← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Taal

Verdieping taal

Langere, gerichte bundels rond één vak. Te gebruiken los van de weekbundels: als een leerling op dit vak vooruit loopt, kan je hier meteen een volledig pakket uit nemen.

Woordsoorten en de kern van een tekst

5 blz.

Woordgroepen bouwen met zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden, en leren hoe je met sleutelwoorden de kern van een tekst te pakken krijgt.

Deze bundel apart printen
Taal · woordsoorten

Elk woord heeft een taak

Waarom de oude fiets uit drie verschillende soorten woorden bestaat.
1
Drie soorten woorden, samen een woordgroep

Zeg je de oude fiets, dan gebruik je drie woorden die elk iets anders doen. Samen wijzen ze naar een ding. Zo'n groepje heet een woordgroep.

  • Een zelfstandig naamwoord is de naam van een ding, een dier, een persoon of een gedachte. Het is de kern van de groep.
  • Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe dat ding is. Je kan er bijna altijd heel voor zetten: heel oud, heel snel.
  • Een lidwoord staat vooraan. Er zijn er maar drie: de, het en een. Een lidwoord staat nooit alleen.
deheteensnelleoudegroenegelestoelfietsmeisjedakboek
1

Verdeel de twaalf woorden over de drie kolommen. Let op: de kolommen worden niet even lang. Dat is geen fout van jou.

lidwoordbijvoeglijk naamwoordzelfstandig naamwoord
2

Een van de drie kolommen is veel korter dan de andere twee. Welke, en hoe komt dat?

3

Maak zes woordgroepen van drie woorden. Gebruik alleen woorden uit de woordbank. Elke groep moet kloppen: het gele boek kan, de gele boek niet.

Taal naam
Taal · knipblad

De woordgroepenbouwer

Knip de vijftien kaartjes uit en bouw er zoveel mogelijk kloppende groepen mee.
2
Zo speel je het

Knip alles uit en leg de kaartjes op drie stapeltjes: lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden. Je speelt het liefst met twee.

  • Een groep telt pas als ze klopt: het snelle meisje mag, de snelle boek niet. De ander mag je tegenspreken.
  • Een groep van drie kaartjes is drie punten waard, een groep van twee kaartjes een punt. Speel drie rondes en tel op.
Knip hier alles uit
de
lidwoord
het
lidwoord
een
lidwoord
oude
bijvoeglijk naamwoord
gele
bijvoeglijk naamwoord
snelle
bijvoeglijk naamwoord
stille
bijvoeglijk naamwoord
zware
bijvoeglijk naamwoord
stoel
zelfstandig naamwoord
fiets
zelfstandig naamwoord
trap
zelfstandig naamwoord
sleutel
zelfstandig naamwoord
boek
zelfstandig naamwoord
dak
zelfstandig naamwoord
meisje
zelfstandig naamwoord
Taal naam
Taal · lezen en analyseren

Hoeveel lawaai is te veel?

Een tekst over geluid, en over wat lawaai met je hoofd doet.
3

Hoeveel lawaai is te veel?

1Geluid is beweging. Als je praat, trillen je stembanden en duwen ze de lucht weg en weer terug. Die trilling reist tot in je oor. Hoe sterker ze is, hoe luider je het vindt. We meten dat in decibel, afgekort dB. Fluisteren zit rond 30 dB, een gewoon gesprek rond 60 dB, en een drukke eetzaal haalt vlot 75 dB.

2Met die schaal is iets vreemds aan de hand. Tien decibel erbij lijkt weinig, maar het betekent tien keer zoveel geluidsenergie. Van 40 naar 80 dB is dus niet dubbel zoveel, maar tien keer tien keer tien keer tien keer zoveel.

3Diep in je oor zitten duizenden minuscule haarcellen. Ze buigen mee met de trilling en sturen het signaal naar je hersenen. Bij te veel geluid knakken ze, en bij mensen groeien ze niet terug. Daarom ligt de grens rond 85 dB: wie daar uren per dag boven zit, beschadigt zijn gehoor voorgoed.

