Hoeveel warmte een stof opslaat, waarom ijs smelten zoveel kost, en hoe groot een warmtebuffer moet zijn
Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Twee vaten water als warmtebuffer: overdag laden ze op, 's nachts geven ze hun warmte terug.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
18.1
Vier grootheden, één formule
Oefenen3Rekenen15 min
Gebruik Q=m⋅c⋅ΔT en de tabel met soortelijke warmtecapaciteiten uit het handboek. Schrijf telkens de omgevormde formule op.
a
Bereken wat ontbreekt.
(a) Q=2,0⋅4186⋅50=418600J≈419kJ
(b) ΔT=18000/(0,50⋅900)=40K
(c) c=12600/(0,300⋅21)=2000J/(kg⋅K)
(d) m=7700/(385⋅40)=0,50kg
(e) ΔT=1290/(0,250⋅129)=40K, dus eindtemperatuur 60 °C
18.2
Zelfde warmte, ander resultaat
Oefenen3Begrijpen10 min
Vier blokjes van elk 1,0 kg, van water (in een zakje), aluminium, koper en lood, krijgen elk 10 kJ warmte.
a
Welk blokje wordt het warmst? Rangschik zonder te rekenen, en verklaar met c.
Lood, dan koper, dan aluminium, dan water: hoe kleiner c, hoe groter de temperatuurstijging bij dezelfde warmte en massa.
b
Bereken de temperatuurstijging van elk blokje.
ΔT=Q/(mc): water 10000/4186=2,4K; aluminium 10000/897=11K; koper 10000/385=26K; lood 10000/129=78K.
c
Op het strand is het zand 's middags gloeiend heet, het zeewater fris. 's Nachts is het omgekeerd. Verklaar met de soortelijke warmtecapaciteit.
Zand heeft een veel kleinere c dan water (± 830 tegenover 4186) en de zon warmt alleen een dun laagje zand op: het wordt snel heet. Het zeewater heeft een grote c en wordt bovendien gemengd tot op grote diepte: het warmt traag op. 's Nachts koelt het zand even snel af, terwijl het water zijn warmte vasthoudt.
18.3
Smelten en verdampen
Oefenen4Rekenen15 min
Gebruik Ls=334kJ/kg en Lv=2257kJ/kg (100 °C) voor water.
a
Hoeveel warmte is nodig om 2,0 kg ijs van 0 °C te laten smelten?
Q=2,0⋅334=668kJ.
b
Hoeveel warmte is nodig om 0,50 L kokend water helemaal te laten verdampen? Hoe lang duurt dat op een kookplaat die 1500 W aan de pan afgeeft?
Q=0,50⋅2257=1129kJ; t=1128500/1500=752s≈12,5min.
c
Hoeveel warmte vraagt 1,0 kg ijs van 0 °C om water van 100 °C te worden? Vergelijk met het verdampen van diezelfde kilogram.
Smelten 334 kJ plus opwarmen 1,0⋅4186⋅100=419kJ: samen 753 kJ. Verdampen vraagt 2257 kJ: drie keer zoveel als smelten en opwarmen samen.
18.4
Een opwarmcurve lezen
Oefenen4Analyseren20 min
Een vaste stof X van 0,20 kg wordt in een goed geïsoleerd vat verwarmd met een verwarmer van 40 W. Neem aan dat alle warmte in stof X terechtkomt. De grafiek toont de temperatuur.
Temperatuur van stof X tijdens het verwarmen (knikpunten bij 6,0 min, 22,5 min en 28,0 min).
a
Wat is het smeltpunt van stof X? Hoe zie je dat?
54 °C: daar loopt de grafiek horizontaal (van 6,0 tot 22,5 min). De warmte gaat dan naar het smelten.
b
Bereken de soortelijke warmtecapaciteit van de vaste stof.
Van 20 naar 54 °C in 6,0 min = 360 s: Q=40⋅360=14400J, dus c=0,20⋅3414400=2100J/(kg⋅K).
c
Bereken de smeltwarmte van stof X.
Het plateau duurt 22,5−6,0=16,5 min = 990 s: Q=40⋅990=39600J, dus Ls=39600/0,20=198000J/kg≈200kJ/kg.
d
Bereken de soortelijke warmtecapaciteit van de vloeistof. Welke stof zou X kunnen zijn? Gebruik de tabellen.
