Deze week stel je overal dezelfde vraag: niet of iets werkt, maar waarom het werkt. Je bewijst een deelbaarheidstruc, je zeeft priemgetallen uit een rooster, je ontleedt woorden die je nog nooit zag, je leest Spaans zonder Spaans te kennen en je bouwt een slot dat alleen opengaat als je kan ontbinden.
Deze bundel gaat bewust naast de klasleerlijn liggen, niet erop. De leerlingen kunnen al optellen, delen, woordsoorten benoemen en de eerste Franse woorden lezen; hier gebruiken ze die vloer om iets nieuws te doen. Wiskunde draait om bewijzen en priemgetallen, taal om morfologie, Frans om taalverwantschap als leesstrategie, en de codebladen laten zien waarom getallen iets kunnen beveiligen. Er is deze week geen spelling.
Je weet al wat een werkwoord is. Nu kijk je in een woord, naar de stukken waaruit het in elkaar zit.
Elke rij hieronder heeft hetzelfde voorvoegsel. Zoek uit de rij zelf wat dat voorvoegsel betekent en bedenk er een zesde woord bij. Gebruik geen woordenboek.
| rij woorden | wat betekent het voorvoegsel? | jouw zesde woord |
|---|---|---|
| onmogelijk - oneerlijk - onrustig - ongeduldig | ||
| herlezen - herbouwen - hergebruiken - herhalen | ||
| misverstand - mislukken - misleiden - misgreep | ||
| voorspellen - vooruitkijken - voorbereiden - voorproefje | ||
| ontdekken - ontsnappen - ontgrendelen - ontwapenen |
Verslapen, verrekenen en verschrijven horen bij elkaar. Verbreden, vergroten en verharden ook, maar die betekenen iets anders. Schrijf allebei de betekenissen van ver- op.
Een achtervoegsel maakt van het ene soort woord een ander soort. Vier van die fabriekjes kom je voortdurend tegen.
Verdeel de twaalf woorden over de vier kolommen. In elke kolom horen er precies drie.
| -er of -aar | -heid | -baar | -loos |
|---|---|---|---|
Kijk naar bakker, tekenaar en winnaar. Wanneer wordt het -er en wanneer -aar? Schrijf de regel op die jij erin ziet, en test hem daarna op zwemmer, luisteraar en schrijver.
Spelen wordt speler, niet spelaar. Klopt jouw regel daar nog? Pas hem aan of leg uit waarom dit een uitzondering is.
Niet opzoeken, maar uit elkaar halen. Werk altijd in deze volgorde.
Haal elk woord uit elkaar. Zet elk stuk in de juiste kolom. Sommige woorden hebben meer dan één achtervoegsel.
| woord | voorvoegsel(s) | grondwoord | achtervoegsel(s) |
|---|---|---|---|
| onherstelbaar | |||
| voorspelbaarheid | |||
| misleidend | |||
| bereikbaarheid | |||
| weerloosheid |
Kies drie woorden uit de tabel en schrijf hun betekenis op met je eigen stukken. Begin telkens met het grondwoord en bouw naar buiten.
Deze woorden bestaan niet, maar ze zijn wel volgens de regels gebouwd. Juist daardoor snap je ze toch.
| verzonnen woord | uit welke stukken? | wat zou het betekenen? |
|---|---|---|
| onfietsbaar | ||
| misluisteren | ||
| herwandelen | ||
| ontregenen |
1Een mesje om aardappelen mee te schillen heet in het Nederlands een aardappelschilmesje. Drie woorden, aan elkaar geplakt, zonder streepje en zonder spatie. Een Engelsman schrijft daar drie losse woorden voor: potato peeling knife. Een Fransman heeft er zelfs kleine tussenwoordjes voor nodig. Wij plakken gewoon.
2Bij zo'n geplakt woord beslist het laatste stuk alles. Een deurslot is een slot, geen deur. Een slotdeur is een deur, geen slot. En dat laatste stuk bepaalt ook welk lidwoord je zegt: het slot, dus het deurslot; de deur, dus de slotdeur. De stukken ervoor vertellen alleen welke soort.
3Soms schuift er een letter tussen de delen: dorpsplein, boekenkast, zonnestraal. Zo'n tussenletter betekent niets. Hij zit er omdat het woord anders struikelt in je mond. Wie hem weglaat, hoort meteen dat er iets wringt: dorpplein, boekkast.
