spanning klein?
    , heen en weer. Bij 1,03 Hz zijn dat 89 254 wisselingen per dag. Staal houdt zulke kleine spanningen op zich goed, maar niet in een las of rond een boutgat, waar de spanning plaatselijk veel hoger is: vermoeiing telt de wisselingen (hoofdstuk 12 en 46). Daarom mag de rotor daar niet urenlang hangen.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
11.13

Een gestemde massademper voor de mast

Uitdagen8Analyseren45 min
Een gestemde massademper is een kleine massa aan een veer met demper, bovenin de mast. De regels van Den Hartog geven de beste afstemming: en ; de hoogste amplitude van de mast wordt dan ongeveer keer de statische. De figuur is berekend met twee vrijheidsgraden (mast en demper).
0,60,70,80,91,01,11,21,31,4051015202530r = f / f₁X / (F₀/k)mast alleen, ζ = 0,5 %met gestemde massademper, μ = 0,05
Met de demper splitst de scherpe piek in twee lage bulten.
  1. a
    Kies . Bereken de massa, de frequentie en de veerconstante van de demper, en .
    ; ; ; .
  2. b
    Hoe hoog is de piek met en zonder demper? Met welke 'gelijkwaardige' demping ζ komt dat overeen?
    Zonder: . Met: (de berekende kromme: 6,1). Dat is alsof de mast een demping had: 16 keer meer.
  3. c
    Een slinger in de mast kan als demper dienen. Hoe lang moet hij zijn? Past dat?
    : een slinger van een kwart meter, met 12 kg, past in de gondel of bovenin de buis (binnendiameter 23 cm is krap; eerder een veer met een glijdende massa).
  4. d
    Waarom werkt de demper alleen rond één frequentie, en waarom is dat voor deze mast toch nuttig?
    Buiten zijn afstemfrequentie beweegt de demper nauwelijks en neemt hij geen energie weg. Maar het probleem van de mast zit net bij f₁: de stilstaande rotor in een storm en het doorlopen van de resonantie. Daarvoor helpt een gestemde demper veel, zoals op de Millennium Bridge en in de wolkenkrabber Taipei 101 (een slinger van 660 ton tussen de 87e en de 92e verdieping).
11.14

Onderzoek: de slinger bij grote uitwijking

Uitdagen9Onderzoeken50 min
De vergelijking heeft geen oplossing met elementaire functies.
  1. a
    Schrijf een programma dat met Heun de periode berekent voor een uitwijking θ₀ (tip: de tijd tot θ voor het eerst nul wordt, is een kwart periode).
    Bijvoorbeeld:
    import math
    g, L = 9.81, 1.00
    
    def periode(th0_graden, h=1e-4):
        """Heun op th'' = -(g/L) sin th vanuit rust; de tijd tot th voor het eerst door nul gaat is een kwart periode."""
        th, w, t = math.radians(th0_graden), 0.0, 0.0
        while th > 0:
            a1 = -g / L * math.sin(th)
            thp, wp = th + h * w, w + h * a1
            a2 = -g / L * math.sin(thp)
            th_nieuw, w = th + h / 2 * (w + wp), w + h / 2 * (a1 + a2)
            if th_nieuw <= 0:                                      # lineair interpoleren tot het nulpunt
                t += h * th / (th - th_nieuw)
                break
            th, t = th_nieuw, t + h
        return 4 * t
    
    T0 = 2 * math.pi * math.sqrt(L / g)
    for a in (5, 10, 20, 30, 45, 60, 90):
        print(f"{a:2d} graden: T/T0 = {periode(a) / T0:.4f}   benadering {1 + math.radians(a)**2 / 16:.4f}")
    Echte uitvoer:
     5 graden: T/T0 = 1.0005   benadering 1.0005
    10 graden: T/T0 = 1.0019   benadering 1.0019
    20 graden: T/T0 = 1.0077   benadering 1.0076
    30 graden: T/T0 = 1.0174   benadering 1.0171
    45 graden: T/T0 = 1.0400   benadering 1.0386
    60 graden: T/T0 = 1.0732   benadering 1.0685
    90 graden: T/T0 = 1.1803   benadering 1.1542
  2. b
    Bereken T/T₀ voor 5° tot 90° en vergelijk met 1 + θ₀²/16. Tot welke hoek wijkt de reeks minder dan 0,1 % af?
    De reeks mist de volgende term ; die wordt 0,1 % bij . Tot daar volstaat de reeks; bij 90° zit ze 2,2 % te laag.
  3. c
    Toon met energiebehoud dat T = 4∫ dθ/θ̇ van 0 tot θ₀, met θ̇ = √(2g(cos θ − cos θ₀)/L). Waarom is die integraal numeriek lastig?
    , dus zoals gegeven; een kwart periode is . Bij gaat naar nul en de integrand naar oneindig (integreerbaar, maar een trapeziumregel faalt aan de rand; een substitutie maakt ze glad).
  4. d
    Een slingeruurwerk loopt met 5° uitwijking goed. Hoeveel seconden per dag loopt het achter als de uitwijking 6° wordt?
    stijgt van naar : trager, of per dag. Daarom houdt een uurwerk zijn uitwijking constant.
Zo wordt dit beoordeeld
ProgrammaHeun correct voor een tweedeordesysteem; nulpunt geïnterpoleerd; kleine stap.
ResultatenTabel met T/T₀; vergelijking met de reeks; grens van 0,1 % gevonden.
AfleidingEnergiebehoud correct; de singulariteit bij θ = θ₀ benoemd.
ToepassingVerschil in periode omgezet naar seconden per dag.
11.15

