Langere, gerichte bundels rond één vak. Te gebruiken los van de weekbundels: als een leerling op dit vak vooruit loopt, kan je hier meteen een volledig pakket uit nemen.
Un stylo, une chaise: welk woord krijgt welk lidwoord, hoe klinkt het Franse alfabet, en wat doen é en è met een klank.
In het Nederlands zeg je de of het. In het Frans hoort bij elk woord een van twee groepen, en het lidwoord verraadt welke.
Vul aan met le of la, en schrijf erbij wat het woord betekent. De woordbank verklapt je het antwoord, als je goed kijkt.
| woord | le of la? | wat betekent het? |
|---|---|---|
| stylo | ||
| chaise | ||
| cahier | ||
| tableau | ||
| gomme | ||
| règle |
Kan je in het Nederlands aan een woord zien of het de of het krijgt? En in het Frans? Schrijf op wat de twee talen gemeen hebben.
Zoek drie dingen die nu echt in jouw klas liggen en die in de woordbank staan. Schrijf ze op met het juiste lidwoord.
Het Franse alfabet heeft precies dezelfde letters als het onze. Alleen heten een paar letters heel anders, en net die kom je het vaakst tegen.
| letter | klinkt ongeveer als |
|---|---|
| E | uh |
| G | zjee |
| H | asj |
| J | zjie |
| R | èr, met een keel-r |
| W | doebl-vee |
| Y | ie-grek |
| Z | zèd |
Iemand spelt drie woorden hardop. Schrijf op welk woord het is: see-aa-asj-ie-uh-èr, en èl-ie-vee-èr-uh, en zjee-èr-aa-èn-dee.
Spel het woord chaise in Franse letternamen. Schrijf elke letternaam voluit zoals je hem zou uitspreken.
Waarom is het gevaarlijk om een Franse G en J door elkaar te halen als je een naam spelt? Bedenk zelf een voorbeeld.
Een e zonder streepje klinkt in het Frans vaak als een doffe uh. Zet er een streepje op en je weet meteen hoe je hem moet uitspreken.
De accenten zijn eraf gevallen. Zet ze terug met behulp van de klank.
| zonder accent | hoe het klinkt | met accent |
|---|---|---|
| l ecole | ee-kol | |
| le pere | luh pèr | |
| tres | trè | |
| un eleve | un ee-lèv | |
| le telephone | tee-lee-fon |
Zoek in de woordbank de woorden die over familie gaan. Schrijf ze op en zet erbij wie ze zijn.
Waarom is een accent in het Frans geen versiering? Leg uit met een woord uit de woordbank.
Niet elk streepje verandert de klank. In à demain klinkt de a gewoon als een a. Dat streepje is er alleen om dit woordje te onderscheiden van een ander woordje dat ook a heet.
Jezelf en iemand anders voorstellen, vraag-en-antwoordpatronen herkennen en zelf zinnen bouwen.
In het Nederlands zeg je ik ben en jij bent: twee vormen van zijn. Het Frans doet hetzelfde, alleen lijken de twee vormen daar niet op elkaar.
— Salut ! Tu es Louis ?
— Non. Je suis Marc.
— Moi, je suis Nour. Tu es dans la classe de madame Lima ?
— Oui, je suis dans la classe de madame Lima. Et toi ?
— Moi aussi ! À demain, Marc.
— À demain, Nour !
Schrijf elke zin in het Frans. Alles wat je nodig hebt, staat in de woordbank of in de dialoog.
| Nederlands | Frans |
|---|---|
| Ik ben Sara. | |
| Ben jij Marc? | |
| Nee, ik ben Louis. | |
| Ik zit in de klas. |
In het Nederlands lijken ben en bent op elkaar. In het Frans lijken suis en es helemaal niet op elkaar. Wat hebben de twee talen dan wél gemeen?
Iemand vraagt iets over jou en gebruikt daarvoor tu es. Jij antwoordt over jezelf, dus jij gebruikt je suis. De rest van de zin blijft bijna helemaal staan.