4In een klas gaat het zelden over 85 dB. Toch is lawaai er een probleem. Je hersenen moeten spraak uit de ruis vissen, en dat kost energie die je daarna niet meer hebt om te rekenen of te onthouden.

5Er bestaat geen knop om ruis uit te zetten, maar wel trucs. Zachte dingen slikken geluid op: gordijnen, kurk, een tapijt, zelfs boeken in open rekken. En oude tennisballen onder de stoelpoten schelen veel, want schuivende stoelen zijn in heel wat klassen de luidste bron van al.

1

Reken uit hoeveel keer zoveel geluidsenergie 80 dB is als 40 dB. Schrijf het getal voluit op.

2

Klopt de bewering volgens de tekst? Zet erbij uit welke alinea je dat haalt.

beweringklopt?welke alinea?
Een drukke eetzaal is gevaarlijk voor je oren.
Beschadigde haarcellen herstellen na een tijd.
Lawaai in de klas kost je denkkracht.
3

De schrijver noemt tennisballen onder de stoelpoten. Leg uit waarom dat werkt, en bedenk twee andere ingrepen die volgens dezelfde redenering zouden helpen.

4

Welke zin uit de tekst zou je als eerste schrappen als je alleen de kern wil overhouden? Waarom net die?

Taal naam
Taal · sleutelwoorden noteren

Zo weinig mogelijk woorden

Werkt verder op de tekst van blad 3.
4
Wat is een sleutelwoord?

Een sleutelwoord is een woord dat je later terug in de hele zin kan omzetten. Schrijf je het niet op, dan ben je de zin kwijt.

  • Noteer vooral zelfstandige naamwoorden en getallen. Die dragen de inhoud.
  • Lidwoorden schrijf je nooit op. Ze voegen niets toe aan je notitie.
  • Twijfel je? Dek het woord af en lees de rest. Snap je het nog, dan mag het weg.
1

Neem de tekst van blad 3 erbij. Noteer per alinea hoogstens drie sleutelwoorden.

alineahoogstens drie sleutelwoorden
2

Vat de hele tekst samen in een zin van hoogstens vijftien woorden. Tel na en zet het aantal erachter.

3

Iemand noteerde bij alinea 3: oor, veel, terug. Leg uit waarom die notitie later niet meer te gebruiken is.

4

Schrap nu nog verder. Welke vier woorden hou je over als je de hele tekst in een telegram moet persen?

Taal naam
Taal · inkorten

Welke woorden mag je weggooien?

Een mededeling van 70 woorden wordt er een van 20.
5
Niet elk woord weegt even zwaar

Wie inkort, gooit niet zomaar de langste woorden weg. Je gooit weg wat je zonder verlies kan missen.

  • Lidwoorden kan je bijna altijd missen. Bijvoeglijke naamwoorden alleen als ze niets onderscheiden.
  • Zelfstandige naamwoorden, getallen en tijdstippen blijven staan. Daar zit de informatie in.

Mededeling voor het vijfde en het zesde leerjaar

Volgende week donderdag vertrekken we met de fiets naar het natuurgebied aan de vaart. We verzamelen om kwart voor negen op de speelplaats, bij de fietsenstalling. Vergeet je fietshelm niet, want zonder helm mag je niet mee.

Neem ook een lunchpakket, een regenjas en een gevulde drinkbus mee. We zijn rond halfvier terug op school. Wie geen fiets heeft, meldt dat ten laatste maandag bij de leerkracht van zijn klas.

1

Streep in de mededeling alles door wat weg kan zonder dat er informatie verdwijnt. Schrijf daarna op welke woorden zeker moesten blijven.

2

Schrijf de mededeling opnieuw in hoogstens twintig woorden, zo dat iemand nog altijd precies weet wat hij moet doen.

