Vijf woordgroepen die bijna hetzelfde klinken. Sorteren, de groepen zelf benoemen en toepassen in een eigen tekst.
Spreek bodem, monnik, hindernis, avond en motor uit en luister alleen naar het einde. Je hoort telkens een vage, doffe klank, en niet welke letters er staan.
Verdeel de achttien woorden over de vijf kolommen. Schrijf boven elke kolom zelf het stukje dat je er telkens achter schrijft.
| -... | -... | -... | -... | -... |
|---|---|---|---|---|
Eén kolom blijft bijna leeg. Welke is dat? Zoek er zelf nog woorden bij en schrijf op wat je opvalt aan de woorden die je vindt.
Lees de woorden van één volle kolom hardop na elkaar. Verandert er iets aan de klank als je van kolom wisselt? Schrijf op wat dat betekent voor wie deze woorden wil leren.
Bij hond helpt verlengen: honden verraadt de d. Bij deze vijf groepen werkt die proef maar bij een deel van de woorden. Jij zoekt uit bij welke.
Maak elk woord langer en luister opnieuw naar het einde.
| woord | langer gemaakt | hoor je nu meer dan eerst? |
|---|---|---|
| bodem | ||
| motor | ||
| avond | ||
| monnik | ||
| hindernis |
Bij twee groepen helpt verlengen wel degelijk. Welke twee, en wat hoor je er precies bij? Schrijf de proef op als een regel die ook werkt bij een woord dat hier niet staat.
Deze vijf woorden horen in geen van de vijf groepen thuis, hoewel ze op dezelfde letters eindigen. Leg per woord uit waarom niet. Spreek ze eerst hardop uit.
| woord | waarom hoort het er niet bij? |
|---|---|
| de tor | |
| de grond | |
| het gemis | |
| de prik | |
| de stem |
Een los stukje kan je niet kiezen. Lees telkens de hele zin, bepaal welk woord er moet staan en zet het pas dan in de juiste groep.
Elke zaterdagav rijdt mijn oom met zijn oude trekker naar het veld achter de kerk. De mot maakt meer lawaai dan de rest van de tract samen. Op de bod van de aanhangwagen ligt altijd een bez, want er waait van alles in.
Vorige week zat er een hav op de paal aan de ingang. Hij keek naar ons alsof wij de hindern waren, en niet omgekeerd. Mijn oom zette de mot af. Pas toen hoorde ik zijn ad en de wind.
Vul de negen stukjes aan in de tekst hierboven.
Schrijf de negen ingevulde woorden op en zet er telkens bij tot welke groep ze horen. Eén woord komt twee keer voor: schrijf het maar één keer op.
Schrijf nu zelf een stukje van minstens zes zinnen over een plaats die jij goed kent. Gebruik er minstens zeven woorden in uit de vijf groepen, en onderstreep ze. Je mag woorden van blad 7 gebruiken, maar minstens twee moet je zelf bedenken.