4Je kan altijd nog een stap verder. Verzekering wordt ziektekostenverzekering, en dat wordt ziektekostenverzekeringsmaatschappij. Er bestaat geen regel die zegt waar het moet ophouden; alleen je lezer houdt ergens op. Precies daarom bestaan er grapwoorden als hottentottententententoonstelling: volgens de regels helemaal in orde, en toch onleesbaar.
5Let op het verschil met een woord als onherstelbaar. Bij plakwoorden zoals deurslot is elk stuk zelf ook een woord. Bij onherstelbaar is minstens één stuk dat niet: on is geen woord, baar is geen woord. Die stukken bestaan alleen als aanplaksel. Plakken is stapelen; aanplakken is bewerken.
Haal ziektekostenverzekeringsmaatschappij uit elkaar in losse woorden. Onderstreep daarna het stuk dat beslist of je de of het zegt.
Voorspel het lidwoord zonder het hardop te proberen. Kijk alleen naar het laatste stuk en schrijf op hoe je het weet.
| woord | de of het? | hoe weet je dat? |
|---|---|---|
| tuinhuis | ||
| huistuin | ||
| boekentas | ||
| fietsslot |
De tekst zegt dat een tussenletter niets betekent. Zoek zelf drie plakwoorden met een tussen-s of tussen-en en schrijf erbij hoe ze zonder die letter zouden klinken.
Nieuwe woorden ontstaan elk jaar. De goede overleven omdat je ze snapt zonder uitleg.
Bouw vier nieuwe woorden. Kies telkens een grondwoord en plak er een voorvoegsel, een achtervoegsel of allebei aan vast.
| jouw nieuwe woord | uit welke stukken? | wat betekent het? |
|---|---|---|
Kies je beste woord en schrijf er een echte woordenboekingang bij: de betekenis in één zin, daarna twee voorbeeldzinnen waarin het woord gebruikt wordt.
Geef je woord aan een klasgenoot zonder uitleg. Wat gokte hij? Klopte dat?
Je weet al hoe je deelt. Maar waarom mag je bij deelbaarheid door 3 gewoon de cijfers optellen? Kijk mee met 4 725.
Doe hetzelfde met 5 832. Schrijf het getal in kolommen, splits elke kolomwaarde in negens plus één en laat zien welk stukje overblijft.
Test de truc nu op grote getallen. Reken eerst de cijfersom uit en beslis daarna pas.
| getal | cijfersom | deelbaar door 3? | deelbaar door 9? |
|---|---|---|---|
| 123 456 | |||
| 82 944 | |||
| 55 555 | |||
| 700 004 | |||
| 999 999 |
Werkt dezelfde redenering ook voor 9? Leg uit waarom wel.
Elke truc leunt op één feit over de kolomwaarden 10, 100 en 1 000.
Vul in en schrijf er telkens bij naar welk stuk van het getal je gekeken hebt. Reken niet het hele getal uit.
| getal | deelbaar door 4? | deelbaar door 8? | waarnaar keek je? |
|---|---|---|---|
| 7 316 | |||
| 51 900 | |||
| 9 238 | |||
| 12 344 |
Werkt de cijfersom ook voor 7? Zoek een getal waarvan de cijfersom wél deelbaar is door 7 terwijl het getal zelf dat niet is. Leg daarna uit waar de redenering vastloopt.
Schrijf zelf een regel voor deelbaarheid door 6. Test hem op drie getallen van minstens vier cijfers en noteer of hij standhield.
Honderd goede voorbeelden bewijzen niets. Eén tegenvoorbeeld beslist.
Een priemgetal kan je alleen delen door 1 en door zichzelf. Meer delers heeft het niet, minder ook niet.
Zeef het rooster. Streep 1 door. Streep dan alle veelvouden van 2 door behalve 2 zelf, daarna die van 3, dan die van 5, dan die van 7. De vier donkere vakjes blijven staan.
Hoeveel getallen bleven er staan? Waarom hoefde je na 7 niet verder te zeven met 11 of 13?
Een getal dat geen priemgetal is, kan je blijven splitsen tot er alleen priemgetallen overblijven.
Maak een factorboom voor 360. Splits telkens in twee getallen tot er alleen priemgetallen onderaan staan. Maak daarnaast een tweede boom die met twee andere getallen begint.
