E7. Sinusoïden, complexe getallen en fasoren — oplossingen
EExpert · deel E1 · Wiskundige gereedschapskist
Oplossingen · hoofdstuk 7Sinusoïden, complexe getallen en fasoren
Een sinus is een draaiende wijzer; met complexe getallen reken je ermee zoals met gewone getallen
Uitgewerkte oplossingen bij de 18 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Geef de fasor van dtdu1 en schrijf het signaal uit.
jωU1=100π⋅10∠(−30∘+90∘)=3142∠60∘, dus dtdu1=3142cos(ωt+60∘) (V/s). Controle: −10ωsin(ωt−30∘)=10ωcos(ωt−30∘+90∘).
7.5
Voorijlen of naijlen?
Oefenen6Begrijpen12 min
Lees het fasordiagram (50 Hz, de wijzers draaien tegen de klok in).
Drie fasoren bij 50 Hz: de spanning u en twee stromen i₁ en i₂.
a
Welke stroom ijlt voor op u, welke na? Met hoeveel graden?
i₂ ligt 75° voor op u (tegen de draaizin in verder), i₁ ijlt 50° na.
b
Hoeveel milliseconden na de piek van u komt de piek van i₁? En die van i₂?
i₁: 36050⋅20ms=2,78ms later. i₂: 36075⋅20=4,17ms vroeger (of 15,83 ms later, bij de volgende piek).
c
Welk soort toestel zou i₂ kunnen trekken, en welk i₁?
i₂: een capacitieve belasting (een condensator met wat weerstand, of een toestel met een ingangsfilter). i₁: een inductieve belasting, zoals een motor of een spoel met weerstand.
ejφ+e−jφ=(cosφ+jsinφ)+(cosφ−jsinφ)=2cosφ (cos is even, sin oneven).
c
Bereken jj. Tip: j=ejπ/2. Wat is er bijzonder aan het resultaat?
jj=(ejπ/2)j=ej2π/2=e−π/2=0,2079: een imaginair getal tot een imaginaire macht geeft een reëel getal. (Strikt genomen zijn er meer waarden, e−π/2−2kπ, omdat j ook ej(π/2+2kπ) is; 0,2079 is de hoofdwaarde die Python geeft.)
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
7.7
Twee spanningen in serie
Toepassen7Rekenen15 min
Twee sinusvormige spanningen van 50 Hz staan in serie: u1=20cosωt en u2=15cos(ωt−90∘) (V).
a
Bereken de fasor van u = u₁ + u₂ en schrijf u(t).
U=20−15j, ∣U∣=25, argU=−36,87∘: u=25cos(ωt−36,87∘) V.
b
Controleer je resultaat op t = 0 en op t = 5 ms.
t=0: u1+u2=20+0=20 en 25cos(−36,87∘)=20. t=5ms (ωt=90∘): 0+15=15 en 25cos(53,13∘)=15. Klopt.
c
Een voltmeter meet effectieve waarden. Wat wijst hij aan over u₁, over u₂ en over beide samen?
20/2=14,1V, 15/2=10,6V en 25/2=17,7V: niet 14,1+10,6=24,7V. Spanningen over onderdelen in serie tel je bij wisselstroom als wijzers op.
7.8
Fasordiagram en tijdbeeld tekenen
Toepassen7Tekenen25 min
Drie stromen komen samen in een knooppunt: i1=3cosωt, i2=2cos(ωt+90∘) en i3=2cos(ωt−150∘) (A).
a
Teken de drie fasoren op schaal (1 A = 2 cm) en construeer hun som kop aan staart. Meet lengte en hoek van de som.
Kop aan staart: 3 naar rechts, 2 omhoog, 2 onder −150∘ (naar links onder). De som komt uit op ongeveer (1,27;1,00): lengte ongeveer 1,6 A onder ongeveer 38°.
b
Bereken de som met complexe getallen en vergelijk met je tekening.
3+2j+2(cos(−150∘)+jsin(−150∘))=3+2j−1,732−j=1,268+1,000j, ∣I∣=1,615A onder 38,3∘.
c
Schets de vier signalen over één periode in één grafiek (ωt van 0 tot 360°).
Vier cosinussen met amplitudes 3, 2, 2 en 1,61: de som piekt bij ωt=−38∘, dus op 322∘, en gaat door nul bij 52∘ en 232∘. Controle op ωt=0: 3+0+2cos(−150∘)=1,27 en 1,62cos(38∘)=1,27.
