Alles wat sinds week twee langskwam komt terug, maar nu van de andere kant: je ontwerpt het zelf voor iemand anders. Elk maakstuk loopt in drie delen — een voorbeeld met de eisen waaraan een goed exemplaar voldoet, een ontwerpblad met werkruimte, en een testblad waarop een klasgenoot jouw werk oplost en er een oordeel bij schrijft. Dat oordeel is geen punt; het is de plek waar je aan ziet wat je vergeten bent op te schrijven.
Dit is de laatste bundel van de reeks en hij staat op alle vorige. Er komt geen nieuwe leerstof bij: de leerling wordt maker in plaats van oplosser, en dat is een kantelpunt dat pas werkt als hij het materiaal van de weken twee tot zeven achter zich heeft. Elk maakstuk heeft dezelfde drie delen — voorbeeld met eisen, ontwerpblad, testblad — en het testblad is geen versiering. Wie niet laat testen, levert werk af dat alleen voor hemzelf klopt, en dat is precies wat deze bundel wil doorprikken. Er is deze week geen spelling.
DE KIJKWIJZERS, KORT. Een codekraker is goed als er een regel is die in een zin past, als dezelfde letter niet altijd hetzelfde teken wordt, en als de maker zijn eigen boodschap heeft teruggerekend. Een grafiekenpaar is goed als beide grafieken dezelfde vier getallen tonen en alleen de as verschilt. Een schaaltekening is goed als de schaal in de hoek staat en twee willekeurige afstanden met een lat kloppen. Een logicapuzzel is goed als er precies een oplossing is en elke aanwijzing nodig is. Een stroomdiagram is goed als uit elke ruit twee pijlen vertrekken, als het altijd afloopt en als drie verschillende gevallen erdoorheen komen. Een leestekst is goed als hij over iets echts gaat, als elke alinea een eigen onderwerp heeft en als de drie vragen van drie verschillende soorten zijn. Spelregels zijn goed als een tester ze letterlijk kan uitvoeren zonder een keer te moeten vragen. Een onderzoek is goed als er een ding verandert, een ding gemeten wordt en er drie metingen per geval zijn. Een tijdlijn is goed als de afstanden op de lijn kloppen met de jaartallen.
OPLOSSINGEN WISKUNDE. Blad 1: de schuif loopt op met de plaats van de letter, dus MAKER wordt NCNIW — M plus 1 is N, A plus 2 is C, K plus 3 is N, E plus 4 is I, R plus 5 is W. Het woord QNDR op het blad is PLAN: Q min 1 is P, N min 2 is L, D min 3 is A, R min 4 is N. Blad 4 en 5: de vier getallen 40, 44, 46 en 48 stijgen met een vijfde, want 48 gedeeld door 40 is 1,2. Laat je de as bij 0 beginnen, dan zijn de staafjes 40 en 48 hoog op 50 en lijkt het verschil klein. Begin je bij 38, dan is het eerste staafje 2 hokjes hoog en het laatste 10: precies vijf keer zo hoog, terwijl er maar een vijfde bij kwam. Blad 6: bij 1:100 is 1 cm op het blad 1 m in het echt, dus een speelplaats van 18 m wordt 18 cm en past op de breedte van een A4. Bij 1:50 is 1 cm 50 cm, dus een klaslokaal van 8 bij 6 m wordt 16 bij 12 cm. Laat hen de schaal altijd in de hoek van de tekening zetten; zonder die vermelding is de tekening waardeloos.
