Langere, gerichte bundels rond één vak. Te gebruiken los van de weekbundels: als een leerling op dit vak vooruit loopt, kan je hier meteen een volledig pakket uit nemen.
Woordgroepen bouwen met zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden, en leren hoe je met sleutelwoorden de kern van een tekst te pakken krijgt.
Zeg je de oude fiets, dan gebruik je drie woorden die elk iets anders doen. Samen wijzen ze naar een ding. Zo'n groepje heet een woordgroep.
Verdeel de twaalf woorden over de drie kolommen. Let op: de kolommen worden niet even lang. Dat is geen fout van jou.
| lidwoord | bijvoeglijk naamwoord | zelfstandig naamwoord |
|---|---|---|
Een van de drie kolommen is veel korter dan de andere twee. Welke, en hoe komt dat?
Maak zes woordgroepen van drie woorden. Gebruik alleen woorden uit de woordbank. Elke groep moet kloppen: het gele boek kan, de gele boek niet.
Knip alles uit en leg de kaartjes op drie stapeltjes: lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden. Je speelt het liefst met twee.
1Geluid is beweging. Als je praat, trillen je stembanden en duwen ze de lucht weg en weer terug. Die trilling reist tot in je oor. Hoe sterker ze is, hoe luider je het vindt. We meten dat in decibel, afgekort dB. Fluisteren zit rond 30 dB, een gewoon gesprek rond 60 dB, en een drukke eetzaal haalt vlot 75 dB.
2Met die schaal is iets vreemds aan de hand. Tien decibel erbij lijkt weinig, maar het betekent tien keer zoveel geluidsenergie. Van 40 naar 80 dB is dus niet dubbel zoveel, maar tien keer tien keer tien keer tien keer zoveel.
3Diep in je oor zitten duizenden minuscule haarcellen. Ze buigen mee met de trilling en sturen het signaal naar je hersenen. Bij te veel geluid knakken ze, en bij mensen groeien ze niet terug. Daarom ligt de grens rond 85 dB: wie daar uren per dag boven zit, beschadigt zijn gehoor voorgoed.
4In een klas gaat het zelden over 85 dB. Toch is lawaai er een probleem. Je hersenen moeten spraak uit de ruis vissen, en dat kost energie die je daarna niet meer hebt om te rekenen of te onthouden.
5Er bestaat geen knop om ruis uit te zetten, maar wel trucs. Zachte dingen slikken geluid op: gordijnen, kurk, een tapijt, zelfs boeken in open rekken. En oude tennisballen onder de stoelpoten schelen veel, want schuivende stoelen zijn in heel wat klassen de luidste bron van al.
Reken uit hoeveel keer zoveel geluidsenergie 80 dB is als 40 dB. Schrijf het getal voluit op.
Klopt de bewering volgens de tekst? Zet erbij uit welke alinea je dat haalt.
| bewering | klopt? | welke alinea? |
|---|---|---|
| Een drukke eetzaal is gevaarlijk voor je oren. | ||
| Beschadigde haarcellen herstellen na een tijd. | ||
| Lawaai in de klas kost je denkkracht. |
De schrijver noemt tennisballen onder de stoelpoten. Leg uit waarom dat werkt, en bedenk twee andere ingrepen die volgens dezelfde redenering zouden helpen.
Welke zin uit de tekst zou je als eerste schrappen als je alleen de kern wil overhouden? Waarom net die?
Een sleutelwoord is een woord dat je later terug in de hele zin kan omzetten. Schrijf je het niet op, dan ben je de zin kwijt.
Neem de tekst van blad 3 erbij. Noteer per alinea hoogstens drie sleutelwoorden.
| alinea | hoogstens drie sleutelwoorden |
|---|---|
Vat de hele tekst samen in een zin van hoogstens vijftien woorden. Tel na en zet het aantal erachter.
Iemand noteerde bij alinea 3: oor, veel, terug. Leg uit waarom die notitie later niet meer te gebruiken is.
Schrap nu nog verder. Welke vier woorden hou je over als je de hele tekst in een telegram moet persen?
Wie inkort, gooit niet zomaar de langste woorden weg. Je gooit weg wat je zonder verlies kan missen.
Volgende week donderdag vertrekken we met de fiets naar het natuurgebied aan de vaart. We verzamelen om kwart voor negen op de speelplaats, bij de fietsenstalling. Vergeet je fietshelm niet, want zonder helm mag je niet mee.
Neem ook een lunchpakket, een regenjas en een gevulde drinkbus mee. We zijn rond halfvier terug op school. Wie geen fiets heeft, meldt dat ten laatste maandag bij de leerkracht van zijn klas.