3

Welke woordsoort gooide je het vaakst weg, en welke bleef altijd staan? Vul aan en leg het in de laatste rij uit.

woordsoortbijna altijd weg of altijd houden?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Taal naam

Voorlezen en zinnen ontleden

6 blz.

Wat stem, tempo en pauzes met een tekst doen, en hoe je in langere zinnen het onderwerp en de persoonsvorm terugvindt.

Deze bundel apart printen
Taal · lezen en analyseren

Stilte in de zaal

Een verhaal met veel dialoog. Je leest het deze week ook hardop voor.
1
Wat leer je hier
  • Je haalt uit de gesprekken wat de personen echt bedoelen.
  • Je zoekt de plaats waar de spanning omslaat en je legt uit waarom.

Stilte in de zaal

1Achter het gordijn hoorde Joesef de zaal ademen. Tweehonderd mensen, dacht hij. Tweehonderd. De randen van zijn blaadje voelden plots vochtig aan.
— Nog twee minuten, fluisterde meneer Dries. Adem eens diep in.
— Ik kan het niet, zei Joesef.
— Dat zei je vorige week ook.

2In de coulissen stond Roos haar eigen tekst te prevelen, veel te snel, als een trein die niet meer stopt. Ze keek op.
— Lees gewoon traag, zei ze. Trager dan je durft.
— En als ik vastloop?
— Dan wacht je. Een stilte is niet erg. Een stilte klinkt zelfs slim.

3Het gordijn schoof open met een geluid als een diepe zucht. Het licht was feller dan op de repetitie. Joesef zag alleen de eerste rij, en daarachter een donkere vlakte waarin af en toe iets bewoog. Hij legde zijn blad op de lessenaar. De eerste zin stond er, dik onderstreept.

4Hij las hem. Zijn stem kwam hoger uit zijn keel dan hij wilde, en veel te vlug. Achteraan schoof iemand met een stoel. Toen deed Joesef iets wat hij nooit gepland had: hij stopte. Hij telde in zichzelf tot drie. De zaal werd stil, echt stil.

5Hij begon opnieuw, van boven af aan, en nu traag. Bij het woord donker liet hij een gat vallen. Bij het woord rennen ging hij sneller. Toen hij klaar was, hoorde hij een paar tellen helemaal niets. Daarna kwam het applaus, en Joesef wist niet of het voor het verhaal was of voor die stilte.

1

Roos geeft Joesef twee raadgevingen. Schrijf ze allebei op en zet erbij op welke plaats in het verhaal Joesef ze gebruikt.

2

Waarvoor klapt de zaal volgens jou? Kies, en schrijf erbij welke zin uit de tekst jou dat doet denken.

voor het verhaalvoor die stiltevoor allebei
3

Op één plaats slaat de spanning om. Welke zin is dat volgens jou, en wat verandert er daarna?

Taal naam
Taal · voorlezen

Trager dan je durft

Werkt op de tekst van blad 1. Leg dat blad ernaast.
2
Je stem heeft drie knoppen

Voorlezen is niet: de woorden uitspreken die er staan. Voorlezen is beslissen hoe je ze uitspreekt. Je hebt daarvoor drie knoppen.

  • Tempo: waar ga je trager? Meestal bij iets belangrijks of iets engs.
  • Pauze: een stilte van één tel zet een streep onder de zin die net kwam.
  • Toon: omhoog bij een vraag, omlaag aan het einde van een gedachte. Vlak is dodelijk.
  • Klank: een woord als donker mag je donker laten klinken. Dat is voorlezen, geen toneel.
1

Neem blad 1 erbij en zet er met potlood merktekens in. Eén schuine streep is een korte pauze, twee schuine strepen een lange. Onderstreep de woorden die je trager leest en zet een golflijntje onder de woorden die je harder zegt.