OPLOSSINGEN CODE. Blad 7: Ayla maakte de tijdlijn en was donderdag aan de beurt, Berre de codekraker op dinsdag, Cis de dialoog op maandag en Dina de grafiek op woensdag. Deze puzzel is met een klein programma nagerekend: met alle zeven aanwijzingen is er precies een oplossing, en elke aanwijzing is nodig. Laat je er een weg, dan blijven er meerdere over — zonder aanwijzing 1 vijf, zonder 2 vier, zonder 3 drie, zonder 4 twee, zonder 5 twee, zonder 6 zes en zonder 7 twee. Dat is de kern van blad 7: een puzzel met te weinig aanwijzingen heeft niet meerdere goede antwoorden maar geen. Blad 9: met de eerste naam aanwezig gaat het 1, 2 ja, 3 — die persoon veegt. Is die ziek en de volgende wel aanwezig, dan gaat het 1, 2 nee, 4, 5 nee, 2 ja, 3. Is niemand aanwezig, dan draait het rond tot je via stap 5 bij stap 6 uitkomt: de leerkracht veegt. Zonder stap 5 zou het plan op die derde dag eeuwig blijven draaien. Blad 11: M is 77 en dus 01001101, A is 65 en 01000001, K is 75 en 01001011, E is 69 en 01000101, R is 82 en 01010010. Samen is MAKER veertig bits. Wie een woord doorgeeft zonder streepjes tussen de letters, geeft een onoplosbare boodschap door; dat is de pointe van de laatste alinea.
OPLOSSINGEN TAAL, WERELD EN FRANS. Blad 14: bij de tweede zin ontbreekt aan hoeveel kinderen het gevraagd is; bij de derde is alles wat groeit in zekere zin natuurlijk, suiker inbegrepen, dus het woord zegt niets; bij de vierde staat er niet hoe lang het ooit vier euro gekost heeft. Blad 20: een jaartal dat niet op twee nullen eindigt hoort bij het aantal honderdtallen plus een, dus 1958 valt in de 20e eeuw en 2011 in de 21e; 1900 valt nog in de 19e. Blad 22: de twaalf kaartjes vormen een gesloten kring — la gare, la poste, l'ecole, la piscine, la place, le pont, la rue, le feu, la mairie, le parc, la pharmacie, le marche en dan weer la gare. Sluit de kring niet, dan zit er een kaartje verkeerd om. Blad 23 en 24 vult de leerkracht samen met de leerling in; de zelfbeoordeling is uitdrukkelijk geen punt.
Een code die niemand kraakt is even nutteloos als een die iedereen doorheeft.
| letter | plaats in het alfabet | schuif | wordt |
|---|---|---|---|
| M | 13 | +1 | N |
| A | 1 | +2 | C |
| K | 11 | +3 | N |
| E | 5 | +4 | I |
| R | 18 | +5 | W |
De regel hierboven is: elke letter schuift op met haar plaats in het woord. Kraak nu QNDR met dezelfde regel.
Welke van de vier eisen is de moeilijkste? Leg uit waarom.
Eerst je regel, dan je boodschap, dan pas het strookje. Wie eerst codeert en daarna de regel bedenkt, komt niet meer uit.
Geef je blad straks af zonder het strookje. Schrijf hier eerst zelf op hoeveel minuten jij denkt dat je klasgenoot nodig heeft, en waarom.
Een test is pas een test als je er zelf niets aan toevoegt.
| de vraag aan je tester | ja | bijna | nee |
|---|---|---|---|
| Was de regel in een keer duidelijk? | |||
| Kwam je op precies een oplossing uit? | |||
| Klopte die met het strookje? | |||
| Was het spannend genoeg om door te zetten? |
Schrijf op waar je tester vastliep en wat hij als eerste probeerde.
Wat verander je aan je code? Verander maar een ding, anders weet je achteraf niet wat geholpen heeft.
Alle vier zijn ze toegestaan, en alle vier zijn ze oneerlijk.
| maand | uitgeleende boeken |
|---|---|
| september | 40 |
| oktober | 44 |
| november | 46 |
| december | 48 |
Van 40 naar 48 is een vijfde meer. Begin je de as niet bij 0 maar bij 38, dan is het laatste staafje tien hokjes hoog en het eerste twee: vijf keer zo hoog. Dezelfde cijfers, vijf keer zoveel indruk.
Kies zelf iets dat je vier keer kan tellen: boterhammen op een dag, minuten fietsen, regenbuien in een week. Verzamel vier getallen die maar een beetje van elkaar verschillen en schrijf ze hier op.
Zet onder elk staafje waar het over gaat en links naast het rooster de getallen van je as. Zonder die getallen kan niemand zien wat je gedaan hebt.
