Deze week draait alles om systemen die je pas ziet als je goed kijkt: de kolommen achter een groot getal, de regel achter een woord, de betekenis achter een Frans woord dat je nog nooit gezien hebt. Je leest twee teksten, je schrijft er zelf drie, en je kraakt een boodschap die pas leesbaar wordt als je het tweetallig stelsel doorhebt.
Verdiepingsmateriaal bij de leerstof van week 1. Elk blad is een volwaardige A4 waar een leerling 15 tot 25 minuten zelfstandig mee vooruit kan, terwijl de rest van de klas aan de gewone leerlijn werkt. De bladen zijn per vak geordend en binnen elk vak opgebouwd: eerst binnenkomen, dan uitdiepen, dan zelf produceren.
1Nadia fietst elke ochtend dezelfde weg naar school: door de Lindestraat, over de brug, langs de bakker en dan rechtdoor. Elf minuten. Ze weet dat precies, want ze telt elke dag mee. Vandaag moet ze op tijd zijn, want om kwart voor negen begint de toets wiskunde.
2Maar aan de brug staat het rode licht te knipperen. De brug is open. Een lange boot schuift er traag doorheen en achter Nadia stopt de ene fietser na de andere. Ze rekent snel: wachten duurt misschien vijf minuten, omrijden langs de sluis kost er acht. Ze draait om.
3Halverwege de Vaartkaai ziet ze de bakfiets. Hij ligt op zijn kant en overal op straat liggen kranten. Een man met een gipsen pols probeert ze met één hand bij elkaar te rapen. Auto's rijden er in een boog omheen. Niemand stopt.
4Nadia remt. Ze denkt aan de toets, aan de juf die zegt dat te laat komen geen excuus is, aan de blik van de klas als ze binnenkomt. Dan zet ze haar fiets tegen een paal en begint kranten te stapelen. Het duurt langer dan ze dacht, want de wind helpt niet mee.
5Om drie minuten over negen staat ze hijgend in de klasdeur. De toets is al begonnen. Nadia, zegt de juf zonder op te kijken, jij en ik praten straks even. Nadia gaat zitten. Ze weet niet of ze iets moet uitleggen, en ze weet ook niet of ze spijt heeft.
Nadia neemt in dit verhaal twee keer een beslissing. Schrijf ze allebei op en zet er telkens bij hoeveel tijd die beslissing haar kost.
De laatste zin zegt dat Nadia niet weet of ze spijt heeft. Wat denk jij? Kies, en schrijf erbij welke zin uit de tekst jou dat doet denken.
Over de man met de bakfiets staat maar heel weinig in de tekst. Toch weet je dingen over hem. Noteer er drie, en zet erachter waaruit je dat afleidt.
Wie alles navertelt, vat niets samen. Een goede samenvatting laat alles weg wat je niet nodig hebt om het einde te begrijpen.
Vat het verhaal van blad 1 samen in precies vijf zinnen. Eén zin per stap.
Had Nadia moeten stoppen bij de bakfiets? Vul de tabel in. Zoek eerst twee argumenten voor jouw mening, en daarna één argument van iemand die er anders over denkt.
| jouw argument | waaruit in de tekst blijkt dat? |
|---|---|
In een klasgesprek zegt iemand: onzin, ze had gewoon moeten doorrijden. Schrijf op wat jij antwoordt zonder die persoon af te vallen. Begin met: ik snap dat je...
Wie meteen ja maar zegt, heeft nog niet geluisterd. Herhaal eerst in je eigen woorden wat de ander bedoelde. Pas daarna komt jouw argument.
1Boven de daken van een stad hoor je in juni een scherpe gil. Het zijn gierzwaluwen: sikkelvormige vogels, zwartbruin, die in groepjes rondscheren. Ze lijken op zwaluwen, maar ze zijn geen familie. Hun wetenschappelijke naam is Apus apus, en die komt van een oud woord dat zonder voeten betekent.
