← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Frans · bundel 2

Je suis, tu es

Jezelf en iemand anders voorstellen, vraag-en-antwoordpatronen herkennen en zelf zinnen bouwen.

Download PDF alle bundels frans
Frans · être

Je suis, tu es

Eén werkwoord, twee vormen, en je kan jezelf en iemand anders voorstellen.
1
Twee vormen van hetzelfde werkwoord

In het Nederlands zeg je ik ben en jij bent: twee vormen van zijn. Het Frans doet hetzelfde, alleen lijken de twee vormen daar niet op elkaar.

  • je suis betekent ik ben. Je spreekt het uit als zjuh swie; de s op het einde hoor je niet.
  • tu es betekent jij bent. Je spreekt het uit als tu è; de s hoor je ook hier niet.
  • Het woordje ervoor hoort er altijd bij. Je zegt nooit alleen suis.
je suistu esouinonet toi ?moi aussidans la classeà l'écolesalutbonjourà demainun élève

Devant la porte

— Salut ! Tu es Louis ?
— Non. Je suis Marc.

— Moi, je suis Nour. Tu es dans la classe de madame Lima ?
— Oui, je suis dans la classe de madame Lima. Et toi ?

— Moi aussi ! À demain, Marc.
— À demain, Nour !

1

Schrijf elke zin in het Frans. Alles wat je nodig hebt, staat in de woordbank of in de dialoog.

NederlandsFrans
Ik ben Sara.
Ben jij Marc?
Nee, ik ben Louis.
Ik zit in de klas.
2

In het Nederlands lijken ben en bent op elkaar. In het Frans lijken suis en es helemaal niet op elkaar. Wat hebben de twee talen dan wél gemeen?

Frans naam
Frans · patronen

Als je antwoordt, springt het werkwoord om

Wie tu es hoort, antwoordt met je suis. Altijd.
2
Van vraag naar antwoord

Iemand vraagt iets over jou en gebruikt daarvoor tu es. Jij antwoordt over jezelf, dus jij gebruikt je suis. De rest van de zin blijft bijna helemaal staan.

  • Vraag: Tu es Nour ? Antwoord: Oui, je suis Nour. Alleen de eerste twee woordjes wisselen.
  • Zeg je nee, dan zet je non vooraan en vul je daarna aan: Non, je suis Marc.
  • Een vraag maak je vaak zonder iets om te draaien: zet een vraagteken, met een spatie ervoor.
1

Antwoord twee keer op elke vraag: één keer met oui, één keer met non.

vraagantwoord met ouiantwoord met non
Tu es Nour ?
Tu es dans la classe ?
Tu es un élève ?
Tu es à l'école ?
2

Drie van deze vijf zinnen kloppen niet. Zoek ze en verbeter ze. Schrijf bij de juiste zinnen gewoon juist.

zinjuist of verbeterd
Je es Marc.
Tu es Louis ?
Tu suis dans la classe.
Je suis Nour.
Je es à l'école.
3

Schrijf een minidialoog van vier beurten. Iemand groet, iemand stelt een vraag met tu es, iemand antwoordt met je suis, iemand neemt afscheid.

Frans naam
Frans · zinnen bouwen

Twee stukken, veel zinnen

Met een tabel van twee kolommen maak je er meer dan je denkt.
3
Een Franse zin in twee stukken

Je kiest links één stuk en rechts één stuk, en je hebt een kloppende zin. Zo bouw je met weinig woorden toch veel verschillende zinnen.

  • Links staat wie het is: je suis of tu es. Rechts staat wat of waar.
  • Elke combinatie van links en rechts levert een zin op die klopt. Dat is precies wat een patroon is.
kies linkskies rechts
je suisNour
tu esMarc
un élève
dans la classe
à l'école
1

Hoeveel verschillende zinnen kan je met deze tabel maken? Leg uit hoe je aan dat aantal komt zonder ze allemaal op te schrijven.

2

Kies er vier en schrijf ze correct op, met hoofdletter en punt. Zet er telkens de Nederlandse vertaling achter.

Zet er zelf stukken bij

Vul de rechterkolom aan met twee klaswoorden die je al kent. Hoeveel zinnen kan je dan maken?

Frans naam