← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Spelling

Verdieping spelling

Langere, gerichte bundels rond één vak. Te gebruiken los van de weekbundels: als een leerling op dit vak vooruit loopt, kan je hier meteen een volledig pakket uit nemen.

De doffe klank: -ig of -lijk

4 blz.

Je hoort bijna hetzelfde, maar je schrijft het anders. De regel zelf afleiden, de instinkers opsporen en toepassen op onbekende woorden.

Deze bundel apart printen
Spelling · zelf de regel vinden

Je hoort hetzelfde, je schrijft iets anders

Twaalf woorden, twee kolommen, en een regel die jij zelf moet opschrijven.
1
Wat leer je hier
  • Je ontdekt zelf waarom -ig en -lijk anders geschreven worden dan ze klinken.
  • Je schrijft een regel op die ook werkt bij woorden die niet op dit blad staan.
kolom Akolom B
grappigvriendelijk
moedigmoeilijk
voorzichtignatuurlijk
gelukkigduidelijk
rustiggevaarlijk
nieuwsgierigeerlijk
1

Lees de twaalf woorden hardop en luister naar het laatste stukje. Welke klinker hoor je daar? Hoe schrijf je die in kolom A, en hoe in kolom B?

2

Er is wel iets dat je kan horen. Spreek grappig en moeilijk vlak na elkaar uit en luister naar de allerlaatste klank. Welk verschil hoor je?

3

Schrijf nu zelf de regel op waarmee je beslist of je -ig of -lijk schrijft. Hooguit twee zinnen.

4

Test je regel. Vul het achtervoegsel aan: pracht , hache , vur , aanneme .

Spelling naam
Spelling · valstrikken

Gezellig heeft een l en toch geen ij

Twee soorten woorden waarop je regel bijna onderuitgaat.
2
Twee valstrikken

Je regel werkt, maar er zijn woorden die zich voordoen als iets anders. Twee soorten moet je kennen.

  • Valstrik 1: er zit wel een l in het woord, maar die hoort bij het grondwoord, niet bij het achtervoegsel. Denk aan gezellig, van gezel.
  • Valstrik 2: het woord eindigt op -ijk, maar je hoort daar geen doffe uh. Je hoort een echte ij. Dan is -lijk geen achtervoegsel: rijk, wijk.
  • De test die altijd werkt: hoor je op het einde een doffe uh? Alleen dan gaat het over -ig of -lijk.
1

Onderzoek elk woord. Spreek het eerst hardop uit.

woorddoffe uh of echte ij?-ig, -lijk of geen achtervoegsel?
gezellig
lelijk
geldig
gelijk
vrolijk
praktijk
2

Vul alleen de klinker aan: gezellg , moeilk , heilg , natuurlk , geldg , vriendelk .

3

Waarom helpt de k-klank je niet bij gelijk? Leg uit met je eigen woorden.

Spelling naam
Spelling · zelf woorden maken

Van grondwoord naar achtervoegsel

En wat er gebeurt als je er nog een -e achter plakt.
3
Een achtervoegsel maakt van een woord een ander woord

Plak -ig of -lijk achter een woord en je krijgt een woord dat zegt hoe iets is. Soms schuift er een letter tussen.

  • Van moed naar moedig gaat rechtstreeks. Van vriend naar vriendelijk komt er een e tussen.
  • Zet je er nog -e achter, dan verandert de rest niet: grappig wordt grappige, moeilijk wordt moeilijke.
1

Maak van elk grondwoord een woord op -ig of -lijk. Zet een sterretje bij de woorden waar een letter tussen schuift.

grondwoordnieuw woord
moed
vriend
gevaar
geduld
natuur
wind
2

Deze woorden ken je misschien niet. Spreek ze hardop uit en maak ze af: zorgvuld , hache , kleurr , eigenaard .

3

Een van die vier is een valstrik en heeft helemaal geen achtervoegsel. Welke, en hoe hoor je dat?

Let op

Een woord op -ig of -lijk blijft hetzelfde als je er -e achter zet. Je hoort dan wel twee doffe klanken na elkaar, maar je schrijft er niets extra bij.

