← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Taal · bundel 1

Woordsoorten en de kern van een tekst

Woordgroepen bouwen met zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden, en leren hoe je met sleutelwoorden de kern van een tekst te pakken krijgt.

Download PDF alle bundels taal
Taal · woordsoorten

Elk woord heeft een taak

Waarom de oude fiets uit drie verschillende soorten woorden bestaat.
1
Drie soorten woorden, samen een woordgroep

Zeg je de oude fiets, dan gebruik je drie woorden die elk iets anders doen. Samen wijzen ze naar een ding. Zo'n groepje heet een woordgroep.

  • Een zelfstandig naamwoord is de naam van een ding, een dier, een persoon of een gedachte. Het is de kern van de groep.
  • Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe dat ding is. Je kan er bijna altijd heel voor zetten: heel oud, heel snel.
  • Een lidwoord staat vooraan. Er zijn er maar drie: de, het en een. Een lidwoord staat nooit alleen.
deheteensnelleoudegroenegelestoelfietsmeisjedakboek
1

Verdeel de twaalf woorden over de drie kolommen. Let op: de kolommen worden niet even lang. Dat is geen fout van jou.

lidwoordbijvoeglijk naamwoordzelfstandig naamwoord
2

Een van de drie kolommen is veel korter dan de andere twee. Welke, en hoe komt dat?

3

Maak zes woordgroepen van drie woorden. Gebruik alleen woorden uit de woordbank. Elke groep moet kloppen: het gele boek kan, de gele boek niet.

Taal naam
Taal · knipblad

De woordgroepenbouwer

Knip de vijftien kaartjes uit en bouw er zoveel mogelijk kloppende groepen mee.
2
Zo speel je het

Knip alles uit en leg de kaartjes op drie stapeltjes: lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden. Je speelt het liefst met twee.

  • Een groep telt pas als ze klopt: het snelle meisje mag, de snelle boek niet. De ander mag je tegenspreken.
  • Een groep van drie kaartjes is drie punten waard, een groep van twee kaartjes een punt. Speel drie rondes en tel op.
Knip hier alles uit
de
lidwoord
het
lidwoord
een
lidwoord
oude
bijvoeglijk naamwoord
gele
bijvoeglijk naamwoord
snelle
bijvoeglijk naamwoord
stille
bijvoeglijk naamwoord
zware
bijvoeglijk naamwoord
stoel
zelfstandig naamwoord
fiets
zelfstandig naamwoord
trap
zelfstandig naamwoord
sleutel
zelfstandig naamwoord
boek
zelfstandig naamwoord
dak
zelfstandig naamwoord
meisje
zelfstandig naamwoord
Taal naam
Taal · lezen en analyseren

Hoeveel lawaai is te veel?

Een tekst over geluid, en over wat lawaai met je hoofd doet.
3

Hoeveel lawaai is te veel?

1Geluid is beweging. Als je praat, trillen je stembanden en duwen ze de lucht weg en weer terug. Die trilling reist tot in je oor. Hoe sterker ze is, hoe luider je het vindt. We meten dat in decibel, afgekort dB. Fluisteren zit rond 30 dB, een gewoon gesprek rond 60 dB, en een drukke eetzaal haalt vlot 75 dB.

2Met die schaal is iets vreemds aan de hand. Tien decibel erbij lijkt weinig, maar het betekent tien keer zoveel geluidsenergie. Van 40 naar 80 dB is dus niet dubbel zoveel, maar tien keer tien keer tien keer tien keer zoveel.

3Diep in je oor zitten duizenden minuscule haarcellen. Ze buigen mee met de trilling en sturen het signaal naar je hersenen. Bij te veel geluid knakken ze, en bij mensen groeien ze niet terug. Daarom ligt de grens rond 85 dB: wie daar uren per dag boven zit, beschadigt zijn gehoor voorgoed.