Streep in de mededeling alles door wat weg kan zonder dat er informatie verdwijnt. Schrijf daarna op welke woorden zeker moesten blijven.
Schrijf de mededeling opnieuw in hoogstens twintig woorden, zo dat iemand nog altijd precies weet wat hij moet doen.
Welke woordsoort gooide je het vaakst weg, en welke bleef altijd staan? Vul aan en leg het in de laatste rij uit.
| woordsoort | bijna altijd weg of altijd houden? |
|---|---|
| lidwoord | |
| bijvoeglijk naamwoord | |
| zelfstandig naamwoord |
Wat stem, tempo en pauzes met een tekst doen, en hoe je in langere zinnen het onderwerp en de persoonsvorm terugvindt.
1Achter het gordijn hoorde Joesef de zaal ademen. Tweehonderd mensen, dacht hij. Tweehonderd. De randen van zijn blaadje voelden plots vochtig aan.
— Nog twee minuten, fluisterde meneer Dries. Adem eens diep in.
— Ik kan het niet, zei Joesef.
— Dat zei je vorige week ook.
2In de coulissen stond Roos haar eigen tekst te prevelen, veel te snel, als een trein die niet meer stopt. Ze keek op.
— Lees gewoon traag, zei ze. Trager dan je durft.
— En als ik vastloop?
— Dan wacht je. Een stilte is niet erg. Een stilte klinkt zelfs slim.
3Het gordijn schoof open met een geluid als een diepe zucht. Het licht was feller dan op de repetitie. Joesef zag alleen de eerste rij, en daarachter een donkere vlakte waarin af en toe iets bewoog. Hij legde zijn blad op de lessenaar. De eerste zin stond er, dik onderstreept.
4Hij las hem. Zijn stem kwam hoger uit zijn keel dan hij wilde, en veel te vlug. Achteraan schoof iemand met een stoel. Toen deed Joesef iets wat hij nooit gepland had: hij stopte. Hij telde in zichzelf tot drie. De zaal werd stil, echt stil.
5Hij begon opnieuw, van boven af aan, en nu traag. Bij het woord donker liet hij een gat vallen. Bij het woord rennen ging hij sneller. Toen hij klaar was, hoorde hij een paar tellen helemaal niets. Daarna kwam het applaus, en Joesef wist niet of het voor het verhaal was of voor die stilte.
Roos geeft Joesef twee raadgevingen. Schrijf ze allebei op en zet erbij op welke plaats in het verhaal Joesef ze gebruikt.
Waarvoor klapt de zaal volgens jou? Kies, en schrijf erbij welke zin uit de tekst jou dat doet denken.
Op één plaats slaat de spanning om. Welke zin is dat volgens jou, en wat verandert er daarna?
Voorlezen is niet: de woorden uitspreken die er staan. Voorlezen is beslissen hoe je ze uitspreekt. Je hebt daarvoor drie knoppen.
Neem blad 1 erbij en zet er met potlood merktekens in. Eén schuine streep is een korte pauze, twee schuine strepen een lange. Onderstreep de woorden die je trager leest en zet een golflijntje onder de woorden die je harder zegt.
Werk in potlood. Na je eerste keer voorlezen verander je gegarandeerd iets.
Kies vier zinnen uit het verhaal en leg per zin vast hoe je hem leest.
| zin (eerste woorden volstaan) | wat doe je met je stem, en waarom? |
|---|---|
Lees alinea 4 twee keer hardop voor: één keer zonder enige pauze, één keer met je merktekens. Wat is het grootste verschil? Schrijf op wat een luisteraar erdoor extra begrijpt.
De laatste zin van een tekst blijft het langst hangen. Lees die drie keer op drie manieren en kies daarna pas.
Goed of slecht helpt een voorlezer niet vooruit. Wat wel helpt: vertellen wat je als luisteraar hoorde en wat dat met je deed.
Iemand leest het verhaal van blad 1 voor. Vul tijdens het luisteren deze kijkwijzer in. Zet geen kruisjes, maar schrijf wat je hoorde.
| waar je op let | wat je hoorde |
|---|---|
| tempo: waar ging het trager? | |
| pauzes: waar viel een stilte? | |
| toon: waar ging de stem omhoog? | |
| één woord dat klonk als wat het betekent |
Schrijf nu je feedback in drie zinnen. Zin één: wat je hoorde. Zin twee: wat dat met je deed. Zin drie: je ene tip.
