← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Spelling · bundel 3

De persoonsvorm en het onderwerp vinden

De persoonsvorm opsporen door de tijd te veranderen, het onderwerp erbij zoeken, en hem onderscheiden van andere werkwoordsvormen in dezelfde zin.

Download PDF alle bundels spelling
Spelling · werkwoorden

Eerst zoeken, dan pas schrijven

Je schrijft een werkwoord pas juist als je weet wie het doet.
1
Wat leer je hier
  • Je zoekt de persoonsvorm met de tijdproef en het onderwerp met wie of wat.
  • Je gebruikt dat om te beslissen of er een t bij moet of niet.
Van onderwerp naar letter

Zoek eerst de persoonsvorm: zet de zin in een andere tijd, en het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Zet daarna wie of wat ervoor. Pas dan weet je wat je schrijft.

  • Hoort de persoonsvorm bij ik, dan schrijf je alleen de stam: ik antwoord.
  • Hoort hij bij jij, hij, zij of het, dan komt er een t bij: jij vindt, zij wordt.
  • Staat jij achter de persoonsvorm, dan valt die t weg: vind jij, word jij.
  • Is het onderwerp meervoud, dan schrijf je het hele werkwoord: de kinderen wachten.
1

Zoek per zin eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, en kies pas daarna.

zinpersoonsvormonderwerpjuiste vorm
1. Elke ochtend (word / wordt) de gang gedweild.
2. Jij (vind / vindt) die sleutel vast in de la.
3. (Vind / Vindt) jij dat zelf ook zo raar?
4. De kinderen van de derde klas (wacht / wachten) buiten.
5. In de kast (ligt / liggen) drie dozen krijt.
6. Naast de deur (hangt / hangen) een lijst met namen.
7. Ik (antwoord / antwoordt) veel te snel.
8. De juf en de conciërge (zet / zetten) de stoelen terug.
2

Zin 2 en zin 3 hebben hetzelfde werkwoord en hetzelfde onderwerp, en toch schrijf je ze anders. Leg uit wat het verschil maakt.

Spelling naam
Spelling · het onderwerp zoeken

Het onderwerp staat niet altijd vooraan

Het woord vlak voor de persoonsvorm is meestal een valstrik.
2
Kijk niet naar de plaats, stel de vraag

Veel fouten komen doordat je het dichtstbijzijnde woord pakt. Zet altijd echt wie of wat voor de persoonsvorm en luister naar je antwoord.

  • Begint de zin met een plaats of een tijd, dan komt het onderwerp daarna.
  • Een tussenstukje met komma's mag je even wegdenken; het onderwerp staat er niet in.
  • Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan: drie jonge bomen is één onderwerp.
1

Vul de tabel in. Schrijf het onderwerp voluit, met alle woorden die erbij horen.

zinpersoonsvormonderwerp
1. Achter de hoge kasten in de gang (staat / staan) nog een oude bank.
2. Naast de trap (hangt / hangen) twee grote foto's.
3. Volgens de meester, die alles weet, (klopt / kloppen) die uitleg niet.
4. In de doos onder de bank (zit / zitten) de blokjes van vorig jaar.
5. Op het bord (staat / staan) het stappenplan van vandaag.
6. Aan de rand van de speelplaats (groeit / groeien) drie jonge bomen.
2

In vijf van deze zes zinnen staat vlak voor de persoonsvorm een woord dat níét het onderwerp is. Kies er twee en schrijf op welke fout je zou maken als je dat woord wel koos.

3

Schrijf zelf twee zinnen waarin het onderwerp achteraan staat: één met een enkelvoudig onderwerp en één met een meervoudig onderwerp. Onderstreep in allebei de persoonsvorm.

Let op

Van dozen krijt, foto's en bomen kan je er meer dan één hebben. Kijk dus niet naar het laatste woord van het onderwerp, maar naar het hele onderwerp samen.

Spelling naam
Spelling · één uit drie

Welke van de drie is de persoonsvorm?

In veel zinnen staan twee of drie werkwoorden. Maar één ervan verandert mee met de tijd.
3
De tijdproef wijst er precies één aan

Zet de hele zin in een andere tijd. Eén werkwoord verandert; dat is de persoonsvorm. De andere blijven staan zoals ze stonden.

  • Een heel werkwoord eindigt meestal op -en en verandert niet mee: trekken, proberen.
  • Een voltooid deelwoord begint vaak met ge- en verandert ook niet mee: gelezen, teruggezet.
  • Hulpwerkwoorden zoals is, heb, kan, wil, gaan en zou zijn heel vaak de persoonsvorm.
1

Onderstreep in je hoofd alle werkwoorden en vul daarna de tabel in.

zinpersoonsvormde andere werkwoordsvormen
1. Nour wil de kaartjes eerst zelf uitknippen en sorteren.
2. Het plan is gisteren door de hele klas gelezen.
3. Morgen gaan we het rooster nog een keer proberen.
4. Heb jij de lijm al teruggezet in de kast?
5. Zonder die kier zou de brug zichzelf kapotduwen.
2

Kies drie zinnen en schrijf ze op in een andere tijd.

3

Zin 4 is een vraagzin. Wat gebeurt er met de t van de persoonsvorm, en waarom?

Eén zin, twee persoonsvormen

Doe de tijdproef op: Wie de stappen omdraait, krijgt een ander resultaat. Je vindt er twee, want er zitten twee zinnen in, met een komma ertussen.

Spelling naam
Spelling · zelf bouwen

De zinnenfabriek

Vijf bestellingen. Jij levert de zinnen en het bewijs erbij.
4
Bewijs is geen gevoel

Een zin klopt niet omdat hij goed klinkt, maar omdat je kan aanwijzen wat de persoonsvorm is en wie of wat het onderwerp is.

  • Onderstreep de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.
  • Doe bij elke zin de tijdproef; lukt die niet, dan zit je fout.
  • Tel je werkwoorden. Meer dan één mag, meer dan één persoonsvorm niet.
1

Maak vijf zinnen, één per bestelling.

de bestellingjouw zin
A. een vraagzin die begint met de persoonsvorm, met jij als onderwerp
B. een zin met drie werkwoorden en maar één persoonsvorm
C. een zin die geen vraag is en waarin het onderwerp achter de persoonsvorm staat
D. een zin met jij waarin de persoonsvorm géén t krijgt
E. een zin met een meervoudig onderwerp dat niet vooraan staat
2

Lever je bewijs: onderstreep in elke zin de persoonsvorm en zet een golflijn onder het onderwerp.

3

Ruil met iemand anders en controleer zijn vijf zinnen. Welke bestelling ging het vaakst mis, en wat was de fout?

4

Bestelling D is een instinker. Leg uit waarom de persoonsvorm daar geen t krijgt, en geef er een tweede voorbeeld van.

Spelling naam