Van 54 naar 80 °C in 5,5 min = 330 s: c=0,20⋅2640⋅330=2500J/(kg⋅K). Een smeltwarmte van ongeveer 200 kJ/kg en c≈2000 in vaste vorm passen bij een paraffine (kaarsvet).
18.5
Het reservoir als warmtebron
Oefenen3Rekenen10 min
Het voedingsreservoir van de klimaatmodule bevat 60 L oplossing (reken met water).
a
Bereken de warmtecapaciteit van het reservoir in kJ/K.
C=60⋅4186=251000J/K=251kJ/K.
b
Het reservoir koelt 's nachts 4,0 °C af. Hoeveel warmte geeft het af, in kJ en in Wh?
Q=251⋅4,0=1005kJ; in Wh: 1004640/3600=279Wh.
c
Hoe lang zou een aquariumverwarmer van 50 W erover doen om die warmte weer toe te voeren?
t=1004640/50=20093s≈5,6h (zonder verliezen).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
18.6
Een bad op de juiste temperatuur
Toepassen4Rekenen15 min
Je wil een bad van 80 L van 38 °C. Uit de warme kraan komt water van 60 °C, uit de koude kraan water van 12 °C.
a
Hoeveel liter warm en hoeveel liter koud water heb je nodig?
60x+12(80−x)=38⋅80, dus 48x=2080 en x=43,3L warm, 36,7L koud.
b
Hoeveel energie kostte het om dat warme water van 12 naar 60 °C op te warmen? Geef je antwoord ook in kWh en in euro bij € 0,30 per kWh.
Q=43,3⋅4186⋅48=8,71MJ=2,42kWh, ongeveer € 0,73.
c
Waarom wordt het bad in werkelijkheid een beetje kouder dan 38 °C?
Het bad zelf (de kuip) en de lucht nemen warmte op, en er verdampt water aan het oppervlak: de warmtebalans bevat meer dan twee 'stoffen'.
18.7
Habitat: het reservoir bijvullen zonder koude voeten
Toepassen5Rekenen20 min
In het reservoir staat nog 24 L van 21,0 °C. Er moet 36 L bij tot 60 L. Je hebt regenwater van 9,0 °C en warm water van 50 °C. Doel: 20 °C.
a
Welke temperatuur krijg je met alleen regenwater?
(24⋅21+36⋅9)/60=13,8∘C.
b
Hoeveel liter warm water heb je nodig? Stel de warmtebalans op.
24⋅21+50x+9(36−x)=60⋅20⇒41x=372⇒x=9,1L warm water (en 26,9 L regenwater).
c
Een klasgenoot vult bij met alleen regenwater en zet daarna een verwarmer van 100 W in het reservoir. Hoeveel energie en hoeveel tijd kost dat? Vergelijk met de energie voor het warme water.
Q=60⋅4186⋅(20−13,8)=1,56MJ; t=1557000/100=15600s≈4,3h. Het warme water opwarmen van 9 naar 50 °C kost 9,07⋅4186⋅41=1,56MJ: precies evenveel, zoals behoud van energie voorspelt.
d
Bedenk een manier om het regenwater op te warmen die geen elektrische energie kost.
Bijvoorbeeld: het regenwater een dag vooraf in een donkere jerrycan in de warme module of in de zon onder het kasdak zetten, of via een slang door het warme buffervat laten lopen.
18.8
Een glas ijsthee
Toepassen5Rekenen20 min
In 0,40 kg thee van 25 °C doe je ijs van −10 °C. Thee is bijna water. cijs=2100J/(kg⋅K), Ls=334kJ/kg.
a
Je doet er 150 g ijs in. Smelt al het ijs? Werk met een boekhouding tot 0 °C.
Thee tot 0 °C: 0,40⋅4186⋅25=41860J. Ijs: opwarmen 0,150⋅2100⋅10=3150J, smelten 0,150⋅334000=50100J, samen 53 250 J. Meer dan 41 860 J: niet alles smelt.
b
Hoeveel ijs blijft er over, en wat is de eindtemperatuur?