Ontwerp: een trillingsopnemer voor de gondel

Uitdagen8Ontwerpen50 min
Een trillingsopnemer is zelf een massa aan een veer in een behuizing. Beweegt de behuizing met , dan beweegt de massa ten opzichte van de behuizing met amplitude . De gondel trilt tussen 0,5 en 15 Hz.
  1. a
    Toon dat voor geldt (de opnemer meet de uitwijking) en voor geldt (hij meet de versnelling).
    : de noemer , dus : de massa blijft stil in de ruimte en de behuizing beweegt eromheen (een seismometer). : de noemer , dus : de uitwijking van de massa is evenredig met de versnelling.
  2. b
    Welk type kies je voor de gondel? Met ζ = 0,7: hoe hoog moet fₙ minstens zijn opdat de fout onder 5 % blijft tot 15 Hz?
    Een seismometer voor 0,5 Hz zou ver onder 0,5 Hz vragen: groot en fragiel. Dus een versnellingsmeter. Met zakt onder 0,95 bij : .
  3. c
    Waarom is ζ = 0,7 een gunstige keuze?
    Bij ζ ≈ 0,7 blijft de versterking het langst vlak (geen resonantiepiek) en is de faseverschuiving bijna evenredig met de frequentie: een vorm van het signaal komt ongeschonden door. Om dezelfde reden heeft een Butterworth-filter van de tweede orde die demping.
  4. d
    Een MEMS-versnellingsmeter heeft een eigenfrequentie van enkele kHz. Welke andere eisen stel je (bereik, bemonstering, montage)?
    Bereik: de trilling van een paar tienden m/s² plus schokken (±2 g volstaat). Bemonstering: minstens twee keer de hoogste frequentie die je wil zien, in de praktijk 100 à 200 per seconde, met een antialiasfilter. Montage: stijf (geschroefd, niet geplakt op een dun plaatje met een eigen resonantie). Verder: temperatuur van −20 tot +50 °C, afgeschermde kabel, drie assen (voor-achter, zijwaarts, verticaal).
Zo wordt dit beoordeeld
AfleidingBeide grensgevallen correct uit de formule.
KeuzeVersnellingsmeter gekozen; fₙ berekend met ζ = 0,7.
DempingVlakke amplitude en kleine faseverschuiving bij ζ ≈ 0,7 uitgelegd.
EisenBereik, bemonstering (Nyquist), stijve montage, temperatuur, kabel.
11.16

Voetgangers als negatieve demping

Uitdagen9Analyseren40 min
Na de sluiting van de Millennium Bridge mat men dat een voetganger op een zijwaarts bewegende brug een kracht geeft die evenredig is met de snelheid van het dek, in de richting van die snelheid: ongeveer per persoon. Neem een (fictieve) voetgangersbrug met een zijwaartse mode van 0,80 Hz, een modale massa van 120 t en .
  1. a
    Schrijf de bewegingsvergelijking met voetgangers als een extra demper . Bij welk aantal wordt de totale demping nul?
    . De demping verdwijnt als : voetgangers.
  2. b
    Hoeveel voetgangers mogen er op na het plaatsen van dempers die ζ op 20 % brengen?
    : meer mensen dan er op de brug passen.
  3. c
    In werkelijkheid staat niet elke voetganger op de plaats waar de mode het grootst is. Leg uit waarom het kritische aantal voor een mode met de vorm van een halve sinus ongeveer het dubbele wordt.
    Een voetganger op plaats werkt met de modevorm zowel in de kracht (hij voelt de beweging ) als in het effect op de mode (zijn kracht telt met ): hij telt mee met . Het gemiddelde van over de overspanning is 1/2, dus zijn er twee keer zoveel mensen nodig (de formule van de ingenieurs van de brug heeft daarom in plaats van ).
  4. d
    Waarom is dit geen resonantie, maar zelfexcitatie, net als bij Tacoma Narrows?
    Er is geen uitwendige kracht met een vaste frequentie die de brug toevallig raakt: de voetgangers passen hun stappen aan de beweging aan, en hun kracht wordt groter naarmate de brug meer beweegt. Dat is terugkoppeling: de beweging voedt zichzelf, zoals de luchtkrachten bij Tacoma. Onder het kritische aantal dooft ze uit, erboven groeit ze tot de mensen niet meer kunnen stappen.