Werk in potlood. Na je eerste keer voorlezen verander je gegarandeerd iets.

2

Kies vier zinnen uit het verhaal en leg per zin vast hoe je hem leest.

zin (eerste woorden volstaan)wat doe je met je stem, en waarom?
3

Lees alinea 4 twee keer hardop voor: één keer zonder enige pauze, één keer met je merktekens. Wat is het grootste verschil? Schrijf op wat een luisteraar erdoor extra begrijpt.

Oefen op de laatste zin

De laatste zin van een tekst blijft het langst hangen. Lees die drie keer op drie manieren en kies daarna pas.

Taal naam
Taal · feedback geven

De voorleesjury

Zeggen wat je hoorde, zonder een cijfer te geven.
3
Feedback is geen oordeel

Goed of slecht helpt een voorlezer niet vooruit. Wat wel helpt: vertellen wat je als luisteraar hoorde en wat dat met je deed.

  • Zeg eerst wat je hoorde: ik hoorde je vertragen bij het woord stil.
  • Zeg dan wat dat deed: daardoor wist ik dat er iets ging gebeuren.
  • Geef één tip, niet vijf. Meer dan één onthoudt niemand.
1

Iemand leest het verhaal van blad 1 voor. Vul tijdens het luisteren deze kijkwijzer in. Zet geen kruisjes, maar schrijf wat je hoorde.

waar je op letwat je hoorde
tempo: waar ging het trager?
pauzes: waar viel een stilte?
toon: waar ging de stem omhoog?
één woord dat klonk als wat het betekent
2

Schrijf nu je feedback in drie zinnen. Zin één: wat je hoorde. Zin twee: wat dat met je deed. Zin drie: je ene tip.

3

Een jurylid zegt: je las slecht, veel te snel. Leg uit waarom de voorlezer daar niets mee kan, en herschrijf die zin zo dat hij wel bruikbaar wordt.

Taal naam
Taal · zinsontleding

Wie doet het, en welk woord verraadt de tijd?

De persoonsvorm en het onderwerp vind je met twee vaste proeven.
4
Twee proeven, altijd in deze volgorde

Zoek eerst de persoonsvorm, dan pas het onderwerp. Omgekeerd werkt niet, want je hebt de persoonsvorm nodig om het onderwerp te vinden.

  • Tijdproef: zet de zin in een andere tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
  • Vraagproef: maak er een ja-of-neevraag van. De persoonsvorm springt vooraan: Leest Roos traag?
  • Onderwerp: zet wie of wat voor de persoonsvorm. Wie leest? Roos. Roos is het onderwerp.
  • In een zin kunnen twee of drie werkwoorden staan, maar er is altijd precies één persoonsvorm.
1

Vul de tabel in. Doe bij elke zin eerst de tijdproef.

zinpersoonsvormonderwerp
1. Elke dinsdag oefent Joesef zijn tekst in de badkamer.
2. De lampen boven het toneel zijn gisteren vervangen.
3. Waarom lachte niemand bij die grap?
4. Achter het rode gordijn stond een smalle ladder.
5. Roos wil haar tekst nog een keer voorlezen.
2

In drie van deze vijf zinnen staat het onderwerp niet vooraan. Welke zijn dat, en wat staat er dan wel op de eerste plaats?

3

In zin 2 en in zin 5 staan telkens twee werkwoorden, en toch is er maar één persoonsvorm. Leg uit hoe je weet welk van de twee het is.

Taal naam
Taal · doen of zijn

Doet er iemand iets, of is er gewoon iets?

Twee soorten zinnen die er hetzelfde uitzien en anders werken.
5
Twee soorten zinnen

In sommige zinnen doet het onderwerp echt iets. In andere zinnen doet het niets, maar wordt er iets over gezegd. Dat verschil zie je aan de persoonsvorm. Je test het door te vragen: wat doet het onderwerp? Bij een zijn-zin krijg je dan een raar antwoord.