Na het opwarmen van het ijs blijft 41860−3150=38710J: dat smelt 38710/334000=0,116kg. Er blijft 34 g ijs over; de eindtemperatuur is 0 °C.
c
Wat is de eindtemperatuur met 80 g ijs?
Ijs: 0,080⋅2100⋅10+0,080⋅334000=1680+26720=28400J, minder dan 41 860 J: alles smelt. Rest 13460J voor 0,48 kg water: Te=13460/(0,48⋅4186)=6,7∘C.
18.9
Labo: de soortelijke warmtecapaciteit van een metaal
Toepassen5Labo50 min
Bepaal met de mengmethode de soortelijke warmtecapaciteit van een metalen blokje (aluminium, koper of messing). Bepaal eerst de warmtecapaciteit van je calorimeter, zoals in het handboek.
a
Bepaal Ccal met warm en koud water (drie keer). Noteer je metingen en het gemiddelde.
Zoals in het voorbeeld van het handboek: Ccal=Te−Tkmwc(Tw−Te)−mkc(Te−Tk). Typisch 20 à 40 J/K voor twee piepschuimbekers; de spreiding tussen drie metingen is vaak 5 à 10 J/K.
b
Voer de proef met het blokje uit. Meet om de 30 s, van 3 min voor tot 7 min na het mengen.
Voor het mengen stijgt of daalt de temperatuur heel traag (naar de kamertemperatuur toe); na het mengen een snelle sprong, dan een trage daling.
c
Teken de grafiek, trek de afkoelrechte terug tot het moment van mengen en lees Te af.
De afkoelrechte door de punten vanaf ongeveer 2 min na het mengen, verlengd tot het moment van mengen. Het snijpunt ligt enkele tienden van een graad boven de hoogste meting.
d
Bereken c met en zonder correctie. Vergelijk met de tabel en bespreek de belangrijkste foutenbron.
Met correctie typisch 1 à 3 % onder de tabelwaarde (aluminium 897, koper 385, messing ± 380). Belangrijkste systematische fout: het blokje koelt af tijdens het overbrengen (of neemt heet water mee, dan wordt c te groot). Toevallig: aflezen van Te, massa van het water.
Zo wordt dit beoordeeld
Calorimeter
Waterwaarde drie keer bepaald, gemiddelde en spreiding vermeld.
Meting
Temperatuur vóór en na het mengen om de 30 s; massa's op de balans; begintemperatuur van het blokje genoteerd.
Grafiek en correctie
Assen met grootheid en eenheid, afkoelrechte correct teruggetrokken tot het moment van mengen.
Besluit
c met eenheid, met en zonder correctie; afwijking van de tabelwaarde in procent; foutenbronnen systematisch en toevallig onderscheiden.
18.10
Zelf corrigeren voor warmteverlies
Toepassen5Analyseren25 min
Een leerling liet op t=3,0 min een koperen blokje van 300,0 g en 99,5 °C in 180,0 g water van 17,6 °C zakken, in een calorimeter met Ccal=30J/K. De grafiek toont haar metingen.
Metingen om de 30 s; het blokje ging erin op t = 3,0 min.
a
Trek een rechte door de punten vanaf 5 min en verleng ze tot t=3,0 min. Welke eindtemperatuur lees je af?
De punten na 5 min dalen met ongeveer 0,08 °C per minuut; teruggetrokken tot 3,0 min: ongeveer 28,1 °C (28,0 à 28,2 is goed afgelezen).
b
Bereken c van koper met die gecorrigeerde eindtemperatuur.
Bereken c ook met de hoogste meting (27,9 °C). Hoeveel procent scheelt het met de tabelwaarde (385)?
c=0,300⋅71,6783,5⋅10,3=376J/(kg⋅K): 2,4 % onder de tabelwaarde, tegenover 0,2 % met de correctie.
d
Waarom daalt de temperatuur na het mengen, en waarom trek je de rechte terug tot het moment van mengen en niet tot de piek?
Het water is warmer dan de kamer en verliest warmte door de wand en het deksel. Dat verlies begint al tijdens het mengen: op het ogenblik van de piek is er al warmte weg. De rechte schat wat de temperatuur zou zijn als het mengen ogenblikkelijk was gebeurd, op het ogenblik dat het blokje erin ging.