Spelling naam
Spelling · keuringsdienst

Zes fouten, en eentje is een instinker

Jij bent vandaag de nakijker.
4
Zo kijk je na

In de tekst hieronder staan precies zes woorden fout. Ze gaan allemaal over -ig en -lijk.

  • Lees eerst hardop. Fouten in die klanken hoor je sneller dan je ze ziet.
  • Er staat ook minstens een woord dat fout lijkt maar juist is. Laat dat staan.
  • Vul eerst de tabel in. Pas daarna mag je in de tekst zelf verbeteren.

Woensdag in de bibliotheek

Op woensdag is het altijd gezellijk in de bibliotheek. De man achter de balie is heel vriendelijk, maar hij praat niet duidelik. Hij wijst naar een rek waar volgens hem een prachtich boek over vulkanen staat.

Ik vond het niet. Zoeken tussen tweeduizend boeken is moeilik als je niet weet hoe de kasten werken. Gelukkich legde een meisje van het zesde het systeem uit. Daarna ging het vlot, en ik stapte vrolik naar buiten met drie boeken onder mijn arm.

1

Zoek de zes foute woorden en verbeter ze.

zoals het er staatjuisthoe weet je dat?
2

Een van de zes fouten is de instinker: je hoort er wel een l, en toch schrijf je -ig. Welke is het? Zoek er ook het woord bij dat erop lijkt maar wel juist staat.

Spelling naam

Woorden op -em, -ik, -is, -ond en -or

3 blz.

Vijf woordgroepen die bijna hetzelfde klinken. Sorteren, de groepen zelf benoemen en toepassen in een eigen tekst.

Deze bundel apart printen
Spelling · sorteren en benoemen

Vijf staarten, bijna één klank

Achttien woorden die op het einde bijna hetzelfde klinken en toch vijf keer anders geschreven worden.
1
De klank die niets verraadt

Spreek bodem, monnik, hindernis, avond en motor uit en luister alleen naar het einde. Je hoort telkens een vage, doffe klank, en niet welke letters er staan.

  • In zo'n laatste lettergreep ligt de klemtoon nooit. Je mond slikt de klinker half in.
  • Er bestaan vijf vaste groepen: -em, -ik, -is, -ond en -or. Welke het is, hoor je niet.
  • Groeperen helpt wel. Wie de groepen kent, hoeft veel minder los te onthouden.
bodemmonnikhindernisavondmotorbezemhavikvonnistractorbliksemperzikvuilnisgisteravondprofessorademleeuwerikkennismonitor
1

Verdeel de achttien woorden over de vijf kolommen. Schrijf boven elke kolom zelf het stukje dat je er telkens achter schrijft.

-...-...-...-...-...
2

Eén kolom blijft bijna leeg. Welke is dat? Zoek er zelf nog woorden bij en schrijf op wat je opvalt aan de woorden die je vindt.

3

Lees de woorden van één volle kolom hardop na elkaar. Verandert er iets aan de klank als je van kolom wisselt? Schrijf op wat dat betekent voor wie deze woorden wil leren.

Spelling naam
Spelling · onderzoeken

Waar verlengen wél helpt

Bij twee van de vijf groepen verraadt een langer woord het antwoord.
2
Een woord langer maken is een proef

Bij hond helpt verlengen: honden verraadt de d. Bij deze vijf groepen werkt die proef maar bij een deel van de woorden. Jij zoekt uit bij welke.

  • Maak van elk woord het meervoud en luister naar de lettergreep die eerst dof klonk.
  • Verandert er niets aan die klank, dan is verlengen nutteloos en moet je het woord kennen.
  • Hoor je plots wél een duidelijke klank of letter, dan heb je een proef in handen.
1

Maak elk woord langer en luister opnieuw naar het einde.

woordlanger gemaakthoor je nu meer dan eerst?
bodem
motor
avond
monnik
hindernis
2

Bij twee groepen helpt verlengen wel degelijk. Welke twee, en wat hoor je er precies bij? Schrijf de proef op als een regel die ook werkt bij een woord dat hier niet staat.