2Die naam klopt natuurlijk niet helemaal. Gierzwaluwen hebben wel pootjes, maar heel kleine. Ze gebruiken die bijna alleen om zich vast te klampen aan een ruwe muur of aan de rand van een dakpan. Wandelen doen ze niet. Alles wat andere vogels op een tak doen, doet een gierzwaluw in de lucht.
3Onderzoekers hebben dat gemeten. Ze plakten minuscule meetapparaatjes op de rug van enkele vogels en haalden die een jaar later weer op. Uit de gegevens bleek dat sommige gierzwaluwen tot ongeveer tien maanden aan één stuk in de lucht bleven, zonder ook maar één keer neer te strijken.
4Eten doen ze onderweg: ze happen kleine insecten en spinnetjes die met de warme lucht mee omhoog zweven. Drinken doen ze door laag over een vijver te scheren en een slok mee te pikken. En slapen? Bij valavond klimmen ze tot hoog in de lucht. Onderzoekers vermoeden dat ze daar in korte dutjes zweven, maar helemaal zeker weten ze dat nog niet.
5Alleen om te broeden komt de gierzwaluw naar beneden. Onder een dakpan of in een spleet legt het vrouwtje haar eieren. Een paar weken later vertrekt het jong, en dat jong voelt pas na twee of drie jaar opnieuw iets vasts onder zich.
Zoek in de tekst één zin die een feit geeft en één zin waarin de schrijver iets vermoedt. Schrijf ze over en onderstreep het woord dat het verschil maakt.
Beantwoord deze vragen met de tekst erbij. Schrijf geen hele zin, maar wel genoeg dat iemand anders het snapt.
| vraag | antwoord uit de tekst |
|---|---|
| Hoe drinkt een gierzwaluw? | |
| Waarom wandelt hij niet? | |
| Hoe weten onderzoekers hoe lang hij vliegt? |
Nergens staat dat de schrijver deze vogel bijzonder vindt. Toch merk je het. Aan welke woordkeuzes zie je dat?
Bedenk drie vragen die deze tekst niet beantwoordt en die jij wel zou willen weten. Zet achter elke vraag hoe je het antwoord zou kunnen zoeken.
Iemand die schrijft ik ben behulpzaam, heeft nog niets bewezen. Iemand die schrijft ik loop altijd als laatste de klas uit omdat ik de stoelen recht zet, heeft het al gezegd zonder het woord te gebruiken.
Kies drie eigenschappen uit de woordbank die bij jou passen. Schrijf er telkens bij waaraan iemand anders dat zou kunnen merken.
| eigenschap | waaraan merkt iemand dat? |
|---|---|
Schrijf nu je kaart. Acht regels lang. In elke regel doe je iets of denk je iets. Je mag het woord ik gebruiken, maar noem nooit een eigenschap bij naam.
Schrijf helemaal onderaan één zin die pas klopt als je klasgenoot goed gelezen heeft. Bijvoorbeeld: ik ben degene die altijd te ver doorloopt.
Een dichter schrijft bijna nooit ik ben verdrietig. Het gevoel zit in wat hij wel kiest: een detail, een woord dat meer draagt dan het lijkt, en soms in wat hij juist weglaat.
De dozen staan te wachten in de gang,
mijn kamer klinkt ineens te groot.
Ik roep een keer, voor het laatst,
en hoor mijn eigen stem terug.
Op de muur staat een lichter vierkant
waar mijn kalender hing.
De verf eromheen is donkerder geworden
in de vier jaar dat ik hier woonde.
Mama zegt: het is maar veertien kilometer.
Ik reken het na op mijn vingers.
Ik kijk nog een keer naar het vierkant.
Kies drie woorden of regels uit het gedicht en schrijf erbij welk gevoel ze bij jou oproepen. Kies niet de makkelijkste.
| woord of regel uit het gedicht | welk gevoel roept dat op? |
|---|---|
Het gedicht eindigt bij de vlek op de muur en niet bij wat mama zegt. Waarom heeft de dichter dat zo gedaan? Wat zou er veranderen als de volgorde omgedraaid was?