18.11
Python: mengen.py uitbreiden
Toepassen6Programmeren30 min
Gebruik het programma mengen.py van het codeblad.
a
Voorspel wat mengen([(1.0, 4186, 80), (0.5, 897, 20)]) teruggeeft, en controleer door het programma te draaien.
Te=4186+448,51,0⋅4186⋅80+0,5⋅897⋅20=4634,5334880+8970=74,2∘C; het programma geeft 74,19...
b
Schrijf een functie c_uit_meting(m_m, T_m, m_w, T_w, C_cal, T_e) die de soortelijke warmtecapaciteit van een metaal berekent. Test ze met de proef van het handboek.
Vul met_ijs aan voor het geval dat er water bevriest (het ijs is zo koud dat het water tot 0 °C afkoelt en daarna deels stolt). Wat geeft 0,10 kg water van 5 °C met 1,0 kg ijs van −30 °C?
if q_beschikbaar < q_opwarmen:
tekort = q_opwarmen - q_beschikbaar
if tekort <= m_water * L_SMELT: # een deel van het water bevriest, alles op 0 °C
return 0.0, m_ijs + tekort / L_SMELT
return None, m_ijs + m_water # alles bevriest en zakt onder 0 °C
Voor 0,10 kg water van 5 °C en 1,0 kg ijs van −30 °C: beschikbaar 0,10⋅4186⋅5=2093J, nodig 1,0⋅2100⋅30=63000J. Zelfs als al het water bevriest (33 400 J extra) is het te weinig: alles wordt ijs, onder 0 °C. Het tekort van 63000−2093−33400=27507J komt uit al het ijs (1,10 kg) dat samen onder 0 °C zakt: Te=−1,10⋅210027507=−11,9∘C.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
18.12
Habitat: een warmtebuffer voor een koude nacht
Uitdagen6Habitat45 min
Het handboek dimensioneerde de nachtbuffer van de klimaatmodule voor een lentenacht. Nu een nacht in maart: de lampen gaan om 20 uur uit en om 6 uur weer aan (10 uur), buiten is het gemiddeld 1 °C, bij het doven is de module 25 °C, en ze mag niet onder 15 °C zakken. De module verliest 20 W per °C; reservoir en lucht samen hebben een warmtecapaciteit van 265 kJ/K.
a
Schat met de gemiddelde temperatuur hoeveel warmte de module die nacht verliest, en hoe groot het extra watervat moet zijn.
Q=20⋅(20−1)⋅10⋅3600=13,7MJ. Cnodig=13,7MJ/10K=1368kJ/K. Vat: 1368−265=1103kJ/K, dus 1103000/4186=264kg: een vat van 300 L (of 264 L en meer zekerheid met het scherm).
b
Controleer je keuze met het afkoelmodel: T(t)=Tb+(T0−Tb)e−t/τ met τ=C/H (C in J/K, H=20W/K). Is het vat groot genoeg na 10 uur? En met een nachtscherm dat het verlies tot 17 W per °C verlaagt?
Met 300 L: C=1256+265=1521kJ/K, τ=1521000/20=76000s=21,1h. T(10h)=1+24e−10/21,1=1+24⋅0,623=15,9∘C: net goed. Met 200 L: 13,5 °C, te weinig. Met nachtscherm en 300 L: τ=24,9h, T=17,0∘C.
c
Hoeveel elektrische energie zou een verwarming vragen om zonder vat 15 °C te houden? Wat betekent dat voor de batterij van 1,2 kWh?
20⋅(15−1)=280W, tien uur lang: 2,8 kWh. Meer dan twee keer de bruikbare batterij: onmogelijk op de batterij.
d
Hoeveel kg paraffine (200 kJ/kg, stolt bij 22 °C) vervangt het extra water? Noem twee redenen om toch water te kiezen.
1103kJ/K⋅10K=11MJ; 11030000/200000=55kg paraffine. Water: goedkoop, veilig, geen brandbaar materiaal in de module, makkelijk te verplaatsen en te laten circuleren; paraffine geleidt slecht en moet in dunne pakketten.
e
Schrijf voor je portfolio een advies van vijf regels: grootte, kleur en plaats van het vat, en wat je nog moet meten.