Toon allebei je grafieken aan een klasgenoot zonder de getallen te noemen. Vraag hoeveel er volgens hem bij gekomen is, en schrijf zijn twee antwoorden op.
Meet eerst de langste zijde. Is die langer dan tien meter, neem dan 1:100.
| wat je meet | echte lengte | op je tekening |
|---|---|---|
| de langste zijde | ||
| de kortste zijde | ||
| iets wat erin staat |
Schrijf drie vragen bij je tekening die een klasgenoot alleen met een lat kan beantwoorden. Laat hem ze oplossen en zet erbij wat hij antwoordde.
De maker hieronder begon bij deze tabel, niet bij de aanwijzingen.
| kind | maakstuk | dag van de test |
|---|---|---|
| Ayla | de tijdlijn | donderdag |
| Berre | de codekraker | dinsdag |
| Cis | de dialoog | maandag |
| Dina | de grafiek | woensdag |
| 1 | Cis was als eerste aan de beurt. |
| 2 | Wie de grafiek maakte, was op woensdag aan de beurt. |
| 3 | Berre was eerder aan de beurt dan Ayla. |
| 4 | Dina maakte geen tijdlijn en geen dialoog. |
| 5 | Berre maakte geen grafiek. |
| 6 | De tijdlijn werd op donderdag getest. |
| 7 | De codekraker werd niet op maandag getest. |
Bij deze puzzel is elke aanwijzing nodig. Streep aanwijzing 4 weg en zoek opnieuw: welke tweede oplossing past er nu ook?
Hij is pas af als er maar een antwoord past. Controleer dat zelf.
| naam | tweede soort | derde soort |
|---|---|---|
Geef je puzzel aan een klasgenoot, zonder deel 1. Schrijf op welke aanwijzing hij als eerste gebruikte, waar hij vastliep, en of hij op jouw oplossing uitkwam.
Het plan hieronder verdeelt de bordbeurt. Lees het en kijk waar elke eis zit.
| stap | wat er staat | waar de pijl heen gaat |
|---|---|---|
| 1 · bak | Begin bij de naam die onder de veger van gisteren staat. | naar stap 2 |
| 2 · ruit | Is die persoon vandaag aanwezig? | ja: stap 3 · nee: stap 4 |
| 3 · bak | Die persoon veegt. Zet een pijltje naast zijn naam. | einde |
| 4 · rechthoek | Ga naar de volgende naam. Sta je onderaan, ga dan naar de eerste. | naar stap 5 |
| 5 · ruit | Ben je terug bij de naam waar je begon? | ja: stap 6 · nee: stap 2 |
| 6 · bak | Niemand van de lijst is er. De leerkracht veegt. | einde |
Zonder stap 5 blijft het plan rondjes draaien op een dag dat niemand er is. Een lus moet altijd een uitgang hebben.
Volg het plan drie keer: als de eerste naam aanwezig is, als die ziek is en de volgende er wel is, en als niemand er is. Schrijf op waar je telkens uitkomt.
Een plan dat op een gewone dag werkt, zegt niets. Bedenk de dag waarop alles tegenzit.
Laat een klasgenoot je diagram uitvoeren voor drie gevallen die jij opgeeft. Schrijf op waar hij telkens uitkomt en of dat is wat jij bedoelde.
| het geval | waar hij uitkwam | klopt dat? |
|---|---|---|
Ik heb vandaag mijn eigen woord in bits gezet, en het viel mee zodra ik het ene ding onthield dat je moet onthouden: de hoofdletter A is 65. Al de rest tel je erbij. M staat op de dertiende plaats, dus M is 65 plus twaalf, en dat is 77.
Daarna zet je 77 om in acht plaatsen. Ik ga van links naar rechts. Past 128 erin? Nee, dus een 0. Past 64? Ja, dus een 1, en er blijft 13 over. 32 niet, 16 niet, 8 wel, dan blijft er 5. 4 wel, dan blijft er 1. 2 niet, 1 wel. Zo kreeg ik 01001101.