Dichters gebruiken heel vaak één klein voorwerp om een groot gevoel te dragen. Hier is dat een stuk verf. In andere gedichten is het een sleutel, een schoen of een lege stoel.
Een verhaal kan kloppen zonder dat het gebeurd is. Een tekst kan gebeurd zijn en toch niets voelen. Fictie is verzonnen, non-fictie gaat over wat echt bestaat.
Zet bij elk fragment of het uit fictie of uit non-fictie komt, en schrijf erbij waaraan je dat ziet.
| fragment | fictie of non-fictie? | waaraan zie je dat? |
|---|---|---|
| Zijn handen trilden toen hij de deur opendeed. | ||
| De gierzwaluw broedt van mei tot augustus. | ||
| Later dacht ze: ik had gewoon moeten doorrijden. | ||
| Die ochtend viel er twaalf millimeter regen. | ||
| Onderzoekers volgden veertien vogels een jaar lang. |
Kies een gewone gebeurtenis van vandaag: de bel ging, iemand liet iets vallen, de rij aan de kraan. Schrijf ze eerst als fictie. Kruip in het hoofd van iemand.
Schrijf nu diezelfde gebeurtenis als non-fictie: wat er echt gebeurde, wanneer, hoeveel, wie. Geen gedachten.
Voor je een woord schrijft, kies je eigenlijk al een manier van denken. Er zijn er drie.
Verdeel de twaalf woorden uit de woordbank over de drie kolommen. Er horen er vier in elke kolom.
| hoorwoord | regelwoord | weetwoord |
|---|---|---|
Kies één regelwoord uit je tabel en leg in je eigen woorden uit hoe je bewijst welke letter er moet staan. Gebruik het woord zelf in je uitleg.
Waarom is nacht geen regelwoord, ook al lijkt er een regel te bestaan? Leg uit wat het verschil is met hond.
Een regelwoord schrijf je niet op gevoel. Je doet er iets mee, en dan zie je welke letter er hoort. Elke regel krijgt hieronder een nummer. Die nummers heb je straks nodig.
Zoek bij elk woord de regel en het bewijs. Schrijf bij bewijs het langere woord op waarmee je het aantoont.
| woord | welke regel? (1, 2 of 3) | bewijs |
|---|---|---|
| hond | ||
| bommen | ||
| bomen | ||
| web | ||
| pitten | ||
| uren |
Zet de zes regelnummers in dezelfde volgorde als in de tabel in de code hieronder. Je krijgt een getal van zes cijfers.
Schrijf regel 2 en regel 3 in je eigen woorden op, zonder de woorden verdubbelen en verenkelen te gebruiken.
Bedenk zelf één woord bij elke regel. Neem woorden die nog niet op dit blad staan.
Als je code klopt, staat er een getal waarin dezelfde drie cijfers twee keer na elkaar staan. Deel dat getal eens door 1 001. Je houdt precies de eerste drie cijfers over. Dat werkt bij elk getal van die vorm.
Knip de vijftien kaartjes uit. De drie kaartjes met een kop zijn de bakken. Leg elk woord bij een bak en zeg hardop waarom. Speel je met twee, dan mag de ander je tegenspreken.
| 10 000 | 1 000 | 100 | 10 | 1 | het getal |
|---|---|---|---|---|---|
| 4 | 7 | 3 | 0 | 6 | 47 306 |
| 8 | 0 | 4 | 9 | 2 | 80 492 |
| 9 | 9 | 9 | 9 | 9 | 99 999 |
Neem 47 306 uit de tabel. Schrijf per cijfer op welke plaats het inneemt en hoeveel het dus waard is.
| cijfer | staat op de plaats van de... | is waard |
|---|---|---|
In welk van deze getallen is het cijfer 4 het meeste waard: 14 820, 40 519, 4 067 of 24 900? Hoeveel keer zoveel is dat als in 14 820?
