De persoonsvorm opsporen door de tijd te veranderen, het onderwerp erbij zoeken, en hem onderscheiden van andere werkwoordsvormen in dezelfde zin.
Zoek eerst de persoonsvorm: zet de zin in een andere tijd, en het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Zet daarna wie of wat ervoor. Pas dan weet je wat je schrijft.
Zoek per zin eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, en kies pas daarna.
| zin | persoonsvorm | onderwerp | juiste vorm |
|---|---|---|---|
| 1. Elke ochtend (word / wordt) de gang gedweild. | |||
| 2. Jij (vind / vindt) die sleutel vast in de la. | |||
| 3. (Vind / Vindt) jij dat zelf ook zo raar? | |||
| 4. De kinderen van de derde klas (wacht / wachten) buiten. | |||
| 5. In de kast (ligt / liggen) drie dozen krijt. | |||
| 6. Naast de deur (hangt / hangen) een lijst met namen. | |||
| 7. Ik (antwoord / antwoordt) veel te snel. | |||
| 8. De juf en de conciërge (zet / zetten) de stoelen terug. |
Zin 2 en zin 3 hebben hetzelfde werkwoord en hetzelfde onderwerp, en toch schrijf je ze anders. Leg uit wat het verschil maakt.
Veel fouten komen doordat je het dichtstbijzijnde woord pakt. Zet altijd echt wie of wat voor de persoonsvorm en luister naar je antwoord.
Vul de tabel in. Schrijf het onderwerp voluit, met alle woorden die erbij horen.
| zin | persoonsvorm | onderwerp |
|---|---|---|
| 1. Achter de hoge kasten in de gang (staat / staan) nog een oude bank. | ||
| 2. Naast de trap (hangt / hangen) twee grote foto's. | ||
| 3. Volgens de meester, die alles weet, (klopt / kloppen) die uitleg niet. | ||
| 4. In de doos onder de bank (zit / zitten) de blokjes van vorig jaar. | ||
| 5. Op het bord (staat / staan) het stappenplan van vandaag. | ||
| 6. Aan de rand van de speelplaats (groeit / groeien) drie jonge bomen. |
In vijf van deze zes zinnen staat vlak voor de persoonsvorm een woord dat níét het onderwerp is. Kies er twee en schrijf op welke fout je zou maken als je dat woord wel koos.
Schrijf zelf twee zinnen waarin het onderwerp achteraan staat: één met een enkelvoudig onderwerp en één met een meervoudig onderwerp. Onderstreep in allebei de persoonsvorm.
Van dozen krijt, foto's en bomen kan je er meer dan één hebben. Kijk dus niet naar het laatste woord van het onderwerp, maar naar het hele onderwerp samen.
Zet de hele zin in een andere tijd. Eén werkwoord verandert; dat is de persoonsvorm. De andere blijven staan zoals ze stonden.
Onderstreep in je hoofd alle werkwoorden en vul daarna de tabel in.
| zin | persoonsvorm | de andere werkwoordsvormen |
|---|---|---|
| 1. Nour wil de kaartjes eerst zelf uitknippen en sorteren. | ||
| 2. Het plan is gisteren door de hele klas gelezen. | ||
| 3. Morgen gaan we het rooster nog een keer proberen. | ||
| 4. Heb jij de lijm al teruggezet in de kast? | ||
| 5. Zonder die kier zou de brug zichzelf kapotduwen. |
Kies drie zinnen en schrijf ze op in een andere tijd.
Zin 4 is een vraagzin. Wat gebeurt er met de t van de persoonsvorm, en waarom?
Doe de tijdproef op: Wie de stappen omdraait, krijgt een ander resultaat. Je vindt er twee, want er zitten twee zinnen in, met een komma ertussen.
Een zin klopt niet omdat hij goed klinkt, maar omdat je kan aanwijzen wat de persoonsvorm is en wie of wat het onderwerp is.
Maak vijf zinnen, één per bestelling.
| de bestelling | jouw zin |
|---|---|
| A. een vraagzin die begint met de persoonsvorm, met jij als onderwerp | |
| B. een zin met drie werkwoorden en maar één persoonsvorm | |
| C. een zin die geen vraag is en waarin het onderwerp achter de persoonsvorm staat | |
| D. een zin met jij waarin de persoonsvorm géén t krijgt | |
| E. een zin met een meervoudig onderwerp dat niet vooraan staat |
Lever je bewijs: onderstreep in elke zin de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.
Ruil met iemand anders en controleer zijn vijf zinnen. Welke bestelling ging het vaakst mis, en wat was de fout?
Bestelling D is een instinker. Leg uit waarom de persoonsvorm daar geen t krijgt, en geef er een tweede voorbeeld van.