Ontbind elk getal in priemfactoren. Schrijf ze van klein naar groot.
| getal | priemfactoren |
|---|---|
| 84 | |
| 96 | |
| 210 | |
| 231 | |
| 169 |
Je twee bomen zagen er anders uit, maar onderaan stond hetzelfde. Waarom kan dat geen toeval zijn?
1Priemgetallen worden zeldzamer naarmate je verder telt. Onder de honderd zitten er vijfentwintig; tussen duizend en elfhonderd nog maar zestien. Toch raken ze nooit op. Dat wist een Griekse wiskundige al meer dan tweeduizend jaar geleden zeker. Er bestaat dus altijd een groter priemgetal dan het grootste dat je kent. Alleen: weten dat het bestaat is iets heel anders dan het vinden.
2Om te controleren of een enorm getal priem is, moet je heel veel delingen doen. Daarom zoeken jagers niet zomaar overal. Ze kiezen getallen met een vorm die zich makkelijk laat testen: 2 vermenigvuldigd met zichzelf, een heleboel keer achter elkaar, en dan één eraf. Zulke getallen zijn genoemd naar Marin Mersenne, een Franse monnik uit de zeventiende eeuw die er lijsten van bijhield.
3Die vorm belooft niets. Neem 2 elf keer met zichzelf vermenigvuldigd: dat is 2 048. Eén eraf geeft 2 047, en dat ziet er veelbelovend uit. Maar 2 047 is gewoon 23 x 89. De vorm maakt het testen makkelijker, niet het antwoord zekerder.
4Sinds 1996 werken duizenden vrijwilligers samen. Ze laten hun computer 's nachts aan één stuk van de zoektocht rekenen en sturen het resultaat door. Zo vond iemand eind 2024 een priemgetal met ruim 41 miljoen cijfers. Zou je dat uitschrijven met tien cijfers per centimeter, dan was die ene getalrij meer dan veertig kilometer lang.
5Waar is dat goed voor? Meestal voor niets meteen. Maar onderweg worden rekenmethodes en computers tot het uiterste getest, en dat gereedschap blijkt later vaak ergens anders wel nuttig. En soms is nieuwsgierigheid op zichzelf genoeg reden.
Waarom zoeken de jagers vooral naar getallen met die ene vorm, en niet naar willekeurige grote getallen?
Reken de eerste kandidaten zelf uit en controleer of ze priem zijn. Kolom twee: 2 net zo vaak met zichzelf vermenigvuldigen, dan één eraf.
| hoe vaak keer 2 | uitkomst min 1 | priemgetal? |
|---|---|---|
| 3 keer | ||
| 5 keer | ||
| 7 keer | ||
| 11 keer |
De tekst geeft 2 047 als voorbeeld. Wat bewijst dat voorbeeld precies, en wat bewijst het juist niet?
Stel je voor dat iemand beweert: dit zijn ze allemaal. Hier is de val waar hij in loopt.
Volg de redenering met kleine lijstjes. Vermenigvuldig, tel er één bij, en kijk of de uitkomst zelf priem is.
| de lijst | alles vermenigvuldigd | plus 1 | is dat priem? |
|---|---|---|---|
| 2 | 2 | 3 | |
| 2 - 3 | 6 | 7 | |
| 2 - 3 - 5 | 30 | ||
| 2 - 3 - 5 - 7 | |||
| 2 - 3 - 5 - 7 - 11 |
Neem nu de lijst 2 - 3 - 5 - 7 - 11 - 13. Het product is 30 030, plus één is 30 031. Dat is géén priemgetal: het is 59 x 509. Toch bewijst het precies hetzelfde. Leg uit waarom.
Schrijf de hele redenering in vijf zinnen op, zo dat iemand uit het vierde leerjaar ze begrijpt. Gebruik het woord oneindig niet.
Knip de twaalf kaarten uit. Schud ze en deel eerlijk: ieder zes, met de rug naar boven op een stapeltje.
Frans, Spaans en Italiaans zijn niet toevallig gelijkaardig: ze zijn alle drie uit het Latijn gegroeid, elk in een eigen richting.
