← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Taal · bundel 2

Voorlezen en zinnen ontleden

Wat stem, tempo en pauzes met een tekst doen, en hoe je in langere zinnen het onderwerp en de persoonsvorm terugvindt.

Download PDF alle bundels taal
Taal · lezen en analyseren

Stilte in de zaal

Een verhaal met veel dialoog. Je leest het deze week ook hardop voor.
1
Wat leer je hier
  • Je haalt uit de gesprekken wat de personen echt bedoelen.
  • Je zoekt de plaats waar de spanning omslaat en je legt uit waarom.

Stilte in de zaal

1Achter het gordijn hoorde Joesef de zaal ademen. Tweehonderd mensen, dacht hij. Tweehonderd. De randen van zijn blaadje voelden plots vochtig aan.
— Nog twee minuten, fluisterde meneer Dries. Adem eens diep in.
— Ik kan het niet, zei Joesef.
— Dat zei je vorige week ook.

2In de coulissen stond Roos haar eigen tekst te prevelen, veel te snel, als een trein die niet meer stopt. Ze keek op.
— Lees gewoon traag, zei ze. Trager dan je durft.
— En als ik vastloop?
— Dan wacht je. Een stilte is niet erg. Een stilte klinkt zelfs slim.

3Het gordijn schoof open met een geluid als een diepe zucht. Het licht was feller dan op de repetitie. Joesef zag alleen de eerste rij, en daarachter een donkere vlakte waarin af en toe iets bewoog. Hij legde zijn blad op de lessenaar. De eerste zin stond er, dik onderstreept.

4Hij las hem. Zijn stem kwam hoger uit zijn keel dan hij wilde, en veel te vlug. Achteraan schoof iemand met een stoel. Toen deed Joesef iets wat hij nooit gepland had: hij stopte. Hij telde in zichzelf tot drie. De zaal werd stil, echt stil.

5Hij begon opnieuw, van boven af aan, en nu traag. Bij het woord donker liet hij een gat vallen. Bij het woord rennen ging hij sneller. Toen hij klaar was, hoorde hij een paar tellen helemaal niets. Daarna kwam het applaus, en Joesef wist niet of het voor het verhaal was of voor die stilte.

1

Roos geeft Joesef twee raadgevingen. Schrijf ze allebei op en zet erbij op welke plaats in het verhaal Joesef ze gebruikt.

2

Waarvoor klapt de zaal volgens jou? Kies, en schrijf erbij welke zin uit de tekst jou dat doet denken.

voor het verhaalvoor die stiltevoor allebei
3

Op één plaats slaat de spanning om. Welke zin is dat volgens jou, en wat verandert er daarna?

Taal naam
Taal · voorlezen

Trager dan je durft

Werkt op de tekst van blad 1. Leg dat blad ernaast.
2
Je stem heeft drie knoppen

Voorlezen is niet: de woorden uitspreken die er staan. Voorlezen is beslissen hoe je ze uitspreekt. Je hebt daarvoor drie knoppen.

  • Tempo: waar ga je trager? Meestal bij iets belangrijks of iets engs.
  • Pauze: een stilte van één tel zet een streep onder de zin die net kwam.
  • Toon: omhoog bij een vraag, omlaag aan het einde van een gedachte. Vlak is dodelijk.
  • Klank: een woord als donker mag je donker laten klinken. Dat is voorlezen, geen toneel.
1

Neem blad 1 erbij en zet er met potlood merktekens in. Eén schuine streep is een korte pauze, twee schuine strepen een lange. Onderstreep de woorden die je trager leest en zet een golflijntje onder de woorden die je harder zegt.

Werk in potlood. Na je eerste keer voorlezen verander je gegarandeerd iets.

2

Kies vier zinnen uit het verhaal en leg per zin vast hoe je hem leest.

zin (eerste woorden volstaan)wat doe je met je stem, en waarom?
3

Lees alinea 4 twee keer hardop voor: één keer zonder enige pauze, één keer met je merktekens. Wat is het grootste verschil? Schrijf op wat een luisteraar erdoor extra begrijpt.

Oefen op de laatste zin

De laatste zin van een tekst blijft het langst hangen. Lees die drie keer op drie manieren en kies daarna pas.

Taal naam
Taal · feedback geven

De voorleesjury

Zeggen wat je hoorde, zonder een cijfer te geven.
3
Feedback is geen oordeel

Goed of slecht helpt een voorlezer niet vooruit. Wat wel helpt: vertellen wat je als luisteraar hoorde en wat dat met je deed.

  • Zeg eerst wat je hoorde: ik hoorde je vertragen bij het woord stil.
  • Zeg dan wat dat deed: daardoor wist ik dat er iets ging gebeuren.
  • Geef één tip, niet vijf. Meer dan één onthoudt niemand.
1

Iemand leest het verhaal van blad 1 voor. Vul tijdens het luisteren deze kijkwijzer in. Zet geen kruisjes, maar schrijf wat je hoorde.

waar je op letwat je hoorde
tempo: waar ging het trager?
pauzes: waar viel een stilte?
toon: waar ging de stem omhoog?
één woord dat klonk als wat het betekent
2

Schrijf nu je feedback in drie zinnen. Zin één: wat je hoorde. Zin twee: wat dat met je deed. Zin drie: je ene tip.