Kraak dit raadsel. Ik heb vijf cijfers. De som van al mijn cijfers is 9. Mijn tienduizendtal is 5. Mijn duizendtal en mijn honderdtal zijn allebei 0. Mijn tiental is drie keer zo groot als mijn eenheid. Welk getal ben ik? Schrijf ook op in welke volgorde je de aanwijzingen gebruikt hebt.
Bedenk nu zelf zo'n raadsel voor een klasgenoot. Zorg dat er maar één antwoord mogelijk is. Schrijf het antwoord klein op de achterkant van dit blad.
Zoek de afspraak en je kan de rij eindeloos verderzetten. Werk altijd in deze volgorde.
Zoek bij elke rij de twee volgende getallen en schrijf de regel op in woorden.
| rij | de twee volgende getallen | de regel |
|---|---|---|
| 1 250 – 2 500 – 5 000 – 10 000 – ... | ||
| 96 500 – 95 250 – 94 000 – 92 750 – ... | ||
| 3 – 7 – 15 – 31 – 63 – ... | ||
| 2 – 6 – 12 – 20 – 30 – ... | ||
| 100 000 – 50 000 – 25 000 – 12 500 – ... |
Eén rij hierboven kan je niet blijven verderzetten met hele getallen. Welke, en bij welk getal loopt het vast?
De rij 3 – 7 – 15 – 31 – 63 ligt vlak naast de rij 4 – 8 – 16 – 32 – 64. Wat is het verband? Wat zou het achtste getal van de eerste rij zijn?
Maak zelf een rij van zes getallen waarbij je twee bewerkingen na elkaar gebruikt, bijvoorbeeld keer 3 en dan min 2. Laat een klasgenoot de regel zoeken.
Schrijf de verschillen altijd op, ook als je denkt dat je de regel al ziet. Twee keer hetzelfde verschil is nog geen bewijs. Drie keer is al een stuk sterker.
Een som die er moeilijk uitziet, is vaak een makkelijke som die zich verstopt heeft.
Kies bij elke som de handigste strategie en reken uit. Alles in je hoofd, met hooguit één tussenstap op papier.
| som | handigste strategie | antwoord |
|---|---|---|
| 56 400 + 29 980 | ||
| 82 000 – 49 500 | ||
| 34 780 + 15 220 | ||
| 100 000 – 27 350 | ||
| 19 999 + 19 999 |
Iemand rekent zo: 61 000 min 19 800 is 61 000 min 20 000 is 41 000, en dan nog min 200 is 40 800. Er zit een fout in. Leg uit waar, en geef het juiste antwoord.
Zoek drie verschillende manieren om 100 000 te schrijven als de som van twee getallen die allebei tussen 30 000 en 70 000 liggen.
Bedenk een som tot 100 000 die er lastig uitziet maar die je in je hoofd in één stap oplost. Schrijf erbij welke truc je gebruikt.
Bij optellen en aftrekken werkt herstellen net andersom. Tel je er te veel bij, dan haal je het er weer af. Trek je er te veel af, dan tel je het er weer bij.
Voor de komma tel je hele dingen. Achter de komma tel je stukken van één ding. De eerste plaats achter de komma is een tiende: één van tien even grote stukken.
Vul de tabel aan. Elke rij mag maar op één manier kloppen.
| breuk | kommagetal | in woorden |
|---|---|---|
| 3 tienden | ||
| 0,25 | ||
| 1 half | ||
| 0,07 |
Zet van klein naar groot: 0,4 – 0,25 – 0,7 – 0,09 – 0,5. Leg daarna uit waarom 0,09 kleiner is dan 0,25, ook al staat er een 9 in.
Teken een getallenlijn van 0 tot 1. Verdeel ze eerlijk en zet er 0,3 – 0,75 – 0,5 – 0,9 op.