7.9
Van versnelling naar uitwijking
Toepassen7Rekenen15 min
Een versnellingsmeter op de ventilatie-unit meet na onderhoud a(t)=0,8cos(2π⋅25t)m/s2.
a
Bereken met fasoren (delen door jω) de snelheid en de uitwijking, met amplitude en fase.
Een richtlijn voor trillingen van kleine machines noemt een effectieve trilsnelheid tot ongeveer 1,8 mm/s 'goed'. Hoe scoort de unit?
Effectief 5,09/2=3,60mm/s: onder 1,8 mm/s, dus in de categorie 'goed' (de juiste grenzen per machineklasse staan in de norm; hoofdstuk 11).
7.10
Een fasor uit een meetreeks
Toepassen8Programmeren30 min
Je schrijft zelf de functie die het handboek gebruikte om amplitude en fase uit metingen te halen.
a
Maak met numpy 0,1 s van een signaal 2,5 cos(2π · 50 t + 40°) met normale ruis (σ = 0,3), bemonsterd op 2 kHz. Schrijf een functie fasor(x, t, f) en druk amplitude en fase af.
Bijvoorbeeld:
import numpy as np
rng = np.random.default_rng(0)
fs, f = 2000, 50.0
t = np.arange(0, 0.1, 1 / fs)
x = 2.5 * np.cos(2 * np.pi * f * t + np.radians(40)) + rng.normal(0, 0.3, t.size)
def fasor(x, t, f):
return 2 * np.mean(x * np.exp(-1j * 2 * np.pi * f * t))
X = fasor(x, t, f)
print(abs(X), np.degrees(np.angle(X)))
Je vindt ongeveer 2,5 en 40°, tot op enkele honderdsten en enkele tienden van een graad (de ruis middelt over 200 metingen).
b
Neem nu 0,105 s in plaats van 0,1 s. Wat gebeurt er met de fout, en waarom?
Met 0,105 s bevat het venster 5,25 periodes: de wijzer met 2ω middelt niet meer weg, en er komt een fout bij die van de fase afhangt (enkele procenten). Oplossing: altijd over hele periodes middelen, of een venster gebruiken (hoofdstuk 21).
c
Hoe zou je met dezelfde functie de fase tussen de spanning en de stroom van een toestel meten?
Bereken U = fasor(u, t, f) en I = fasor(i, t, f) over dezelfde metingen; het faseverschil is np.angle(U) − np.angle(I) (of np.angle(U / I)). De gemeenschappelijke tijdsoorsprong valt weg.
7.11
Twee ventilatoren die zweven
Toepassen7Analyseren20 min
In de technische ruimte hangen de ventilator van de omvormer (1450 tpm) en die van de batterijkast (1500 tpm) op hetzelfde rek.
a
Met welke frequentie zweeft het gebrom? Hoe lang duurt één aanzwelling?
1450tpm=24,17Hz en 1500tpm=25Hz: zweving 0,83Hz, één aanzwelling per 1,2s.
b
Leg met twee wijzers uit waarom het geluid aanzwelt en wegsterft.
Bekeken vanuit de ene wijzer draait de andere langzaam rond met het verschil van de frequenties. Liggen ze samen, dan tellen de trillingen op (luid); een halve omwenteling later liggen ze tegengesteld (stil).
c
Stel twee manieren voor om de hinder weg te nemen.
De toerentallen ver uit elkaar leggen (zweving sneller dan ongeveer 15 per seconde klinkt als een vaste ruwheid in plaats van een deining), of de ventilatoren trillingsvrij ophangen (rubber, hoofdstuk 11) zodat het rek niet meetrilt. Exact gelijke toerentallen helpen alleen als ze ook in fase blijven, en dat gebeurt niet vanzelf.
7.12
Habitat: de ontwerpbelasting van de omvormer
Toepassen8Habitat45 min
Het energiebeheer van het station laat hoogstens deze toestellen tegelijk draaien (230 V, 50 Hz; stromen ijlen na, behalve bij de verwarming):
belasting
P (W)
cosφ
I (A)
hoek
noodverwarming
2000
1,00
drukpomp drinkwater
750
0,81
koelkast
150
0,70
rest (licht, elektronica, WTW, Pi)
300
0,95
samen
a
Bereken per toestel de schijnbare belasting S = P/cos φ, de stroom en zijn hoek. Vul de tabel aan.
