Deze week leer je het verschil zien tussen wat iemand vindt en wat iemand bewijst, ontleed je een advertentie en een nieuwsbericht over precies hetzelfde product, en schrijf je over drie bladen je eigen pleidooi aan de gemeenteraad. Daarnaast kraak je het Franse getalsysteem tot honderd, waar quatre-vingt-dix gewoon vier keer twintig plus tien is, en ontdek je dat onze eigen eenentwintig ook achterstevoren staat.
De klas kan een zin ontleden, een tekst samenvatten, een mening geven en kent de eerste Franse woorden en de getallen tot tien. Die vloer blijft onaangeroerd. Daarboven komt nieuw terrein: het onderscheid tussen een mening en een argument, de drie soorten waarop een argument kan steunen, drogredenen op kindermaat, en het verschil tussen een tekst die informeert en een tekst die overtuigt. Frans gaat niet over nieuwe woordenschat maar over het getalsysteem als puzzel: zeventien is een optelling, tachtig een vermenigvuldiging. Wereldorientatie en code haken erop in: reclame die zich niet als reclame voordoet, en de logica van een bewering die je niet zomaar mag omkeren. Er is deze week geen wiskunde en geen spelling.
Je weet al hoe je een mening geeft. Nieuw is wat eronder hoort. Een mening is niet juist of fout: ze is van jou. Een argument wel, want een ander mag het nakijken.
Mening of argument? Zet het in de tweede kolom, en schrijf in de derde hoe je dat ziet. Bij een van de vijf kan je twijfelen; leg dan uit waarom.
| zin | mening of argument? | hoe zie je dat? |
|---|---|---|
| Onze klas verdient een langere speeltijd. | ||
| Na twintig minuten buiten zitten we rustiger stil. | ||
| Chips zijn het lekkerste wat er bestaat. | ||
| In de gang staan drie fietsen die er al een jaar staan. | ||
| Iedereen weet dat de blauwe balpen het best schrijft. |
Kies een van de meningen hierboven en schrijf er twee argumenten bij die een volwassene ernstig zou nemen. Minstens een ervan moet iemand kunnen nagaan.
Een argument wordt sterker als je kan zeggen waarop het steunt. Er zijn drie soorten, en ze zijn niet overal even sterk.
Bij elk argument hoort een soort. Zet erbij welke, en schrijf in de laatste kolom hoe iemand het zou kunnen nagaan, of waarom dat niet kan.
| argument | feit, voorbeeld of gevoel? | kan je het nagaan? hoe? |
|---|---|---|
| In onze stalling passen 40 fietsen, en er staan er elke dag 58. | ||
| Mijn zus heeft vorig jaar drie keer een slot moeten vervangen. | ||
| Het is vervelend om je fiets er elke ochtend uit te wringen. | ||
| Een dak boven de stalling kost ongeveer zoveel als twee schermen. | ||
| Iedereen aan wie ik het gevraagd heb, vond dat ook. |
Kies iets wat jij op school zou veranderen. Schrijf drie argumenten op, een van elke soort, en zet de soort telkens tussen haakjes erachter.
Meester zei deze week dat we moesten opletten voor zinnen die klinken als een reden maar het niet zijn. Ik vond dat flauw tot ik er op een speeltijd vier hoorde. Ik heb ze opgeschreven en er zelf een naam aan gegeven, want die hebben ze bij ons nog niet.
De kudde. Kaya wou dat we allemaal meededen met het ruilspel en zei: iedereen doet het. Dat klopte niet eens, maar ook al zou iedereen het doen, dan is dat nog altijd geen reden waarom het goed is. En de kleinmaker: toen ik vroeg waarom we het zo speelden, zei Tarik dat ik nog te klein was om dat te snappen. Dat gaat over mij en niet over het spel, en toch zweeg ik.
De gladde helling. De man van de bewaking zei dat er volgende week een voetbalveld ligt als we vandaag een bal op het gras toelaten. Misschien, maar hij deed alsof de tweede stap vanzelf op de eerste volgt. En de valse keuze, van mezelf: ik zei tegen mijn zus dat ze meespeelde of anders mijn vriendin niet meer was. Er liggen tien dingen tussen die twee in. Die vierde is de vervelendste, want ik hoorde mezelf pas achteraf.
Vul aan voor elk van de vier zinnen uit het schrift. Schrijf in de laatste kolom wat de spreker eigenlijk had moeten bewijzen en niet bewezen heeft.
| wat er gezegd werd | wat de spreker wil dat je denkt | wat er niet bewezen is |
|---|---|---|
| Iedereen doet het. | ||
| Jij bent te klein om dat te snappen. | ||
| Laat je een bal toe, dan ligt er straks een veld. | ||
| Je speelt mee of je bent mijn vriendin niet. |
Een advertentie liegt zelden ronduit. Ze belooft veel, laat weg wat tegenvalt, en legt het werk bij een paar kleine woorden.
