Wat stem, tempo en pauzes met een tekst doen, en hoe je in langere zinnen het onderwerp en de persoonsvorm terugvindt.
1Achter het gordijn hoorde Joesef de zaal ademen. Tweehonderd mensen, dacht hij. Tweehonderd. De randen van zijn blaadje voelden plots vochtig aan.
— Nog twee minuten, fluisterde meneer Dries. Adem eens diep in.
— Ik kan het niet, zei Joesef.
— Dat zei je vorige week ook.
2In de coulissen stond Roos haar eigen tekst te prevelen, veel te snel, als een trein die niet meer stopt. Ze keek op.
— Lees gewoon traag, zei ze. Trager dan je durft.
— En als ik vastloop?
— Dan wacht je. Een stilte is niet erg. Een stilte klinkt zelfs slim.
3Het gordijn schoof open met een geluid als een diepe zucht. Het licht was feller dan op de repetitie. Joesef zag alleen de eerste rij, en daarachter een donkere vlakte waarin af en toe iets bewoog. Hij legde zijn blad op de lessenaar. De eerste zin stond er, dik onderstreept.
4Hij las hem. Zijn stem kwam hoger uit zijn keel dan hij wilde, en veel te vlug. Achteraan schoof iemand met een stoel. Toen deed Joesef iets wat hij nooit gepland had: hij stopte. Hij telde in zichzelf tot drie. De zaal werd stil, echt stil.
5Hij begon opnieuw, van boven af aan, en nu traag. Bij het woord donker liet hij een gat vallen. Bij het woord rennen ging hij sneller. Toen hij klaar was, hoorde hij een paar tellen helemaal niets. Daarna kwam het applaus, en Joesef wist niet of het voor het verhaal was of voor die stilte.
Roos geeft Joesef twee raadgevingen. Schrijf ze allebei op en zet erbij op welke plaats in het verhaal Joesef ze gebruikt.
Waarvoor klapt de zaal volgens jou? Kies, en schrijf erbij welke zin uit de tekst jou dat doet denken.
Op één plaats slaat de spanning om. Welke zin is dat volgens jou, en wat verandert er daarna?
Voorlezen is niet: de woorden uitspreken die er staan. Voorlezen is beslissen hoe je ze uitspreekt. Je hebt daarvoor drie knoppen.
Neem blad 1 erbij en zet er met potlood merktekens in. Eén schuine streep is een korte pauze, twee schuine strepen een lange. Onderstreep de woorden die je trager leest en zet een golflijntje onder de woorden die je harder zegt.
Werk in potlood. Na je eerste keer voorlezen verander je gegarandeerd iets.
Kies vier zinnen uit het verhaal en leg per zin vast hoe je hem leest.
| zin (eerste woorden volstaan) | wat doe je met je stem, en waarom? |
|---|---|
Lees alinea 4 twee keer hardop voor: één keer zonder enige pauze, één keer met je merktekens. Wat is het grootste verschil? Schrijf op wat een luisteraar erdoor extra begrijpt.
De laatste zin van een tekst blijft het langst hangen. Lees die drie keer op drie manieren en kies daarna pas.
Goed of slecht helpt een voorlezer niet vooruit. Wat wel helpt: vertellen wat je als luisteraar hoorde en wat dat met je deed.
Iemand leest het verhaal van blad 1 voor. Vul tijdens het luisteren deze kijkwijzer in. Zet geen kruisjes, maar schrijf wat je hoorde.
| waar je op let | wat je hoorde |
|---|---|
| tempo: waar ging het trager? | |
| pauzes: waar viel een stilte? | |
| toon: waar ging de stem omhoog? | |
| één woord dat klonk als wat het betekent |
Schrijf nu je feedback in drie zinnen. Zin één: wat je hoorde. Zin twee: wat dat met je deed. Zin drie: je ene tip.
Een jurylid zegt: je las slecht, veel te snel. Leg uit waarom de voorlezer daar niets mee kan, en herschrijf die zin zo dat hij wel bruikbaar wordt.
Zoek eerst de persoonsvorm, dan pas het onderwerp. Omgekeerd werkt niet, want je hebt de persoonsvorm nodig om het onderwerp te vinden.
Vul de tabel in. Doe bij elke zin eerst de tijdproef.
| zin | persoonsvorm | onderwerp |
|---|---|---|
| 1. Elke dinsdag oefent Joesef zijn tekst in de badkamer. | ||
| 2. De lampen boven het toneel zijn gisteren vervangen. | ||
| 3. Waarom lachte niemand bij die grap? | ||
| 4. Achter het rode gordijn stond een smalle ladder. | ||
| 5. Roos wil haar tekst nog een keer voorlezen. |
In drie van deze vijf zinnen staat het onderwerp niet vooraan. Welke zijn dat, en wat staat er dan wel op de eerste plaats?
In zin 2 en in zin 5 staan telkens twee werkwoorden, en toch is er maar één persoonsvorm. Leg uit hoe je weet welk van de twee het is.
In sommige zinnen doet het onderwerp echt iets. In andere zinnen doet het niets, maar wordt er iets over gezegd. Dat verschil zie je aan de persoonsvorm. Je test het door te vragen: wat doet het onderwerp? Bij een zijn-zin krijg je dan een raar antwoord.
Onderzoek elke zin. Schrijf in de laatste kolom kort waaraan je het ziet.
| zin | doe-zin of zijn/wordt-zin? | waaraan zie je dat? |
|---|---|---|
| 1. Joesef leest de eerste zin nog een keer. | ||
| 2. Het licht in de zaal is veel te fel. | ||
| 3. De stoelen worden na de show opgestapeld. | ||
| 4. Roos fluistert iets in zijn oor. | ||
| 5. Meneer Dries wordt elk jaar zenuwachtiger. | ||
| 6. Na de pauze klapte de hele zaal. |
Bouw nu zelf vier zinnen. Eén per eis. A: een doe-zin waarin het onderwerp niet vooraan staat. B: een zijn-zin met een onderwerp van meer dan één woord. C: een zin met twee werkwoorden waarvan er maar één de persoonsvorm is. D: een vraagzin die met de persoonsvorm begint.
Zin 3 en zin 5 hebben allebei wordt of worden. Toch gebeurt er in zin 3 iets heel anders dan in zin 5. Leg uit wat.
Knip de negen kaartjes uit. Bovenaan elk kaartje staat wat het zoekt, onderaan staat een zin. Je legt een kaartje aan als de zin van het vorige kaartje past bij wat dit kaartje zoekt. Alle zinnen die geen zijn- of worden-zin zijn, zijn doe-zinnen.
De negen kaartjes vormen samen één gesloten kring: het laatste kaartje past weer aan het eerste. Blijft er een kaartje over, dan zit er ergens een verkeerde persoonsvorm.