Mijn woord was MAKER. Vijf letters, vijf keer acht plaatsen, samen veertig nullen en enen. Ik heb het aan Jonas gegeven in een lange sliert, zonder te zeggen waar de ene letter ophield, en dat was gemeen. Nu zet ik er streepjes tussen.
| de letter | het getal | acht plaatsen |
|---|---|---|
| M | 77 | 01001101 |
Kies een woord van hoogstens vijf letters en zet het om. Geef het door met streepjes tussen de letters.
Vier punten. Haalt je tekst ze alle vier, dan is hij af.
Een gierzwaluw die net is uitgevlogen, gaat de lucht in en blijft daar. Hij eet vliegend, hij drinkt vliegend door laag over het water te scheren, en hij slaapt vliegend, hoog boven de daken. Pas als hij zelf een nest gaat maken, komt hij weer op een vaste plaats terecht.
Daarom zie je hem ook nooit op een draad zitten, zoals een boerenzwaluw. Zijn pootjes zijn kort en zijn vleugels lang; op een vlakke grond krijgt hij zichzelf maar moeilijk weer omhoog. Wat voor bijna elke vogel rusten is, is voor hem een probleem.
| soort vraag | wat je vraagt | waar het antwoord staat |
|---|---|---|
| letterlijk | Wat staat er precies? | in een zin van de tekst |
| tussen de regels | Wat volgt daaruit? | in twee zinnen samen, niet in een |
| mening | Wat vind jij ervan, en waarom? | nergens in de tekst; bij de lezer |
Kies je onderwerp en schrijf drie dingen op die je er zeker over weet. Zet erbij waar je het vandaan hebt.
Laat een klasgenoot je tekst lezen en je drie vragen beantwoorden. Welke vraag was te makkelijk, en welke stond eigenlijk niet in je tekst?
Je schrijft ze allebei zelf, en ze gaan over precies hetzelfde ding.
| de reclamezin | wat er echt staat |
|---|---|
| Nu met dertig procent meer! | Meer dan vroeger. Hoeveel het vroeger was, staat er niet bij. |
| Bijna alle kinderen vinden hem lekker. | |
| Gemaakt met natuurlijke ingredienten. | |
| Van vier euro voor 2,99 euro! |
Woorden als bijna, tot en vanaf beloven veel en zeggen weinig.
Bedenk waarvoor jij reclame maakt: een verzonnen drankje, een spel, een dienst in de klas. Schrijf de drie zinnen op die in je advertentie komen.
Schrijf niet meer dan drie zinnen op je affiche. Elke zin erbij is er een die je moet verantwoorden.
| jouw zin | wat er echt staat |
|---|---|
Laat een klasgenoot eerst alleen je advertentie zien en schrijf op wat hij denkt dat hij krijgt. Toon daarna je bijsluiter en schrijf op wat er aan zijn antwoord verandert.
Ik heb een spel bedacht met drie hoepels en een tennisbal, en ik was er zo zeker van dat het goed was dat ik de regels op een halve bladzijde schreef. Toen liet ik Nour ze lezen. Ze speelde precies wat er stond, en na twee minuten stond ze stil met de bal in haar hand, want er stond nergens wat je moest doen als je miste.
Dat was niet het enige. Er stond ook niet hoe je wint. Ik wist dat wel: wie het eerst tien punten heeft. Maar het stond nergens, en Nour is geen gedachtenlezer. Ik denk dat ik die regel niet vergeten ben, maar dat hij zo vanzelfsprekend was dat ik hem niet meer zag staan in mijn hoofd.
Nu schrijf ik mijn regels in een vaste volgorde: wat je nodig hebt, hoe je begint, wat je om de beurt doet, wat er gebeurt als het misgaat, en wanneer het gedaan is. Die vijf kopjes vangen bijna alles. En wat ze niet vangen, vangt Nour wel.
| wat de tester deed | wat er in mijn regels ontbrak |
|---|---|
| Ze stond stil met de bal in haar hand. | wat je doet als je mist |
| Ze bleef maar doorspelen. | wanneer het spel gedaan is |
| Ze gooide van vlakbij. | van waar je moet gooien |
Schrijf de vijf kopjes over en zet een sterretje bij het kopje waar je bij je eigen spel het minst over nagedacht hebt.