Eindelijk. De Wolkenzool is er. Twee millimeter dun, en toch voel je bij elke stap dat je lichter bent. Wie hem een keer in zijn schoen legt, wil niet meer terug.
Onderzoek toont aan dat sporters met een goede zool beter presteren. De Wolkenzool is gemaakt van schuim met luchtkamertjes, precies zoals in de dure sportschoenen. Tot 15 procent meer veerkracht.
Al meer dan 40 000 tevreden klanten. Iedereen op de speelplaats heeft er een. Vraag het maar na bij je vrienden: wie nog op een gewone zool loopt, valt op.
Nu tijdelijk twee paar voor de prijs van een. Bestel voor vrijdag en betaal geen verzending. (Meting in labo, bij volwassenen op een loopband. Veerkracht kan verschillen. Niet geschikt onder schoenmaat 34.)
Advertentie, achterblad van een sportfolder
Zet in elke zin hieronder een kringetje rond het woord dat het meeste werk doet. Vul dan de twee kolommen aan: wat wordt beloofd, en wat wordt er niet bij verteld?
| zin uit de advertentie | wat belooft ze? | wat zegt ze er niet bij? |
|---|---|---|
| Tot 15 procent meer veerkracht. | ||
| Onderzoek toont aan dat sporters beter presteren. | ||
| Al meer dan 40 000 tevreden klanten. | ||
| Iedereen op de speelplaats heeft er een. | ||
| Nu tijdelijk twee paar voor de prijs van een. |
1Sinds maart liggen er in de sportwinkel aan de Markt inlegzolen die beloven dat je er lichter door stapt. Ze heten Wolkenzolen en kosten 24 euro per paar. In onze klas hebben zeven leerlingen er een.
2We vroegen aan turnleerkracht Els Verlinden of een zool je hoger doet springen. Zij zegt dat een zachte zool vooral comfortabeler zit, en dat het verschil in springhoogte bij kinderen nooit gemeten is. Het labo-onderzoek dat de maker noemt, gebeurde met volwassenen op een loopband.
3We hebben het zelf geprobeerd met tien leerlingen: vijf sprongen met zolen, vijf zonder. Het verschil was gemiddeld een centimeter, en in beide richtingen. Met zo weinig springers zegt dat weinig, geven we toe.
4Wie de zolen prettig vindt zitten, heeft daar gelijk in: comfort voel je zelf. Springhoogte is iets anders, want dat kan je meten, en bij kinderen is het gewoon nog niet gemeten.
Uit de schoolkrant van 12 mei
Beide teksten gaan over dezelfde zolen. Noem drie dingen die in het nieuwsbericht staan en die de advertentie weglaat. Zeg er telkens bij waarom de maker ze liever niet vermeldt.
De schoolkrant schrijft er zelf bij dat hun eigen test weinig bewijst. Waarom wordt de tekst daar sterker van, en niet zwakker?
Een tekst kan je iets willen laten weten of iets willen laten doen. Aan de woorden merk je welke van de twee het is.
Vul de tabel in met de twee teksten ernaast. Waar je iets niet terugvindt, schrijf je dat ook op: dat is een antwoord.
| waarop je let | de advertentie | het nieuwsbericht |
|---|---|---|
| Wat wil de tekst dat je doet? | ||
| Welke getallen staan erin? | ||
| Staat erbij waar die getallen vandaan komen? | ||
| Komt er iemand aan het woord die tegenspreekt? |
Schrijf de eerste twee zinnen van de advertentie over als zinnen die alleen informeren. Je mag niets bijverzinnen: alleen weglaten en anders zeggen.
Kladwerk mag rommelig zijn. Wat hier staat, hoeft nog niet mooi te zijn.
Schrijf drie mogelijke stellingen op en streep de twee weg waar niemand het mee oneens zou zijn.
Zoek nu bij je stelling drie argumenten, een van elke soort. In de laatste kolom zet je hoe je het zou hardmaken: nameten, opzoeken, of vertellen wat je zag.
| soort | mijn argument | hoe ik het hardmaak |
|---|---|---|
| feit | ||
| voorbeeld | ||
| gevoel |
Een pleidooi dat doet alsof er geen tegenkanting bestaat, is zwak. Noem ze zelf, en zet er daarna iets tegenover.
Schrijf het beste tegenargument op dat iemand tegen jouw stelling kan bedenken. Niet het flauwste: het beste.
Weerleg het nu in de drie stappen hierboven. Schrijf het als een stuk lopende tekst, zoals het straks in je brief komt te staan.