Bijvoorbeeld: 'Een donker vat van 300 L (of twee van 150 L) in het zonlicht onder het kasdak, met een deksel tegen verdamping. Samen met een nachtscherm blijft de module in maart boven 15 °C zonder verwarming. Te meten: de temperatuur van het vat en van de lucht elke 10 minuten, een week lang, om het verliesgetal van 20 W per °C na te gaan (hoofdstuk 19 en 30).'
Zo wordt dit beoordeeld
Schatting
Warmteverlies met gemiddeld temperatuurverschil, C_nodig, bijdrage van reservoir en lucht afgetrokken, vat in liter.
Controle
Afkoelmodel correct ingevuld (τ in s of h), besluit of het vat volstaat, effect van het nachtscherm.
Vergelijking
Elektrisch verwarmen in kWh vergeleken met de batterij; PCM-massa berekend en afgewogen.
Advies
Concreet (liter, kleur, plaats), met getallen, en met een meetplan (temperatuur van vat en lucht loggen).
18.13
Vorstberegening doorgerekend
Uitdagen6Rekenen25 min
Een fruitteler beregent een hectare boomgaard met 30 000 L water per uur tijdens een vriesnacht. De verdampingswarmte van water bij 0 °C is 2501 kJ/kg; stollen levert 334 kJ/kg.
a
Hoeveel mm water per uur is dat? Hoeveel warmte komt per vierkante meter per uur vrij als al het water bevriest, en welk vermogen per m² is dat?
30000L op 10000m2 = 3,0 L per m² = 3,0 mm per uur. Q=3,0⋅334=1002kJ per m² per uur, dus 1002000/3600=278W/m2.
b
Bij wind verdampt een deel x van het water in plaats van te bevriezen. Stel een vergelijking op voor de netto warmte per kg gespoten water.
Per kg: Qnetto=(1−x)⋅334−x⋅2501 (in kJ).
c
Vanaf welk percentage verdamping levert de beregening netto geen warmte meer? Wat betekent dat voor de teler?
Qnetto=0 als 334=x(334+2501), dus x=334/2835=0,118: vanaf ongeveer 12 % verdamping werkt de beregening niet meer, daarboven koelt ze de bloesem zelfs af. Bij wind (die verdamping versnelt) is beregening dus riskant.
d
Waarom mag de teler de beregening 's ochtends pas stoppen als het ijs gesmolten is?
Na de beregening zit er ijs op de bloesem. Als de zon opkomt of de lucht droog is, sublimeert en verdampt dat water: dat kost warmte, en de bloesem kan onder de temperatuur van de lucht zakken. Blijft er vloeibaar water bij komen, dan blijft het mengsel op 0 °C tot al het ijs gesmolten is.
18.14
Transpiratie: de sla als airco
Uitdagen6Analyseren25 min
Op een warme, zonnige dag verdampen de slaplanten van de kweekruimte samen 6,0 L water, vooral tijdens de 16 lichturen. Verdampingswarmte bij 20 °C: 2454 kJ/kg. De ventilatie ververst 11 m³ lucht per uur (hoofdstuk 14). Binnenlucht van 20 °C en 70 % relatieve vochtigheid bevat 12,1 g waterdamp per m³, buitenlucht van 5 °C en 80 % bevat 5,4 g per m³.
a
Hoeveel warmte neemt het verdampen op, in MJ en in kWh? Welk vermogen is dat gemiddeld tijdens de lichturen?
Vergelijk met de lampen (190 W, 16 uur). Wat betekent dat voor de temperatuur in de module?
Meer dan het vermogen van de lampen: de transpiratie koelt de module sterk af (de energie komt uit het zonlicht dat de bladeren opvangen, en uit de lucht). Zonder transpiratie zou het in de module veel warmer worden.
c
Hoeveel waterdamp voert de ventilatie per dag af? Waar blijft de rest?
Per m³: 12,1−5,4=6,7g; per dag 6,7⋅11⋅24=1770g≈1,8kg. De overige 4,2 kg condenseert tegen koude oppervlakken (vooral het kasdak 's nachts) of moet met een ontvochtiger weg.
d
Waar komt de verdampingswarmte uiteindelijk terecht? Volg de energie.