3

Deze vijf woorden horen in geen van de vijf groepen thuis, hoewel ze op dezelfde letters eindigen. Leg per woord uit waarom niet. Spreek ze eerst hardop uit.

woordwaarom hoort het er niet bij?
de tor
de grond
het gemis
de prik
de stem
Spelling naam
Spelling · toepassen

De trekker van mijn oom

Negen stukjes zijn uit de tekst gevallen. Zet ze terug.
3
Lees eerst de hele zin

Een los stukje kan je niet kiezen. Lees telkens de hele zin, bepaal welk woord er moet staan en zet het pas dan in de juiste groep.

Zaterdag op het veld

Elke zaterdagav rijdt mijn oom met zijn oude trekker naar het veld achter de kerk. De mot maakt meer lawaai dan de rest van de tract samen. Op de bod van de aanhangwagen ligt altijd een bez, want er waait van alles in.

Vorige week zat er een hav op de paal aan de ingang. Hij keek naar ons alsof wij de hindern waren, en niet omgekeerd. Mijn oom zette de mot af. Pas toen hoorde ik zijn ad en de wind.

1

Vul de negen stukjes aan in de tekst hierboven.

2

Schrijf de negen ingevulde woorden op en zet er telkens bij tot welke groep ze horen. Eén woord komt twee keer voor: schrijf het maar één keer op.

3

Schrijf nu zelf een stukje van minstens zes zinnen over een plaats die jij goed kent. Gebruik er minstens zeven woorden in uit de vijf groepen, en onderstreep ze. Je mag woorden van blad 7 gebruiken, maar minstens twee moet je zelf bedenken.

Spelling naam

De persoonsvorm en het onderwerp vinden

4 blz.

De persoonsvorm opsporen door de tijd te veranderen, het onderwerp erbij zoeken, en hem onderscheiden van andere werkwoordsvormen in dezelfde zin.

Deze bundel apart printen
Spelling · werkwoorden

Eerst zoeken, dan pas schrijven

Je schrijft een werkwoord pas juist als je weet wie het doet.
1
Wat leer je hier
  • Je zoekt de persoonsvorm met de tijdproef en het onderwerp met wie of wat.
  • Je gebruikt dat om te beslissen of er een t bij moet of niet.
Van onderwerp naar letter

Zoek eerst de persoonsvorm: zet de zin in een andere tijd, en het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Zet daarna wie of wat ervoor. Pas dan weet je wat je schrijft.

  • Hoort de persoonsvorm bij ik, dan schrijf je alleen de stam: ik antwoord.
  • Hoort hij bij jij, hij, zij of het, dan komt er een t bij: jij vindt, zij wordt.
  • Staat jij achter de persoonsvorm, dan valt die t weg: vind jij, word jij.
  • Is het onderwerp meervoud, dan schrijf je het hele werkwoord: de kinderen wachten.
1

Zoek per zin eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, en kies pas daarna.

zinpersoonsvormonderwerpjuiste vorm
1. Elke ochtend (word / wordt) de gang gedweild.
2. Jij (vind / vindt) die sleutel vast in de la.
3. (Vind / Vindt) jij dat zelf ook zo raar?
4. De kinderen van de derde klas (wacht / wachten) buiten.
5. In de kast (ligt / liggen) drie dozen krijt.
6. Naast de deur (hangt / hangen) een lijst met namen.
7. Ik (antwoord / antwoordt) veel te snel.
8. De juf en de conciërge (zet / zetten) de stoelen terug.
2

Zin 2 en zin 3 hebben hetzelfde werkwoord en hetzelfde onderwerp, en toch schrijf je ze anders. Leg uit wat het verschil maakt.

Spelling naam
Spelling · het onderwerp zoeken

Het onderwerp staat niet altijd vooraan

Het woord vlak voor de persoonsvorm is meestal een valstrik.
2
Kijk niet naar de plaats, stel de vraag

Veel fouten komen doordat je het dichtstbijzijnde woord pakt. Zet altijd echt wie of wat voor de persoonsvorm en luister naar je antwoord.