Deze vijf woorden hadden in het Latijn allemaal de lettercombinatie ct in het midden. Kijk wat elke taal daarmee gedaan heeft en schrijf de drie uitkomsten onderaan de kolommen.
| Nederlands | Frans | Spaans | Italiaans |
|---|---|---|---|
| nacht | la nuit | la noche | la notte |
| melk | le lait | la leche | il latte |
| acht | huit | ocho | otto |
| dak | le toit | el techo | il tetto |
| feit | le fait | el hecho | il fatto |
Het Italiaanse woord voor bed is il letto. Voorspel hoe hetzelfde woord in het Frans en in het Spaans klinkt en schrijf erbij welke regel je gebruikt hebt.
Deze woorden horen bij de ándere familie. Zoek wat het Duits telkens doet waar het Nederlands en het Engels iets anders houden.
| Nederlands | Duits | Engels |
|---|---|---|
| ik | ich | I |
| maken | machen | make |
| water | Wasser | water |
| eten | essen | eat |
1In 1786 stond een Britse rechter in Calcutta voor een zaal toehoorders. Hij heette William Jones, hij sprak recht in India, en hij had in zijn vrije uren het Sanskriet geleerd: de oude taal van Indische heilige teksten. Wat hij die avond vertelde, ging niet over rechtspraak.
2Jones had gemerkt dat het Sanskriet woorden bevatte die verdacht veel op Latijn en Grieks leken. Vader was pitar, moeder was matar, drie was trayas. In het Latijn: pater, mater, tres. In het Grieks: pater, meter, treis. Talen die duizenden kilometers uit elkaar lagen, gebruikten dezelfde bouwstenen.
3Toeval kon dat niet zijn, zei Jones. Twee talen lenen best eens een woord van elkaar. Maar de woorden voor vader, voor moeder en voor de kleine getallen leen je niet, en zeker niet allemaal tegelijk en in dezelfde vorm. Er bleef één uitleg over: die talen stamden af van één oudere taal, die niemand ooit had opgeschreven.
4Na hem gingen anderen verder. Jacob Grimm, dezelfde man die met zijn broer sprookjes verzamelde, liet zien dat ook de verschillen regelmatig waren. Waar het Latijn een p had, hadden onze talen een v of een f: pater werd vader, piscis werd vis, pes werd voet. Geen toevallige uitzondering hier en daar, maar een regel die telkens opnieuw opging.
5Vandaag heet die familie Indo-Europees, en bijna de helft van alle mensen op aarde spreekt er een taal uit. Niet iedereen: het Fins, het Hongaars en het Ests horen er niet bij, en het Baskisch blijkt met geen enkele bekende taal ter wereld verwant.
Jones sluit toeval uit met één argument. Schrijf dat argument in je eigen woorden op.
Vul de vierde kolom aan. De drie eerste kolommen staan er al; jij kent de laatste.
| Latijn | Grieks | Sanskriet | Nederlands |
|---|---|---|---|
| pater | pater | pitar | |
| mater | meter | matar | |
| tres | treis | trayas | |
| septem | hepta | sapta |
Volgens Grimm werd een Latijnse p bij ons een v of een f. Het Latijnse plenus betekent vol en pellis betekent huid. Welke Nederlandse woorden verwacht je? Schrijf je gok op en zeg waarom je hem gelooft.
Tussen Frans, Spaans en Italiaans lopen vaste paadjes. Twee daarvan zijn zo betrouwbaar dat je ermee kan gokken.
Vul de lege vakjes in met de eerste regel. Eén rij verstopt de kleine extra regel uit het kader: welke?
| Frans | Spaans | Italiaans |
|---|---|---|
| la nation | la nación | la nazione |
| la station | la estación | |
| l'attention | l'attenzione | |
| l'information | ||
| la situation |
Nu de tweede regel. Vul aan wat ontbreekt.
| Frans | Spaans | Italiaans |
|---|---|---|
| la liberté | la libertad | la libertà |
| l'université | la universidad | |
| la qualité | la qualità | |
| la cité |
Het Franse la curiosité betekent nieuwsgierigheid. Voorspel het Spaanse en het Italiaanse woord. Schrijf erbij welke regel je gebruikte en hoe zeker je bent.
Je hoeft niet elk woord te kennen. Je hebt er genoeg nodig om de rest te kunnen raden.
