Langere, gerichte bundels rond één vak. Te gebruiken los van de weekbundels: als een leerling op dit vak vooruit loopt, kan je hier meteen een volledig pakket uit nemen.
Je hoort bijna hetzelfde, maar je schrijft het anders. De regel zelf afleiden, de instinkers opsporen en toepassen op onbekende woorden.
| kolom A | kolom B |
|---|---|
| grappig | vriendelijk |
| moedig | moeilijk |
| voorzichtig | natuurlijk |
| gelukkig | duidelijk |
| rustig | gevaarlijk |
| nieuwsgierig | eerlijk |
Lees de twaalf woorden hardop en luister naar het laatste stukje. Welke klinker hoor je daar? Hoe schrijf je die in kolom A, en hoe in kolom B?
Er is wel iets dat je kan horen. Spreek grappig en moeilijk vlak na elkaar uit en luister naar de allerlaatste klank. Welk verschil hoor je?
Schrijf nu zelf de regel op waarmee je beslist of je -ig of -lijk schrijft. Hooguit twee zinnen.
Test je regel. Vul het achtervoegsel aan: pracht , hache , vur , aanneme .
Je regel werkt, maar er zijn woorden die zich voordoen als iets anders. Twee soorten moet je kennen.
Onderzoek elk woord. Spreek het eerst hardop uit.
| woord | doffe uh of echte ij? | -ig, -lijk of geen achtervoegsel? |
|---|---|---|
| gezellig | ||
| lelijk | ||
| geldig | ||
| gelijk | ||
| vrolijk | ||
| praktijk |
Vul alleen de klinker aan: gezellg , moeilk , heilg , natuurlk , geldg , vriendelk .
Waarom helpt de k-klank je niet bij gelijk? Leg uit met je eigen woorden.
Plak -ig of -lijk achter een woord en je krijgt een woord dat zegt hoe iets is. Soms schuift er een letter tussen.
Maak van elk grondwoord een woord op -ig of -lijk. Zet een sterretje bij de woorden waar een letter tussen schuift.
| grondwoord | nieuw woord |
|---|---|
| moed | |
| vriend | |
| gevaar | |
| geduld | |
| natuur | |
| wind |
Deze woorden ken je misschien niet. Spreek ze hardop uit en maak ze af: zorgvuld , hache , kleurr , eigenaard .
Een van die vier is een valstrik en heeft helemaal geen achtervoegsel. Welke, en hoe hoor je dat?
Een woord op -ig of -lijk blijft hetzelfde als je er -e achter zet. Je hoort dan wel twee doffe klanken na elkaar, maar je schrijft er niets extra bij.
In de tekst hieronder staan precies zes woorden fout. Ze gaan allemaal over -ig en -lijk.
Op woensdag is het altijd gezellijk in de bibliotheek. De man achter de balie is heel vriendelijk, maar hij praat niet duidelik. Hij wijst naar een rek waar volgens hem een prachtich boek over vulkanen staat.
Ik vond het niet. Zoeken tussen tweeduizend boeken is moeilik als je niet weet hoe de kasten werken. Gelukkich legde een meisje van het zesde het systeem uit. Daarna ging het vlot, en ik stapte vrolik naar buiten met drie boeken onder mijn arm.
Zoek de zes foute woorden en verbeter ze.
| zoals het er staat | juist | hoe weet je dat? |
|---|---|---|
Een van de zes fouten is de instinker: je hoort er wel een l, en toch schrijf je -ig. Welke is het? Zoek er ook het woord bij dat erop lijkt maar wel juist staat.
Vijf woordgroepen die bijna hetzelfde klinken. Sorteren, de groepen zelf benoemen en toepassen in een eigen tekst.
Spreek bodem, monnik, hindernis, avond en motor uit en luister alleen naar het einde. Je hoort telkens een vage, doffe klank, en niet welke letters er staan.
Verdeel de achttien woorden over de vijf kolommen. Schrijf boven elke kolom zelf het stukje dat je er telkens achter schrijft.
| -... | -... | -... | -... | -... |
|---|---|---|---|---|
Eén kolom blijft bijna leeg. Welke is dat? Zoek er zelf nog woorden bij en schrijf op wat je opvalt aan de woorden die je vindt.
Lees de woorden van één volle kolom hardop na elkaar. Verandert er iets aan de klank als je van kolom wisselt? Schrijf op wat dat betekent voor wie deze woorden wil leren.
Bij hond helpt verlengen: honden verraadt de d. Bij deze vijf groepen werkt die proef maar bij een deel van de woorden. Jij zoekt uit bij welke.
Maak elk woord langer en luister opnieuw naar het einde.
| woord | langer gemaakt | hoor je nu meer dan eerst? |
|---|---|---|
| bodem | ||
| motor | ||
| avond | ||
| monnik | ||
| hindernis |
Bij twee groepen helpt verlengen wel degelijk. Welke twee, en wat hoor je er precies bij? Schrijf de proef op als een regel die ook werkt bij een woord dat hier niet staat.
Deze vijf woorden horen in geen van de vijf groepen thuis, hoewel ze op dezelfde letters eindigen. Leg per woord uit waarom niet. Spreek ze eerst hardop uit.
| woord | waarom hoort het er niet bij? |
|---|---|
| de tor | |
| de grond | |
| het gemis | |
| de prik | |
| de stem |
Een los stukje kan je niet kiezen. Lees telkens de hele zin, bepaal welk woord er moet staan en zet het pas dan in de juiste groep.