Bij het condenseren komt de verdampingswarmte vrij, in het kasdak; van daar lekt ze naar buiten (hoofdstuk 19). Met de ventilatie gaat de damp met zijn latente warmte meteen naar buiten. Een ontvochtiger laat de damp binnen condenseren: de warmte blijft dan in de module.
18.15
Onderzoek: de methode van Rumford
Uitdagen7Onderzoeken40 min
Je meet c van water met een dompelaar: 12,0 V en 2,50 A, in 300 g water in een calorimeter met Ccal=30J/K. De kamer is 20,0 °C. Proef A: van 20,0 tot 30,0 °C duurt 452 s. Proef B: je start met water van 15,0 °C en stopt bij 25,0 °C: dat duurt 429 s.
a
Bereken het vermogen van de dompelaar en c van water uit elke proef.
P=12,0⋅2,50=30,0W. A: Q=30⋅452=13560J voor 10 K: 0,300c+30=1356, dus c=4420J/(kg⋅K). B: Q=30⋅429=12870J: c=(1287−30)/0,300=4190J/(kg⋅K).
b
Welke proef geeft het beste resultaat? Verklaar met de warmte-uitwisseling met de kamer tijdens elke proef.
Proef B (0,1 % van 4186). In proef A is het water de hele tijd warmer dan de kamer en lekt er voortdurend warmte weg: de dompelaar moet langer werken, en c lijkt 6 % te groot. In proef B krijgt het water eerst warmte van de kamer (onder 20 °C) en verliest het daarna ongeveer evenveel (boven 20 °C).
c
Graaf Rumford stelde rond 1800 voor: begin evenveel graden onder de kamertemperatuur als je erboven eindigt. Waarom werkt dat, en waarom mag je niet te ver onder de kamertemperatuur beginnen (denk aan het dauwpunt, hoofdstuk F6)?
Winst en verlies zijn ongeveer evenredig met het temperatuurverschil met de kamer: als je symmetrisch rond de kamertemperatuur meet, heffen ze elkaar grotendeels op. Te koud beginnen is riskant: onder het dauwpunt van de kamerlucht condenseert er water op de beker, en die condensatie levert (latente) warmte die je niet meet.
d
Ontwerp een derde proef om na te gaan hoe groot het warmteverlies van je calorimeter per graad verschil is.
Bijvoorbeeld: water van 40 °C in de calorimeter, zonder dompelaar, en 20 minuten lang de afkoeling meten. De daling per minuut maal C (water + calorimeter) geeft het verlies in W; gedeeld door het temperatuurverschil met de kamer krijg je W per °C.
18.16
Debat: warmtebuffer of batterij?
Uitdagen6Argumenteren25 min
Stelling van een teamgenoot: 'Een vat water is gewoon een goedkope batterij. Laten we overdag de zonnestroom die we over hebben in het vat steken met een verwarmingselement, en 's nachts de lampen er op laten branden.'
a
Wat klopt er aan de stelling? Reken: hoeveel warmte slaat 200 L water op bij 10 °C zwaai, in kWh? Vergelijk met de bruikbare batterij (1,2 kWh, ± 14 kg).
200⋅4186⋅10=8,37MJ=2,3kWh: meer dan de bruikbare batterij, voor een paar tientjes. Klopt dus: als warmteopslag is een vat goedkoop en groot (al weegt het 200 kg tegenover 14 kg).
b
Wat klopt er niet? Gebruik de woorden warmte, elektrische energie en temperatuurverschil.
Uit warmte van 20 à 30 °C krijg je geen elektrische energie terug om lampen te laten branden: daarvoor is een groot temperatuurverschil nodig, en zelfs dan lukt het maar voor een klein deel (hoofdstuk E15). Bovendien is een verwarmingselement een verspilling als je de warmte niet nodig hebt.
c
Formuleer een betere stelling die je team wel kan gebruiken.
Bijvoorbeeld: 'Wat de module 's nachts aan warmte nodig heeft, halen we uit een vat water, niet uit de batterij; de batterij houden we voor elektrische verbruikers. Overschot aan zonnestroom in de lente mag het vat bijwarmen, maar alleen als de batterij al vol is.'