Per toestel (hoek = −arccos(cos φ)):
belasting
S=P/cosφ (VA)
I (A)
hoek
I als a+bj (A)
noodverwarming
2000
8,70
−0,0°
8,70
drukpomp drinkwater
927
4,03
−36,0°
3,26 − 2,37j
koelkast
214
0,93
−45,6°
0,65 − 0,67j
rest (licht, elektronica, WTW, Pi)
316
1,37
−18,2°
1,30 − 0,43j
samen
3298
14,34
−14,0°
13,91 − 3,46j
b
Tel de stromen op als fasoren. Hoe groot is de totale stroom, onder welke hoek, en welke schijnbare belasting ziet de omvormer?
I=13,91−3,46jA, ∣I∣=14,34A onder −14,0∘; S=230⋅14,34=3298VA voor P=3200W.
c
Vergelijk met de gewone som van de stromen. Welke fout maak je zo, en is dat een veilige fout?
Gewone som: 15,03A, 5 % te veel. De gewone som is altijd minstens zo groot als de fasorsom (driehoeksongelijkheid): een veilige, maar te dure schatting.
d
Het dossier kiest een omvormer van 4,0 kVA continu en 8 kVA gedurende 5 s. Beoordeel die keuze; houd rekening met de aanloopstroom van de pomp (zes keer de nominale stroom, bijna zuiver inductief).
Continu: 3,30 kVA tegenover 4,0 kVA, een marge van 21 %. Aanloop: de pomp trekt kort ongeveer 6 × 4,03 = 24,2 A, bijna 90° achter op de spanning; met de andere toestellen erbij is de totale stroom dan ongeveer 27 A, of 6,3 kVA: binnen de 8 kVA gedurende 5 s. Aan de 48 V-kant vraagt 4 kW bij een rendement van 93 % ongeveer 90 A: dikke kabels en een zware zekering (hoofdstuk 24). Noodverwarming en koken tegelijk zou 4 kVA overschrijden: het energiebeheer moet dat verhinderen.
Zo wordt dit beoordeeld
Fasoren
Elke stroom correct als fasor (grootte en hoek, teken van de hoek), in poolvorm en als a + bj.
Som
Complexe som correct; modulus en hoek met atan2; S = U · |I|.
Interpretatie
Verschil met de gewone som verklaard; begrijpt dat de gewone som een veilige bovengrens is.
Keuze
Marge onderbouwd met getallen, aanloopstroom meegenomen, koppeling naar de 48 V-kant (stroom).
7.13
Impedanties uitrekenen
Toepassen7Rekenen20 min
Een condensator van 100 nF, een spoel van 10 mH en een weerstand van 1,0 kΩ.
a
Bereken de impedantie van de condensator bij 50 Hz en bij 10 kHz, en die van de spoel bij 50 Hz.
De weerstand en de condensator staan in serie aan een sinusvormige spanning van 5,0 V amplitude en 1,0 kHz. Bereken de stroom (amplitude en fase) en de spanning over de condensator.
Z=1000−j1592Ω=1880∠−57,9∘Ω. I=5/Z=2,66∠57,9∘mA: de stroom ijlt 57,9° voor. UC=ZCI=1592∠−90∘⋅0,00266∠57,9∘=4,23∠−32,1∘V. Controle: ∣UR∣2+∣UC∣2=2,662+4,232=25.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
7.14
Goniometrie uit Euler
Uitdagen8Analyseren25 min
Met ej(α+β)=ejαejβ en (ejφ)n=ejnφ vind je de goniometrische formules terug zonder ze te onthouden.
a
Leid de somformules voor cos(α+β) en sin(α+β) af door beide kanten uit te werken en reële en imaginaire delen gelijk te stellen.
ejαejβ=(cosα+jsinα)(cosβ+jsinβ)=(cosαcosβ−sinαsinβ)+j(sinαcosβ+cosαsinβ), en dat is cos(α+β)+jsin(α+β). Reële delen: cos(α+β)=cosαcosβ−sinαsinβ; imaginaire: sin(α+β)=sinαcosβ+cosαsinβ.
b
Leid met De Moivre cos3φ=4cos3φ−3cosφ af.