Lien zegt: 2,5 is meer dan 2,45, want 5 is meer dan 45. Haar antwoord klopt, maar haar redenering niet. Leg uit wat er mis is en hoe je het wel moet aanpakken.
Of twee rechten evenwijdig of loodrecht zijn, beslis je niet met je ogen. Je beslist het met je geodriehoek.
Teken een vierhoek waarvan precies één paar zijden evenwijdig is en waarvan twee zijden loodrecht op elkaar staan. Zet de tekens // en ⊥ bij de juiste zijden.
Zoek vier plaatsen in het lokaal waar lijnen evenwijdig of loodrecht lopen. Controleer telkens echt, niet op het oog.
| wat je bekijkt | evenwijdig met... | loodrecht op... |
|---|---|---|
Kan een rechte tegelijk evenwijdig en loodrecht zijn met dezelfde andere rechte? Leg uit waarom wel of niet.
De maten staan op een trap: km – hm – dam – m – dm – cm – mm. Elke stap naar rechts is keer 10, elke stap naar links is delen door 10.
Zet om. Schrijf er telkens bij hoeveel stappen je op de trap zet en in welke richting.
| omzetten | antwoord |
|---|---|
| 3,5 m = ... cm | |
| 1 250 mm = ... m | |
| 0,8 km = ... m | |
| 4 km 60 m = ... m | |
| 100 000 mm = ... m |
Schat eerst, meet daarna. Kies drie dingen in de klas die tussen 10 cm en 3 m lang zijn.
| wat je meet | jouw schatting | gemeten | verschil |
|---|---|---|---|
Ontwerp een meetparcours voor een klasgenoot: vier haltes waarbij hij telkens iets moet meten. De vier lengtes samen moeten precies 10 m zijn. Teken je plan en zet de maten erbij.
Een mier van 5 mm loopt over een bank van 1,20 m. Hoeveel keer haar eigen lengte legt ze af?
In het Frans kies je je begroeting op basis van wie voor je staat. Dat is geen beleefdheidsspelletje, dat is gewoon hoe het werkt.
— Bonjour ! Je suis Louis. Et toi ?
— Salut ! Je suis Anna.
— Ça va ?
— Ça va, merci. Au revoir, Louis. À demain !
Kies per situatie bonjour of salut en schrijf erbij waarom. Bij de laatste rij kan je het met een klasgenoot oneens zijn. Dat mag, als je het maar kan verdedigen.
| tegen wie? | bonjour of salut? | waarom? |
|---|---|---|
| de directeur op de gang | ||
| je beste vriend op het plein | ||
| een onbekende in de bakkerij | ||
| de leerkracht die je elke dag ziet |
Welk woord uit de dialoog zou je ook zonder Franse les begrijpen? Schrijf op waaraan je dat merkt.
Heel veel Franse woorden lijken op een Nederlands of Engels woord, omdat het Nederlands en het Engels eeuwenlang woorden uit het Frans hebben overgenomen. Zulke woorden heten transparant: je kijkt er als het ware doorheen.
Gok wat elk woord betekent en schrijf erbij waarop je je gok baseert. Alleen het lijkt erop is geen argument: zeg welk stuk van het woord je herkent.
| Frans woord | jouw gok | waarop baseer je je? |
|---|---|---|
| la musique | ||
| l'hôpital | ||
| la police | ||
| le chocolat | ||
| la télévision | ||
| l'animal |
Sommige woorden uit de woordbank lijken meer op het Engels dan op het Nederlands. Zoek er drie en schrijf het Engelse woord erbij.
Zoek zelf twee Franse woorden op een verpakking, een affiche of een menukaart. Schrijf ze over en gok wat ze betekenen.
Sommige woorden lijken op een Nederlands woord maar betekenen iets heel anders. Le pain lijkt op pijn, maar het betekent brood. La journée lijkt op journaal, maar het betekent dag. Raden is slim, controleren is slimmer.