3

Een jurylid zegt: je las slecht, veel te snel. Leg uit waarom de voorlezer daar niets mee kan, en herschrijf die zin zo dat hij wel bruikbaar wordt.

Taal naam
Taal · zinsontleding

Wie doet het, en welk woord verraadt de tijd?

De persoonsvorm en het onderwerp vind je met twee vaste proeven.
4
Twee proeven, altijd in deze volgorde

Zoek eerst de persoonsvorm, dan pas het onderwerp. Omgekeerd werkt niet, want je hebt de persoonsvorm nodig om het onderwerp te vinden.

  • Tijdproef: zet de zin in een andere tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
  • Vraagproef: maak er een ja-of-neevraag van. De persoonsvorm springt vooraan: Leest Roos traag?
  • Onderwerp: zet wie of wat voor de persoonsvorm. Wie leest? Roos. Roos is het onderwerp.
  • In een zin kunnen twee of drie werkwoorden staan, maar er is altijd precies één persoonsvorm.
1

Vul de tabel in. Doe bij elke zin eerst de tijdproef.

zinpersoonsvormonderwerp
1. Elke dinsdag oefent Joesef zijn tekst in de badkamer.
2. De lampen boven het toneel zijn gisteren vervangen.
3. Waarom lachte niemand bij die grap?
4. Achter het rode gordijn stond een smalle ladder.
5. Roos wil haar tekst nog een keer voorlezen.
2

In drie van deze vijf zinnen staat het onderwerp niet vooraan. Welke zijn dat, en wat staat er dan wel op de eerste plaats?

3

In zin 2 en in zin 5 staan telkens twee werkwoorden, en toch is er maar één persoonsvorm. Leg uit hoe je weet welk van de twee het is.

Taal naam
Taal · doen of zijn

Doet er iemand iets, of is er gewoon iets?

Twee soorten zinnen die er hetzelfde uitzien en anders werken.
5
Twee soorten zinnen

In sommige zinnen doet het onderwerp echt iets. In andere zinnen doet het niets, maar wordt er iets over gezegd. Dat verschil zie je aan de persoonsvorm. Je test het door te vragen: wat doet het onderwerp? Bij een zijn-zin krijg je dan een raar antwoord.

  • Doe-zin: de persoonsvorm is een gewoon werkwoord. Joesef leest de eerste zin.
  • Zijn-zin: de persoonsvorm is ben, bent, is, zijn, was of waren.
  • Wordt-zin: de persoonsvorm is word, wordt, worden, werd of werden.
1

Onderzoek elke zin. Schrijf in de laatste kolom kort waaraan je het ziet.

zindoe-zin of zijn/wordt-zin?waaraan zie je dat?
1. Joesef leest de eerste zin nog een keer.
2. Het licht in de zaal is veel te fel.
3. De stoelen worden na de show opgestapeld.
4. Roos fluistert iets in zijn oor.
5. Meneer Dries wordt elk jaar zenuwachtiger.
6. Na de pauze klapte de hele zaal.
2

Bouw nu zelf vier zinnen. Eén per eis. A: een doe-zin waarin het onderwerp niet vooraan staat. B: een zijn-zin met een onderwerp van meer dan één woord. C: een zin met twee werkwoorden waarvan er maar één de persoonsvorm is. D: een vraagzin die met de persoonsvorm begint.

3

Zin 3 en zin 5 hebben allebei wordt of worden. Toch gebeurt er in zin 3 iets heel anders dan in zin 5. Leg uit wat.

Taal naam
Taal · knipblad

De zinnendomino

Negen kaartjes die in precies één gesloten kring passen.
6
Zo speel je het

Knip de negen kaartjes uit. Bovenaan elk kaartje staat wat het zoekt, onderaan staat een zin. Je legt een kaartje aan als de zin van het vorige kaartje past bij wat dit kaartje zoekt. Alle zinnen die geen zijn- of worden-zin zijn, zijn doe-zinnen.

  • Een vraagzin telt altijd als vraagzin. De andere eisen gaan over zinnen met een punt.
  • Zijn-zin: ben, bent, is, zijn, was, waren. Worden-zin: word, wordt, worden, werd, werden.
  • Elke zin past maar bij één kaartje. Zit je vast, zoek dan eerst de persoonsvorm.
Knip hier alles uit
zoekt: een vraagzin met een doe-werkwoord
Na de pauze was de zaal helemaal stil.
zoekt: een vraagzin met een vorm van zijn
De lampen worden na de repetitie uitgedaan.
zoekt: een zijn-zin die met het onderwerp begint
Morgen wordt de gang opnieuw geschilderd.
zoekt: een vraagzin met een vorm van worden
De conciërge sleept een ladder door de gang.
zoekt: een doe-zin die niet met het onderwerp begint
Het gordijn is al drie jaar kapot.
zoekt: een zijn-zin die niet met het onderwerp begint
Wordt het toneel vanavond opgebouwd?
zoekt: een worden-zin die met het onderwerp begint
Tijdens de repetitie vergat Nour haar hele tekst.
zoekt: een worden-zin die niet met het onderwerp begint
Fiets jij elke dag naar school?
zoekt: een doe-zin die met het onderwerp begint
Ben jij de nieuwe verteller?
Zo weet je dat het klopt

De negen kaartjes vormen samen één gesloten kring: het laatste kaartje past weer aan het eerste. Blijft er een kaartje over, dan zit er ergens een verkeerde persoonsvorm.

Taal naam