Een jurylid zegt: je las slecht, veel te snel. Leg uit waarom de voorlezer daar niets mee kan, en herschrijf die zin zo dat hij wel bruikbaar wordt.
Zoek eerst de persoonsvorm, dan pas het onderwerp. Omgekeerd werkt niet, want je hebt de persoonsvorm nodig om het onderwerp te vinden.
Vul de tabel in. Doe bij elke zin eerst de tijdproef.
| zin | persoonsvorm | onderwerp |
|---|---|---|
| 1. Elke dinsdag oefent Joesef zijn tekst in de badkamer. | ||
| 2. De lampen boven het toneel zijn gisteren vervangen. | ||
| 3. Waarom lachte niemand bij die grap? | ||
| 4. Achter het rode gordijn stond een smalle ladder. | ||
| 5. Roos wil haar tekst nog een keer voorlezen. |
In drie van deze vijf zinnen staat het onderwerp niet vooraan. Welke zijn dat, en wat staat er dan wel op de eerste plaats?
In zin 2 en in zin 5 staan telkens twee werkwoorden, en toch is er maar één persoonsvorm. Leg uit hoe je weet welk van de twee het is.
In sommige zinnen doet het onderwerp echt iets. In andere zinnen doet het niets, maar wordt er iets over gezegd. Dat verschil zie je aan de persoonsvorm. Je test het door te vragen: wat doet het onderwerp? Bij een zijn-zin krijg je dan een raar antwoord.
Onderzoek elke zin. Schrijf in de laatste kolom kort waaraan je het ziet.
| zin | doe-zin of zijn/wordt-zin? | waaraan zie je dat? |
|---|---|---|
| 1. Joesef leest de eerste zin nog een keer. | ||
| 2. Het licht in de zaal is veel te fel. | ||
| 3. De stoelen worden na de show opgestapeld. | ||
| 4. Roos fluistert iets in zijn oor. | ||
| 5. Meneer Dries wordt elk jaar zenuwachtiger. | ||
| 6. Na de pauze klapte de hele zaal. |
Bouw nu zelf vier zinnen. Eén per eis. A: een doe-zin waarin het onderwerp niet vooraan staat. B: een zijn-zin met een onderwerp van meer dan één woord. C: een zin met twee werkwoorden waarvan er maar één de persoonsvorm is. D: een vraagzin die met de persoonsvorm begint.
Zin 3 en zin 5 hebben allebei wordt of worden. Toch gebeurt er in zin 3 iets heel anders dan in zin 5. Leg uit wat.
Knip de negen kaartjes uit. Bovenaan elk kaartje staat wat het zoekt, onderaan staat een zin. Je legt een kaartje aan als de zin van het vorige kaartje past bij wat dit kaartje zoekt. Alle zinnen die geen zijn- of worden-zin zijn, zijn doe-zinnen.
De negen kaartjes vormen samen één gesloten kring: het laatste kaartje past weer aan het eerste. Blijft er een kaartje over, dan zit er ergens een verkeerde persoonsvorm.
Instructies zo nauwkeurig lezen dat je ze foutloos kan uitvoeren, en vier strategieën om de betekenis van een onbekend woord te achterhalen.
1Een ei heeft een harde schaal van kalk. Azijn is een zuur, en zuur lost kalk op. Met die twee gegevens maak je in drie dagen een ei zonder schaal: een ei dat een beetje stuitert. Niet te hoog laten vallen, want daarna heb je een ei zonder schaal en zonder inhoud.
2Stap 1. Zet een leeg glas op tafel. Het glas moet hoger zijn dan het ei. Is het te laag, dan steekt de bovenkant van het ei boven de azijn uit en blijft daar een ring van kalk zitten.
3Stap 2. Leg het ei voorzichtig in het glas. Laat het langs de wand naar beneden glijden en laat het niet vallen. Giet er dan blanke azijn bij tot het ei helemaal onder staat.
4Stap 3. Kijk na een halve minuut naar de schaal. Er verschijnen overal kleine belletjes. Dat is gas dat ontstaat terwijl het zuur de kalk oplost. Zet het glas nu drie dagen weg op een plaats waar niemand eraan komt.
5Stap 4. Giet de azijn weg en spoel het ei af onder koud water. Wrijf zachtjes met je duim over de schaal, dan laten de laatste witte resten los. Wat overblijft is een doorschijnend, veerkrachtig velletje met het ei erin. Laat een ei nooit langer dan een week in de azijn liggen: het velletje wordt dan zo dun dat het openscheurt.