Zet ze er echt boven, als kopjes. Een lopende tekst verstopt wat er ontbreekt.
Laat een klasgenoot je spel spelen zoals een robot: hij doet alleen wat er staat en vraagt niets. Noteer elke keer dat hij stilvalt.
| waar hij stilviel | welke regel eraan ontbrak |
|---|---|
Loopt je vraag op een van de drie stuk, dan meet je iets anders dan je denkt.
| de vraag | wat je verandert | wat je meet |
|---|---|---|
| Rolt een knikker verder op tapijt of op tegels? | de ondergrond | de afstand in cm |
| Droogt een washandje sneller op de vensterbank of in de gang? | de plaats | de tijd in minuten |
| Blijft warm water langer warm in een beker of in een kom? | de vorm van de pot | de temperatuur na 10 min |
Verander maar een ding tegelijk. Gooi je de knikker ook nog harder, dan weet je achteraf niet of de ondergrond of je arm het verschil maakte.
Schrijf je eigen vraag in de lege rij en vul de twee andere kolommen in. Schrijf eronder wat je allemaal gelijk moet houden.
Schrijf in de eerste kolom wat je verandert, en verder niets.
| geval | meting 1 | meting 2 | meting 3 | gemiddelde |
|---|---|---|---|---|
Laat een klasgenoot je onderzoek overdoen met jouw plan in zijn hand. Kwam hij op dezelfde uitkomst? Zo niet: welke stap stond er te vaag?
Een gat van dertig jaar is op je lijn dertig keer zo breed.
| het jaartal | wat er gebeurde | welke eeuw? |
|---|---|---|
| 1958 | mijn oma wordt geboren | 20e |
Teken je lijn hieronder. Zet linksonder je maat, bijvoorbeeld: 1 cm is 5 jaar. Controleer daarna twee gaten met je lat.
Beste vriend of vriendin, mijn juf zei dat jullie Frans leren, en dat jullie al kunnen zeggen hoe je heet en hoe je iemand de weg wijst. Wij oefenen hier Nederlands. Ik vind jullie woorden even raar als jij waarschijnlijk mijn getallen vindt.
Wil je iets voor mij maken? Schrijf een gesprek van acht regels tussen twee mensen die elkaar op straat tegenkomen. De ene vraagt de weg, de andere legt hem uit. Laat er ergens een huisnummer in vallen, in woorden, en speel het daarna voor je klas. Ik doe hetzelfde in het Nederlands. Sarah.
Schrijf je gesprek van acht regels. Zet voor elke regel wie er spreekt, laat er een huisnummer tussen 20 en 100 in vallen in woorden, en oefen het twee keer hardop voor je het speelt.
Op elk kaartje staat bovenaan een Frans woord en onderaan een Nederlandse betekenis die er niet bij hoort.
Dit blad hoort bij jou en niet bij je rapport. Bewaar het bij je acht bundels.
Denk bij elke rij aan een maakstuk van deze week, niet aan de week als geheel.
| waar het over gaat | 1 — net begonnen | 2 — onderweg | 3 — daar sta ik |
|---|---|---|---|
| mijn eisen | ik schreef er geen | drie eisen, nogal vaag | eisen die je kan afvinken |
| mijn voorbeeld | ik gaf er geen | een voorbeeld dat klopt | een voorbeeld dat ook de valkuil toont |
| mijn test | niemand testte het | een tester, geen notities | een tester, en ik noteerde wat misging |
| mijn verbetering | ik veranderde niets | ik verbeterde iets kleins | ik verbeterde wat de tester aanwees |
Deze kaart is voor jou. Een eerlijke 1 is meer waard dan een beleefde 3.
Waar staat je hoogste kruisje, en waar je laagste? Schrijf bij allebei op waardoor dat komt.
Kies een van de vier rijen en schrijf op wat je de volgende keer anders doet. Een zin, en iets wat je morgen al kan.