  • Begint de zin met een plaats of een tijd, dan komt het onderwerp daarna.
  • Een tussenstukje met komma's mag je even wegdenken; het onderwerp staat er niet in.
  • Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan: drie jonge bomen is één onderwerp.
1

Vul de tabel in. Schrijf het onderwerp voluit, met alle woorden die erbij horen.

zinpersoonsvormonderwerp
1. Achter de hoge kasten in de gang (staat / staan) nog een oude bank.
2. Naast de trap (hangt / hangen) twee grote foto's.
3. Volgens de meester, die alles weet, (klopt / kloppen) die uitleg niet.
4. In de doos onder de bank (zit / zitten) de blokjes van vorig jaar.
5. Op het bord (staat / staan) het stappenplan van vandaag.
6. Aan de rand van de speelplaats (groeit / groeien) drie jonge bomen.
2

In vijf van deze zes zinnen staat vlak voor de persoonsvorm een woord dat níét het onderwerp is. Kies er twee en schrijf op welke fout je zou maken als je dat woord wel koos.

3

Schrijf zelf twee zinnen waarin het onderwerp achteraan staat: één met een enkelvoudig onderwerp en één met een meervoudig onderwerp. Onderstreep in allebei de persoonsvorm.

Let op

Van dozen krijt, foto's en bomen kan je er meer dan één hebben. Kijk dus niet naar het laatste woord van het onderwerp, maar naar het hele onderwerp samen.

Spelling naam
Spelling · één uit drie

Welke van de drie is de persoonsvorm?

In veel zinnen staan twee of drie werkwoorden. Maar één ervan verandert mee met de tijd.
3
De tijdproef wijst er precies één aan

Zet de hele zin in een andere tijd. Eén werkwoord verandert; dat is de persoonsvorm. De andere blijven staan zoals ze stonden.

  • Een heel werkwoord eindigt meestal op -en en verandert niet mee: trekken, proberen.
  • Een voltooid deelwoord begint vaak met ge- en verandert ook niet mee: gelezen, teruggezet.
  • Hulpwerkwoorden zoals is, heb, kan, wil, gaan en zou zijn heel vaak de persoonsvorm.
1

Onderstreep in je hoofd alle werkwoorden en vul daarna de tabel in.

zinpersoonsvormde andere werkwoordsvormen
1. Nour wil de kaartjes eerst zelf uitknippen en sorteren.
2. Het plan is gisteren door de hele klas gelezen.
3. Morgen gaan we het rooster nog een keer proberen.
4. Heb jij de lijm al teruggezet in de kast?
5. Zonder die kier zou de brug zichzelf kapotduwen.
2

Kies drie zinnen en schrijf ze op in een andere tijd.

3

Zin 4 is een vraagzin. Wat gebeurt er met de t van de persoonsvorm, en waarom?

Eén zin, twee persoonsvormen

Doe de tijdproef op: Wie de stappen omdraait, krijgt een ander resultaat. Je vindt er twee, want er zitten twee zinnen in, met een komma ertussen.

Spelling naam
Spelling · zelf bouwen

De zinnenfabriek

Vijf bestellingen. Jij levert de zinnen en het bewijs erbij.
4
Bewijs is geen gevoel

Een zin klopt niet omdat hij goed klinkt, maar omdat je kan aanwijzen wat de persoonsvorm is en wie of wat het onderwerp is.

  • Onderstreep de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.
  • Doe bij elke zin de tijdproef; lukt die niet, dan zit je fout.
  • Tel je werkwoorden. Meer dan één mag, meer dan één persoonsvorm niet.
1

Maak vijf zinnen, één per bestelling.

de bestellingjouw zin
A. een vraagzin die begint met de persoonsvorm, met jij als onderwerp
B. een zin met drie werkwoorden en maar één persoonsvorm
C. een zin die geen vraag is en waarin het onderwerp achter de persoonsvorm staat
D. een zin met jij waarin de persoonsvorm géén t krijgt
E. een zin met een meervoudig onderwerp dat niet vooraan staat
2

Lever je bewijs: onderstreep in elke zin de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.

3

Ruil met iemand anders en controleer zijn vijf zinnen. Welke bestelling ging het vaakst mis, en wat was de fout?

4

Bestelling D is een instinker. Leg uit waarom de persoonsvorm daar geen t krijgt, en geef er een tweede voorbeeld van.

Spelling naam