4In een klas gaat het zelden over 85 dB. Toch is lawaai er een probleem. Je hersenen moeten spraak uit de ruis vissen, en dat kost energie die je daarna niet meer hebt om te rekenen of te onthouden.

5Er bestaat geen knop om ruis uit te zetten, maar wel trucs. Zachte dingen slikken geluid op: gordijnen, kurk, een tapijt, zelfs boeken in open rekken. En oude tennisballen onder de stoelpoten schelen veel, want schuivende stoelen zijn in heel wat klassen de luidste bron van al.

1

Reken uit hoeveel keer zoveel geluidsenergie 80 dB is als 40 dB. Schrijf het getal voluit op.

2

Klopt de bewering volgens de tekst? Zet erbij uit welke alinea je dat haalt.

beweringklopt?welke alinea?
Een drukke eetzaal is gevaarlijk voor je oren.
Beschadigde haarcellen herstellen na een tijd.
Lawaai in de klas kost je denkkracht.
3

De schrijver noemt tennisballen onder de stoelpoten. Leg uit waarom dat werkt, en bedenk twee andere ingrepen die volgens dezelfde redenering zouden helpen.

4

Welke zin uit de tekst zou je als eerste schrappen als je alleen de kern wil overhouden? Waarom net die?

Taal naam
Taal · sleutelwoorden noteren

Zo weinig mogelijk woorden

Werkt verder op de tekst van blad 3.
4
Wat is een sleutelwoord?

Een sleutelwoord is een woord dat je later terug in de hele zin kan omzetten. Schrijf je het niet op, dan ben je de zin kwijt.

  • Noteer vooral zelfstandige naamwoorden en getallen. Die dragen de inhoud.
  • Lidwoorden schrijf je nooit op. Ze voegen niets toe aan je notitie.
  • Twijfel je? Dek het woord af en lees de rest. Snap je het nog, dan mag het weg.
1

Neem de tekst van blad 3 erbij. Noteer per alinea hoogstens drie sleutelwoorden.

alineahoogstens drie sleutelwoorden
2

Vat de hele tekst samen in een zin van hoogstens vijftien woorden. Tel na en zet het aantal erachter.

3

Iemand noteerde bij alinea 3: oor, veel, terug. Leg uit waarom die notitie later niet meer te gebruiken is.

4

Schrap nu nog verder. Welke vier woorden hou je over als je de hele tekst in een telegram moet persen?

Taal naam
Taal · inkorten

Welke woorden mag je weggooien?

Een mededeling van 70 woorden wordt er een van 20.
5
Niet elk woord weegt even zwaar

Wie inkort, gooit niet zomaar de langste woorden weg. Je gooit weg wat je zonder verlies kan missen.

  • Lidwoorden kan je bijna altijd missen. Bijvoeglijke naamwoorden alleen als ze niets onderscheiden.
  • Zelfstandige naamwoorden, getallen en tijdstippen blijven staan. Daar zit de informatie in.

Mededeling voor het vijfde en het zesde leerjaar

Volgende week donderdag vertrekken we met de fiets naar het natuurgebied aan de vaart. We verzamelen om kwart voor negen op de speelplaats, bij de fietsenstalling. Vergeet je fietshelm niet, want zonder helm mag je niet mee.

Neem ook een lunchpakket, een regenjas en een gevulde drinkbus mee. We zijn rond halfvier terug op school. Wie geen fiets heeft, meldt dat ten laatste maandag bij de leerkracht van zijn klas.

1

Streep in de mededeling alles door wat weg kan zonder dat er informatie verdwijnt. Schrijf daarna op welke woorden zeker moesten blijven.

2

Schrijf de mededeling opnieuw in hoogstens twintig woorden, zo dat iemand nog altijd precies weet wat hij moet doen.

3

Welke woordsoort gooide je het vaakst weg, en welke bleef altijd staan? Vul aan en leg het in de laatste rij uit.

woordsoortbijna altijd weg of altijd houden?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Taal naam