  • Doe-zin: de persoonsvorm is een gewoon werkwoord. Joesef leest de eerste zin.
  • Zijn-zin: de persoonsvorm is ben, bent, is, zijn, was of waren.
  • Wordt-zin: de persoonsvorm is word, wordt, worden, werd of werden.
1

Onderzoek elke zin. Schrijf in de laatste kolom kort waaraan je het ziet.

zindoe-zin of zijn/wordt-zin?waaraan zie je dat?
1. Joesef leest de eerste zin nog een keer.
2. Het licht in de zaal is veel te fel.
3. De stoelen worden na de show opgestapeld.
4. Roos fluistert iets in zijn oor.
5. Meneer Dries wordt elk jaar zenuwachtiger.
6. Na de pauze klapte de hele zaal.
2

Bouw nu zelf vier zinnen. Eén per eis. A: een doe-zin waarin het onderwerp niet vooraan staat. B: een zijn-zin met een onderwerp van meer dan één woord. C: een zin met twee werkwoorden waarvan er maar één de persoonsvorm is. D: een vraagzin die met de persoonsvorm begint.

3

Zin 3 en zin 5 hebben allebei wordt of worden. Toch gebeurt er in zin 3 iets heel anders dan in zin 5. Leg uit wat.

Taal naam
Taal · knipblad

De zinnendomino

Negen kaartjes die in precies één gesloten kring passen.
6
Zo speel je het

Knip de negen kaartjes uit. Bovenaan elk kaartje staat wat het zoekt, onderaan staat een zin. Je legt een kaartje aan als de zin van het vorige kaartje past bij wat dit kaartje zoekt. Alle zinnen die geen zijn- of worden-zin zijn, zijn doe-zinnen.

  • Een vraagzin telt altijd als vraagzin. De andere eisen gaan over zinnen met een punt.
  • Zijn-zin: ben, bent, is, zijn, was, waren. Worden-zin: word, wordt, worden, werd, werden.
  • Elke zin past maar bij één kaartje. Zit je vast, zoek dan eerst de persoonsvorm.
Knip hier alles uit
zoekt: een vraagzin met een doe-werkwoord
Na de pauze was de zaal helemaal stil.
zoekt: een vraagzin met een vorm van zijn
De lampen worden na de repetitie uitgedaan.
zoekt: een zijn-zin die met het onderwerp begint
Morgen wordt de gang opnieuw geschilderd.
zoekt: een vraagzin met een vorm van worden
De conciërge sleept een ladder door de gang.
zoekt: een doe-zin die niet met het onderwerp begint
Het gordijn is al drie jaar kapot.
zoekt: een zijn-zin die niet met het onderwerp begint
Wordt het toneel vanavond opgebouwd?
zoekt: een worden-zin die met het onderwerp begint
Tijdens de repetitie vergat Nour haar hele tekst.
zoekt: een worden-zin die niet met het onderwerp begint
Fiets jij elke dag naar school?
zoekt: een doe-zin die met het onderwerp begint
Ben jij de nieuwe verteller?
Zo weet je dat het klopt

De negen kaartjes vormen samen één gesloten kring: het laatste kaartje past weer aan het eerste. Blijft er een kaartje over, dan zit er ergens een verkeerde persoonsvorm.

Taal naam

Stappenplannen lezen en onbekende woorden kraken

5 blz.

Instructies zo nauwkeurig lezen dat je ze foutloos kan uitvoeren, en vier strategieën om de betekenis van een onbekend woord te achterhalen.

Deze bundel apart printen
Taal · instructies lezen

Een ei zonder schaal

Een tekst die je iets laat doen. Lees hem eerst helemaal, voor je iets in handen neemt.
1
Wat leer je hier
  • Je leest een instructie zo dat je erna precies weet wat je in welke volgorde moet doen.
  • Je ziet het verschil tussen een stap, een uitleg en een waarschuwing.