Elke zaterdagav rijdt mijn oom met zijn oude trekker naar het veld achter de kerk. De mot maakt meer lawaai dan de rest van de tract samen. Op de bod van de aanhangwagen ligt altijd een bez, want er waait van alles in.
Vorige week zat er een hav op de paal aan de ingang. Hij keek naar ons alsof wij de hindern waren, en niet omgekeerd. Mijn oom zette de mot af. Pas toen hoorde ik zijn ad en de wind.
Vul de negen stukjes aan in de tekst hierboven.
Schrijf de negen ingevulde woorden op en zet er telkens bij tot welke groep ze horen. Eén woord komt twee keer voor: schrijf het maar één keer op.
Schrijf nu zelf een stukje van minstens zes zinnen over een plaats die jij goed kent. Gebruik er minstens zeven woorden in uit de vijf groepen, en onderstreep ze. Je mag woorden van blad 7 gebruiken, maar minstens twee moet je zelf bedenken.
De persoonsvorm opsporen door de tijd te veranderen, het onderwerp erbij zoeken, en hem onderscheiden van andere werkwoordsvormen in dezelfde zin.
Zoek eerst de persoonsvorm: zet de zin in een andere tijd, en het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Zet daarna wie of wat ervoor. Pas dan weet je wat je schrijft.
Zoek per zin eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, en kies pas daarna.
| zin | persoonsvorm | onderwerp | juiste vorm |
|---|---|---|---|
| 1. Elke ochtend (word / wordt) de gang gedweild. | |||
| 2. Jij (vind / vindt) die sleutel vast in de la. | |||
| 3. (Vind / Vindt) jij dat zelf ook zo raar? | |||
| 4. De kinderen van de derde klas (wacht / wachten) buiten. | |||
| 5. In de kast (ligt / liggen) drie dozen krijt. | |||
| 6. Naast de deur (hangt / hangen) een lijst met namen. | |||
| 7. Ik (antwoord / antwoordt) veel te snel. | |||
| 8. De juf en de conciërge (zet / zetten) de stoelen terug. |
Zin 2 en zin 3 hebben hetzelfde werkwoord en hetzelfde onderwerp, en toch schrijf je ze anders. Leg uit wat het verschil maakt.
Veel fouten komen doordat je het dichtstbijzijnde woord pakt. Zet altijd echt wie of wat voor de persoonsvorm en luister naar je antwoord.
Vul de tabel in. Schrijf het onderwerp voluit, met alle woorden die erbij horen.
| zin | persoonsvorm | onderwerp |
|---|---|---|
| 1. Achter de hoge kasten in de gang (staat / staan) nog een oude bank. | ||
| 2. Naast de trap (hangt / hangen) twee grote foto's. | ||
| 3. Volgens de meester, die alles weet, (klopt / kloppen) die uitleg niet. | ||
| 4. In de doos onder de bank (zit / zitten) de blokjes van vorig jaar. | ||
| 5. Op het bord (staat / staan) het stappenplan van vandaag. | ||
| 6. Aan de rand van de speelplaats (groeit / groeien) drie jonge bomen. |
In vijf van deze zes zinnen staat vlak voor de persoonsvorm een woord dat níét het onderwerp is. Kies er twee en schrijf op welke fout je zou maken als je dat woord wel koos.
Schrijf zelf twee zinnen waarin het onderwerp achteraan staat: één met een enkelvoudig onderwerp en één met een meervoudig onderwerp. Onderstreep in allebei de persoonsvorm.
Van dozen krijt, foto's en bomen kan je er meer dan één hebben. Kijk dus niet naar het laatste woord van het onderwerp, maar naar het hele onderwerp samen.
Zet de hele zin in een andere tijd. Eén werkwoord verandert; dat is de persoonsvorm. De andere blijven staan zoals ze stonden.
Onderstreep in je hoofd alle werkwoorden en vul daarna de tabel in.
| zin | persoonsvorm | de andere werkwoordsvormen |
|---|---|---|
| 1. Nour wil de kaartjes eerst zelf uitknippen en sorteren. | ||
| 2. Het plan is gisteren door de hele klas gelezen. | ||
| 3. Morgen gaan we het rooster nog een keer proberen. | ||
| 4. Heb jij de lijm al teruggezet in de kast? | ||
| 5. Zonder die kier zou de brug zichzelf kapotduwen. |
Kies drie zinnen en schrijf ze op in een andere tijd.
Zin 4 is een vraagzin. Wat gebeurt er met de t van de persoonsvorm, en waarom?
Doe de tijdproef op: Wie de stappen omdraait, krijgt een ander resultaat. Je vindt er twee, want er zitten twee zinnen in, met een komma ertussen.
Een zin klopt niet omdat hij goed klinkt, maar omdat je kan aanwijzen wat de persoonsvorm is en wie of wat het onderwerp is.
Maak vijf zinnen, één per bestelling.
| de bestelling | jouw zin |
|---|---|
| A. een vraagzin die begint met de persoonsvorm, met jij als onderwerp | |
| B. een zin met drie werkwoorden en maar één persoonsvorm | |
| C. een zin die geen vraag is en waarin het onderwerp achter de persoonsvorm staat | |
| D. een zin met jij waarin de persoonsvorm géén t krijgt | |
| E. een zin met een meervoudig onderwerp dat niet vooraan staat |
Lever je bewijs: onderstreep in elke zin de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.
Ruil met iemand anders en controleer zijn vijf zinnen. Welke bestelling ging het vaakst mis, en wat was de fout?
Bestelling D is een instinker. Leg uit waarom de persoonsvorm daar geen t krijgt, en geef er een tweede voorbeeld van.