Begin met de aanhef: Geachte leden van de gemeenteraad. Zet je stelling in de eerste alinea, daarna je drie argumenten, dan het tegenargument met je weerlegging, en vraag in het slot precies een ding.
Schrijf je pleidooi in het net. Gebruik je kladblad en je weerlegging, en lees het daarna hardop na.
Je kent de eerste Franse getallen al. Kijk nu naar de hele rij tot zestien: er zit geen enkel patroon in. Elk woord staat op zichzelf.
Hier staan zeventien, achttien en negentien: dix-sept, dix-huit, dix-neuf. Zoek in elk woord de twee getallen terug die je al kent, en schrijf de som erbij.
| het Franse woord | welke twee getallen zitten erin? | welke som is dat? |
|---|---|---|
| dix-sept | ||
| dix-huit | ||
| dix-neuf |
Zestien is seize en geen dix-six. Waar ligt in het Frans de grens tussen leren en rekenen?
Elk tiental heeft een eigen woord. De eenheid hang je er met een koppelteken achter, en bij een gaat het net iets anders.
| getal | Frans |
|---|---|
| 20 | vingt |
| 30 | trente |
| 40 | quarante |
| 50 | cinquante |
| 60 | soixante |
Bouw de getallen. Zet eerst in de middelste kolom uit welke twee stukken het getal bestaat, en schrijf daarna het Franse woord voluit.
| getal | hoe je het bouwt | het Franse woord |
|---|---|---|
| 24 | 20 + 4 | |
| 31 | ||
| 45 | ||
| 52 | ||
| 61 | ||
| 68 |
Voor zeventig, tachtig en negentig heeft het Frans geen eigen woord. Het bouwt ze uit de getallen die het al had.
| getal | de som die erin zit | het Franse woord |
|---|---|---|
| 70 | 60 + 10 | soixante-dix |
| 71 | 60 + 11 | |
| 75 | ||
| 80 | 4 x 20 | quatre-vingts |
| 82 | ||
| 90 | 4 x 20 + 10 | quatre-vingt-dix |
| 95 | ||
| 99 |
Aan de kassa hoor je: quatre-vingt-quinze centimes. Reken uit hoeveel dat is en schrijf elke stap op, zodat een ander kan volgen hoe je erbij komt.
Vijf van deze zes regels kloppen niet. Er zit er een tussen die wel klopt; die mag je gewoon laten staan.
Kijk de lijst na. Schrijf in de laatste kolom of het klopt, en zo niet: hoe het wel moet.
| wat hij schreef | welk getal bedoelde hij | klopt het? zo niet: hoe wel? |
|---|---|---|
| dix-six | 16 | |
| vingt-et-un | 21 | |
| soixante-dix-un | 71 | |
| quatre-vingt | 80 | |
| quatre-vingts-deux | 82 | |
| quatre-vingt-dix-neuf | 99 |
Bouw nu zelf. Schrijf eerst de som op en dan het woord, met koppeltekens waar ze horen.
| getal | hoe je het bouwt | het Franse woord |
|---|---|---|
| 34 | ||
| 62 | ||
| 77 | ||
| 88 | ||
| 93 |
Mama zegt dat Frans moeilijk is omdat je moet rekenen: quatre-vingt-dix is vier keer twintig plus tien. Ik heb haar gezegd dat wij ook iets raars doen, alleen merken we het niet meer omdat we het al duizend keer gezegd hebben.
Wij zeggen namelijk eenentwintig: eerst de een en dan de twintig, precies andersom dan hoe we het schrijven. Het Frans zegt vingt et un, in dezelfde volgorde als de cijfers. Bij ons staat het achterstevoren en bij hen niet. Een Franse leerling die 21 hoort, hoeft niets om te draaien.
En er is nog iets. Bij ons in Belgie zeggen mensen die Frans spreken meestal septante voor zeventig en nonante voor negentig, rechttoe rechtaan, zonder som. In Frankrijk doet bijna niemand dat. Een taal heeft dus niet altijd een antwoord: er zijn streken waar het makkelijker mag.
Vul de tabel aan. Zet in de laatste kolom welke van de twee talen de getallen zegt in dezelfde volgorde als je ze schrijft.
| getal | hoe wij het zeggen | hoe het Frans het zegt | zelfde volgorde als de cijfers? |
|---|---|---|---|
| 21 | eenentwintig | vingt et un | |
| 45 | |||
| 98 |
Welke taal zou jij kiezen om snel te leren tellen? Schrijf waarom.