(c+js)3=c3+3c2(js)+3c(js)2+(js)3=(c3−3cs2)+j(3c2s−s3) met c=cosφ, s=sinφ. Reëel deel: cos3φ=c3−3c(1−c2)=4c3−3c.
c
Toon met Euler aan dat cos2φ=21(1+cos2φ), en gebruik het om te verklaren waarom het vermogen ui in een weerstand met de dubbele frequentie schommelt.
cos2φ=(2ejφ+e−jφ)2=4e2jφ+2+e−2jφ=21+21cos2φ. In een weerstand is p=ui=RU^2cos2ωt=2RU^2(1+cos2ωt): een gemiddelde U^2/(2R)=Ueff2/R plus een schommeling met 2ω (100 Hz bij het net). Daarom brommen transformatoren op 100 Hz.
7.15
Onderzoek: aliasing als draaiende wijzer
Uitdagen8Onderzoeken40 min
Een goedkope logger meet de netspanning (via een veilige meettransformator) maar 60 keer per seconde.
a
Hoeveel graden draait de wijzer van 50 Hz tussen twee metingen? Welke draai 'ziet' de logger, en welke frequentie lijkt het signaal te hebben?
360∘⋅50/60=300∘ per meting; de logger ziet de kortste draai: 300∘−360∘=−60∘. Dat is −60∘⋅60/360=−10Hz: een signaal van 10 Hz dat 'achteruit' draait (voor een cosinus zie je gewoon 10 Hz).
b
Controleer met een Python-programma: vergelijk de metingen van cos(2π · 50 t) met die van de schijnbare frequentie.
Programma en echte uitvoer:
# alias.py - bemonsteren is de wijzer in stapjes bekijken
import numpy as np
f, fs = 50.0, 60.0 # signaal van 50 Hz, 60 metingen per seconde
stap = 360 * f / fs # zoveel graden draait de wijzer tussen twee metingen
print("draai per meting: %.0f graden, dus schijnbaar %.0f graden" % (stap, (stap + 180) % 360 - 180))
k = np.arange(6)
z = np.exp(1j * 2 * np.pi * f * k / fs) # de wijzer op de meetmomenten
print("hoeken (graden):", np.round(np.degrees(np.angle(z))).astype(int))
f_schijn = ((f + fs / 2) % fs) - fs / 2
print("schijnbare frequentie: %.0f Hz" % f_schijn)
t = k / fs
print("cos 50 Hz :", np.round(np.cos(2 * np.pi * f * t), 3))
print("cos -10 Hz:", np.round(np.cos(2 * np.pi * f_schijn * t), 3))
De metingen zijn identiek: uit de getallen alleen kan niemand zien of het 50 Hz of 10 Hz was.
c
Bij welke bemonsteringsfrequenties zou het 50 Hz-signaal als 0 Hz (een constante) verschijnen? Waarom is dat gevaarlijk voor een meting?
Als de wijzer tussen twee metingen een geheel aantal omwentelingen draait: fs = 50, 25, 16,7, 12,5 Hz, ... Dan meet de logger elke keer dezelfde waarde, een schijnbaar constante spanning, die afhangt van het toevallige startmoment (tussen −325 en 325 V). Een filter vóór de ADC (hoofdstuk 21) of fs boven 100 Hz voorkomt dat.
Zo wordt dit beoordeeld
Redenering
Draai per meting correct; schijnbare draai tussen −180° en 180°; frequentie met teken.
Programma
Metingen van beide signalen vallen samen; resultaat correct geïnterpreteerd.
Veralgemening
fs = 50/k Hz gevonden; gevaar van een schijnbaar constant signaal uitgelegd.
7.16
Ontwerp: de synchronisatiecontrole van de omvormer
Uitdagen9Ontwerpen50 min
Voor de omvormer op het net inschakelt, moet het brein van het station controleren dat hij in de pas loopt. Koppelspoel 2,0 mH (X = 0,63 Ω); nominale stroom 17,4 A (4,0 kVA); de omvormer verdraagt kort 35 A.
a
Leid af dat het vermogen naar het net P=XU1U2sinδ is, met U1 de omvormer, U2 het net en δ het faseverschil.
I=jXU1ejδ−U2. Vermogen dat het net ontvangt: P=Re(U2Iˉ) met Iˉ=−jXU1e−jδ−U2. Dus U2Iˉ=−jXU1U2e−jδ−U22=Xj(U1U2cosδ−U22)+U1U2sinδ, en het reële deel is XU1U2sinδ.
b
Hoe groot mag het faseverschil bij het inschakelen hoogstens zijn om onder 35 A te blijven (gelijke spanningen)? En het spanningsverschil bij δ = 0?