Schrijf op wat elke zin betekent. Je mag gokken, maar schrijf hele Nederlandse zinnen op.
| zin | wat staat er? |
|---|---|
| (Spaans) El elefante es un animal muy grande. | |
| (Italiaans) La famiglia visita il museo nazionale. | |
| (Spaans) El doctor examina al paciente en el hospital. | |
| (Italiaans) Il professore studia la storia dell'Africa. | |
| (Spaans) La música moderna es muy popular en la radio. | |
| (Italiaans) Il telefono è sul tavolo in cucina. |
Welke woorden hielpen je het meest? En welk woord heb je puur uit de rest van de zin geraden?
Schrijf zelf een Nederlandse zin van tien woorden waarvan een Spaanse of Italiaanse lezer minstens de helft zou snappen. Zet eronder welke woorden dat zijn en waarom.
Vermenigvuldig twee priemgetallen en je krijgt één getal. Dat getal mag iedereen zien. Wie het wil gebruiken, moet de twee priemgetallen terugvinden.
Sluit vijf sloten. Reken uit en noteer hoeveel seconden je per som nodig had.
| priemgetallen | product | seconden |
|---|---|---|
| 13 x 17 | ||
| 11 x 23 | ||
| 19 x 19 | ||
| 7 x 31 | ||
| 29 x 3 |
Open nu drie sloten. Zoek de twee priemgetallen terug en klok jezelf opnieuw.
| product | welke twee priemgetallen? | seconden |
|---|---|---|
| 187 | ||
| 209 | ||
| 391 |
Vergelijk je tijden. Het gaat om dezelfde soort getallen. Waarom duurt de ene kant zoveel langer dan de andere?
Wie zomaar wat probeert, blijft bezig. Werk in deze volgorde en je weet altijd wanneer je klaar bent.
Ontbind elk getal in twee priemgetallen. Schrijf eerst op tot waar je moet zoeken, dan pas de ontbinding.
| getal | tot welk priemgetal zoeken? | = ... x ... |
|---|---|---|
| 143 | ||
| 221 | ||
| 247 | ||
| 253 | ||
| 323 | ||
| 437 |
Eén van deze drie is een priemgetal: 209, 211, 213. Welk? Bewijs het door op te schrijven wat je geprobeerd hebt en waar je mocht stoppen.
899 is het product van twee priemgetallen die vlak bij elkaar liggen. Zoek ze. Tip: 30 x 30 = 900.
Een bankslot gebruikt priemgetallen van meer dan honderd cijfers. Ontbinden zou miljarden jaren duren.
Spreek af dat A = 1, B = 2 tot en met Z = 26. Kies dan een geheim priemgetal en vermenigvuldig elke letterwaarde daarmee.
Kraak de strip. Zoek eerst de sleutel: welk getal past in alle zeven producten? Deel daarna en zoek de letters.
| product | gedeeld door de sleutel | letter |
|---|---|---|
| 209 | ||
| 132 | ||
| 55 | ||
| 231 | ||
| 220 | ||
| 55 | ||
| 132 |
55 is ook deelbaar door 5. Toch kan 5 de sleutel niet zijn. Leg uit waarom niet, en gebruik daarbij het grootste getal uit de strip.
Een woord wordt hier het product van zijn letters. Zes letters, zes priemgetallen.
Ontbind elk slotgetal en zoek het Nederlandse woord dat erin verstopt zit.
| slotgetal | priemfactoren | welk woord? |
|---|---|---|
| 70 | ||
| 105 | ||
| 165 | ||
| 182 | ||
| 260 |
Bij sommige slotgetallen kan je meer dan één Nederlands woord maken. Zoek er minstens twee en schrijf op wat dat zegt over wat een slotgetal wel en niet verraadt.
Bereken zelf het slotgetal van het woord KANS. Laat een klasgenoot het terugzoeken zonder dat je het woord zegt.
Je hebt er deze week drie gezien. Kies er één, of bedenk een vierde die op dezelfde gedachte steunt.
Ontwerp je slot. Teken hier je sleutel, je afspraken en je boodschap. Reken alles twee keer na voor je het weggeeft.
Schrijf de handleiding die je meegeeft. Verraad wel hoe het slot werkt, maar nergens de sleutel zelf. Dat is precies de kunst.
Laat een klasgenoot je slot openen en noteer wat er gebeurde.
| wat je opviel | wat je zou veranderen |
|---|---|