Antwoord twee keer op elke vraag: één keer met oui, één keer met non.
| vraag | antwoord met oui | antwoord met non |
|---|---|---|
| Tu es Nour ? | ||
| Tu es dans la classe ? | ||
| Tu es un élève ? | ||
| Tu es à l'école ? |
Drie van deze vijf zinnen kloppen niet. Zoek ze en verbeter ze. Schrijf bij de juiste zinnen gewoon juist.
| zin | juist of verbeterd |
|---|---|
| Je es Marc. | |
| Tu es Louis ? | |
| Tu suis dans la classe. | |
| Je suis Nour. | |
| Je es à l'école. |
Schrijf een minidialoog van vier beurten. Iemand groet, iemand stelt een vraag met tu es, iemand antwoordt met je suis, iemand neemt afscheid.
Je kiest links één stuk en rechts één stuk, en je hebt een kloppende zin. Zo bouw je met weinig woorden toch veel verschillende zinnen.
| kies links | kies rechts |
|---|---|
| je suis | Nour |
| tu es | Marc |
| un élève | |
| dans la classe | |
| à l'école |
Hoeveel verschillende zinnen kan je met deze tabel maken? Leg uit hoe je aan dat aantal komt zonder ze allemaal op te schrijven.
Kies er vier en schrijf ze correct op, met hoofdletter en punt. Zet er telkens de Nederlandse vertaling achter.
Vul de rechterkolom aan met twee klaswoorden die je al kent. Hoeveel zinnen kan je dan maken?
Patronen zoeken in het onbepaald lidwoord, met de echte uitzonderingen erbij.
un en une betekenen allebei een. Welke van de twee een woord krijgt, staat vast en verandert nooit.
Vul un of une aan en schrijf erbij wat het woord betekent. Alles staat in de woordbank.
| woord | un of une? | betekenis |
|---|---|---|
| ... crayon | ||
| ... fenêtre | ||
| ... bureau | ||
| ... règle | ||
| ... sac | ||
| ... porte |
Waarom is het slim om un of une meteen mee te leren met een nieuw woord?
Zoek vijf dingen die nu echt in jouw klas liggen of staan en die in de woordbank staan. Schrijf ze op met het juiste lidwoord.
Je kan niet aan een Frans woord zien of het un of une krijgt. Maar bij sommige uitgangen klopt het bijna altijd. Zoek die uitgangen zelf.
| un | une |
|---|---|
| un tableau | une gomme |
| un bureau | une chaise |
| un cahier | une table |
| un papier | une porte |
| un sac | une question |
| un mur | une récréation |
| un crayon | une lampe |
Schrijf twee patronen op die je in de tabel ziet. Begin telkens met: woorden die eindigen op ...
Voorspel met jouw patronen. Vul in en zet erbij op welk patroon je steunt.
| woord | un of une? | welk patroon? |
|---|---|---|
| ... addition | ||
| ... cadeau | ||
| ... panier | ||
| ... affiche |
Deze drie woorden eindigen op een e en krijgen toch un: un livre, un cartable, un dictionnaire. Wat betekent dat voor je patroon?
c'est betekent dit is of dat is. Je zet het vooraan en daarachter komt het woord met zijn lidwoord.
Schrijf elke zin in het Frans. Let op un of une.
| Nederlands | Frans |
|---|---|
| Dit is een boek. | |
| Dit is een gom. | |
| Is dit een deur? | |
| Nee, dit is een potlood. | |
| Ik ben in de klas. |
Twee van deze vier zinnen kloppen niet. Verbeter ze; schrijf bij de andere gewoon juist.
| zin | juist of verbeterd |
|---|---|
| C'est une livre. | |
| C'est un crayon. | |
| C'est un gomme. | |
| C'est une porte. |
Schrijf een minidialoog van vier beurten: iemand groet, iemand vraagt iets met c'est, iemand antwoordt met non, iemand neemt afscheid.