Hieronder staat wat je op vijf kramen hoort. Schrijf in de laatste kolom wat je moet betalen, in euro en cent.
| kraam | wat de verkoper roept | in cijfers |
|---|---|---|
| de bakker | soixante-quinze centimes | |
| de kaasboer | quatre-vingts centimes | |
| de fruitkraam | deux euros quatre-vingt-dix | |
| de bloemen | trois euros soixante | |
| de honing | soixante et onze centimes |
Je koopt brood bij de bakker en kaas bij de kaasboer. Tel de twee prijzen samen, schrijf je antwoord in cijfers, en daarna ook in Franse woorden.
Twee prijzen op deze markt lijken in het Frans sterk op elkaar. Welke twee, en waar zit het verschil?
Moeilijk wordt het wanneer reclame de vorm aanneemt van iets anders: een filmpje van iemand die je leuk vindt, een beloning in een spelletje, of een doos die precies op jouw ooghoogte staat.
Vul de gids aan. Schrijf in de tweede kolom waaraan je het zou kunnen zien, en in de derde wat de maker wil dat je doet.
| waar je het tegenkomt | waaraan zie je dat het reclame is? | wat wil het dat je doet? |
|---|---|---|
| een filmpje waarin iemand een pakje openmaakt | ||
| een spelletje dat je verder laat spelen als je kijkt | ||
| een doos snoep onderaan in het rek | ||
| een gratis schrift met een naam op de kaft | ||
| iemand bekend die zegt dat hij die schoenen zelf draagt |
Noem iets wat je deze week gezien hebt en waarvan je nu pas denkt: dat was eigenlijk reclame.
Een spelletje op een tablet kost niets. Toch werken er mensen aan: tekenaars, programmeurs, iemand die elke maand de servers betaalt. Dat geld moet ergens vandaan komen. Als jij niets betaalt, betaalt iemand anders mee.
Meestal is dat een bedrijf dat wil dat je zijn naam onthoudt. Het koopt een plek in het spelletje, of het betaalt iemand met veel kijkers om zijn product even vast te houden. Jij levert daar iets voor terug wat niet op geld lijkt: je aandacht, je tijd, en wat je aanklikt.
Daarom is het eerlijk dat je weet wanneer iets betaald is. In veel landen moet erbij staan dat een filmpje reclame bevat. Dat staat er dan ook, maar vaak klein, onderaan, of pas als je doorklikt.
Volg bij elke rij de weg van het geld. Wat krijg jij, wat geef jij, en wie verdient eraan?
| wat jij krijgt | wat jij geeft | wie verdient eraan |
|---|---|---|
| een gratis spelletje | ||
| een filmpje van iemand die je volgt | ||
| een gratis schrift van de bank | ||
| een kortingskaart van de winkel |
Waarom geeft een winkel jou een gratis schrift? Noem twee redenen.
Morgen tel je onderweg. Niet wat mooi is, maar hoeveel er staat en wat het van je wil.
| wat ik zag | waar | wil dat je koopt, kijkt of onthoudt |
|---|---|---|
Tel je streepjes. Wat wilde het grootste deel van wat je zag: dat je iets koopt, dat je kijkt, of dat je een naam onthoudt?
Op welke hoogte hing de meeste reclame: op jouw ooghoogte of hoger?
Een als-dan-zin belooft iets in een richting. Draai je hem om, dan belooft hij plots iets heel anders, en meestal iets wat niet klopt.
Draai elke zin om en beoordeel de omgekeerde. Schrijf er bij een fout antwoord een geval bij waarin het misloopt.
| de als-dan-zin | de omgekeerde zin | klopt die? waarom niet? |
|---|---|---|
| Als het regent, is de straat nat. | ||
| Als je in het vijfde zit, ga je naar de lagere school. | ||
| Als een getal op 0 eindigt, is het deelbaar door 5. | ||
| Als je de sleutel hebt, kan je de deur openen. | ||
| Als een dier een kat is, heeft het snorharen. |
Maak zelf een ketting van drie: als A dan B, als B dan C. Schrijf eronder wat er dan zeker volgt uit A, en geef je ketting aan een klasgenoot om na te kijken.
Op dit eiland wonen maar twee soorten mensen. Een waarheidsspreker zegt altijd iets wat klopt, een leugenaar zegt altijd iets wat niet klopt. Er is geen derde soort en niemand zwijgt.
Je ontmoet Ada en Boris. Ada zegt: wij zijn allebei leugenaars. Wie spreekt waar en wie liegt? Schrijf ook op hoe je het weet.
Nu Cato en Dries. Cato zegt: Dries spreekt waar. Dries zegt: Cato en ik zijn niet van dezelfde soort. Wat zijn ze allebei?
Er komt een vreemdeling aan wal die zegt: ik ben een leugenaar. Leg uit waarom hij geen van beide soorten kan zijn, en dus niet van dit eiland komt.
Knip de twaalf kaarten uit: vier rolkaarten en acht rondekaarten. Je speelt met vier; met drie gebruik je een leugenkaart minder.