Instructies zo nauwkeurig lezen dat je ze foutloos kan uitvoeren, en vier strategieën om de betekenis van een onbekend woord te achterhalen.
1Een ei heeft een harde schaal van kalk. Azijn is een zuur, en zuur lost kalk op. Met die twee gegevens maak je in drie dagen een ei zonder schaal: een ei dat een beetje stuitert. Niet te hoog laten vallen, want daarna heb je een ei zonder schaal en zonder inhoud.
2Stap 1. Zet een leeg glas op tafel. Het glas moet hoger zijn dan het ei. Is het te laag, dan steekt de bovenkant van het ei boven de azijn uit en blijft daar een ring van kalk zitten.
3Stap 2. Leg het ei voorzichtig in het glas. Laat het langs de wand naar beneden glijden en laat het niet vallen. Giet er dan blanke azijn bij tot het ei helemaal onder staat.
4Stap 3. Kijk na een halve minuut naar de schaal. Er verschijnen overal kleine belletjes. Dat is gas dat ontstaat terwijl het zuur de kalk oplost. Zet het glas nu drie dagen weg op een plaats waar niemand eraan komt.
5Stap 4. Giet de azijn weg en spoel het ei af onder koud water. Wrijf zachtjes met je duim over de schaal, dan laten de laatste witte resten los. Wat overblijft is een doorschijnend, veerkrachtig velletje met het ei erin. Laat een ei nooit langer dan een week in de azijn liggen: het velletje wordt dan zo dun dat het openscheurt.
Waarom moet het glas hoger zijn dan het ei? Schrijf erbij wat er misgaat als je dat vergeet.
Eén zin in de tekst is geen stap maar een waarschuwing. Welke zin is dat, en waarom staat hij daar en niet vooraan?
Wat zou er gebeuren als je stap 3 oversloeg en het ei na een halve minuut al uit de azijn haalde? Denk aan de belletjes.
Een verhaal mag je door elkaar lezen; je begrijpt het dan nog. Een stappenplan niet. Elke stap gebruikt iets wat de vorige stap heeft klaargezet.
Draai telkens twee stappen om en schrijf op wat er dan misgaat.
| je draait om | wat gaat er mis? |
|---|---|
| stap 1 en stap 2 | |
| stap 3 en stap 4 | |
| stap 2 en stap 4 |
In de tekst staan drie tijden: een halve minuut, drie dagen, een week. Kies er één en leg uit waarom juist dat getal er staat.
Eén stap bevat eigenlijk twee handelingen na elkaar. Welke stap is dat, en hoe zou jij hem splitsen?
Hou bij elke zin je hand stil en vraag je af: kan ik dit nu doen, met wat ik heb? Kan het niet, dan mist er iets in de stap ervoor.
Kies iets wat jij echt kan: een knoop leggen, een blokfluit schoonmaken, een spel uitleggen, een vogelvoederhuisje vullen.
Schrijf je stappenplan. Zet bovenaan wat de lezer nodig heeft en nummer daarna je stappen.
Geef je blad aan iemand anders en laat die het plan uitvoeren of hardop naspelen. Waar aarzelde hij? Schrijf op welke stap je daarna aanpast en waarom.
Doe alsof je lezer niets zelf mag invullen. Staat er nergens hoeveel water, dan giet hij een emmer.
Een onbekend woord is geen muur. Meestal weet de zin eromheen al de helft, en het woord zelf de andere helft.
Lees elke zin. Schrijf op wat het schuine woord volgens jou betekent en welke sleutel je gebruikte.
| zin | wat betekent het? | welke sleutel? |
|---|---|---|
| De vlakte was zo onherbergzaam dat er geen boom, geen huis en geen weg te zien was. | ||
| Hij is roekeloos: hij fietst zonder handen door het rode licht. | ||
| De deur is niet brandbaar, want hij is van staal. | ||
| De temperatuur in de klas staat op twintig graden. | ||
| Na de storm moest de hele tekst herschreven worden, want het papier was doorweekt. |
Breek deze woorden in stukken en schrijf per stuk op wat het doet.
| woord | de stukken | wat het woord betekent |
|---|---|---|
| moeiteloos | ||
| ondoordringbaar | ||
| vergroting | ||
| ontoegankelijk |
Bij welk woord uit de eerste tabel helpt geen enkele sleutel goed genoeg? Leg uit wat er dan blijft haperen.
Een brug van staal is in de zomer langer dan in de winter. Dat klinkt vreemd, maar het is onvermijdelijk: warm metaal zet uit. Bij een brug van driehonderd meter kan dat verschil oplopen tot meer dan tien centimeter. In de winter krimpt de brug weer, en dat herhaalt zich elk jaar opnieuw.
Wie een brug bouwt, moet daar plaats voor maken. Daarom zit er aan elk uiteinde van een brug een uitzetvoeg: een kier met metalen tanden die in elkaar grijpen, zoals twee handen met gespreide vingers. Wordt de brug langer, dan schuiven de tanden verder in elkaar. Wordt hij korter, dan gaan ze uit elkaar. Je hoort ze roffelen als je eroverheen rijdt.
Zonder die kier zou de brug tegen het landhoofd duwen met een kracht waar geen beton tegen bestand is. Het beton zou scheuren en de rijbaan zou bol gaan staan. Daarom rust het uiteinde van een grote brug ook nog op rollen of op blokken rubber, zodat het stil kan schuiven. Een brug die niet mag bewegen, vervormt zichzelf kapot.
Achterhaal deze zes woorden zonder op te zoeken. Noteer ook welke sleutel je gebruikte.
| woord | wat het betekent | sleutel |
|---|---|---|
| onvermijdelijk | ||
| uitzetvoeg | ||
| kier | ||
| landhoofd | ||
| bestand tegen | ||
| vervormt |
Waarom heeft een uitzetvoeg tanden en geen rechte, gladde rand? Zoek de zin in de tekst die je op het spoor zet.
Twee van de zes woorden zijn samenstellingen van twee gewone woorden. Welke twee, en welke gewone woorden zitten erin?