Een ei zonder schaal

1Een ei heeft een harde schaal van kalk. Azijn is een zuur, en zuur lost kalk op. Met die twee gegevens maak je in drie dagen een ei zonder schaal: een ei dat een beetje stuitert. Niet te hoog laten vallen, want daarna heb je een ei zonder schaal en zonder inhoud.

2Stap 1. Zet een leeg glas op tafel. Het glas moet hoger zijn dan het ei. Is het te laag, dan steekt de bovenkant van het ei boven de azijn uit en blijft daar een ring van kalk zitten.

3Stap 2. Leg het ei voorzichtig in het glas. Laat het langs de wand naar beneden glijden en laat het niet vallen. Giet er dan blanke azijn bij tot het ei helemaal onder staat.

4Stap 3. Kijk na een halve minuut naar de schaal. Er verschijnen overal kleine belletjes. Dat is gas dat ontstaat terwijl het zuur de kalk oplost. Zet het glas nu drie dagen weg op een plaats waar niemand eraan komt.

5Stap 4. Giet de azijn weg en spoel het ei af onder koud water. Wrijf zachtjes met je duim over de schaal, dan laten de laatste witte resten los. Wat overblijft is een doorschijnend, veerkrachtig velletje met het ei erin. Laat een ei nooit langer dan een week in de azijn liggen: het velletje wordt dan zo dun dat het openscheurt.

1

Waarom moet het glas hoger zijn dan het ei? Schrijf erbij wat er misgaat als je dat vergeet.

2

Eén zin in de tekst is geen stap maar een waarschuwing. Welke zin is dat, en waarom staat hij daar en niet vooraan?

3

Wat zou er gebeuren als je stap 3 oversloeg en het ei na een halve minuut al uit de azijn haalde? Denk aan de belletjes.

Taal naam
Taal · volgorde en details

Draai één stap om

Werkt op de tekst van blad 1. Leg dat blad ernaast.
2
Waarom een stappenplan zo streng is

Een verhaal mag je door elkaar lezen; je begrijpt het dan nog. Een stappenplan niet. Elke stap gebruikt iets wat de vorige stap heeft klaargezet.

  • Volgorde: stap 2 kan niet zonder wat stap 1 klaarzette.
  • Maten en tijden: een halve minuut en drie dagen zijn geen versiering.
  • Eén handeling per stap. Twee dingen in één stap worden er één vergeten.
  • Een waarschuwing is geen stap. Ze zegt wat je niet mag doen.
1

Draai telkens twee stappen om en schrijf op wat er dan misgaat.

je draait omwat gaat er mis?
stap 1 en stap 2
stap 3 en stap 4
stap 2 en stap 4
2

In de tekst staan drie tijden: een halve minuut, drie dagen, een week. Kies er één en leg uit waarom juist dat getal er staat.

3

Eén stap bevat eigenlijk twee handelingen na elkaar. Welke stap is dat, en hoe zou jij hem splitsen?

Lees als een uitvoerder

Hou bij elke zin je hand stil en vraag je af: kan ik dit nu doen, met wat ik heb? Kan het niet, dan mist er iets in de stap ervoor.

Taal naam
Taal · zelf schrijven

Schrijf een plan dat werkt

Iemand anders voert het uit. Jij mag er niet bij staan om iets uit te leggen.
3
Vijf eisen aan jouw plan

Kies iets wat jij echt kan: een knoop leggen, een blokfluit schoonmaken, een spel uitleggen, een vogelvoederhuisje vullen.

  • Minstens vijf stappen, genummerd, elk met één handeling.
  • Begin elke stap met een werkwoord: leg, giet, draai, wacht.
  • Zet er de maten en tijden bij die er echt toe doen.
  • Zeg wat de lezer nodig heeft, vóór stap 1.
  • Eindig met één waarschuwing of één controle.
1

Schrijf je stappenplan. Zet bovenaan wat de lezer nodig heeft en nummer daarna je stappen.