Met twee kleine woorden kan je al iets over jezelf zeggen. Je suis betekent ik ben. Tu es betekent jij bent.
Schrijf elke zin in het Frans. Je hebt alleen woorden uit de woordbank nodig.
| Nederlands | Frans |
|---|---|
| Hallo, ik ben Nora. | |
| Ben jij Louis? | |
| Ja, ik ben Louis. | |
| Dag, tot morgen! |
Schrijf je eigen voorstelkaartje in het Frans. Vijf regels. Gebruik alleen woorden die je hierboven ziet staan, meer heb je niet nodig.
Schrijf een minidialoog van vier beurten voor jou en een klasgenoot: iemand groet, iemand stelt zich voor, iemand vraagt ça va, iemand neemt afscheid.
In het Frans krijgen een vraagteken en een uitroepteken een spatie ervoor: Ça va ? Au revoir ! Dat is geen slordigheid, dat is de regel.
In 47 306 is elke kolom tien keer zoveel waard als de kolom rechts ervan: 1, 10, 100, 1 000, 10 000. Daarom heet ons stelsel het tientallig stelsel, en daarom hebben we tien cijfers nodig: 0 tot en met 9.
Het rooster hierboven stelt één getal voor. Welk? Zet daarna ook 10110 en 01100 om naar gewone getallen.
Begin altijd links, bij de grootste kolom. Past die waarde in je getal? Schrijf een 1 en trek de waarde af. Past ze niet? Schrijf een 0 en ga verder naar rechts. Als je klaar bent, moet er precies 0 overblijven.
Zet om naar het tweetallig stelsel. Werk met vijf kolommen: 16 – 8 – 4 – 2 – 1. Begin links: past de kolom erin, dan schrijf je 1 en trek je de waarde af.
| gewoon getal | tweetallig (16-8-4-2-1) |
|---|---|
| 9 | |
| 13 | |
| 20 | |
| 31 | |
| 7 |
Wat is het grootste getal dat in vijf kolommen past? En hoeveel verschillende getallen kan je met vijf kolommen maken, de 0 meegeteld? Leg uit hoe je aan dat aantal komt.
Lees deze codes en schrijf op welk gewoon getal er staat. Tel gewoon de kolommen op waar een 1 staat.
| tweetallig (16-8-4-2-1) | gewoon getal |
|---|---|
| 00111 | |
| 11000 | |
| 10101 | |
| 01110 |
Schrijf nu je eigen leeftijd in vijf kolommen. Schrijf daarna je huisnummer. Past je huisnummer niet in vijf kolommen? Leg dan uit hoeveel kolommen je wél nodig hebt en waarom.
Computers werken meestal met acht kolommen tegelijk. Zo'n groepje van acht heet een byte. Tel de kolomwaarden van acht kolommen maar eens op: 128 + 64 + 32 + 16 + 8 + 4 + 2 + 1. Je komt aan 255 — en dat is precies het grootste getal dat in één byte past.
Een computer kent geen letters, alleen nullen en enen. Dus spreken we iets af: elke letter krijgt het nummer van zijn plaats in het alfabet, en dat nummer schrijven we in vijf kolommen: 16 – 8 – 4 – 2 – 1.
Kraak de code hierboven. Werk teken per teken: tel eerst de kolomwaarden op, zoek dan de letter.
| tweetallig | getal | letter |
|---|---|---|
| 00100 | ||
| 00101 | ||
| 01110 | ||
| 01011 | ||
| 10111 | ||
| 00101 | ||
| 10010 | ||
| 01011 |
Schrijf de boodschap op één regel. Klopt het woord niet helemaal? Controleer dan of je ergens een kolomwaarde vergeten bent.
Maak nu zelf een geheim woord van minstens vijf letters in tweetallige code. Geef het aan een klasgenoot samen met de kolomwaarden, maar zonder het alfabet erbij.