Jezelf en iemand anders voorstellen, vraag-en-antwoordpatronen herkennen en zelf zinnen bouwen.
In het Nederlands zeg je ik ben en jij bent: twee vormen van zijn. Het Frans doet hetzelfde, alleen lijken de twee vormen daar niet op elkaar.
— Salut ! Tu es Louis ?
— Non. Je suis Marc.
— Moi, je suis Nour. Tu es dans la classe de madame Lima ?
— Oui, je suis dans la classe de madame Lima. Et toi ?
— Moi aussi ! À demain, Marc.
— À demain, Nour !
Schrijf elke zin in het Frans. Alles wat je nodig hebt, staat in de woordbank of in de dialoog.
| Nederlands | Frans |
|---|---|
| Ik ben Sara. | |
| Ben jij Marc? | |
| Nee, ik ben Louis. | |
| Ik zit in de klas. |
In het Nederlands lijken ben en bent op elkaar. In het Frans lijken suis en es helemaal niet op elkaar. Wat hebben de twee talen dan wél gemeen?
Iemand vraagt iets over jou en gebruikt daarvoor tu es. Jij antwoordt over jezelf, dus jij gebruikt je suis. De rest van de zin blijft bijna helemaal staan.
Antwoord twee keer op elke vraag: één keer met oui, één keer met non.
| vraag | antwoord met oui | antwoord met non |
|---|---|---|
| Tu es Nour ? | ||
| Tu es dans la classe ? | ||
| Tu es un élève ? | ||
| Tu es à l'école ? |
Drie van deze vijf zinnen kloppen niet. Zoek ze en verbeter ze. Schrijf bij de juiste zinnen gewoon juist.
| zin | juist of verbeterd |
|---|---|
| Je es Marc. | |
| Tu es Louis ? | |
| Tu suis dans la classe. | |
| Je suis Nour. | |
| Je es à l'école. |
Schrijf een minidialoog van vier beurten. Iemand groet, iemand stelt een vraag met tu es, iemand antwoordt met je suis, iemand neemt afscheid.
Je kiest links één stuk en rechts één stuk, en je hebt een kloppende zin. Zo bouw je met weinig woorden toch veel verschillende zinnen.
| kies links | kies rechts |
|---|---|
| je suis | Nour |
| tu es | Marc |
| un élève | |
| dans la classe | |
| à l'école |
Hoeveel verschillende zinnen kan je met deze tabel maken? Leg uit hoe je aan dat aantal komt zonder ze allemaal op te schrijven.
Kies er vier en schrijf ze correct op, met hoofdletter en punt. Zet er telkens de Nederlandse vertaling achter.
Vul de rechterkolom aan met twee klaswoorden die je al kent. Hoeveel zinnen kan je dan maken?