∣I∣=2Usin(δ/2)/X≤35⇒sin(δ/2)≤46035⋅0,628=0,0478, dus δ≤5,5∘. Bij δ=0: ∣U1−U2∣≤35⋅0,628=22V (ongeveer 10 %).
c
Ontwerp de controle: welke grootheden meet je, met welke methode (denk aan de fasor uit metingen), welke grenzen, en hoe lang wacht je tot je inschakelt?
Bijvoorbeeld: meet beide spanningen synchroon (enkele kHz) en bereken elke periode hun fasor (amplitude en fase, zoals in het handboek); frequentie uit de draaiing van de fasor per periode. Schakel in als het frequentieverschil < 0,1 Hz, het faseverschil < 3° (marge onder 5,5°) en het spanningsverschil < 5 % gedurende minstens 10 periodes na elkaar; anders niet inschakelen (veilige toestand). Na het inschakelen volgt een fasevolger (PLL) het net. De hardware moet zelf ook een beveiliging hebben (hoofdstuk 23: noodstop los van de software).
Zo wordt dit beoordeeld
Afleiding
P = U₁U₂ sin δ / X correct afgeleid met fasoren (Re van U₂ maal de toegevoegde stroom).
Grenzen
Faseverschil en spanningsverschil correct berekend uit X en de toegelaten stroom.
Ontwerp
Meet frequentie, fase en amplitude van beide spanningen (fasor over hele periodes); grenzen en wachttijd onderbouwd; veilige toestand bij twijfel.
7.17
Debat: bestaan imaginaire getallen?
Uitdagen8Argumenteren40 min
Descartes noemde ze denkbeeldig, Cardano nutteloos. Toch rekent elk elektriciteitsnet, elke gsm en elke MRI-scanner ermee, en in de kwantummechanica staat j in de basisvergelijking. Maar een stroommeter wijst nooit '3j ampère' aan.
a
Verdedig één van de standpunten: (a) complexe getallen zijn een handige rekentruc, meer niet; (b) ze beschrijven iets echts. Gebruik minstens twee voorbeelden uit dit hoofdstuk.
(a) Wat je meet, is altijd reëel: het reële deel van een fasor. j is een boekhoudkundig middel om amplitude en fase samen te dragen, en je kan alles ook met sinussen en cosinussen doen (alleen veel langer). (b) Een complex getal is een draaiing met schaling; die is in een wisselstroomnet, een trilling of een golf even echt als een lengte. De hoek van een impedantie of het imaginaire deel van een eigenwaarde (de trillingsfrequentie) meet je wel degelijk, en in de kwantummechanica is een complexe amplitude onvermijdelijk.
b
Bestaan negatieve getallen of de wortel uit twee 'echt'? Wat zegt dat over je antwoord op de vorige vraag?
Ook negatieve getallen en irrationale getallen werden lang gewantrouwd (een negatief aantal schapen?). Ze werden aanvaard omdat ze een consistent systeem vormen dat de werkelijkheid goed beschrijft: een schuld, een temperatuur onder nul, de diagonaal van een vierkant. Het 'bestaan' van een getalsoort is een vraag over modellen, en met die maatstaf staan complexe getallen even sterk als negatieve.
Zo wordt dit beoordeeld
Argumenten
Minstens twee voorbeelden uit het hoofdstuk (fasor, impedantie, Euler, trilling) correct gebruikt.
Tegenargument
Het sterkste argument van de andere kant eerlijk weergegeven.
Reflectie
Vergelijking met andere getalsoorten; onderscheid tussen een meetbare grootheid en een model.
7.18
Het gemiddelde vermogen met fasoren
Uitdagen8Analyseren30 min
Een toestel krijgt u=U^cosωt en neemt i=I^cos(ωt−φ).
a
Bereken het gemiddelde van p=ui over één periode met een integraal (hoofdstuk 3). Tip: productformule of Euler.
cosAcosB=21[cos(A−B)+cos(A+B)]: p=21U^I^[cosφ+cos(2ωt−φ)]. De tweede term heeft over een periode gemiddelde nul (hoofdstuk 3), dus pˉ=21U^I^cosφ.
b
Toon aan dat dat gelijk is aan 21Re(UIˉ) met de fasoren U=U^ en I=I^e−jφ, en aan UeffIeffcosφ.
UIˉ=U^I^ejφ, reëel deel U^I^cosφ; de helft is pˉ. En 21U^I^=2U^2I^=UeffIeff.
c
Reken na voor de pomp uit het handboek (325 V, 5,70 A, 36°).