Waarom moet het glas hoger zijn dan het ei? Schrijf erbij wat er misgaat als je dat vergeet.
Eén zin in de tekst is geen stap maar een waarschuwing. Welke zin is dat, en waarom staat hij daar en niet vooraan?
Wat zou er gebeuren als je stap 3 oversloeg en het ei na een halve minuut al uit de azijn haalde? Denk aan de belletjes.
Een verhaal mag je door elkaar lezen; je begrijpt het dan nog. Een stappenplan niet. Elke stap gebruikt iets wat de vorige stap heeft klaargezet.
Draai telkens twee stappen om en schrijf op wat er dan misgaat.
| je draait om | wat gaat er mis? |
|---|---|
| stap 1 en stap 2 | |
| stap 3 en stap 4 | |
| stap 2 en stap 4 |
In de tekst staan drie tijden: een halve minuut, drie dagen, een week. Kies er één en leg uit waarom juist dat getal er staat.
Eén stap bevat eigenlijk twee handelingen na elkaar. Welke stap is dat, en hoe zou jij hem splitsen?
Hou bij elke zin je hand stil en vraag je af: kan ik dit nu doen, met wat ik heb? Kan het niet, dan mist er iets in de stap ervoor.
Kies iets wat jij echt kan: een knoop leggen, een blokfluit schoonmaken, een spel uitleggen, een vogelvoederhuisje vullen.
Schrijf je stappenplan. Zet bovenaan wat de lezer nodig heeft en nummer daarna je stappen.
Geef je blad aan iemand anders en laat die het plan uitvoeren of hardop naspelen. Waar aarzelde hij? Schrijf op welke stap je daarna aanpast en waarom.
Doe alsof je lezer niets zelf mag invullen. Staat er nergens hoeveel water, dan giet hij een emmer.
Een onbekend woord is geen muur. Meestal weet de zin eromheen al de helft, en het woord zelf de andere helft.
Lees elke zin. Schrijf op wat het schuine woord volgens jou betekent en welke sleutel je gebruikte.
| zin | wat betekent het? | welke sleutel? |
|---|---|---|
| De vlakte was zo onherbergzaam dat er geen boom, geen huis en geen weg te zien was. | ||
| Hij is roekeloos: hij fietst zonder handen door het rode licht. | ||
| De deur is niet brandbaar, want hij is van staal. | ||
| De temperatuur in de klas staat op twintig graden. | ||
| Na de storm moest de hele tekst herschreven worden, want het papier was doorweekt. |
Breek deze woorden in stukken en schrijf per stuk op wat het doet.
| woord | de stukken | wat het woord betekent |
|---|---|---|
| moeiteloos | ||
| ondoordringbaar | ||
| vergroting | ||
| ontoegankelijk |
Bij welk woord uit de eerste tabel helpt geen enkele sleutel goed genoeg? Leg uit wat er dan blijft haperen.
Een brug van staal is in de zomer langer dan in de winter. Dat klinkt vreemd, maar het is onvermijdelijk: warm metaal zet uit. Bij een brug van driehonderd meter kan dat verschil oplopen tot meer dan tien centimeter. In de winter krimpt de brug weer, en dat herhaalt zich elk jaar opnieuw.
Wie een brug bouwt, moet daar plaats voor maken. Daarom zit er aan elk uiteinde van een brug een uitzetvoeg: een kier met metalen tanden die in elkaar grijpen, zoals twee handen met gespreide vingers. Wordt de brug langer, dan schuiven de tanden verder in elkaar. Wordt hij korter, dan gaan ze uit elkaar. Je hoort ze roffelen als je eroverheen rijdt.
Zonder die kier zou de brug tegen het landhoofd duwen met een kracht waar geen beton tegen bestand is. Het beton zou scheuren en de rijbaan zou bol gaan staan. Daarom rust het uiteinde van een grote brug ook nog op rollen of op blokken rubber, zodat het stil kan schuiven. Een brug die niet mag bewegen, vervormt zichzelf kapot.
Achterhaal deze zes woorden zonder op te zoeken. Noteer ook welke sleutel je gebruikte.
| woord | wat het betekent | sleutel |
|---|---|---|
| onvermijdelijk | ||
| uitzetvoeg | ||
| kier | ||
| landhoofd | ||
| bestand tegen | ||
| vervormt |
Waarom heeft een uitzetvoeg tanden en geen rechte, gladde rand? Zoek de zin in de tekst die je op het spoor zet.
Twee van de zes woorden zijn samenstellingen van twee gewone woorden. Welke twee, en welke gewone woorden zitten erin?