2

Geef je blad aan iemand anders en laat die het plan uitvoeren of hardop naspelen. Waar aarzelde hij? Schrijf op welke stap je daarna aanpast en waarom.

De strengste lezer is een computer

Doe alsof je lezer niets zelf mag invullen. Staat er nergens hoeveel water, dan giet hij een emmer.

Taal naam
Taal · woordbetekenis

Een woord dat je nog nooit zag

Vier sleutels die je kan proberen voor je iets opzoekt.
4
Vier sleutels, in deze volgorde

Een onbekend woord is geen muur. Meestal weet de zin eromheen al de helft, en het woord zelf de andere helft.

  • Context: wat moet het ongeveer betekenen, gezien de rest van de zin?
  • Stukken: breek het woord. On-, her-, ver-, ont- vooraan; -baar, -loos, -heid, -ing achteraan.
  • Andere taal: lijkt het op een Frans, Engels of Duits woord dat je kent?
  • Woordenboek: pas als de drie andere sleutels elkaar tegenspreken.
1

Lees elke zin. Schrijf op wat het schuine woord volgens jou betekent en welke sleutel je gebruikte.

zinwat betekent het?welke sleutel?
De vlakte was zo onherbergzaam dat er geen boom, geen huis en geen weg te zien was.
Hij is roekeloos: hij fietst zonder handen door het rode licht.
De deur is niet brandbaar, want hij is van staal.
De temperatuur in de klas staat op twintig graden.
Na de storm moest de hele tekst herschreven worden, want het papier was doorweekt.
2

Breek deze woorden in stukken en schrijf per stuk op wat het doet.

woordde stukkenwat het woord betekent
moeiteloos
ondoordringbaar
vergroting
ontoegankelijk
3

Bij welk woord uit de eerste tabel helpt geen enkele sleutel goed genoeg? Leg uit wat er dan blijft haperen.

Taal naam
Taal · uitleggende tekst

Waarom een brug moet kunnen bewegen

Een tekst met zes woorden die je waarschijnlijk niet kent. Je hebt er geen woordenboek voor nodig.
5

De kier aan het einde van de brug

Een brug van staal is in de zomer langer dan in de winter. Dat klinkt vreemd, maar het is onvermijdelijk: warm metaal zet uit. Bij een brug van driehonderd meter kan dat verschil oplopen tot meer dan tien centimeter. In de winter krimpt de brug weer, en dat herhaalt zich elk jaar opnieuw.

Wie een brug bouwt, moet daar plaats voor maken. Daarom zit er aan elk uiteinde van een brug een uitzetvoeg: een kier met metalen tanden die in elkaar grijpen, zoals twee handen met gespreide vingers. Wordt de brug langer, dan schuiven de tanden verder in elkaar. Wordt hij korter, dan gaan ze uit elkaar. Je hoort ze roffelen als je eroverheen rijdt.

Zonder die kier zou de brug tegen het landhoofd duwen met een kracht waar geen beton tegen bestand is. Het beton zou scheuren en de rijbaan zou bol gaan staan. Daarom rust het uiteinde van een grote brug ook nog op rollen of op blokken rubber, zodat het stil kan schuiven. Een brug die niet mag bewegen, vervormt zichzelf kapot.

1

Achterhaal deze zes woorden zonder op te zoeken. Noteer ook welke sleutel je gebruikte.

woordwat het betekentsleutel
onvermijdelijk
uitzetvoeg
kier
landhoofd
bestand tegen
vervormt
2

Waarom heeft een uitzetvoeg tanden en geen rechte, gladde rand? Zoek de zin in de tekst die je op het spoor zet.

3

Twee van de zes woorden zijn samenstellingen van twee gewone woorden. Welke twee, en welke gewone woorden zitten erin?

Taal naam